1,721,098 research outputs found
Liberale democratie. De kwetsbaarheid van een open samenleving met een gesloten gemeenschap
Business spiritualiteit. Onderzoek naar definiëring van spiritualiteit in het zakenleven.
Business Spiritualiteit wordt gezien als een ‘hype’ in het bedrijfsleven. De ontwikkeling daarvan bestaat echter al enkele decennia. Er zijn talloze publicaties rond dit thema verschenen. Wat er echter precies mee bedoeld wordt blijft relatief onduidelijk. Veel auteurs ontwijken deze vraag door aan te geven dat het een moeilijk te definiëren begrip is. In dit theoretisch literatuuronderzoek ga ik de uitdaging aan om wel duidelijkheid te geven aan de vraag wat Business Spiritualiteit inhoudt. Ik onderzoek daarbij wat er onder ‘spiritualiteit’ wordt verstaan en verklaar de populariteit van het businessmodel. Vervolgens kijk ik naar welke waarden het tegemoet komt, aan de hand van het cultureel-economische perspectief van Arjo Klamer. Uit dit onderzoek komt naar voren dat Business Spiritualiteit voor de werkgever en werknemer verschillende betekenissen heeft. Door de werkgever wordt het vooral ingezet om tot betere bedrijfsprestaties te komen. En voor de werknemer is Business Spiritualiteit meer een middel om tot zingeving te komen. Dat dit niet altijd tot een win-win situatie leidt, blijkt wel uit de kritieken op dit model. Ook over het humanistische aspect ervan vallen zowel argumenten voor als tegen te geven. Uiteindelijk zal ik schetsen hoe Business Spiritualiteit in een wereld van ‘levensbeschouwelijke armoede’ toch van betekenis kan zijn
Beeldzorg in ouder-en verstandelijk gehandicaptenzorg. De invloed op de communicatie tussen zorgverleners en cliënten
De opkomst van nieuwe communicatie- en informatietechnologie (ICT) verandert de manier waarop we met elkaar communiceren en ons tot elkaar verhouden. Nieuwe vormen van ICT worden ook in de zorg steeds meer toegepast. De ICT toepassingen waarmee zorgverleners op afstand zorg kunnen verlenen worden ‘zorg op afstand’ genoemd. Dit onderzoek richt zich op de toepassing van een specifiek soort zorg op afstand: beeldzorg. Beeldzorg is een vorm van zorg op afstand waarbij zorgverlener en cliënt via een beeldscherm en camera met elkaar communiceren. De vraag die wordt gesteld is in hoeverre communicatie via beeldzorg de relatie tussen zorgverleners en cliënten verandert. Het doel van het onderzoek is om de invloed van beeldzorg op de communicatie en relatie tussen zorgverleners en cliënten in kaart te brengen, aan de hand van de ervaringen van gebruikers. Het gaat om een kwalitatief onderzoek waarin acht zorgverleners en acht cliënten van twee verschillende zorginstellingen (ouderenzorg en verstandelijk gehandicaptenzorg) zijn geïnterviewd. Daarnaast is een beperkte literatuurstudie gedaan, naar de invloed van zorg op afstand in het algemeen op de zorgrelatie.
Aan de hand van het onderzoek kan worden vastgesteld dat de inzet van beeldzorg inderdaad veranderingen tot gevolg heeft. De mate waarin verandering optreedt is afhankelijk van de manier waarop beeldzorg wordt ingezet. Wanneer beeldzorg en nabije zorg door dezelfde zorgverleners worden verleend is de impact op de zorgrelatie minder groot dan wanneer voor beide zorgvormen verschillende zorgverleners worden ingezet. De mate van verandering in de zorgrelatie verschilt eveneens per technologiesoort. De waardering die gebruikers van beeldzorg geven aan de veranderingen hangt sterk af van de waarden die voor hen in de zorg centraal staan en hun beeld van goede zorg en de daarbij passende zorgrelatie. Cliënten en zorgverleners die veel waarde hechten aan zelfstandigheid en privacy zijn bijvoorbeeld positiever over beeldzorg dan diegenen die vooral waarde hechten aan persoonlijk contact en een hechte band
Een teken van erkenning. Een kwalitatief onderzoek naar de rol van erkenning in zingeving bij chronische Lymeziekte.
Een gebrek aan erkenning van de ziekte van Lyme blijkt een probleem in Nederland. Er kan vanuit de Humanistiek een bijdrage geleverd worden aan ons begrip over wat gebrek aan erkenning met de zingeving van mensen met chronische Lymeziekte doet. Het gebrek aan erkenning bij chronische ziekten vindt ten eerste plaats in de institutionele setting en heeft vaak te maken met het feit dat de zorg te technisch is geworden en tekortschiet als het gaat om de ervaringen van patiënten. Het gebrek aan erkenning bij chronische ziekten wordt tevens gevoeld in de persoonlijke levenssfeer. Een goed sociaal netwerk zou kunnen zorgen voor het beter omgaan met stressvolle situaties, maar veel mensen met chronische ziekten ervaren vooral gebrek aan empathie, onbegrip en veroordeling.
Zingeving wordt in deze thesis opgevat als een proces, een behoefte, een ervaring en een vermogen. Zingeving heeft betrekking op betekenisgeven aan de wereld en onszelf, vanuit het zingevingskader dat we in de loop van ons leven hebben opgebouwd. Het zingevingsproces bestaat uit het bevredigen van zinbehoeften en wanneer deze zijn bevredigd ervaren we zin als begrijpelijkheid, betrokkenheid, gemoedsrust, eigenwaarde en competentie. Welke rol speelt de genoemde erkenning in het zingevingsproces van mensen met chronische Lymeziekte? Om deze vraag te beantwoorden zijn er in totaal 15 mensen met chronische Lymeziekte geïnterviewd.
Uit de analyse blijkt dat een gebrek aan erkenning een rol kan spelen in het zingevingsproces van chronische Lymepatiënten. Een gebrek aan erkenning blijkt een grote invloed te hebben op de zelfwaardering en de identiteitsvorming. De druk op de identiteit blijkt zingevingsprocessen op gang te brengen. Vooral de reacties van de omgeving leiden tot de ervaring van ontkenning en miskenning. Deze reacties blijken zich te richten op de symptomen, de ziekte, het gedrag en de persoon. Deze vormen van het gebrek aan erkenning blijken vooral te raken aan eigenwaarde. Respondenten hebben het beeld van zichzelf dat zij een fysieke ziekte hebben, dat zij chronische Lyme hebben. Dit zelfbeeld wordt door het gebrek aan erkenning ontkend door de sociale omgeving en de institutionele omgeving en daardoor ontstaat er een betekenisdiscrepantie. Het beeld dat de omgeving van de respondenten heeft lijkt niet overeen te komen met hun zelfbeeld, de global meaning. Om deze betekenisdiscrepantie te verkleinen of op te lossen, komt het zingevingsproces op gang. Die zingevingsprocessen blijken bij verschillende respondenten aan te grijpen op verschillende aspecten van hun zingevingskader
“En die sok… dat doe ik”. Een kwalitatieve studie naar de moral distress en moral resilience van revalidatieverpleegkundigen bij het praktiseren van hun waarden met betrekking tot goede zorg.
Voor deze masterthesis is een kwalitatief onderzoek verricht naar de waarden van revalidatieverpleegkundigen met betrekking tot goede zorg en naar de wijze waarop moral distress en moral resilience zich bij hen manifesteren, wanneer deze waarden in het gedrang komen. Aan het onderzoek hebben 9 respondenten deelgenomen. Er zijn 7 interviews en 3 participerende observaties uitgevoerd binnen revalidatiecentrum Reade in Amsterdam. Voorafgaand aan de interviews hebben de respondenten kwalitatieve vragenlijsten ingevuld, die bij het interview zijn betrokken. Daarnaast is bij enkele interviewvragen gebruik gemaakt van symbolische kaartjes, die door de respondenten moesten worden aangewezen.
Uit het onderzoek is gebleken dat zeven waarden voor revalidatieverpleegkundigen van belang zijn: zelfontplooiing, welzijn, gelijkwaardigheid, verbinding, aandacht, collegialiteit en eigen regie. Moral distress manifesteert zich bij hen in drie soorten situaties: ten eerste bij situaties met tegenstrijdige waarden, waarbij er een spanningsveld bestaat tussen de waarden zelfontplooiing en/of welzijn enerzijds en eigen regie anderzijds. Ten tweede bij situaties die worden veroorzaakt door de hoge werkdruk en de personeelssituatie op de werkvloer. Ten derde bij situaties die te maken hebben met de organisatie van het zorgsysteem. Gevoelens van machteloosheid waren de meest voorkomende vorm van moral distress. Om om te gaan met hun moral distress maken de revalidatieverpleegkundigen gebruik van vijf groepen strategieën van moral resilience: sociale steun, zelfregulerende capaciteiten, het gebruik van organisatiestructuren, betekenisgeving en proactief optreden. Daarnaast is er ook een disfunctionele groep strategieën aangetroffen in de data
Zin in werk. Een kwalitatief onderzoek naar de zinervaring in werk van humanistisch geestelijk verzorgers en verpleegkundigen in ziekenhuizen
Dit kwalitatieve, empirische onderzoek heeft inzichtelijk gemaakt hoe humanistisch geestelijk verzorgers (hgv’ers) en verpleegkundigen (vpk), werkzaam in ziekenhuizen, zin ervaren in hun werk. Dit is onderzocht vanuit drie bronnen die hierop van invloed zijn, en welke in literatuur worden onderscheiden: de professionals zelf, de ander en de werkcontext van het ziekenhuis. Deze bronnen zijn als deelgebieden onderzocht en daarbij is gekeken welke ervaringsaspecten van zingeving te herkennen zijn. Deze aspecten zijn voortgekomen uit de in dit onderzoek gehanteerde definitie van zingeving en betreffen: competentie, doelgerichtheid, erkenning, transcendentie, samenhang en waardevolheid.
De zinervaringen van zeven hgv’ers en zeven vpk zijn met elkaar vergeleken en daarin werden overeenkomsten en verschillen herkend. Overeenkomstig blijken beide beroepsgroepen in dat de ander hierin een grote rol speelt. Ook de dynamische sfeer van het ziekenhuis en het gevoel dat het werk past bij de eigen persoonlijkheid zijn elementen waardoor beide beroepsgroepen zin ervaren.
Anders dan vpk ervaren hgv’ers minder doelgerichtheid in hun werk, speelt samenwerking een minder grote rol in het ervaren van zin maar wordt alleen door hen transcendentie ervaren.
Met deze studie is een leemte in de wetenschappelijk literatuur aangevuld, aangezien er nog niet eerder onderzoek is verricht naar hgv’ers en er behoefte blijkt te zijn aan een conceptuele verheldering van het begrip zin in relatie tot werk. De bevindingen van deze studie kunnen ingezet worden ter bestrijding of voorkoming van burn-out klachten, wat voor beide beroepsgroepen nodig blijkt te zijn omdat zij een verhoogd risico hierop lopen. Handreikingen daartoe worden in het laatste hoofdstuk gegeven
Levensfase en gedrag in de ' street-level bureaucracy'. Een kwalitatieve studie naar het effect van de levensfase op het gedrag van street-level bureaucrats werkzaam bij de Raad vor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming.
In deze kwalitatieve studie is onderzocht wat het effect is van de levensfase op het gedrag van street-level bureaucrats (SLB’s) werkzaam in het domein van de jeugdbescherming. Voor dit onderzoek zijn veertien diepte-interviews afgenomen met street-level bureaucrats werkzaam als jeugdbeschermer bij de Jeugdbescherming en als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming. Deze respondenten zijn op basis van hun leeftijd verdeeld over de jongvolwassen levensfase (20-34 jaar), de middelvolwassen levensfase (35-54 jaar) en de laatvolwassen levensfase (55-75 jaar). Voorafgaand aan het empirische onderzoek is begrip gevormd over het verband tussen persoonlijke kenmerken en beleidsuitkomsten in de street-level bureaucracy door middel van verschillende studies naar representatieve bureaucratie. Specifieke aanwijzingen voor de invloed van de levensfase op het gedrag van SLB’s zijn verworven vanuit de narratieve benadering van levensfasetheorie. Deze literatuurstudie leidde tot de verwachting dat er een positief effect optreedt voor cliënten die worden geholpen door oudere street-level bureaucrats. Naar aanleiding van de empirische studie heeft dit onderzoek aangetoond dat er sprake is van een verschil in de manier waarop SLB’s in verschillende levensfasen de cliënt benaderen. Hoewel er in de manier van contact met cliënt verschillen zijn gevonden tussen de levensfasen lijkt dit geen invloed te hebben op de inhoud van de uiteindelijke besluitvorming die plaatsvindt voor de cliënt. De bevindingen van deze studie duiden vooral op een verschil in de manier waarop SLB’s in verschillende levensfase tot besluitvorming komen in plaats van dat dit inhoudelijk van elkaar verschilt
Bujutsu en levensbeschouwelijke ontwikkeling.
Verschillende auteurs beweren dat de ervaring van geweld in de beoefening van Japanse krijgskunst (bujutsu) kan zorgen voor levensbeschouwelijke ontwikkeling. Een beschrijving van de ervaring van geweld en een uitleg van wat levensbeschouwelijke ontwikkeling precies inhoudt, blijft deze literatuur ons echter verschuldigd. Ik poog aan dat gebrek in de literatuur te beantwoorden door 1.) een empirisch-fenomenologisch onderzoek te doen naar de ervaring van geweld in bujutsu; en 2.) een generiek-kwalitatief onderzoek te doen naar relaties tussen die ervaring en mogelijke levensbeschouwelijke ontwikkeling. Levensbeschouwelijke ontwikkeling wordt begrepen als verruiming van de verbeelding op het gebied van ultieme vragen (ontologische, axiologische, praxeologische, epistemologische en kosmologische vragen). De interpretatie van tien open interviews toont dat, hoewel de ervaring van geweld gelaagd en gevarieerd is, men contrastervaringen opdoet. Alledaagse, routinematige betekenisgeving stokt en geeft aanleiding om anders betekenis te geven aan ultieme vragen. Die andere betekenissen, de levensbeschouwelijke ontwikkeling, hangt met name samen met het ontwikkelen van zelfcontrole, zelfvertrouwen en weerbaarheid. Deze ontwikkelingen worden gerelateerd aan het heroverwegen en oefenen met gedragspatronen. Er lijkt echter ook stagnatie in de levensbeschouwelijke ontwikkeling op te treden door toedoen van de ervaring van geweld in bujutsu
- …
