14,939 research outputs found
Over de cyclus der zogenaamde drempelgeulen in de oostelijke uitloop van de Zimmermangeul
Reeds jarenlang vormt het Nauw van Bath in het bovenstroomse deel van de Westerschelde een der moeilijkst te bevaren geulgedeelten van de scheepvaartweg van en naar Antwerpen. Als gevolg van het verrichten van omvangrijke baggerwerken langs de noordoostelijke rand van de Plaat van Saaftinge (bijlage 1) heeft de in scheepvaartkringen beruchte Bocht van Bath de laatste jaren een wat gunstiger ligging verkregen. Het aan de benedenstroomse zijde van het Nauw van Bath optredende vloedstroombeeld (dwarsstromingen vanuit de Zimmermangeul) vormt echter een omstandigheid waarmee ook thans nog terdege rekening moet worden gehouden. In het begin van 1963 vond in het Nauw van Bath ter hoogte van de uitloop van de Zimmermangeul een ernstige scheepsramp plaats. De bewuste uitloop vertoonde toendertijd een opmerkelijk sterke ontwikkeling met een vooral bij springtij zeer ongunstige stromingssituatie. Voor de Antwerpse Zeediensten was de toenemende ontwikkeling van de Zimmermangeul overigens reeds in oktober 1962 reden een onderzoek naar het in dit gebied optredende stroombeeld te verrichten. De opgetreden scheepsramp vormde voor de Studiedienst Vlissingen de aanleiding een onderzoek naar de ontwikkelingen in ing. D. de Looff ir. J. van Malde dit gebied in te stellen
Samenwerking in crisisbeheersing
In 2020 vormen de waterschappen een (veer)krachtig partnerschap in crisisbeheersing. Zowel in de voorbereiding als de feitelijke bestrijding van crises. Dit bereiken zij door vergaande samenwerking tussen de waterschappen en door het aangaan van optimale allianties met hun belangrijkste partners in crisisbeheersing: de veiligheidsregio\u92s. Een gezamenlijke aanpak in het opstellen en realiseren van deze visie voor crisisbeheersing door de waterschappen, is uniek. Dat vraagt om draagvlak en betrokkenheid van bestuurders en ambtenaren, die zich bezighouden met crisisbeheersing
Actie podium van de stad - De plek voor overlapping van publieke en private actie; onderzoeksrapport. Het grote huis en de kleine stad - de stad van ankers in plaats van wortels; essay, onderdeel van onderzoeksrapport.
Het onderzoeksrapport is in samenwerking van bovengenoemde auteurs tot stand gekomen. Het essay is enkel geschreven door M.B. Dekker.At home in the city - BerlinDwellingArchitectur
Optimalisatie van de controlvariabelen van een Heavy-Duty Dieselmotor (II)
De eisen die de overheid en de klant aan moderne heavy-duty dieselmotoren stellen, worden steeds hoger. Hierdoor treden twee effecten op die het afstellen van de motor moeilijker maken: De eisen die aan de responsvariabelen van de motor worden gesteld, worden steeds hoger. Er komen steeds meer controlvariabelen aan de motor die ingesteld moeten worden, om een betere respons van de motor mogelijk te maken. In dit verslag is bekeken of het mogelijk is, de interpretatie van de metingen te scheiden van de uitvoering van de metingen.Mechanical, Maritime and Materials EngineeringMarine and Transport TechnologyShip Design, Production and OperationOEMO 95/1
Verwijderen van mudcuttings van de zeebodem
Tijdens het offshore boorproces naar olie en gas wordt er een boorspoeling (mud) gebruikt, die onder andere funtioneert als smeermiddel van de boorkop en als transportmedium voor de losgesneden formatie van de bodem van de put naar het boorplatform. Er bestaan verschillende soorten spoeling, de meest voorkomenden zijn de oilbased mud (OBM), waterbased mud (WBM) en synthetic mud (SM). Op het platform wordt de spoeling (mud) zo goed mogelijk gescheiden van de losgesneden formatie (cuttings), dit lukt echter nooit volledig. Vervolgens wordt de herwonnen mud teruggevoerd naar de 'gesloten' cyclus, waama het weer het boorgat ingepompt wordt. De met mud vervuilde cuttings zijn afvalprodukten van het boorproces. Vroeger werden deze mudcuttings geloosd op de zeebodem, tegenwoordig is dit niet meer toegestaan. In het begin van het offshore-tijdperk werd er veelal geboord met een dieselhoudende spoeling, totdat men tot de ontdekking kwam dat de geloosde mudcuttings veel schade aanrichten aan het ecosysteem op en in de zeebodem. Toen is er een verbod afgekondigd tegen het lozen van diesel-oliehoudende cuttings. Als reactie hierop werd er geboord met zogenaamde 'low-tox' oilbased mud. Totdat een paar jaar geleden in het OSPAR-verdrag (samenwerkingsverband tussen vrijwel alle Europese landen) besloten werd de lozing van OBM-cuttings geheel te verbieden. De erfenis van hetjarenlange gebruik van OBM ligt op de zeebodem. Onder vele boorplatforms in de Noordzee ligt een berg OBM-cuttings die milieubelastend is. Het verwijderings- en verwerkingsproces van de mudcuttings kan opgesplitst worden in de verschillende fases: ontgraven, horizontaal transport op de zeebodem, verticaal transport van de zeebodem naar de waterspiegel, laden van het transportmiddel, horizontaal transport van het platform naar land, lossen van het transportmiddel, horizontaal transport van de losplaats naar een depot / verwerkingsinstallatie en afsluitend de verwerking van de mudcuttings aan land. De belangrijkste beginvoorwaarde schrijft voor dat de mudcuttings zo min mogelijk vermengd moeten worden met water, aangezien het vervuilde volume dan alleen maar groter wordt. Dit betekent dat er meer materiaal gereinigd en getransporteerd moet worden, wat extra kosten met zich meebrengt. Aangezien een graafsysteem dat vanaf de waterspiegel werkt niet onder het platform kan komen a.g.v. van golfslag en de complexe structuur van het platform onder water, wordt er voor een onderwatervoertuig met daarop een graafsysteem gekozen. De mudcuttings moeten zo dik mogelijk aangeleverd worden bij de verwerkingsinstallatie en dienen daarom zo dik mogelijk verpompt te worden. De pomp die hiervoor het beste in aanmerking komt is de betonpomp, onder de voorwaarde dat de mudcuttings hetzelfde stroomgedrag vertonen als een Binghamse vloeistof. Het meest geschikte graafWerktuig voor het afgraven van de mudcuttings is de auger (twee tegendraadse schroetbladen op een buislichaam). Met name als de beschermkap wordt toegepast, zorgt deze werkwijze voor een rustig snij- en mengselvormingsproces met vrijwel geen mors en vertroebeling naar de omgeving. De minst complexe oplossing is de combinatie van de auger met de betonpomp op een onderwatervoertuig. De verbinding tussen de auger en de betonpomp wordt gevormd door een vijzel. De vijzel transporteert de mudcuttings die hij via een ronde opening in het midden van de auger aangeleverd krijgt, naar de buffer van de betonpomp. Zodoende kan de betonpomp de mudcuttings, met een zo laag mogelijk watergehalte, naar het transportschip verpompen, waarna ze afgevoerd worden naar land om daar verwerkt te worden.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Versteiling van de Hollandse Kust
Deze afstudeeropdracht betreft het onderzoek naar het mogelijke versteilen van de Hollandse kust. Het versteilen van de kust is het verdiepingsverschijnsel waarbij de dieptelijnen kustwaarts verschuiven. Deze verschuivingen van de dieptelijnen gaan gepaard met zandverlies op dieper water waardoor het kustprofielletterlijk steiler wordt. Dit verdiepingsverschijnsel wordt in het onderzoek gedefmieerd als "versteiling van de kust". Uitspraken met betrekking tot het versteilen van het kustprofiel bepalen in grote mate het te hanteren handhavingsbeleid van de kustlijn. Verkeerde conclusies daarover kunnen ernstige gevolgen met zich meebrengen. Het verdiepen van het bodemprofiel op dieper water kan samen met het kustwaarts verschuiven van de dieptelijnen in de toekomst leiden tot toenemende erosie op de ondiepe oever en het strandgedeeite langs de gehele Hollandse kust. In hoeverre werkelijke verdieping optreedt is aan de hand van de beschikbare metingen van het diepe kustgedeeite onderzocht. De beschikbare metingen van het diepe kustgedeeite zijn de doorlodingen. Voor het afleiden van de verdiepingstrends is gebruik gemaakt van een lineaire trendanalyse, waarbij de trendlijnen zijn berekend uit de doorlodingen via de kleinste kwadraten methode. Dit zijn de oorspronkelijke trends die direct zijn afgeleid uit de doorlodingen. In dit onderzoek is een analyse gemaakt van de grootte en het karakter van de meetfouten in de doorlodingsgegevens. Op basis hiervan is vervolgens onderzocht wat de invloed van deze meetfouten is op de betrouwbaarheid van uitspraken over mogelijk optredende kustversteiling. Het onderzoek is gedaan op basis van doorlodingsgegevens, met 8 meetwaarnemingen over de periode van 1965 tot 1997. Met behulp van simulaties, gebaseerd op de statistische karakteristieken van de meetfouten in de doorlodingen, worden nieuwe meetwaarden gegenereerd. Door middel van de simulaties kunnen de verdiepingstrends opnieuw uit deze meetwaarden worden afgeleid. Bij het simuleren van nieuwe meetwaarden wordt rekening gehouden met de meetfout in de doorlodingen. De vraag hierbij is of de opnieuw berekende trends de oorspronkelijke trends benaderen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Een model voor de benadering van het jaarlijks langstransport
Bij het doen van voorspellingen op lange termijn met morfologische modellen heeft men te maken met sterk variërende randvoorwaarden (b.v. golfhoogte, getij stroming). Als men bijvoorbeeld het jaarlijkse sedimenttransport in een gebied langs de kust wil bepalen moeten eigenlijk al deze variaties van de randvoorwaarden, in de berekeningen worden meegenomen. Dit geeft echter een zeer aanzienlijke hoeveelheid rekenwerk en daarmee ook rekentijd. Om het aantal berekeningen te beperken wordt daarom vaak gezocht naar geschikte vereenvoudigingen van het klimaat van randvoorwaarden. Geprobeerd wordt om de randvoorwaarden zodanig te middelen dat het jaarlijks transport, berekend met deze gemiddelde randvoorwaarden, een goede benadering geeft van het transport dat zou worden berekend, wanneer al de variaties van de randvoorwaarden zouden worden meegenomen. Dit wordt echter bemoeilijkt door het feit, dat verschillende deelgebieden en processen in een model verschillend reageren op de randvoorwaarden. In deze studie wordt een andere aanpak gekozen: voor ieder punt in het gebied dat door het model wordt beschreven, wordt een directe, vereenvoudigde relatie gelegd met de randvoorwaarden, op basis van een beperkt aantal berekeningen met het volledige model. Uit de kansverdeling van de randvoorwaarden en de benaderende overdrachtsfuncties kunnen dan in alle punten kansverdelingen en gemiddelden van bijvoorbeeld het sedimenttransport [m3/s] worden bepaald. In deze studie wordt alleen gekeken naar het sedimenttransport evenwijdig aan de kust, dat optreedt ten gevolge van windgolven. Het sedimenttransport dwars op de kust en het sedimenttransport tengevolge van getij worden dus buiten beschouwing gelaten. In de eerste 4 hoofdstukken van dit verslag wordt aangenomen dat de golfhoogte en de golfrichting onafhankelijk zijn (om de hoeveelheid rekenwerk te beperken). In hoofdstuk 5 wordt de afhankelijkheid tussen golfhoogte en -richting wel in de berekeningen meegenomen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Het effect van brandingsruggen op de kust van Egmond aan Zee
In dit onderzoek wordt een gedeelte van de Hollandse kust beschouwd, namelijk het kustvak nabij Egmond aan Zee. In dit kustvak doet zich een vreemd verschijnsel voor; wanneer de mate van kustvooruitgang en kustachteruitgang langs de kust wordt uitgezet blijkt een golfachtig patroon op te treden met een kenmerkende golflengte van 2 km. Verder komen er in het kustvak nabij Egmond aan Zee een tweetal brandingsruggen voor. De meest zeewaartse brandingsrug komt voor op een waterdiepte van NAP -3,5 m tot NAP -4 m, de meest landwaartse brandingsrug ligt op een waterdiepte van NAP -1,5 m tot NAP -2 m. Deze twee brandingsruggen maken een hoek met de kustlijn van circa 9º. In deze studie wordt gezocht naar de invloed van de scheef op de kust staande brandingsruggen op het langstransport en welke invloed dit heeft op het erosie-sedimentatie-patroon van het kustvak. Allereerst is er nagegaan wat de invloed is van brandingsruggen op het langstransport met behulp van het simulatieprogramma Unibest-LT. Er zijn 15 tot 20 dwarsprofielen gemaakt met ieder een zelfde brandingsrug op een andere plaats. Unibest-LT veronderstelt deze dwarsprofielen uniform in langsrichting. Voor elk dwarsprofiel is het langstransport gegenereerd. Door nu alle dwarsprofielen naast elkaar te zetten en de bijbehorende langstransporten, in een transportzone van 100 tot 150 m uit de kust, erbij te zetten, ontstaat er een kust met een hierop scheefstaande brandingsrug. Het verschil in langstransport langs die kust veroorzaakt erosie of sedimentatie van de kust. Het langstransport neemt af naarmate de brandingsrug dichter bij de kust ligt. Indien de brandingsrug verder dan 600 m uit de kust ligt dan verdwijnt de invloed van deze brandingsrug op het langstransport. Uit de simulaties kwam ook naar voren dat de netto transport richting over het gehele profiel van noord naar zuid is gericht maar dat het netto transport dat plaatsvindt in een zone van 100 tot 150 m uit de kust een noordwaartse richting heeft. Uit de invloed van de brandingsruggen op het langstransport is bepaald wat de invloed van de scheefstaande brandingsrug is op het kustgedrag. Er blijkt sedimentatie plaats te vinden daar waar de brandingsrug het dichtst bij de kust ligt en waar de brandingsrug een hoek maakt met de kust die open staat naar het zuiden toe. Bij de overgang tussen twee brandingsruggen treedt erosie op. Vervolgens is met behulp van de gegevens uit het JARKUS-bestand de karakteristieke kustlijn en de karakteristieke brandingsrugligging bepaald voor het kustvak nabij Egmond aan lee. De karakteristieke kustlijn is bepaald met een kuberingsmethode. Hierbij is een bovengrens van NAP +2 m en een ondergrens van NAP -2 m aangehouden. De positie van de gemiddelde kustlijn in de tijd maakt een golfachtige beweging met een periode van ongeveer 10 jaar. Er blijkt dat in 41% van de onderzochte raaien sedimentatie plaatsvindt, in 44% van de raaien erosie plaatsvindt en dat 15% van de raaien nauwelijks voor- of achteruitgaan. De brandingsruggen bewegen in de tijd van de kust af, verdwijnen uiteindelijk, waarbij er weer een nieuwe brandingsrug ontstaat bij de kust. Deze periode duurt ongeveer 20 jaar. De uitkomsten uit de berekeningen met Unibest-LT zijn vervolgens vergeleken met de verwerkte gegevens uit het JARKUS-bestand. Allereerst zijn de jaarlijkse kustmetingen uitgezet per jaar, waarbij de kust is "rechtgetrokken" door de relatieve brandingsrugligging te bepalen. Vervolgens is de relatieve brandingsrugligging samen met het erosie-sedimentatie-verloop van de kustlijn in een grafiek gezet. Na het middelen van de relatieve brandingsrugligging ontstond er een rustiger beeld van de brandingsrugligging. Uit deze grafieken blijkt dat voor 14 verschillende jaren een periode van sedimentatie samenvalt met een ligging van de brandingsrug dicht bij de kust en een hoek van de brandingsrug met de kust die open staat naar het zuiden toe. Echter voor 7 verschillende jaren blijkt een periode van erosie ook samen te vallen met een brandingsrug dicht bij de kust en een hoek van de brandingsrug met de kust die open staat naar het zuiden toe. Vervolgens is getracht om in het verloop van de kust per raai een overeenkomst te vinden met de uitkomsten van de simulaties met Unibest-LT. Hiervoor is het gemiddelde kustlijnverloop uitgezet per raai. Uit alle grafieken met het gemiddeld kustlijnverloop zijn vier raaien gekozen die een duidelijke periode van sedimentatie laten zien en zijn er vier raaien gekozen die een periode van erosie laten zien. Voor de periodes van erosie en sedimentatie is bepaald wat de brandingsrugligging is. Deze brandingsrugliggingen zijn in een grafiek gezet met de periode van sedimentatie en erosie. De brandingsrugliggingen van naastgelegen raaien zijn ook in deze grafiek uitgezet. In 6 verschillende jaren blijkt een periode van sedimentatie overeen te komen met de uitkomsten van de simulaties met Unibest-LT, maar in 8 verschillende jaren blijkt een periode van erosie ook samen te gaan met een ligging van de brandingsrug dicht bij de kust en een hoek tussen de kustlijn en de rug die open staat naar het zuiden toe. Als slotconclusie van dit onderzoek kan gezegd worden dat er zeker overeenkomsten zijn gevonden tussen de uitkomsten van de simulaties met Unibest-LT en het JARKUS-bestand. De conclusie dat een periode van sedimentatie altijd gepaard gaat met een brandingsrugligging dicht bij de kust en een hoek tussen de brandingsrug en de kust die open staat naar het zuiden, gaat niet op.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Synthese van "Vloeibaar Kristallijne" Zijketen Polyacrylaten?
In het afstudeeronderzoek werden twee typen monomeren gemaakt, namelijk 6-O-acryl-1-O-octyl-α-D-glucopyranoside zonder een spacer en 6-Oacryloxybutyryl-1-O-octyl-α-D-glucopyranoside met een spacer. Eerst werd met een katalytische hoeveelheid zwavelzuur, uit octanol en glucose, 1-O-octanol-α-D-glucoside gemaakt. Dit werd vervolgens enzymatisch door een lypase veresterd met ethylacrylaat en ethyl-4-chloorbutyraat tot 6-O acryl-1-O-octyl-α-D-glucopyranoside respectievelijk 6-O-[4-chloorbutyryl]-1-O octyl-α-D-glucopyranoside. Deze laatste stof werd verder omgezet met behulp van tert-butanoaatanion en acrylzuur tot 6-O-acryloxybutyryl-1-O-octyl-α-D-glucopyranoside. Van het eerste type monomeer werd op twee manieren getracht een acrylaatpolymeer te maken, die met behulp van Differential Scanning Calorimetry en polarisatie microscopie op vloeibaar kristallijn gedrag werd onderzocht. Dit gedrag kon echter niet worden aangetoond.Applied SciencesScheikundige Technologie en der MateriaalkundeTechnologie van Macromoleculaire Stoffen en Organische Chemi
de invloed van twee wetten op de werklast van gerechten
This is an evaluation of two statutes of November 16, 2004. One of these had to do with preliminary detention: the other with the grounds given in the judgement. The basis question was whether the new staturory rules have contributed to the improvement of efficiency of criminal proceedings.Op 16 december 2004 is een viertal wetswijzigingen in werking getreden (Stb 2004, 638, 639, 640 en 641) die als gemeenschap_pelijk oogmerk hebben de efficiëntie van het strafproces te bevorderen onder meer doordat de rechter meer bewegings_vrijheid wordt geboden het strafproces zo in te richten dat recht kan worden gedaan aan de belangen die op het spel staan. De vier wijzigingswetten betreffen:wijziging Wetboek van Strafvordering houdende enkele wijzigingen in regeling van voorlopige hechtenis (Stb. 2004, 578, 639)wijziging Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte (Stb. 2004, 580, 641)wijziging Wetboek van Strafvordering in verband met inbeslagneming en doorzoeking door rechter-commissaris (Stb. 2004, 577, 638)wijziging Wetboek van Strafvordering, Wetboek Strafrecht en Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen getuigen (Stb 2004, 579, 640)Dit onderzoek betreft de vraag of de wetswijzigingen van 16 december 2004 met betrekking tot de voorlopige hechtenis en de motivering hebben bijgedragen aan de verbetering van de efficiëntie van het strafproces. INHOUD: 1. Inleiding 2. Juridische achtergrond 3. Operationalisering van de probleemstelling in onderzoeksvragen 4. Methoden 5. Resultaten van de deelonderzoeken: a. Voorlopige hechtenis en b. Motivering van uitspraken 6. Conclusi
- …
