261 research outputs found
RAAP-notitie 5322
Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de landschappelijke situatie in combinatie met de vondsten die nabij het plangebied zijn aangetroffen, worden in het plangebied vindplaatsen van jager-verzamelaars verwacht. Deze vindplaatsen zijn echter erg verstoringsgevoelig en naar verwachting – door het intensieve gebruik van het terrein (o.a. meermaals bebouwd) – grotendeels verstoord.
Daarnaast worden door de relatief hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en goede ontwatering ook vindplaatsen verwacht van landbouwers (Bronstijd – Late Middeleeuwen) en resten gerelateerd aan de historische kern van Bitswijk (Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd). Het betreft resten van bewoning, beakkering en begraving. Ter plekke van het erosiedal worden bovendien archeologische resten verwacht die gerelateerd zijn aan zogenaamde ‘natte archeologie’. De verwachting is dat met name dieper ingegraven archeologische grondsporen en funderingsresten eventueel goed bewaard zijn gebleven. N.B. Ter plekke van de voormalige en huidige bebouwing is de verstoringsgraad van de bodem lastig in te schatten. Deze bebouwing zal wellicht een deel van het archeologisch bodemarchief verstoord hebben. Echter, zonder verder onderzoek, is de mate hiervan niet te bepalen. Dit betekent dat er voorlopig van uitgegaan wordt, dat eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk maar beperkt verstoord zijn (mogelijk alleen ter plekke van de (strook)funderingen). Aanbevelingen De resultaten van het onderzoek tonen aan dat in het plangebied archeologische resten worden verwacht, die bij de bestaande plannen verstoord kunnen worden. Gezien de aard van de geplande ingrepen wordt aanbevolen om de plannen zodanig aan te passen dat de (verwachte) archeologische resten in de bodem behouden kunnen blijven. Dit houdt in dat de graafwerkzaamheden zich dienen te beperken tot de reeds verstoorde bovengrond (circa 30 cm –Mv). Dit lijkt met name een reële optie bij de aanleg van de parkeerplaatsen. Ter plaatse van de beoogde nieuwbouw zou de gewenste aanlegdiepte alsnog bereikt kunnen worden door het gebied van tevoren op te hogen. Indien (volledige) aanpassing van de plannen niet mogelijk is, en plaatselijk toch dieper dan 30 cm –Mv moet worden gegraven, wordt aanbevolen om op die locaties verder archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Vervolgonderzoek is daarbij alleen aan de orde indien – conform het gemeentelijke beleid – de vrijstellingsgrens van 50 m² wordt overschreden. Hiertoe worden uiteraard niet alleen de bouwwerkzaamheden gerekend, maar ook de andere grondwerkzaamheden (aanleg riool/infra, verhardingen, e.d.). Het vervolgonderzoek dient meer inzicht te geven in de aanwezigheid, aard, omvang, datering, diepteligging, gaafheid, conservering en waarde van eventueel aanwezige archeologische resten. Dit onderzoek kan bestaan uit een waarderend proefsleuvenonderzoek, met eventuele doorstart naar een opgraving. Zowel een waardering, als een eventuele opgraving, dienen uitgevoerd te worden conform een vooraf goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Tot slot De sloopwerkzaamheden zijn bij bovenstaand advies buiten beschouwing gelaten. Hoewel archeologische resten door de sloopwerkzaamheden verstoord kunnen worden, leert de ervaring, dat tijdens sloopwerkzaamheden vaak nauwelijks waarnemingsmogelijkheden zijn. Pas na afloop van de sloop is archeologisch onderzoek eventueel weer relevant. Uiteraard is het van belang dat bij de uitvoering van de sloopwerkzaamheden ervoor zorg wordt gedragen, dat de bodem – buiten de te verwijderen funderingen – zo min mogelijk wordt verstoord (omringende grond zo min mogelijk verstoren/afvoeren). Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Uden deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap i.c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (vondstmelding via ARCHIS) ten alle tijden verplicht. Indien u vragen heeft kunt u contact opnemen met de projectleider van dit project Mijke Peeter
Plangebied Westelijke Langstraat; Vrouwkensvaartsestraat te Waspik, gemeente Waalwijk; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
In opdracht van Kragten heeft RAAP in maart 2020 een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Westelijke Langstraat; Vrouwkensvaartsestraat te Waspik in de gemeente Waalwijk. In het plangebied wordt het maaiveld verlaagd (20 cm -mv) en bestaande (gedempte) sloten uitgegraven. Na uitvoerig overleg met gemeente en provincie is besloten dat alleen voor dit gebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd dient te worden.
In het plangebied zijn 28 boringen verricht in een grid van 40 bij 50 m in zeven oost -west georiënteerde raaien. Ten behoeve van de optimale spreiding versprongen de boorpunten ten opzichte van de volgende raai 20 m van elkaar. Er is geboord tot maximaal 140 cm onder maaiveld. Op basis van het veldonderzoek blijkt dat het plangebied zich bevindt in een relatief nat en vlak dekzandgebied, dat is bedekt met veen. Dit veen is ergens tussen 2750 en 1500 voor Christus ontstaan. Voor, tijdens en na de veenvorming is het plangebied overstroomd, waarbij rivierklei is afgezet. In het zuidelijk deel van het plangebied is de bodem tot (in) het dekzand verstoord. Dit is waarschijnlijk gebeurd tijdens de ruilverkaveling in de jaren 90 van de vorige eeuw. Vanaf het maaiveld bevindt zich in heel het plangebied een zandig ophogingspakket.
In het plangebied worden op basis van het veldonderzoek alleen nog maar ontginningsgreppels verwacht die gegraven zijn tijdens de ontginning van het veen tijdens de middeleeuwen en nieuwe tijd. Tijdens het archeologisch veldonderzoek werd ook, door een ander bedrijf, een geofysisch onderzoek uitgevoerd om de ligging en diepte van deze greppels in kaart te brengen.
Advies graafwerkzaamheden sloten:
Er wordt geadviseerd vast te houden aan de geplande maaiveldverlaging van 20 cm. Hiermee blijven de graafwerkzaamheden in het 25-45 cm dikke zandige ophogingspakket en wordt het veen bespaard. Aangezien het geofysisch onderzoek voldoende inzicht (locatie en diepte) geeft over de ontginningssloten en de kans op het aantreffen van vondsten in deze sloten zeer klein is, wordt voor de werkzaamheden van het verdiepen van de sloten geen verder archeologisch onderzoek nodig geacht. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt vondsten aangetroffen worden dienen deze gemeld te worden. Er bestaat hiervoor namelijk een meldingsplicht. Meer informatie kunt u vinden op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de Provincie Noord-Brabant, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit
Plangebied De Kroon 12a en 12b in Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg; archeologisch vooronderzoek: een karterend proefsleuvenonderzoek en opgraving
In opdracht van Buro Bouman heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een archeologisch onderzoek uitgevoerd in plangebied De Kroon 12a en 12b in Wijk en Aalburg in de gemeente Aalburg, in verband met bouwplannen aldaar. Het gebied is in eerste instantie onderzocht door middel van drie proefsleuven. Daarbij zijn twee behoudenswaardige archeologische vindplaatsen in het plangebied aangetroffen. Vindplaats 1 betreft een erf uit de Late Middeleeuwen A. Vind¬plaats 2 betreft een gebouw uit de Nieuwe tijd. Derhalve heeft de gemeente Aalburg besloten om een opgraving uit te laten voeren in die delen van het plangebied waar behoud in situ van de archeologische resten niet mogelijk bleek. Deze opgraving komt overeen met de bouwput op perceel 12a (ABG00EE 03358G0000).
In totaal is circa 371 m² van het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten en sporen. De onderzoeksresultaten zijn beperkt ten gevolge van de kleinschaligheid van de opgraving. Tijdens de opgraving is een derde vindplaats aangetroffen. In totaal gaat het om drie behoudenswaardige vindplaatsen:
• vindplaats 1: bewoningsporen van de Late Middeleeuwen A;
• vindplaats 2: een gebouw uit de Nieuwe tijd;
• vindplaats 3: een gebouw uit de 17e tot begin 19e eeuw.
Besloten is om alleen ter plekke van de beoogde verstoringen de archeologische resten op te graven, zowel in horizontaal als verticaal opzicht. In het omringde én dieper gelegen gebied blijven de resten derhalve in situ behouden. Voor de nog niet opgegraven terrein delen blijft de dubbelbestemming archeologie behouden zowel in horizontale als verticale zin.
Dit rapport geeft (selectie)adviezen. De bevoegde overheid (gemeente Aalburg) kan deze laten bekrachtigen in een selectiebesluit. Indien u vragen heeft kunt u contact opnemen met de projectleider van dit project, drs. R. Roggen
Nieuwe verbinding N69, gemeenten Valkenswaard, Bergeijk en Veldhoven Archeologisch vooronderzoek: een bureaustudie en een verkennend booronderzoek
In opdracht van Arcadis heeft RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de geplande aanleg van de Grenscorridor N69, in de gemeenten Valkenswaard, Bergeijk en Veldhoven. Het onderzoek bestond uit een bureaustudie en een verkennend booronderzoek. Het primaire doel van het onderzoek was inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de archeologische potentie van het onderzoeksgebied. Het onderzoek is uitgevoerd tussen 18 en 26 april 2016, de uitwerking vond plaats in juni 2016. Uit de bureaustudie is gebleken dat geen bekende archeologische vindplaatsen bekend zijn uit het geplande wegtracé. Tijdens het veldwerk zijn enkele geïsoleerde vuursteenvondsten verzameld. De vuursteenvondsten kunnen worden geïnterpreteerd als zogenaamde losse vondsten, die als off site-fenomenen kunnen worden beschouwd. De gaafheid van de bodem verschilt sterk. In grote delen is de natuurlijke bodemopbouw niet meer volledig of grotendeels intact. Derhalve wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen naar de bekende archeologische resten in deze delen van het wegtracé. Daarnaast is de archeologische verwachting en de gaafheid van de bodem zodanig, dat enkele zones in aanmerking komen voor een karterend booronderzoek.
Uiteindelijk wordt aanbevolen om op basis van de hoge archeologische verwachting en bodemgaafheid drie zones te selecteren voor een karterend en/of waarderend archeologisch onderzoek: - zone 1: het bosgebied zuidelijk van de Broekhovenseweg; - zone 2: het bosgebied binnen deelgebied H; - zone 3: het gebied met hoge zwarte enkeerdgronden bij Westerhoven.
Met betrekking tot zones 1 en 2 wordt een karterend booronderzoek naar Steentijdvindplaatsen aanbevolen. Ter plekke is de bodem veelal volledig intact en is de verwachting voor de aanwezigheid van vindplaatsen van jager/verzamelaargemeenschappen hoog. Voorgesteld wordt om dezelfde onderzoeksmethodiek als het reeds uitgevoerde karterend en waarderend booronderzoek te volgen. Met betrekking tot zone 3 wordt een waarderend onderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen. Ter plekke is de bodem veelal volledig intact en is de verwachting voor de aanwezigheid van vindplaatsen van boerengemeenschappen hoog. Voorgesteld wordt om dezelfde onderzoeksmethodiek voor het nog uit te voeren proefsleuvenonderzoek in deelgebieden A-G te volgen.
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de Provincie Noord-Brabant een selectiebesluit (contactpersoon dr. M. Meffert). Indien u vragen heeft kunt u contact opnemen met de projectleider van dit project, drs. X.C.C. van Dijk
Onderzoeksgebied Begraafplaats Megen, gemeente Oss; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (geofysisch)
In opdracht van de gemeente Oss heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in november 2016 een archeologisch onderzoek uitgevoerd op het terrein van de begraafplaats in Megen, gemeente Oss (een terrein van hoge archeologische waarde, ARCHIS-monumentnummer 4765). De aanleiding voor dit onderzoek is het feit dat tijdens kleinschalige graafwerkzaamheden op het terrein regelmatig gestuit wordt op funderingsresten. De gemeente Oss wil de ligging van funderingsresten binnen het onderzoeksgebied (de zuidwesthoek van de begraafplaats) in kaart laten brengen middels geofysisch onderzoek.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een geofysisch onderzoek (grondradaronderzoek). Om te beginnen is het onderzoeksgebied (ca 180 m2) gemeten en vervolgens zijn enkele banen op de begraafplaats buiten het onderzoekgebied gemeten. Tenslotte zijn direct volgend op het grondradaronderzoek controle (prikstok)boringen gezet. Aanvullend is een historisch kaartenonderzoek uitgevoerd om de resultaten beter te kunnen duiden.
De locatie betreft een monumentterrein (terrein van hoge archeologische waarde; ARCHISmonumentnummer 4765) op basis van de verwachte ligging van resten van de middeleeuwse Sint-Servatius kerk. De resultaten van dit onderzoek bevestigen deze verwachting. Binnen het onderzoeksgebied dient rekening te worden gehouden met de ligging van funderingsresten van de kerk vanaf 0,3 m –Mv in ieder geval binnen de op figuur 4 aangegeven zones. Daarnaast zijn mogelijk binnen het hele onderzoeksgebied en daarbuiten resten te verwachten van de kerk en het bijbehorende kerkhof. Het is onbekend wat de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de resten is. De behoudenswaardigheid van de vindplaats zou kunnen worden vastgesteld door middel van een proefsleuvenonderzoek.
Over dit advies kunt u contact op nemen met de bevoegde overheid, in deze drs. R. Jansen, archeoloog van de gemeente Oss
RAAP-RAPPORT 3727
Voor u ligt het gecombineerde onderzoek van een KNA-conform bureauonderzoek met een archeologische verwachtings- en advieskaart ten behoeve van herinrichtingsmaatregelen in het beekdal van de Groote Beerze én een AHN2-studie van cultuurhistorische relicten op de Landschotse Heide en in de beekdalen van de Groote en Kleine Beerze. Het plangebied van de Groote Beerze valt binnen het veel ruimere plangebied van het AHN2-onderzoek. Vanuit inhoudelijke en kostentechnisch oogpunt is het dan ook een logische keuze om de resultaten in één rapport te presenteren. Vanwege de verschillende kaders echter, waarbij voor KNA-conform onderzoek een veel strakker format wordt opgelegd dan voor wetenschappelijke onderzoek los van de KNA, is de rapportage in twee delen gesplitst.
Deel I heeft betrekking op het gebied waar toekomstige werkzaamheden mogelijk een onderzoeksverplichting met zich meebrengen. Omdat de plannen zich nog in een vroeg stadium bevinden, is het nog mogelijk om eventuele aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden in de plannen te passen, dan wel de plannen aan te passen. Daartoe dient een inventarisatie te gebeuren van bekende waarden, en een verwachting uitgesproken te worden ten aanzien van nog onbekende waarden.
Deel II heeft betrekking op het AHN2-onderzoek, dat gericht is op het ontsluiten en goed beheren van cultuurhistorische waarden. Het gaat daarbij om aan het oppervlak zichtbare relicten die middels de AHN2 opgespoord zijn.
In deel III worden de conclusies en adviezen van deel I en II gepresenteerd. De adviezen hebben betrekking op behoud (in situ dan wel ex situ indien planaanpassing niet mogelijk is) en beheer, maar ook op ontsluiting en beleefbaar maken van archeologie en cultuurhistorie.
1.1 Conclusies archeologische verwachtingskaart
Om te weten welke archeologische kralen in het gebied aanwezig zijn of kunnen zijn, is een bureauonderzoek uitgevoerd en een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld. Dat de Natte Natuurparel Groote Beerze archeologische parels kan opleveren wordt bevestigd door de reeds bekende vindplaatsen die zich alle op de rand van het beekdal bevinden. Het gaat om resten van tijdelijke jachtkampen van jager-verzamelaars uit de steentijd (laat paleolithicum en mesolithicum) en om sporen en vondsten van permanente nederzettingen uit de brons-, ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Het beekdal zelf is nog grotendeels terra incognita. Twee watermolens, die teruggaan tot de late middeleeuwen zijn bekend uit het plangebied, alsmede diverse bruggen die minstens dateren uit het einde van de 18e eeuw.
De verwachtingszones voor nog onbekende vindplaatsen zijn voor het plangebied Groote Beerze weergegeven op kaartbijlage 1a en in tabel 9). De verwachtingskaart is gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart van de gemeenten Bladel en Oirschot. Voor het plangebied zijn deze gegevens verder verfijnd en aangevuld. Concreet betekent dit dat onder meer op basis van de huidige landschappelijke gegevens (bodem, geomorfologie en reliëf) de droge en natte landschappen in het plangebied strakker zijn begrensd en er binnen het beekdal specifieke verwachtingszones zijn aangeduid. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen gebieden waar sporen van ‘droge’ archeologie: kampementen van jager-verzamelaars en nederzettingen en graven van landbouwende gemeenschappen, en ‘natte’ archeologie kunnen voorkomen: resten van jacht en visvangst, afvaldumps, rituele deposities, beekovergangen, watermolenbiotopen, delfstoffenwinning en paleoecologische resten/ artefacten.
1.2 Conclusies AHN2-studie
In opdracht van Stichting Brabants Landschap en Waterschap de Dommel heeft RAAP een AHN2onderzoek en veldinspectie uitgevoerd voor de Landschotse Heide en Groote en Kleine Beerze in de gemeenten Bladel, Oirschot en Eersel. Deze studie beoogt in vroege fase van planvorming het potentieel aan in het veld zichtbare erfgoed in het studiegebied in kaart te brengen, zodat deze waarden kunnen worden meegewogen bij de verdere plan- en visievorming inzake natuurontwikkeling, waterbeheer, recreatieve ontsluiting en beheer van de terreinen.
Met remote sensing zijn onder de aanduiding Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) uiterst gedetailleerde en nauwkeurige hoogtegegevens voor heel Nederland beschikbaar. Van elke vierkante meter zijn meerdere hoogtemetingen beschikbaar met behulp van laserpulsen. Een dankbaar instrument voor geïnteresseerden in sporen van erfgoed in het landschap. Menig historische structuur en haar landschappelijke inbedding zijn fraai in beeld te krijgen. Vooral gaat het dan om gebieden die tot op de dag van vandaag als bos- of natuurgebied in gebruik zijn gebleven en ongestoord de tand des tijds zijn ontsprongen.
Het onderzoek heeft vele cultuurhistorische relicten opgeleverd die laten ‘lezen’ in het microreliëf. In menig geval was het niet zo eenvoudig één en ander te duiden, en soms ook buitengewoon lastig deze te dateren. Maar door combinatie van veldinspecties, studie van historische kaarten, analyse van luchtfoto’s, archiefonderzoek en door gebruik te maken van ooggetuigenverslagen, kon het karakter van menig relict achterhaald worden. Het resultaat is een kaart met daarop historisch te onderscheiden landschappen en de daarin verankerde cultuurhistorische relicten, zoals:
historische wegen en karrensporen, leemwinningsplekken en steenovens, beemdenverkavelingspatronen, sporen van bosbouw, schietbanen uit 1919, Notabwurfplatz für Bomben, Oefenterrein voor het opleiden van Duitse piloten, Sporen die in verband staan met de bevrijding van de Beerzen.
Voor adviezen en aanbevelingen wordt verwezen naar deel III, hoofdstuk 2 van de rapportage
Een archeologische opgraving
In opdracht van Woongroep Abshof heeft RAAP van 5 tot en met 8 november 2018 een archeologische opgraving uitgevoerd in het kader van het project ?Munstergeleen-Abshoven? in de gemeente SittardGeleen. Het doel van het onderzoek was het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie van de archeologische resten. Uit divers vooronderzoek is duidelijk geworden dat op de locatie van het plangebied een middeleeuwse hoeve heeft gestaan, waarvan de historische vermeldingen teruggaan tot in de 13e eeuw. Tot in de 20e eeuw heeft een vierkantshoeve bestaan, die sinds 1901 toebehoorde aan de Dienaressen van het hart van Jezus. In 1995 brandde het complex af, waarna het in 2005 (illegaal) gesloopt werd.
Tijdens het onderzoek is ??n grote werkput aangelegd (put 1), de toekomstige bouwput van het appartementencomplex. De werkput heeft een U-vorm, overeenkomend met de voormalige hoeve en ook nagenoeg op dezelfde locatie als deze. Het oppervlak van deze bouwput bedroeg ongeveer 1.220 m2 en is middels twee tot vier vlakken onderzocht, afhankelijk van de verstoringsdieptes in de diverse delen.
Het gebied blijkt grondig gesloopt in 2005. Het overgrote deel van de opgravingsvlakken (90-95%) bestond uit menglagen met puin, waartussen zich ook moderne resten als betonijzer, kabels en plastic bevonden. Alleen langs de westelijke rand van de bouwput zijn gebouwresten aangetroffen. De archeologische resten bestaan uit delen van muren, een kelder, paalsporen, enkele kuilen en een greppel. Op fragmenten mergel, baksteen en mortel na is geen vondstmateriaal aangetroffen dat ouder is dan de (sub)recente tijd (20e eeuw). Hoogstwaarschijnlijk gaat het bij de sporen om resten van v??r de verbouwingen in de tweede helft van de 20e eeuw, resten die vermoedelijk uit de vroege 18e eeuw dateren. Slechts ??n greppel en twee muren behoren niet tot dit systeem en zijn waarschijnlijk ouder. Hoe oud blijft echter onduidelijk. De muren dateren waarschijnlijk uit de middeleeuwen of de nieuwe tijd, de greppel kan ook nog ouder zijn (Romeinse tijd of prehistorie).
De nu onderzochte delen kunnen worden vrijgegeven voor ontwikkeling: de bouwput plus een zone van 4 m langs de noordelijke grens van het plangebied (een verwijderde asfaltweg). De overige zones binnen het plangebied moeten echter opgeschaald worden tot een ?hoge archeologische verwachting?. Hier zal een dubbelbestemming archeologie moeten blijven bestaan. In deze zones kunnen zich namelijk resten uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd bevinden
RAAP-notitie 5161
In opdracht van Kaasboerderij Captein heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in juli 2015 een archeologisch onderzoek uitgevoerd in plangebied Weipoortseweg 29b en Ommedijkseweg 13 en 14 in Zoeterwoude in de gemeente Zoeterwoude. De aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen om op deze locatie diverse watergangen te verbreden en te dempen. Het onderzoek is nodig in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning, aangezien naar verwachting eventueel aanwezige archeologische resten bij toekomstige graafwerkzaamheden in het gebied zullen worden verstoord. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is derhalve verplicht conform het vigerend gemeentelijk beleid. Op basis van het bureauonderzoek en de voorgenomen bodemingrepen (§ 1.3) kan worden geconcludeerd dat bij de realisatie van de plannen mogelijk archeologische resten zullen worden verstoord. In het plangebied kunnen getijdenkreken onder het Hollandveen aanwezig zijn. Voor deze getijdenkreken geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum. Voor de kreekafzettingen behorend tot de zijarm van de Oude Rijn (de Weipoortse Vliet) geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit IJzertijd en Romeinse tijd. Langs de ontginningsas (Ommedijkseweg en Weipoortseweg) geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late middeleeuwen en Nieuwe tijd. Voor de overige perioden geldt een lage archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Geadviseerd wordt om de eerste (oostelijke) 500 m van het perceel aan de Weipoortseweg 29b vrij te geven. Daarnaast wordt geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO) verkennende fase, bestaande uit booronderzoek, uit te laten voeren op de overige percelen. Over dit advies kunt u contact op nemen met de bevoegde overheid, in deze de heer Vennik, beleidsmedewerker van de gemeente Zoeterwoude. Indien u dat wenst, kunnen wij u in dit overleg assisteren
RAAP-notitie 5182
In opdracht van Kamstra Architecten BNA heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in augustus 2015 een archeologisch onderzoek uitgevoerd in plangebied Amstelveenseweg 938 te Amsterdam in de gemeente Amsterdam. De aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen om op deze locatie de bestaande bebouwing uit te breiden. Het onderzoek is nodig in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning, aangezien naar verwachting eventueel aanwezige archeologische resten bij toekomstige graafwerkzaamheden in het gebied zullen worden verstoord. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is derhalve verplicht conform het vigerend gemeentelijk beleid. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) uit de periode (Laat) Paleolithicum t/m Nieuwe tijd. Voor de top van de dekzandafzettingen geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode (Laat) Paleolithicum - Mesolithicum; de pleistocene afzettingen zijn namelijk geërodeerd door latere getijdengeulen en dus is het potentieel archeologisch niveau niet meer intact aanwezig. Het (inter)getijdenlandschap dat zich heeft ontwikkeld in het Neolithicum was weinig geschikt voor bewoning. Om die reden geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum. Als gevolg van de verdere vernatting is het plangebied overgroeid geraakt met veen. Dit veenlandschap was slecht bewoonbaar vanaf het Laat Neolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen. Daarom geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode Laat Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen op het aanwezige veen (tot aan de ontginningen). Hoewel het plangebied deel uitmaakt van een terrein van hoge archeologische waarde, namelijk het bewoningslint uit de Late Middeleeuwen langs de Amstelveenseweg, geldt toch een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de buitendijkse ligging van het plangebied en op het feit dat op de historische kaarten de bebouwing voornamelijk aan de oostelijke kant van de Amstelveenseweg aangegeven staat en niet in het plangebied zelf. Eventuele archeologische resten worden direct vanaf maaiveld verwacht. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geen vervolgstap in het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Over dit advies kunt u contact opnemen met de bevoegde overheid, in deze het hoofd van de afdeling Archeologie van Monumenten en Archeologie van de Gemeente Amsterdam, prof.dr. J. Gawronski. Indien u dat wenst, kunnen wij u in dit overleg assisteren
RAPPORT 3357
In opdracht van Edwin Oostmeijer Projectontwikkeling en ERA Contour heeft RAAP in december 2015 en januari 2016 twee archeologische opgravingen uitgevoerd in verband met de ontwikkeling van het nieuwbouwproject Spijkerbroek in het spijkerkwartier van Arnhem. Tijdens deze onderzoeken zijn archeologische resten uit de bronstijd, middeleeuwen en 16e tot en met de 20e eeuw gevonden. Het speerpunt van het archeologisch onderzoek was de historische bekende spijker die op deze plaats gelegen moet hebben. Resten daarvan werden slechts deels aangesneden. Van het spijker werd de lange noordgevel en een deel van de gracht blootgelegd. Het grootste deel van het spijker blijft ongeschonden liggen onder de Dullertstraat. Deze straat is vernoemd naar de laatste bewoner van het spijker, een buitenplaats van adellijke lieden. Het spijker was bewoond van de 16e tot de late 19e eeuw. Na de bovengrondse sloop van het spijker werd dit deel van Arnhem bebouwd met fabrieken voor de productie van onder andere melk en verlichtings- en verwarmingsproducten. Van deze industriële complexen gelegen aan de verlegde Molenbeek, werden verschillende muren, kelders en vloeren aangetroffen die dateren tot in de eerste helft van de 20e eeuw.
Een opvallende en onverwachte bijvangst was het aantreffen van grondsporen uit de prehistorie. Het betreft twee grote kuilen en twee vermoedelijke paalkuilen uit de bronstijd verdeeld over twee kleine sporenclusters. De combinatie van grote kuilen, met in één daarvan een groot aantal scherven van waarschijnlijk vijf potten van handgemaakt, onversierd en zeer grof gemagerd aardewerk, en kleinere paalkuilen duidt mogelijk op een nederzettingslocatie. Een van de kuilen is gedateerd door middel van een 14C-ouderdomsbepaling. Het resultaat daarvan plaatst de kuil tussen 1280 en 1050 voor Chr., ofwel de eindfase van de midden-bronstijd nabij de overgang naar de late bronstijd. Een tweede cluster sporen werd 30 meter zuidelijker aangetroffen. Ze dateren op grond van aardewerk uit het begin van de late bronstijd. Vermoedelijk behoren alle sporen uit de bronstijd tot hetzelfde nederzettingsterrein, waarbij het meest westelijke cluster een vroegere bewoningsfase representeert dan het cluster ten oosten daarvan. Tussen beide clusters met prehistorische sporen werden een greppel en enkele (paal-)kuilen uit de middeleeuwen gevonden. Een relatie met het spijker lijkt niet te bestaan. Het geheel aan grondsporen duidt op (agrarisch?) landschapsgebruik of een begrenzing van een zone ter hoogte van de beek. Op grond van slechts twee vondsten kunnen de sporen in de 14e eeuw gedateerd worden.
Belangrijke resten zijn toe te wijzen aan het spijker. Deze staat bekend als het Dullertspijker, vernoemd naar zijn laatste bewoner die het pand in bezit had van 1832 tot de sloop in 1880. De bouwdatum van het spijker is niet bekend en wordt in schriftelijke bronnen voor het eerst vermeld in 1612. Op de kaart van Van Deventer uit 1560 staat het spijker echter al aangegeven.
Op basis van het gebruikte baksteenformaat 25/26 x 12/13 x 6/6,5 cm ligt een datering in (het begin van) de 16e eeuw voor de hand. Dergelijke baksteenformaten zijn in Arnhem veelvuldig gedocumenteerd bij panden in deze tijd, hoewel een dergelijk formaat in andere Gelderse steden al in de 15e eeuw wordt gebruikt. Ook het metselverband (kruisverband) wijst op een datering in de 16e eeuw. Vanaf circa 1500 wordt, naast het staand verband, het kruisverband toegepast. Van het spijker kon één zijde volledig blootgelegd worden. Deze was ruim 16 m lang en betrof de lange noordzijde. De fundering liep schuin omhoog en had aan de basis een breedte van 0,8 tot 0,9 m. Binnen de plattegrond zijn twee dwarsmuren met een tussenliggende vloer opgetekend. Aan de zuidwestzijde is een bijna 5 m brede gracht gedocumenteerd. In de grachtvulling was veel (oud) bouwpuin in de vorm van dakpannen aanwezig. In één van de onderste lagen werd een vroege pijpenkop gevonden. Deze vondst dateert een eerste opvullingslaag van de gracht vanaf het eerste kwart van de 17e eeuw. De gracht had een vlakke bodem en was (slechts) 1,5 m diep. De opgetekende gracht om het spijker kon niet helemaal blootgelegd worden; een deel bleef verborgen onder de Dullertstraat. Het verloop van zowel spijker, komt vrijwel exact overeen met de kadastrale gegevens uit het begin van de 19e eeuw. Opmerkelijk is dat de gracht niet aan de oostzijde werd aangetroff en. Op de plaats waar de gracht aangetroff en zou moeten worden werd wel een grote verstoring blootgelegd. Wellicht is de gracht op deze plaats later (deels) uitgegraven en gevuld met geel zand ten behoeve van de fundering van latere bouwwerken op deze plaats. Bij het onderzoek naar de gracht kon worden vastgesteld dat deze aan de zuidwestzijde een schone vulling had en dat er veel dakpannen in waren gestort. Uit deze vulling is ook een nagenoeg complete steengoedkan afkomstig. Deze kan met een typisch 16e-eeuwse, moraliserende tekst was gedateerd in 1596. De gracht aan de westelijke of zuidelijke (voor-)zijde van het spijker is al in de vroege 17e eeuw gedempt, waarna de u-vormige gracht, zoals bekend van de kadastrale optekening, in gebruik blijft tot de sloop van het spijker in de late 19e eeuw. In het zuidelijk deel van de gracht is veel vondstmateriaal verzameld. Naast glas en keramische vondsten is dierlijk bot verzameld en zijn monsters genomen voor macro-onderzoek van botanisch materiaal.
De onderzoeksresultaten en de vondsten leveren een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van het Spijkerkwartier te Arnhem. Het grote aantal vondsten geeft een tastbaar beeld van een 16e-eeuwse buitenplaats. Vele bijzondere vondsten zoals gebruiksgoed in aardewerk en glas (drink- en eetgerei) schetsen een beeld van de levenswijze en -standaard van de bewoners van het spijker vanaf de 17e eeuw. Vanaf die tijd is er een grote toename in het vondstmateriaal, vooral keramisch gebruiksgoed en glas. De verdeling van keramische bakselgroepen uit de 17e, 18e en 19e eeuw toont naast het gebruikelijke roodbakkende aardewerk een even grote hoeveelheid steengoed, tinglazuuraardewerk, vooral faience, en porseleinen borden die aan de wanden of boven de haard hebben gehangen. Uit de vormverdeling blijkt een duidelijk, naar luxe neigend, huishoudelijk gebruik van het terrein. Uit het slachtafval blijkt een gevarieerd vlees-, gevogelte- en vismenu dat op tafel stond. Ook de groenten en kruiden uit waarschijnlijk eigen tuin geven aan dat het de bewoners van het spijker aan weinig ontbrak
- …
