1,721,049 research outputs found

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    Get PDF
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    Variations on the Author

    Get PDF
    “Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship

    Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis

    Get PDF
    We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis

    Effect van de rijsnelheid bij loofbranden op doding van Phytophthora infestans

    No full text
    In de biologische teelt van aardappelen zijn geen mogelijkheden voor de bestrijding van Phytophthora infestans. Om te voorkomen dat deze percelen zware aantasting krijgen en daardoor een groot risico zijn voor omliggende aardappelpercelen, worden deze percelen/haarden gebrand. Omdat de biologische teler met hoge snelheid wil branden om snel te kunnen ingrijpen én om zijn gewas enigszins te sparen om nog productie te behouden, is onduidelijk in hoeverre mycelium en sporen worden gedood bij verschillende rijsnelheden. Uit onderzoek, uitgevoerd in 2003 en 2004, bleek dat de doding van de sporen minder was naarmate er bij het loofbranden harder gereden werd. Het advies voor de praktijk is dan ook om bij het loofbranden ongeveer 3 km/u te rijden. Harder rijden doodt de sporen minder goed en leidt niet tot een hogere opbrengst door het "sparen" van het loof

    Verbetering van strovertering

    No full text
    Stoppelresten en stro van tarwe kunnen een bron voor infectie door Septoria, DTR en (aar)fusarium zijn. In het kader van de beheersing van deze ziekten kan het belangrijk zijn om de gewasresten zo te bewerken dat ze als ziektebron geminimaliseerd worden. Doel van dit onderzoek is om een effectief en efficiënt systeem voor de behandeling van gewasresten te ontwikkelen, zodanig dat de gewasresten (ook als er niet geploegd wordt) voldoende snel verteren, waardoor de ziektedruk kan worden verlaagd. Na twee jaar onderzoek zijn er nog geen harde conclusies te trekken over de invloed van behandeling van gewasresten op de onderdrukking van de ziektedruk. De indruk ontstaat dat verschillen erg klein zijn en dat de tarweteelt geen meetbare negatieve invloeden ondervindt van gewasresten van de voorgaande tarweteelt

    Loofresistentie tegen P. infestans in aardappel : Tussenrapportage over het onderzoek van 2003 naar de bepaling van de relatie tussen fungicidedoseringen en het niveau van loofresistentie

    No full text
    Tussenrapportage over het onderzoek van 2003 naar de bepaling van relatie tussen fungicidendoseringen en het niveau van loofresistentie. Een belangrijk onderdeel in de bestrijdingsstrategie is het bepalen van de relatie tussenfungicidendoseringen en niveau van loofresistentie. In 2003 is onderzoek uitgevoerd waarin 30 aardappelrassen met verschillende doseringen van het fungicide Shirlan zijn bespoten. Het proefveld is laat aangelegd (mei) om maximale synchronisatie tussenvroege en late rassen te bewerkstelligen. Het tijdstip van de bespuitingen werd bepaald door het adviesprogramma Plant-Plus. Drie weken na opkomst zijn de infectierijen besmet met een 15-tal Phytophthora-stammen. Gedurende de epidemie is twee keer perweek het percentage aangetast loof beoordeeld. Op basis van de huidige resultaten (onbehandeld) lijken de rassen Mercury, Kartel, NILB, Aziza en Innovator het meest resistent tegen P. infestans. Frieslander, Agata, Monalisa, Lady Rosetta, Ostara enBintje zijn het meest vatbaar voor P. infestans. Opmerkelijk is dat Bintje niet erg aangetast werd bij de lagere doseringen Shirlan.Sleutelwoorden: PPO-agv, akkerbouw, gewasbescherming, geïntegreerde bestrijding, aardappelen, phytophthora,vollegrondsgroententeelt, geintegreerde teelt, loofresistentie, fungiciden, plant-plu

    Vermindering fungicidengebruik met behulp van BOS-en door optimale benutting van Phytophthora-resistentie

    No full text
    Het gebruik van Beslissing Ondersteunende Systemen is een goed hulpmiddel om de fungicide-input te minimaliseren door optimalisatie van het spuitijdstip (timing). De systemen maken hierbij o.a. gebruik van weersgegevens, weersverwachting, ziektedruk al uitgevoerde bespuitingen, rasresistentie etc. Om de fungicide-input nog verder de minimaliseren, kan (nog) meer gebruik gemaakt worden van de verschillen in rasresistentie van de aardappelrassen. Gedurende drie jaar zijn op twee locaties proeven uitgevoerd waarin rassen met een verschillende rasresistentie gespoten zijn volgens twee verschillende Beslissing Ondersteunende Systemen (BOS-en). Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat bij rassen met een voldoende hoog rasresistentie de fungicide-input verminderd kan worden door of het oprekken van het spuitinterval en/of het verlagen van de dosering (preventief middel). Aan het einde van het groeiseizoen moet men terughoudend zijn met het verlagen van de dosering, omdat dat extra risico op knolaantasting kan geven

    Opbouw van werking van fungiciden tegen P. infestans in aardappel

    No full text
    Is een aardappelblad beter beschermd als er vaker dan 1 keer is gespoten? Een aardappel blad lijkt niet beter beschermt als het vaker gespoten is; Pas bij hoge groeisnelheid van het gewas én ziektedruk het spuitinterval aan en/of kies een middel met een goede herverdeling

    BOS valse meeldauw en bladvlekkenziekte uien

    No full text
    De laatste jaren moet er tegen valse meeldauw en bladvlekkenziekte in zaaiuien veelvuldig gespoten worden vanwege een vaak hoge ziektedruk. Vermoedelijk zijn systemisch geïnfecteerde plantuien in tweedejaars plantuien een belangrijke bron van valse meeldauw. Het is dus belangrijk om de vroege bronnen te bestrijden/voorkómen om de start van de epidemie uit stellen. In de periode 2003 -2006 is onderzoek uitgevoerd waarin de bestrijding van valse meeldauw werd vergeleken in zaaiuien en in eerstejaars plantuien. Tevens werd gekeken of de in de praktijk heersende veronderstelling dat aantasting in eerste jaars plantuien met het BOS niet altijd goed onder controle gehouden kan worden juist was. Gebleken is dat een goede bestrijding vroeg in het seizoen moet beginnen en dat het gewasklimaat van eerstejaars plantuien onder de proefomstandigheden nauwelijks anders is dan in zaaiuien
    corecore