920 research outputs found
Hvordan man taler med de døde: Om Otto Steen Dues oversættelse af Antigone og oversættelsens kultur-historiske forankring
Karen-Margrethe Simonsen leverer i »Hvordan man taler med de døde« en diskussion af oversættelsesproblematikker i anledning af Otte Steen Dues nyoversættelse af Sofokles’ tragedie Antigone(1995)
Haplopacha lunata Dupont, Simonsen & Zilli, 2016, sp. nov.
Haplopacha lunata sp. nov. (Fig. 1 I) Type (s): holotype ♂, in NHM. Type locality: District of the Great Craters, Tanganyika Territory. Diagnosis. This species is most easily distinguished by the crescent-shaped discal spot, grey lunulate submarginal spots of forewing and pale-coloured hind wing. Distribution and localities. Only a single specimen from Northern Tanzania. Flight period. February–March. Material examined: Holotype male (Fig. 1 I) (BMNH (E)_ 1377279, NHM London, Tams dry genitalia dissections (1955 / 796) mounted on slide: Lasiocampidae # 1572 (Fig. 6 D)), District of the Great Craters, Tanganyika Territory, Feb.–March 1921, TA. Barnes [leg.]. Description: Forewing triangular, grey-coloured, with pale cinereous tinge in basal and distal fields. ante- and postmedial bands not sharply defined all the way to costa, thus making median field somewhat blurred anteriorly Antemedial line straight and very oblique inferiorly. Submarginal spots darker grey, lunulate. Basal wing spot oval with major axis oriented parallel to the costa. Discal wing spot crescent-shaped, spanning the entire width of open discal cell and lined with white scales along inner margin. Hind wing pale beige-brown. Male genitalia (Fig. 6 D): Vinculum undifferentiated, U-shaped. Cucullus very small and flimsy, finger-like, originating high on vinculum-tegumen ring. Sacculus large, overpassing cucullus by at least a full length of the cucullus itself with stout, distally spatulate saccular process, which is exteriorly ornamented with small spines. Saccular lobes about 1 / 3 of basal width of sacculus, with sparse covering of long setae. Uncus and gnathos missing from the preparation. Phallus broad cylindrical, slightly curved. Vesica as a cylindrical elongation of phallus with single terminal straight cornutus, at least ½ as long as phallus itself. Etymology. The species name lunata refers to the characteristic crescent shape of the discal wing spot.Published as part of Dupont, Steen, Simonsen, Thomas J. & Zilli, Alberto, 2016, Haplopacha (Lepidoptera: Lasiocampidae) reviewed: four new species, first descriptions of the genitalia of both sexes, and unique alar scale organs, pp. 445-457 in Zootaxa 4109 (4) on page 454, DOI: 10.11646/zootaxa.4109.4.3, http://zenodo.org/record/26585
FIGURE 7 in Haplopacha (Lepidoptera: Lasiocampidae) reviewed: four new species, first descriptions of the genitalia of both sexes, and unique alar scale organs
FIGURE 7. Female genitalia of H. cinerea (A), H. riftensis (Paratype) (B), H. tangani (Paratype) (C), H. nduomoi (Paratype) (D) and Haplopacha sp. indet. (E). Abbreviations are as as follows: anterior vaginal plate (avp), lateral ridge (lr), ostium bursae (ob), ostium collar [sterigma] (oc), signum (sgn) and transverse ridge (tr).Published as part of Dupont, Steen, Simonsen, Thomas J. & Zilli, Alberto, 2016, Haplopacha (Lepidoptera: Lasiocampidae) reviewed: four new species, first descriptions of the genitalia of both sexes, and unique alar scale organs, pp. 445-457 in Zootaxa 4109 (4) on page 453, DOI: 10.11646/zootaxa.4109.4.3, http://zenodo.org/record/26585
Haplopacha riftensis Dupont, Simonsen & Zilli, 2016, sp. nov.
<i>Haplopacha riftensis</i> sp. nov. <p>(Fig. 1 E,F)</p> <p>Type (s): holotype ♂, in NHM.</p> <p>Type locality: Nyasaland, Mt Mlanje [= Mulanje].</p> <p> <b>Material examined. 2 specimens</b>: Holotype <b>male</b> (Fig. 1 E) (BMNH (E)_1377241, NHM London, dissected but genitalia absent), Nyasaland, Mt. Mlanje [= Mulanje], 6.III.1913, S.A. Neave [leg.].</p> <p> Paratype: <b>Female</b> (Fig. 1 F) (BMNH (E)_1377244, NHM London, dissected and genitalia mounted on slide: Lasiocampidae #1531 (Fig. 7 B)), same data as holotype.</p> <p> <b>Diagnosis.</b> Although similar to <i>H. tangani</i> sp. nov. in wing shape and brownish wing tint, <i>H. riftensis</i> has less sharp ante- and postmedial lines due to more diffuse pale lining of lines, proximally and distally, respectively. The basal wing spots however are surrounded by a larger white scale patch.</p> <p> <b>Distribution and localities</b> (Fig. 8). Both known specimens were collected in Mt Mulanje, Malawi.</p> <p> <b>Flight period.</b> Because the only examined specimens were collected in copula the only data available is that they were on the wing in early March.</p> <p> <b>Description.</b> Forewing warm reddish brown, darkest in anterior portion, and widely irrorated with cinereous grey in basal and distal fields of male, less conspicuously so in female. Costal margin sinusoidal, slightly concave before middle, then convex until broadly rounded wing apex. Antemedial and postmedial lines irregular and fairly diffuse. Submarginal spots black with prominent white inner margins, in number of nine. Basal wing spot round. <b>Hind wing</b> dark brown.</p> <p> <i>Male genitalia</i>: Unknown.</p> <p> <i>Female genitalia</i> (Fig. 7 B): Abdominal segment VIII with sclerotized sternum. Ostium bursae wide, at least half the width of the segment VIII, with a straight posterior lip with lateral ridges. Antrum sclerotized and broadly rounded before junction with straight ductus bursae. Corpus bursae with pair of transverse, slightly crescent-shaped signa. Papillae anales short, stout and cylindrical, adpressed with segment VIII facing outward. Anterior and posterior apophyses similar, undifferentiated long and narrow, approximately as long as segment VIII. <b>Note.</b> Specimens collected in copula (based on label “in cop” annotation).</p> <p> <b>Etymology.</b> The species name refers to the Great Rift Valley that has Mt Mulanje in its southern range.</p>Published as part of <i>Dupont, Steen, Simonsen, Thomas J. & Zilli, Alberto, 2016, Haplopacha (Lepidoptera: Lasiocampidae) reviewed: four new species, first descriptions of the genitalia of both sexes, and unique alar scale organs, pp. 445-457 in Zootaxa 4109 (4)</i> on pages 450-452, DOI: 10.11646/zootaxa.4109.4.3, <a href="http://zenodo.org/record/265859">http://zenodo.org/record/265859</a>
Bewezen sterkte Noorse Steen
Noorse steenbekledingen bestaan al heel lang, vanaf begin 1800. De ervaring met de huidige Noorse steen is erg goed. In de laatste 50 jaar is er nauwelijks tot geen schade ontstaan. Aanvullend op een voorgestelde aangescherpte toetsmethodiek voor Noorse steen, is het zinnig na te gaan wat bewezen sterkte voor Noorse steen zou kunnen betekenen. Het voornaamste onderdeel van het werk is geweest het achterhalen van zware stormen met bijbehorende golfcondlties en deze te relateren aan toen en nog steeds aanwezige Noorse steen. Gekozen locaties zijn de Waddenzeekering rondom Harlingen en de strekking Enkhuizen - Hoorn in het Markermeer. Uit de studie kwam naar voren dat een goede hindcast van de storm van 3 januari 1976 noodzakelijk was om een mogelijk beter resultaat met bewezen sterkte te halen voor twee dijkvakken rondom Harlingen. Deze vervolgstap is opgepakt en toegevoegd aan het onderhavige rapport.Steenzettinge
Het enkele steen model
Het ESM veronderstelt dat individueel vallende stenen in water zijdelingse verplaatsingen ondergaan als gevolg van het, tijdens de valbeweging, willekeurig loslaten van wervels van het oppervlak van de steen. In het ESM wordt verondersteld dat bij het storten van een grote hoeveelheid stenen de opbouw van het stortprofiel in twee stadia is te onderscheiden. In het eerste stadium zal een dwarsdoorsnede over de as van het stort een Gaussprofiel vertonen. Het stortprofiel wordt bij toenemende storthoeveelheid opgebouwd volgens een Gaussprofiel, totdat het talud van het stortprofiel de maximale hellingshoek van het stortmateriaal overschrijdt. Hierna zal, als gevolg van afschuiving van het talud van de berg gestorte stenen, het stortprofiel overgaan in een driehoeksprofiel.De spreiding van de stenen wordt in het ESM in het eerste stadium van het stortproces evenredig verondersteld metde wortel uit het product van de waterdiepte en de karakteristieke steenafmeting. In het tweede stadium wordt de spreiding verondersteld evenredig te zijn met de hoeveelheid gestorte stenen en de maximale hellingshoek van het stortmateriaal; de spreiding is onafhankelijk van de waterdiepte en de karakteristieke steenafmeting. Dit onderzoek vormt een studie naar de juistheid omtrent de in het ESM veronderstelde evenredigheid van de spreiding van de stenen in het eerste stadium van het stortproces.In de modelproeven is gebruik gemaakt van twee verschillende breuksteensorteringen. Met elke sortering zijn bij zeven waterdiepten modelproeven uitgevoerd, met op elke waterdiepte twee herhalingsproeven. De stenen zijn individueel gestort. Uit de verdelingsfunctie van de horizontale uitwijkingen van de in een modelproef gestorte stenen is de evenredigheidsconstante c bepaald. Uit de modelproeven volgde dat de parameter c van beide sorteringen onafhankelijk is van de waterdiepte. Het uit de analyse van eerder uitgevoerde onderzoeken gebleken verband tussen de parameter c en de waterdiepte kon niet worden aangetoond. Met andere woorden, het constant veronderstellen van de parameter c in het ESM lijkt een gerechtvaardigde aanname. Vervolgens zijn de in het ESM veronderstelde evenredigheid van de spreiding van de stenen met de wortel uit de waterdiepte en de evenredigheid van de spreiding van de stenen met de wortel uit de karakteristieke steenafmeting geverifieerd. Vit deze verificatie is gebleken dat de in het ESM veronderstelde evenredigheden een in de praktijk bruikbare modellering zijn. De evenredigheidsconstante (parameter c) is voor breuksteensorteringen gelijk aan 0,685.Op grond van de modelproefresultaten van de in dit onderzoek gebruikte breuksteensorteringen blijkt de macht a gelijk te zijn aan 0,5, zodat de spreiding van de stenen evenredig is met de wortel uit het product van de waterdiepte en de karakteristieke steenafmeting. Hiermee wordt het ZM identiek aan het ESM. Vanwege de eenvoud gaat de voorkeur uit naar het gebruik van het ESM voor de berekening van de spreiding van stenen. Tenslotte is onderzocht, wat de invloed is van de vorm en de valbeweging en valbaan van een steen op de horizontale uitwijking van een steen uit het op de bodem geprojecteerde loslaatpunt. Gebleken is dat er geen duidelijk verband bestaat tussen de vorm van een steen, vastgelegd door de L/dverhouding van de steen, en zijn horizontale uitwijking. De vorm van de steen bleek wel van invloed op de valbeweging die de steen uitoefende en de valbaan die de steen daarbij volgde. Er zijn grote overeenkomsten tussen de valbeweging en valbaan van de verschillende stenen en die van basisvormen (kubus, bol, cylinder en schijf). Afhankelijk van de valbeweging en de valbaan die een steen uitoefent, ondergaat de steen een grotere dan wel kleinere horizontale uitwijking uit het op de bodem geprojecteerde loslaatpunt.Civil Engineering and Geoscience
Toetsmethodiek Noordse steen
Voor het toetsen van een dijkbekleding bestaande uit Noorse steen is nog geen bevredigende toetsmethode voorhanden, vooral omdat de bestaande methode erg conservatief is. De toetsmethode gaat namelijk uit van los gestorte breuksteen, wat een Noorse zetting beslist niet is. Uitgangspunt in dit rapport is een benadering vanuit de "breuksteenkennis". Overigens is de kennis vanuit de steenzettinghoek wei meegenomen. In dit rapport wordt eerst een methode gepresenteerd waarmee vrij nauwkeurig het gemiddeld gewicht van een Noorse steen in een zetting kan worden geschat. Daarna wordt een inventarisatie beschreven van Noorse zettingen langs de Noord-Hollandse en Friese IJsselmeerkust en langs de Waddenzeekust. Dit leidt tot een betere beschrijving van wat een Noorse zetting eigenlijk is: "een gezette enkele laag breuksteen, waarbij de vorm van de steen vaak ronder is dan bij verse breuksteen". Het is dus wei een zetting, maar de karakteristieken van het materiaal komen overeen met breuksteen. In het rapport wordt aandacht besteed aan steenzettingkarakteristieken zoals dikte van de zetting en doorlatendheid van zetting en onderlaag. Op basis van eerder en soms recent uitgevoerd onderzoek naar stabiliteit van breuksteen geplaatst (en niet gezet) in een enkele laag, wordt de eenvoudige toetsmethode aangescherpt. De bevindingen worden in een case behandeld. Tot slot worden voorstellen gedaan hoe zo eenvoudig mogelijk benodigde steenafmetingen voor de toetsing kunnen worden verkregen.Steenzettinge
Haplopacha tangani Dupont, Simonsen & Zilli, 2016, sp. nov.
<i>Haplopacha tangani</i> sp. nov. <p>(Fig. 1 G, H)</p> <p>Type (s): holotype ♂, in NHM.</p> <p>Type locality: Mlingano Tanga, Tanzania.</p> <p> <b>Material examined. 2 specimens</b>: Holotype <b>male</b> (Fig. 1 G) (BMN(E)_1377280, NHM London, dissected and genitalia mounted on slide: Lasiocampidae #1569 (Fig. 6 C)), Mlingano Tanga, Tanzania, Aug. 1966, I. Robertson [leg.].</p> <p> Paratype: <b>Female</b> (Fig. 1 H) (BMN(E)_1377281, NHM London, Tams dry genitalia dissections (1955/815) mounted on slide: Lasiocampidae #1561 (Fig. 7 C)), [Mt] Mlanje, Nyasaland, Feb 1923, H. Barlow [leg.].</p> <p> <b>Diagnosis.</b> Overall similar to <i>H. riftensis</i>, but the ante- and postmedial lines of the forewing are more sharply defined by white lining, proximal and distal to the two lines, respectively. Furthermore, the female genitalia are markedly different, especially in the sclerotized collar that is present around the ostium bursae.</p> <p> <b>Distribution and localities</b> (Fig. 8). This species shows the broadest range out of congeners, the holotype having been collected in north Tanzania, and the paratype in south Malawi It is worth noting, however, that association between the only male and female specimens known is tentative. The latter, showing superficial resemblance with female <i>H. riftensis</i>, both coexisting in southern Malawi, was matched with the holotype in consideration of its general agreement in pattern too and by the fact that the female paratype of <i>H. riftensis</i> was found in copula with holotype of the latter.</p> <p> <b>Flight period.</b> Without more data little more can be said about the flight period of this species other than it was recorded in August and February.</p> <p> <b>Description.</b> Forewing with costal field warm brown, remainder of wing surface, including very base, cinereous grey. Costal margin sinusoidal, slightly concave before middle then bowed before rounded apex. Ante- and postmedial lines irregularly crenulated, lined proximally and distally, respectively, with white. Distal field irrorated with grey, more conspicuously so in male. Submarginal spots in number of nine, black with prominent white inner margins. Basal wing spot round. <b>Hind wing</b> almost unicolorous warm brown as costal field of forewing except for lighter brown postmedial line.</p> <p> <i>Male genitalia</i> (Fig. 6 C): Vinculum dorso-laterally widened and sclerotized, and with fairly pronounced saccus. Cucullus as a great lobe, originating high on the vinculum-tegumen ring, its dorsal margin concave to rounded apex, ventral one smoothly convex. Sacculus broad at base, then abruptly constricted at middle, then terminating into finger-like process bearing several stout spines on apex. Saccular basal lobes very large, rounded and with sparse covering of small setae. Uncus triangular with lateral rounded protrusions and truncated rounded, somewhat claw-shaped distal hook. Gnathos subtriangular with a rounded tip. Phallus short, straight cylindrical, and without cornuti on vesica.</p> <p> <i>Female genitalia</i> (Fig. 7 C): Abdominal segments VII and VIII entirely sclerotized. Ostium bursae recessed into pouch created by fused anterior and posterior lips that create a sterigma almost as wide as sternum VIII. The anterior lip of sterigma forms a broadly concave curve whereas the posterior one is straighter but deeply invaginated midventrally. Ostium bursae at least 1/3 as wide as sternum VIII. Antrum sclerotized, and broadly rounded where it tapers into ductus bursae. Corpus bursae is missing in the studied specimen. Papillae anales small rounded and adpressed with the papillae anales facing outwards.</p> <p> Together with the female specimen there was a papered triangle with 29 <b>eggs</b>. The eggs are dark brown, oblong with a light beige circle with a dark spot at the middle in either end (Fig. 2 B). The chorion is sculptured with ordered concavities. Each egg has a dried residue patch on its lateral surface. The residue patch does not appear to be in the same spot on all eggs. Furthermore, three eggs were observed to be stuck together at random angles.</p> <p> <b>Etymology.</b> The name <i>tangani</i> is both a reference to part of the species’ range, that includes Tangyanika, and the collecting locality of the holotype, Tanga.</p>Published as part of <i>Dupont, Steen, Simonsen, Thomas J. & Zilli, Alberto, 2016, Haplopacha (Lepidoptera: Lasiocampidae) reviewed: four new species, first descriptions of the genitalia of both sexes, and unique alar scale organs, pp. 445-457 in Zootaxa 4109 (4)</i> on pages 452-454, DOI: 10.11646/zootaxa.4109.4.3, <a href="http://zenodo.org/record/265859">http://zenodo.org/record/265859</a>
Haplopacha sp. [unassigned]
<i>Haplopacha</i> sp. [unassigned] <p>(Fig. 1 L)</p> <p> <b>Material examined. Female</b> (Fig. 1 L) (BMNH (E)_1377243, NHM London, Tams (1955/794) dry genitalia dissections mounted on slide: Lasiocampidae #1570 (Fig. 7 E)), N. Rhodesia, Fort Jameson, J.M. Phipps [leg.].</p> <p> The exterior appearance of this specimen is not very different from both <i>H. riftensis</i> and <i>H. tangani</i>. The female genitalia however are markedly different in the heavy sclerotization of abdominal segments VII and VIII as well as by distinct annulations of the postvaginal plate (Fig. 7 E). Because there are no male specimens that can be associated with this female and in the genitalia preparation both the ductus and corpus bursae are lacking, we do not feel there is enough information to erect a new species on this specimen.</p>Published as part of <i>Dupont, Steen, Simonsen, Thomas J. & Zilli, Alberto, 2016, Haplopacha (Lepidoptera: Lasiocampidae) reviewed: four new species, first descriptions of the genitalia of both sexes, and unique alar scale organs, pp. 445-457 in Zootaxa 4109 (4)</i> on page 455, DOI: 10.11646/zootaxa.4109.4.3, <a href="http://zenodo.org/record/265859">http://zenodo.org/record/265859</a>
Spreiding van steen in het stortproces van schuifstorters: Modelproeven ter verificatie van het enkele steenmodel
Voor het storten van steen in water wordt gebruik gemaakt van schuifstorters. Hierbij wordt de steen zijdelings van het dek afgeschoven. Het stortproces van schuifstorters bestaat uit vijf fasen; vaargedrag en positiebepaling van de schuifstorter, bresgedrag van steen, spreiding van steen, verplaatsing van steen als gevolg van stroming en bodemgedrag van steen. Dit onderzoek vormt een studie naar de derde fase, de spreiding van steen in water. Het Enkele Steen Model (ESM) is een model dat het spreidingsgedrag van steen in water beschrijft. Dit model veronderstelt dat individueel vallende stenen in water zijdelingse verplaatsingen ondergaan als gevolg van het, tijdens de valbeweging, willekeurig loslaten van wervels over het oppervlak van de steen. Volgens het ESM zal een dwarsdoorsnede van een hoeveelheid gestorte steen (het stortprofiel) een Gaussprofiel vertonen. Het stortprofiel wordt bij een toenemende storthoeveelheid opgebouwd volgens een Gaussprofiel, totdat het talud van de berg gestorte stenen de maximale hellingshoek van het stortmateriaal overschrijdt. Hierna zal, als gevolg van afschuiving van het talud van de berg gestorte stenen, het stortprofiel langzaam overgaan in een driehoeksprofiel. Om het ESM te verifieren zijn modelproeven uitgevoerd met twee verschillende sorteringen van natuursteen; hoekig stortmateriaal (breuksteen) en afgerond stortmateriaal (grind). Om de hoeveelheid parameters die het stortproces beinvloeden te beperken, zijn ook modelproeven uitgevoerd met "stenen" die wat betreft vorm en afmeting zeer geringe onderlinge verschillen vertonen. Hiertoe is, uitgaande van een met natuursteen overeenkomende massadichtheid, gebruik gemaakt van aluminium kubussen, betonnen kubussen, glazen bollen, vierkante aluminium plaatjes en ronde schijfjes (guldens en rijksdaalders). Met de verschillende stortmaterialen zijn bij een viertal waterdiepten modelproeven uitgevoerd. Allereerst zijn willekeurig georienteerde stenen, individueel gestort en is de waargenomen verdeling van de stralen van de gestorte stenen, ten opzichte van de projectie van het loslaatpunt op de bodem, vergeleken met de verdeling volgens het ESM. Om te bepalen of vallende stenen elkaar tijdens de valbeweging onderling beinvloeden en of dit invloed heeft op de spreiding, zijn vervolgens modelproeven uitgevoerd waarbij stenen zoveel mogelijk tegelijk zijn gestort. De resultaten zijn vergeleken met die van de proeven met de individueel gestorte stenen. Ook zijn in dit kader proeven uitgevoerd waarbij stenen op een rij zijn gelegd en zijdelings zijn afgeschoven. Tenslotte is gekeken of de opbouw van het stortprofiel overeenkomt met die zoals beschreven door het ESM. Hiertoe zijn proeven uitgevoerd waarbij een grote hoeveelheid steen in gedeelten is gestort. Door na het storten van ieder gedeelte twee aanzichten van de gestorte berg stenen vast te leggen, is het stortprofiel bepaald. Vit de modelproeven blijkt dat het ESM een goede beschrijving geeft van de wijze waarop stenen uit een breuksteen- en grindsortering, individueel en tegelijk gestort, in water vallen en van de wijze waarop het stortprofiel wordt opgebouwd. De spreiding van het stortmateriaal neemt hierbij toe met de wortel van de waterdiepte. Aanvullend onderzoek is nodig om het verband tussen de spreiding en de karakteristieke steenafmeting van het stortmateriaal te verifieren. Bij het tegelijk storten van stenen uit een breuksteen- en grindsortering is meer spreiding waargenomen dan bij individueel gestorte stenen. Als tijdens de valbeweging rotatie van het stortmateriaal optreedt, geeft het ESM geen goede beschrijving van het valgedrag van stortmaterialen. De spreiding neemt in dit geval evenredig toe met de waterdiepte en wordt niet bepaald door de karakteristieke steenafmeting. Het ESM geeft een goede beschrijving van de valbeweging van gestorte platte vormen (rechthoekige plaatjes en ronde schijfjes). Hierbij treedt door verschillen in vorm een groot verschil in spreiding op.Civil Engineering and Geoscience
- …
