244 research outputs found
Health in adolescence : an empirical study of social inequality in health, health risk behaviour and decision making styles
This thesis deals with the question of wheter or not socioeconomic health differences (SEHD) exist in Dutch adolescents. In addition, we examine possible explanations for the re-emergence of socioeconomic health differences in adulthood. The examination considers a variety of determinants of health in adolescence ...
Zie: Summary
Videoconferencing ingezet voor het opnemen van interviews
Bij Toegepast Gezondheidsonderzoek van de afdeling
Gezondheidswetenschappen van het UMCG vindt een onderzoek
plaats dat wordt uitgevoerd met behulp van een bijzondere
filmoplossing. In Groningen worden via videoconferencing
filmopnames gemaakt van gesprekken die plaatsvinden in Utrecht.
Projectleider van het onderzoek is Jolanda Tuinstra
Videoconferencing ingezet voor het opnemen van interviews
Bij Toegepast Gezondheidsonderzoek van de afdeling
Gezondheidswetenschappen van het UMCG vindt een onderzoek
plaats dat wordt uitgevoerd met behulp van een bijzondere
filmoplossing. In Groningen worden via videoconferencing
filmopnames gemaakt van gesprekken die plaatsvinden in Utrecht.
Projectleider van het onderzoek is Jolanda Tuinstra.
Few and Simple Elements: Lauretta Vinciarelli, the Puglia Project, and the Idea of ‘Spatial Fabric’
Lauretta Vinciarelli (1943–2011) is perhaps best known for her evocative watercolor paintings and her decade-long creative partnership with Donald Judd. This essay by Jolanda Devalle instead foregrounds Vinciarelli’s contributions as an architect, theorist, and educator, through a close reading of the ‘Puglia Project’ (1975–77), a proposal developed with fellow IAUS architect Leonardo Foderà. Drawing on Vinciarelli’s own reflections, a recent interview with Foderà by the author, and original drawings courtesy of Judd Foundation, the essay offers a revealing cross-section of her architectural thinking—her engagement with typology, her concept of “spatial fabric,” and her analytical approach to design—all of which invite renewed critical attention today.TPO
3D opvoedondersteuning: drie praktijken, perspectieven en stappen
Drie veelbelovende praktijken: Huiskamer Beijum in Groningen, Voor- en Vroegschoolse Educatie en Opvoedondersteuning in Hoogeveen en Alleenstaande moedergroepen in Veendam. Praktijken, gericht op het versterken van de opvoedkracht van ouders en het creëren van steunende opvoednetwerken. We zoeken in 3D antwoorden op de vragen: * Wat doen jeugdprofessionals in de praktijk om ouders te steunen en te versterken? * Hoe wordt dit beleefd door de professionals, de ouders en hun kinderen? * En vooral: Welke handelswijzen en activiteiten ervaren zij als succesvol in de praktijken? We onderzoeken in 3D deze vragen, vanuit drie perspectieven, in verschillende stappen. Na een voorbereidende stap waarin de drie praktijken worden beschreven, volgt een training Storytelling. De training is voor een groep betrokken jeugdprofessionals, vrijwilligers, ouders, docent-onderzoekers en studenten. Met storytelling worden verhalen en ervaringen vanuit de verschillende perspectieven opgehaald. In november presenteren we over de co-creatie in de drie praktijken
Distress in couples coping with cancer: A meta-analysis and critical review of role and gender effects
Research concerning distress in couples coping with cancer was integrated using meta-analysis and narrative critical appraisal. Individual levels of distress were determined more by gender than by the role of being the person with cancer versus that person's partner. That is, women reported consistently more distress than men regardless of their role (standardized mean difference = 0.31). The association between patient and partner distress within couples was only moderate (r = .29) but is sufficient to warrant further consideration of the notion that these couples react as an emotional system rather than as individuals. It is noteworthy that this association is not moderated by gender. With a general lack of comparison groups, the question of how much distress can be ascribed to the cancer experience cannot be answered decisively; elevations in distress are probably modest. We critically discuss these results, identify important unanswered questions, and indicate directions for future research. Attention needs to be directed toward factors other than cancer as direct influences of distress in these couples and to mediators and moderators of the cancer experience. (PsycINFO Database Record (c) 2008 APA, all rights reserved)
Nieuwe vorm van spoedeisende hulp. Ervaren kwaliteit van acute zorg op de ADOA van ziekenhuis De Sionsberg.
Procesevaluatie van de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals die betrokken zijn bij het project Slim Leven: Kwalitatieve verkenning van de succes- en faalfactoren van de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals.
Samenvatting Doordat in deze tijden veel mensen overgewicht hebben en te weinig bewegen is de leefstijlinterventie Slim Leven gestart om de inwoners in de wijk Vinkhuizen in Groningen te helpen een betere leefstijl te krijgen. Daarnaast zet Slim Leven in op meer participatie in de wijk Vinkhuizen. Participatie wordt vaak in combinatie genoemd met de participatiesamenleving en de WMO, waarbij mensen meer voor elkaar moeten zorgen en elkaar moeten helpen en daarnaast meer eigen verantwoordelijkheid moeten nemen voor zichzelf maar ook voor de omgeving. Door de participatiesamenleving wordt de ‘civil society’ belangrijker. Met ‘civil society’ wordt bedoeld dat burgers vrijwillig samenwerken aan kleinschalige burgerinitiatieven. Daaronder vallen ook vrijwillige groepsactiviteiten en organisaties. Bij Slim Leven zetten vrijwilligers zich in om de participatie in de wijk te vergroten en de leefstijl van de inwoners te helpen verbeteren. Om het doel van Slim Leven te kunnen realiseren werken vrijwilligers samen met professionals. Samenwerken gaat lang niet altijd gemakkelijk door verschillende belangen, meningen en doelen. Om die reden is de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals bij het project Slim Leven onderzocht. Daarbij is onderzocht wat de succes- en faalfactoren zijn bij die samenwerking. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het model van Interdisciplinaire Samenwerking (Bronstein, 2003). Het model is als leidraad gebruikt voor de interviews die zijn gehouden met vrijwilligers en professionals die betrokken zijn bij het project Slim Leven. In totaal zijn dertien participanten geïnterviewd, waarvan acht vrijwilligers en vijf professionals. Alvorens de interviews waren gehouden, is de samenwerking tussen de vrijwilligers en professionals geobserveerd gedurende tien weken. De observaties zijn een aanvulling op de interviews. Op basis van de interviews en de observaties kan geconcludeerd worden dat de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals bij het project Slim Leven verbeterd kan worden. Er is een aantal succes- en faalfactoren die de samenwerking beïnvloedt. Een succesfactor is dat vrijwilligers en professionals afhankelijk van elkaar zijn en elkaar nodig hebben waardoor een samenwerking ontstaat. Een faalfactor binnen de samenwerking is dat er geen gemeenschappelijk doel is waar gezamenlijk aan gewerkt wordt. Bij het behalen van het gemeenschappelijke doel is het verstanding om de doelgroep te betrekken. Een andere faalfactor is de afwezigheid van procesreflectie tussen de vrijwilligers en professionals. Om tijdig te kunnen ingrijpen en veranderingen aan te brengen is de projectreflectie een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking. Ook is er een aantal factoren die de samenwerking zowel positief als negatief beïnvloedt. De professionele rol is zo’n factor, er wordt niet altijd aan normen en waarden gehouden binnen de samenwerking. Daarnaast zijn structurele kenmerken zowel een succes- en faalfactor. Belangrijke structurele kenmerken voor de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals zijn samenwerkingspartners, kennis en kunde en duidelijke afspraken. Samenwerkingpartners zijn nodig voor accommodaties, het organiseren van activiteiten, het doorverwijzen van deelnemers en het trainen van vrijwilligers. Er is echter onvoldoende contact met samenwerkingspartner. Onder kennis en kunde valt het aanbieden van trainingen en cursussen aan de vrijwilligers, zodat vrijwilligers de taken goed kunnen uitvoeren. De cursussen en trainingen zijn echter te laat aangeboden. Over de kennis en kunde van professionals is niet veel naar voren gekomen. Wel blijkt dat de professionals bij Slim Leven onervaren zijn met projecten als Slim Leven. Er zijn ook een tweetal factoren naar voren gekomen die niet benoemd worden door Bronstein, maar wel belangrijk blijken te zijn voor de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals. Een daarvan zijn rolverdeling en verantwoordelijkheden en zijn zowel een succes- als een faalfactor binnen Slim Leven. De rol en verantwoordelijkheden van de professionals zijn duidelijk, maar die van de vrijwillige begeleiders onvoldoende. Ook blijkt een goede communicatie en informatievoorziening zowel een positieve en negatieve invloed te hebben op de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals. Zo blijkt er onvoldoende te worden gereageerd op mails en de informatievoorziening kan beter, de ervaringsbijeenkomsten werken bevorderend voor de samenwerking. De genoemde resultaten kunnen gebruikt worden om veranderingen aan te brengen binnen het project om de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals te verbeteren. Hoewel het onderzoek was gericht op de leefstijlinterventie Slim Leven, kunnen de resultaten mogelijk ook gebruikt worden voor andere soortgelijke interventies die in het kader van de participatiesamenleving en de WMO meer willen inzetten op vrijwilligers en buurtbewoners
Weerbaarheidstraining binnen NOVO, een verkenning van motivatie en doelen
Samenvatting Uit de praktijk en de literatuur komt naar voren dat mensen met een verstandelijke beperking minder weerbaar zijn dan leeftijdsgenoten zonder een verstandelijke beperking. Ook is bekend dat weerbaarheidstrainingen effectief kunnen zijn om de kwetsbaarheid te verminderen en de weerbaarheid te vergroten. Om deze reden organiseert NOVO (zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking) weerbaarheidstrainingen voor de cliënten. Voorafgaand aan de weerbaarheidstraining worden doelen opgesteld, die de cliënt wil behalen. In dit onderzoek is nagegaan of cliënten de vooropgestelde doelen realiseren met de training. Ook is onderzocht of er samenhang bestaat tussen de motivatie van de cliënt (onderzocht in eerder onderzoek van Van Schaick ) en het realiseren van de doelen. In dit onderzoek is sprake van secundaire gegevensanalyse op basis van het databestand van Van Schaick. Zij verzamelde data aan de hand van enerzijds dossiers van cliënten en anderzijds vragenlijsten aan gedragswetenschappers die de betreffende cliënten hebben doorverwezen naar de weerbaarheidstraining. In totaal zijn van 48 cliënten gegevens geanalyseerd. Uit de resultaten blijkt dat de cliënten over het algemeen gemotiveerd zijn om aan de weerbaarheidstraining deel te nemen. Als gekeken wordt naar de factor motivatie is het niet zo dat hoe gemotiveerder de cliënt is hoe meer doelen hij/zij met het volgen van de weerbaarheidstraining wil behalen. Gemiddeld worden 6.4 doelen per cliënt genoemd. De belangrijkste doelen die voorafgaand aan de weerbaarheidstraining worden gesteld hebben betrekking op het aangeven van grenzen, hebben van zelfvertrouwen en staande houden in sociale situaties. Over het algemeen wordt aangegeven dat het doel door het volgen van de weerbaarheidstraining ook daadwerkelijk is gerealiseerd. Ook blijkt dat na de gevolgde weerbaarheidstraining naast de opgestelde doelen ook andere doelen zijn gerealiseerd, welke niet zijn geformuleerd voorafgaand aan de training. Doelen die hierbij genoemd zijn, zijn op het gebied van geleerde vaardigheden, ontspannen en beheersing
- …
