1,721,041 research outputs found
Onderzoeksagenda duurzame garnalenvisserij
Op 13 mei 2009 hebben het Ministerie van LNV, de gezamenlijke Producentenorganisaties voor de garnalenvisserij in Nederland, en de natuurorganisaties Stichting de Noordzee en de Waddenvereniging het belang onderschreven van een gezamenlijk traject naar een verduurzaming van de garnalenvisserij. Hiertoe hebben zij een aantal afspraken ondertekend als start voor het opstellen van deze “Agenda naar een Duurzame garnalenvisserij”. Deze beleidsagenda kent een aantal korte termijn afspraken (t/m 2010) en voor de langere termijn (t/m 2020) wordt een transitietaakstelling neergezet. Eén van de afspraken voor de korte termijn is dat het noodzakelijk is dat er in 2009 een concrete onderzoeksagenda inclusief uitvoeringsprogramma wordt opgesteld. De opstelling van deze onderzoeksagenda hangt samen met de het opstarten van onderzoek dat door LNV als voorwaarde opgenomen is in de NB-wetvergunning voor de garnalensector, en is tevens een voorwaarde in het Beheer en Managementplan (BMP) dat de garnalensector heeft opgesteld om te voldoen aan de criteria van MSC (Marine Stewardship Council)-certificering. Volgend uit het BMP MSC-certificering is reeds een Onderzoeksvoorstel opgesteld door de Kopgroep MSC Garnalen (27 maart 2009) waarin een inventarisatie van lopend en benodigd onderzoek wordt gepresenteerd. Daarnaast moet de onderzoeksagenda ondersteunend zijn aan de nog te maken langere termijn afspraken gericht op de verduurzaming van de garnalensector in 2020
Zoute spiering lijkt biet te paaien in IJsselmeer: onderzoek IMARES en Universiteit van Brussel (interview met
Zoute spiering uit de Waddenzee paait nog nauwelijks in het IJsselmeer. Dat kan mede een verklaring zijn voor de achteruitgang van de IJsselmeerspiering. Dat blijkt uit onderzoek van IMARES Wageningen en de Universiteit van Brussel dat in juli 2013 werd gepubliceerd
Onderzoek vergelijkend vissen mislukt: onderzoeksvakken toch bevist door garnalenkotters (interview met Ingrid Tulp)
Slechts een van de vijftien vakken voor noodzakelijk onderzoek naar effecten van garnalenvisserij op de bodemfauna blijkt volgens plan onbevist te zijn gebleven. In zes vakken is zeker gevist, en in acht vakken vermoedelijk ook. Onderzoekster Ingrid Tulp van IMARES kan maar een conclusie trekken: "De opzet van het onderzoek met vergelijkend vissen is dusdaning verstoord dat het zinloos is de resultaten nu verder te analyseren. Erg vervelend voor alle partijen.
Analyse visgegevens DFS (Demersal Fish Survey) ten behoeve van de compensatiemonitoring Maasvlakte 2
Binnen het monitoringprogramma dat is ingesteld om de compensatie opgave voor de aanleg van de Tweede Maasvlakte te onderzoeken is er in 2014 geen specifiek visprogramma uitgevoerd. In plaats daarvan is een analyse uitgevoerd van de data uit de lange termijn monitoring in het kader van de Demersal Fish Survey (DFS) met een tweeledig doel: 1. in het jaar waarin er geen vismonitoring plaatsvond, toch een ‘vinger aan de pols’ te houden. 2. om de ontwikkeling van vis in de Voordelta in breder kader te plaatsen: door recente ontwikkelingen in de visstand in de Voordelta te relateren aan lange termijn veranderingen en door de trends in vis in de Voordelta te contrasteren met die in andere gebieden in de Nederlandse zoute wateren
Baseline studie vis MEP-MVII: veldwerkrapportage voorjaar 2005
Om na te gaan of de effecten van de landaanwinning voor de tweede Maasvlakte (MV2) tijdig en afdoende worden gecompenseerd door natuurcompensatiemaatregelen moet een monitoring- en evaluatieprogramma worden uitgevoerd. Als basis voor de effectmeting worden nulmetingen uitgevoerd die de situatie voor de aanleg van MV2 moet beschrijven. Een consortium van het Nederlands Instituut voor Visserijonderzoek, Centrum voor Estuariene en Mariene Ecologie en WL|Delft Hydraulics is geselecteerd om de nulmetingen voor bodemfauna en vissen uit te voeren. Het plan van aanpak voor beide onderdelen beschrijft de achtergrond en geeft argumenten voor de opzet van het bemonsteringsprogramma. Dit rapport doet verslag van de werkzaamheden tijdens de eerste survey uitgevoerd in mei - juni 2005
Onderzoek effecten garnalenvisserij in natura 2000 - gebieden van start: medewerking garnalensector onmisbaar
In 2009 hebben vertegenwoordigers van EL&I, de garnalen aanvoersector (Vissersbond en een aantal PO’s), de Waddenvereniging en stichting De Noordzee afspraken gemaakt voor een gezamenlijk traject naar verduurzaming van de garnalenvisserij. Onderdeel daarvan is het uitvoeren van onderzoek dat kan dienen als basis van het vergunningentraject op basis van de Natuurbeschermingswet. Na een lange voorgeschiedenis is het dan nu eindelijk zover. IMARES heeft opdracht gekregen van het ministerie van EL&I en het Productschap Vis (PVis) dit onderzoek vanaf 2012 uit te gaan voeren. Senior-onderzoeker Ingrid Tulp van IMARES geeft uitleg over het onderzoek
The arctic pulse : timing of breeding in long-distance migrant shorebrids [i.e.] shorebirds
Veel steltlopers zijn lange-afstandtrekkers: ze brengen de winter door in gematigde of tropische streken en trekken in het voorjaar noordwaarts om te broeden in de Arctis. Hier is de zomer kort en wordt gekenmerkt door een koud en grillig klimaat. Bovendien vertoont het voedselaanbod, dat voor zowel ouders als kuikens uit insecten bestaat, een gepiekt verloop en een sterke weersvariatie. De timing van broeden kan daarom van grote invloed zijn op het broedsucces. Om te onderzoeken welke factoren deze timing beïnvloeden hebben we het seizoenspatroon in het aanbod van insecten gemeten en dit vergeleken met de energetische behoeften en prestaties van ouders en kuikens door het seizoen. We zagen dat de groeisnelheid van kuikens afhankelijk is van het weer, maar ook van het voedselaanbod, en dat vroeg geboren kuikens beter groeien dan latere kuikens. In de drie jaren van het onderzoek werden de kuikens relatief laat geboren ten opzichte van de voedselpiek en vanuit de kuikens bekeken begonnen de ouders dus te laat met broeden. Die moeten echter niet alleen rekening houden met het belang van de kuikens. Ze arriveren op de toendra na een lange trekvlucht met een beperkte hoeveelheid lichaamsreserves, hooguit voldoende om een paar dagen te overleven mocht de toendra nog met sneeuw bedekt zijn. Te vroeg aankomen brengt daarom risico¿s mee, en de vogels hebben ook tijd nodig om nieuwe reserves op te doen voor de aanmaak van eieren. Daarnaast moeten ze tijdens het broeden, dat energie maar vooral veel tijd vergt, ook zelf genoeg voedsel kunnen vinden. Dat geldt het sterkst voor soorten die de eieren zonder hulp van een partner uitbroeden, die een afweging moeten maken tussen foerageren en het bebroeden van de eieren. De incubatieperiode is voor hen daardoor energetisch gezien stressvoller dan de kuikenperiode, terwijl dat voor samen broedende soorten niet zo is. In overeenstemming hiermee komen alleen broedende soorten later aan op de toendra en beginnen ze later met leggen. Onder invloed van recente klimaatveranderingen lijkt de voedselpiek naar voren te verschuiven, en daarmee ook het beste moment om eieren te leggen
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Beschikbaarheid spiering als voedsel voor vogels in het IJsselmeer
Dit rapport behandelt de vraag hoe in het IJsselmeer de beschikbaarheid van spiering als voedsel voor vogels, in het bijzonder de zwarte stern, wordt bepaald en welke rol de visserij op spiering, baars- en snoekbaars daarin speelt. De beschikbaarheid van spiering voor vogels is een functie van de hoeveelheid spiering en de bereikbaarheid van spiering: met name meeuwen en sterns kunnen alleen de spiering in de bovenste waterlaag benutten
- …
