1,731,395 research outputs found
Measuring immigrant integration : diversity in a Dutch city
In 1994 heb ik, samen met collega's van de Universiteit Utrecht, surveyinterviews gehouden onder bewoners van de stad Haarlem. De gemeente Haarlem wilde het minderhedenbeleid van nieuwe impulsen voorzien, en onze opdracht was om daarover ideeën te verzamelen van allerlei Haarlemmers. Onze bevindingen hebben wij - met veel citaten en cijfermateriaal - als drie concurrerende visies op de multiculturele stad gepresenteerd (Reinsch e.a., 1995). Naar onze mening zou de lokale overheid een keuze uit deze visies moeten maken om een consistent beleid te voeren (Kunst e.a., 1995). Na afloop van het Haarlemse project bleef echter een aantal vragen aan mij knagen. Ten eerste zat ik met de vraag of die drie visies wél zo geworteld zijn in de geest van zoveel Haarlemmers. Hadden wij bijvoorbeeld met andere vragen geheel andere visies waargenomen? Er bestaat immers een veelheid aan literatuur over de manieren waarop allochtonen en autochtonen zich wederzijds kunnen aanpassen in een stedelijke omgeving. Een conceptueel model is echter ver te zoeken, althans een model waarin de integratie van allochtonen aan lokale doeleinden van culturele diversiteit wordt gekoppeld. Met gebruik van uiteenlopende theoretische bronnen ontwikkel ik in deze studie een dergelijk model. Daarin zijn bijvoorbeeld geen drie, maar acht ideaaltypische visies op de integratie van allochtonen onderscheiden. Ik bleef me ook afvragen of een surveyinstrument mogelijk is waarmee de integratie van individuele stadbewoners gemeten kon worden. De Haarlemse interviews duurden gemiddeld 100 minuten. In die tijd vertelden stadbewoners vrij veel over hun meningen en ervaringen met de stad. Hoeveel extra tijd zouden wij nog nodig hebben om hun eigen individuele integratieprocessen adequaat in kaart te brengen? Welke factoren hadden wij beter kunnen meten, en welke lenen zich eigenlijk niet voor metingen met surveymethoden? In deze studie bespreek ik een groot aantal metingen uit de Haarlemse survey. Meer in het algemeen verken ik de mogelijkheid om de relatie tussen autochtonen en allochtonen met surveyonderzoek te doorgronden
Hollandse film met een Hollands hart : nationale identiteit en de Jordaanfilms 1934 - 1936 /
Dit proefschrift werd mogelijk gemaakt met steun van het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (Universiteit Utrecht)Proefschrift ter verkrijging van de graad doctor aan de Universiteit Utrecht op gezag van de rector magnificus, prof.dr. G.J. van der Zwaan, ingevolge het besluit van het college voor promoties in het openbaar te verdedigen op maandag 29 oktober 2012 des middags te 2.30 uu
Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie geboortecohort
De PIAMA studie is een geboortecohort-studie waarin ca. 3.500 kinderen vanaf hun geboorte in 1996-1997 zijn gevolgd tot de leeftijd van 24-25 jaar. Het onderzoek betreft de ontwikkeling van astma, allergie, overgewicht, cardiometabole risicofactoren, mentale gezondheid, een breed scala aan leefstijl- en omgevingsfactoren die daarop van invloed kunnen zijn, en de gevolgen voor de kwaliteit van leven. De gegevens zijn/worden verzameld met behulp van vragenlijsten, klinisch onderzoek en metingen in de woningen van deelnemers. Het PIAMA onderzoek wordt uitgevoerd door het RIVM, de Universiteit Utrecht en het UMC Groningen. Voor meer informatie en resultaten van het PIAMA onderzoek, zie de website
Parti d’un exercice, on se retrouve avec une théorie
Op 3 juni 2003 kreeg Jean-Pierre Serre de eerste Abelprijs, een bedrag van D 750.000,–, voor het “spelen van een sleutelrol in het vormen van vele delen van de moderne wiskunde, zoals topologie, algebraïsche meetkunde en getaltheorie”. In het stafcolloquium Wiskunde van de Universiteit Utrecht werd een middag gewijd aan leven en werk van deze invloedrijke wiskundige. Gunther Cornelissen vertelt over zijn persoonlijke ervaringen met Serre en wat er op die dag zoal is verteld
T0123, T4, RCE Verwachtingen in Lagen
Ten behoeve van gebruik in een later door de opdrachtgever, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) op te zetten digitaal portaal met informatie voor archeologische professionals (2018: Landgebruik in Lagen; lil.rce.rnatoolset.net), zijn een landsdekkend kaartbestand (T0123.shp) met begraven landschappen uit de laatste 14.000 jaar en een bijbehorende serie paleohoogtemodellen gemaakt (2014-2017: deze dataset).
De kartering bestrijkt vier archeologisch relevante tijdsneden en verwerkt daartoe bestaande digitale geologische kaartbestanden zoals die door de betrokken partijen, TNO - Geologische Dienst van Nederland (TNO-GDN), de Universiteit Utrecht (UU) en Deltares, worden onderhouden. Naast deze digitale bestanden was ook de geautomatiseerde wijze van productie (een serie scripts) onderdeel van het voltooide product en deze dataset.
De dataset bevat de GIS bestanden van deze kaarten (digitaal eindproduct), de rapporten bij de bestanden (documentatie van het vervaardigingsproces, beschrijving van legenda en gebiedsindelingen), kopieën van de uitgangsbestanden (digitaal bronmateriaal), en bestanden die de gevolgde workflow digitaal vastleggen (ArcGIS ToolSet.MBX met data-combinatie modellen, scripted-workflow).
==
For use in a knowledge portal of the Netherlands' cultural heritage agency (RCE) aiming at archaeological professionals (2018: lil.rce.rnatoolset.net), a multi-layered national set of landscape maps and palaeoelevation models was made for the Netherlands’ former coastal and delta plain landscapes over the last 14,000 years (2014-2017: this dataset).
The map products cover four time slices, following an archaeological division scheme. The mapping made use of existing digital geological dataset as maintained at TNO - Geological Survey of the Netherlands (TNO-GDN), Utrecht University (UU) and Deltares. Besides the digital maps, also the automated production method (scripted, i.e. reproducible) is part of the finished product and this dataset.
The data set contains the GIS data that stores the maps (the end product), the set of reports spawned by the project (documentation of the production work flow, description of the legend and areal partitioning), copies of the ruling versions of the input digital map data (source data), and files that store the work flow digitally (ArcGIS ToolSet.MBX with processing-models: the scripted workflow).
The technical reports are in Dutch. Appendix 5 (‘Bijlage 5’) is a reprint of a paper in English, giving the project rationale and a basic description of the maps and palaeoDEMs
- …
