7,649 research outputs found
Willem Pieterse Poort: Het Journaal en Daghregister van Dirk Jacobsz. Tayses Avontuurelyke Reyse na Groenlandt, gedaen met het Schip Den Dam, in ’t Jaar 1710 (1711)
Het Journaal En Daghregister Van Dirk Jacobsz. Tayses Avontuurelyke Reyse na Groenlandt, Gedaen met het Schip den Dam, in ’t Jaar 1710. Uytgegeeven en door den Druk gemeen gemaakt door Willem Pieterse Poort, Stierman van ’t voorschreeven Schip den Dam. t’Amsterdam, by Karel van Ryschooten. Boekverkoper op ’t Water, by de Nieuwe Brug, in de Delfse Bybel, 171
Leegstand van verzorgingshuizen; kansen en obstakels van herbestemming
Als gevolg van het scheiden van wonen en zorg ontstaat er een dreigende leegstand in verzorgingshuizen. Naar aanleiding hiervan zijn de kansen en obstakels van de herbestemming van leegstaande verzorgingshuizen onderzocht. De hoofdvraag luidt dan ook: Wat zijn de kansen en obstakels van de herbestemming van leegstaande verzorgingshuizen naar een alternatieve functie? Hierbij is tevens gekeken welke parameters invloed hebben op de haalbaarheid van de herbestemming van de verzorgingshuizen die met leegstand te kampen hebben.Real Estate ManagementReal Estate & HousingArchitectur
De bepaling van fasen-biocontinuïteit in mengsels van polymeren
Kunststoffen vinden steeds meer toepassing in de huidige maatschappij. Vandaar dat het onderzoek naar de verbetering van polymeren sterk is toegenomen. Deze verbeteringen worden vaak verkregen door polymeren onderling te mengen. Polymeren mengen echter meestal niet op molekulaire schaal maar vormen een dispersie. Dit zijn bol-, plaat- of vezelvormige deeltjes in een matrix van een ander polymeer. De mogelijkheid bestaat ook dat beide fasen in een mengsel een continu netwerk vormen. Men spreekt dan van bicontinue fasen systemen of interpenetrerende polymere netwerken…Applied SciencesScheikundige Technologie en der MateriaalkundeTechnologie van Macromoleculaire Stoffe
Reconstructie van de ontwikkeling van de Hollandse kust in de laatste 2500 jaar
Onderzoekskader In het kader van het KUST*2000 programma van Rijkswaterstaat wordt onder meer onderzoek gedaan naar de grootschalige en lange-termijn ontwikkeling van de Nederlandse kust. Een goed begrip van de lange-termijn ontwikkeling van onze huidige kust in het verleden is essentieel voor het inzicht in de gevolgen van grootschalige ingrepen in de kustzone. Het doel van het hier gerapporteerde onderzoek is het in detail vaststellen van de grootschalige en lange-termijn trend in de ontwikkeling van de Hollandse kust tussen Zandvoort en Den Haag gedurende de afgelopen 2500 jaar. De volgende vragen zijn hierbij van belang: 1. Wat is de natuurlijke lange-termijn ontwikkeling van de Hollandse kust gedurende de afgelopen 2500 jaar: netto aanzanding of netto erosie? Wat is de omvang in tijd van de fluctuaties rond deze grootschalige trend? 2. Wat zijn de sturende factoren en belangrijkste processen die hierin een rol spelen? 3. Kunnen we de conclusies met betrekking tot de lange-termijn ontwikkeling van de kust bij Haarlem extrapoleren naar de rest van de Hollandse kust? 4. Past de ontwikkelingstrend van de laatste 30 jaar in deze natuurlijke ontwikkeling of is het effect van menselijk ingrijpen hierin dominant? Activiteiten In het kader van dit project zijn de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Integratie van de kennis van de ontwikkeling van de strandwallenkust tussen Haarlem en Monster door middel van literatuurstudie; 2. Aanvulling en verfijning van het tijdsframe van de afzettingen van de uitbouwende Hollandse kust, met name voor de laatste 2500 jaar, door middel van nieuwe boringen en dateringen; 3. Aanvulling van deze gegevens met grondradaronderzoek waarmee de werkelijke opbouw van de ondergrond vast te stellen is. Resultaten -Lange termijn ontwikkeling Gedurende de laatse 2500 jaar komt er een einde aan de uitbouw (en dus netto aanzanding) van de kust van Holland. De kust moet in de Romeinse tijd of kort daarna zijn meest westelijke ligging bereikt hebben. Hierna begon de terugtrekking, waarbij zeewaarts uitstekende delen van de kust opgeruimd werden. Het begin van grootschalige duinvorming vanaf de 8e eeuw doet vermoeden dat de erosie van de Hollandse kust toen begonnen is of veel aanzienlijker geworden is dan daarvoor. De oorzaak voor deze erosie is niet duidelijk. Het Jonge Duinzand is rijk aan schelpgruis, hetgeen suggereert dat dit zand afkomstig moet zijn van de onderwateroever. Rond 1300 AD was de deha van de Oude Rijn bij Katwijk opgeruimd, hetgeen gepaard ging met een forse erosie. Ten zuiden van Katwijk was de terugtrekking minder, zij het niet verwaarloosbaar. Ten noorden van Katwijk was de afslag klein tot nihil. Het einde van de Jonge Duinvorming wordt rond 1600 AD geplaatst. Nadien zijn er slechts locale en kleinschalige veranderingen opgetreden. Registraties van de kustligging over ca. de afgelopen eeuw tonen een uitbouw van de gemiddeld laagwaterlijn tussen Egmond en Scheveningen. Gedurende deze periode trad er op de hele onderwateroever van de Hollandse kust beneden NAP- 8m zandverlies op, met uitzondering van de omgeving van IJmuiden en Scheveningen (effect havendammen). Het overgrote deel van dit verlies vindt plaats ten noorden van IJmuiden. Ten zuiden van IJmuiden zijn de zandverliezen gering en is de kust min of meer stabiel. Fluctuaties op de ontwikkelingstrend van de kust blijken onder meer uit afzettingen van zo'n 300 tot 400 jaar voor heden direct onder de huidige strandafzettingen. Rond die tijd heeft een aanzienlijk erosie van het strand plaatsgevonden (de hoogwaterlijn lag toen 100 tot 200 m verder zeewaarts), waarna er weer verticale opbouw plaatsvond. -Factoren en processen De erosie van de onderwateroever van de terugtrekkende kust was grotendeels voltooid vóór de uitbouw van de strandwallen. Dit houdt in dat de opbouw van de strandwallen gevoed moeten zijn met zand uit een andere bron. Waarschijnlijk speelt langstransport hierbij een belangrijke rol. In de afzettingen van de uitbouwende kust bij Haarlem neemt de omwerking van de afzettingen in met name de brandingszone toe in zeewaartse richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de afname in uitbouwsnelheid. De afwisseling van strandwallen en strandvlaktes tijdens de uitbouw van de kust kan wijzen op schommelingen in de aanvoer van sediment per tijdseenheid. Het voorkomen van transgressieve elementen in de uitbouwende serie, zoals bijv. washovers, duidt op schommelingen rond de trend van uitbouw. Het gaat hier waarschijnlijk echter om kleinschalige en kortdurende gebeurtenissen, veroorzaakt door bijvoorbeeld stormen. -Uniformiteit ontwikkeling Hollandse kust Uit vergelijking van de profielen bij Haarlem en Wassenaar blijkt dat de ontwikkeling van beide gebieden niet direct vergelijkbaar is. De ontwikkelingen bij Wassenaar staan onder invloed van de ontwikkeling van de monding van de Oude Rijn. De uitbouw ging hier aanzienlijk sneller. Nadien is hier een sterke erosie opgetreden, samenhangend met het opruimen van de Oude Rijn delta. De ontwikkeling van het gebied bij Haarlem verloopt langzamer. De uitbouw van de kust is hier aanzienlijk langer doorgegaan. Vervolgens is er veel minder erosie opgetreden dan bij Wassenaar. -Rol menselijke ingrijpen Gedurende de laatste 30 jaar is de kustnabije zone van het hier beschouwde deel van de Hollandse kust ten noorden van Katwijk min of meer stabiel of aanzandend, terwijl het deel ten zuiden van Katwijk eroderend is. Dit is in overeenstemming met het beeld dat naar voren komt uit de ontwikkeling over de laatste 2500 jaar. Lokaal verstoren de effecten van met name de aanleg van havendammen dit beeld. Daarnaast leidt het vasthouden van de waterlijn en de zeereep, door middel van respectievelijk strandsuppleties en beplanting, waarschijnlijk tot een verstoring van het natuurlijk kustprofïel.005.60044/01.03 Programma Kust 200
Golfrefractie nabij de buitendelta van het Amelander gat
Ondezoek naar de invloed van de bodemmorfologie van de voordelta van het Amelander zeegat op het golfbeeld. Er is een refractieberekening uitgevoerd voor de ongestoorde kust. Bij een eventueel gereedkomen van een binnenwaarts gelegen dam tussen Ameland en Terschelling zal deze berekening alleen de eerste tijd na de afsluiting nog geldenHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Microrheologie van het polymeermengen: Druppeldeformaties met modelvloeistoffen in afschuifstroming
Het doel van het onderzoek is het bekijken van het deformatiegedrag van een druppel in een stationaire afschuifstroming met gebruik making van een visco-elastische en een Newtonse fase. Voor deze visco-elastische fase is een modelvloeistof gebruikt met een konstante viskositeit en 1e-normaalspanningscoefficient (onafhankelijk van de afschuifsnelheid). Het bleek mogelijk een reeks te maken met dezelfde viskositeit en oplopende en redelijk konstante 1e-normaalspanningscoefficient, door weinig hoogmolekulair polyisobuteen (PIB} op te lossen in een mengsel van laagmolekulaire PIB. De andere fase is Newtons gekozen. Voor de disperse fase is water gebruikt en voor de continue fase een oplossing van 12%-polyvinylalkohol {PVA} in water. Het deformatiegedrag is gemeten en vergeleken met de resultaten van verschillende combinaties van theorieën. Gebleken is dat de theorie bij een visco-elastische matrix een veel grotere deformatie en veel kleinere orientatiehoek voorspelt dan de metingen te zien geven. De trend bij toenemende elasticiteit is bij theorie en metingen zelfs tegengesteld! Met een eenvoudige empirische korrektie van het Weber-getal voor de invloed van een veranderende (dynamische) grensvlakspanning (lineair met de afschuifsnelheid) kan vrij goed gecorrigeerd worden voor dit verschil tussen metingen en theorie. De krachtenverdeling rond een druppel blijkt redelijk goed beschreven te worden, vooral door de 1e-orde visco-elastische theorie. Bij een visco-elastische disperse fase blijkt de elasticiteit in het deformatiegedrag en in de oriëntatiehoek bij de metingen en de theorie nauwelijks terug te vinden. De deformatie wordt door de theorie redelijk goed voorspeld. De oriëntatiehoek wordt echter zeer slecht voorspeld. De krachtenverdeling rond een druppel wordt toch redelijk goed beschreven vooral door de 1e-orde visco-elastische theorie.Applied SciencesTechnologie van Macromoleculaire Stoffe
Morfologische effecten van de Eijerlandse dam: Een evaluatie
De effecten op de kustlijn en andere morfologische gevolgen van de aanleg van de Eijerlandse dam zijn geëvalueerd, tien jaar na de aanleg in 1995. De dam heeft ruimschoots aan de doelstellingen voldaan: het te suppleren volume, noodzakelijk voor de handhaving van de basiskustlijn van de noordwestkust van Texel, is sterk afgenomen. Vermoedelijke negatieve effecten op de kust zijn beperkt gebleven tot het lokaal opschuiven van een getijgeul richting kust ter hoogte van het Bolwerk "Robbengat" aan de noordoostzijde van Texel. Sinds 2001 schrijft het kustbeleid voor dat de zandvoorraad van het kustsysteem op peil gehouden moet worden. Hoewel de Eijerlandse dam geen zichtbare invloed heeft op de ontwikkeling van de zandbalans van de buitendelta, het kustgebied, het getijdebekken en de aan Texel grenzende Noordzeebodem, levert de dam zelf geen bijdrage aan het compenseren van de zandverliezen. Wel heeft de aanleg van de dam vrijheidsgraden gecreëerd om de zandsuppleties rond noordkust van Texel (kosten)efficiënter uit te voeren, omdat de dwingende noodzaak voor het uitvoeren van strandsuppleties ten bate van de kustlijnhandhaving is vervallen. Alhoewel de Eijerlandse dam een goede en kostenefficiënte oplossing is gebleken voor de frequente kusterosie van de noordkust van Texel, kan hier niet uit geconcludeerd worden dat dwarsdammen in het algemeen een goede oplossing zijn voor eroderende kustgebieden. Lokale factoren als kustboog, kustprofiel, golfinvloed en getijsnelheden bepalen de werking, aanlegkosten en kosteneffectiviteit.Kustlijnzor
3D LED-display: Concepten en implementatie van roterend gedeelte
De aanleiding van dit rapport is het documenteren van de ontwikkeling van het 3D LED-display. Het rapport bevat alle stappen tot de implementatie van het roterend gedeelte, waarbij nadruk op een heldere en stabiele weergave van verschillende kleuren ligt. Er zijn een tweetal keuzes gemaakt om op het roterende gedeelte een mooie 3D kleurenafbeelding te laten zien. Er is gekozen om het LED-display op te bouwen uit horizontale balkjes van acht RGB (Rood, Groen, Blauw) LED's, omdat dit een stabiele weergave oplevert. Deze RGB LED's worden parallel aangestuurd, omdat dit voor een heldere weergave zorgt. Om te zorgen dat het roterende gedeelte goed werkt, moesten er naast de gekozen concepten ook een viertal subonderdelen afgesproken en gemaakt worden. - Een lichtsluis die gemaakt is om het display adaptief aan de snelheid te maken. - Een sleepcontact om voeding en datacommunicatie van het vaste naar het roterende deel te brengen. - LIN(Local Interconnect Network)-hardware met een zelfontwikkelt protocol om een foutloze dataoverdracht te realiseren. - Een plaatje is opgebouwd uit een aantal cirkels boven elkaar, die elk weer in 64 stukken van drie bytes (RGB van 8 LED's) zijn opgedeeld.Electrical Engineering, Mathematics and Computer Scienc
Developments on Spectral Characterizations of Graphs
In [E.R. van Dam and W.H. Haemers, Which graphs are determined by their spectrum?, Linear Algebra Appl. 373 (2003), 241-272] we gave a survey of answers to the question of which graphs are determined by the spectrum of some matrix associated to the graph. In particular, the usual adjacency matrix and the Laplacian matrix were addressed. Furthermore, we formulated some research questions on the topic. In the meantime some of these questions have been (partially) answered. In the present paper we give a survey of these and other developments.2000 Mathematics Subject Classification: 05C50Spectra of graphs;Cospectral graphs;Generalized adjacency matrices;Distance-regular graphs
Waterbeweging en menging in het zuidelijke gedeelte van de Noordzee: Eindverslag MLTP-4
Onderzoek is verricht naar verspreidingsmodellen en de gebruikte technieken achter deze modellen. Bij aanvang van de MLTP-periode bestonden er reeds verspreidingsmodellen. Deze modellen vertoonden echter tekortkomingen. De voornaamste daarvan waren: 1)het summiere gebruik van snelheidsgegevens, 2)de sterk vereenvoundige geometrie. Op geen van beide punten is een belangrijke verbetering mogelijk zonder ook het andere punt aan te pakken. De integratie van deze beide elementen in het geheel van de simulatie, diende dus, wat het einddoel van de thematiek betreft, het uitgangspunt te zijn. Wat de waterbeweging betreft ligt het zwaartepunt bij de reststromen, daar de getijbeweging onderwerp van studie was in de thematiek. Verder zijn de getijstromen en vooral de snelheidsgegevens uit modellen die (mede) het getij berekenen van zodanig groot belang voor de verspreidingsprocessen en de modellering daarvan, dat afzonderlijk aandacht wordt besteed aan waterbewegingsmodellen die mede of in hoofdzaak gericht zijn op getijberekening. Tenslotte is er aandacht besteed aan de verspreidingsverschijnselen en de verspreidingsmodellen, welke laatste het einddoel vormen van de thematiek. Als belangrijkste aanbevelingen komen naar voren: 1. Het bevorderen van een versnelling van de bouw van programmatuur voor een verspreidingsmodel op basis van deeltjessimulatie, met inbegrip van de wederzijdse aanpassing van de toeleverende bewegingsmodellen (getijmodellen, stormvloedmodellen) enerzijds en verspreidingsmodel anderzijds. In verband met de "voeding" van het bovenbedoelde model en eventuele andere transportmodellen moet er rekening gehouden worden met: - Voortzetting van het onderzoek naar het reststroomveld en de mogelijkheden van wiskundige modellering daarvan, i.h.b. van de niet-meteo-komponenten. - Voltooiing van het op initiatief van MLTP-4 (zie Texel 1974) gestarte project Numerieke Diepteschematisatie. 2. Vergelijkend onderzoek, vooral uit het oogpunt van rekentijden, kosten en doelmatigheid, van deeltjessimulatie en eindige differentie- of eindige elementenmethoden voor het oplossen van transportproblemen in kombinatie met interakties (met name chemische reakties).MLTP-
- …
