1,721,059 research outputs found
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Zo wijd de wereld strekt.: Hoe wordt een jongeman tot een marinier 'gemaakt'?
In de scriptie: “Zo wijd de wereld strekt: Hoe wordt een jongeman tot marinier ‘gemaakt’?” wordt voor de afstudeerrichtingen Geestelijke begeleiding en Educatie onderzocht tot welke veranderingen in de identiteit van de cursisten de basisopleiding tot marinier leidt. Hiertoe is de opleiding onderzocht en zijn kaderleden van het Korps Mariniers, cursisten en familieleden ondervraagd. De veranderingen in de cursisten zijn groot en voor iedereen waarneembaar en betreffen niet alleen de fysieke component. Gedurende de opleiding leert de cursist ondermeer zelfbeheersing, afzien en op alle fronten ‘correct’ gedrag. Het onderzoek spitst zich toe op de vormende elementen in de opleiding en de mate waarin de lessen geestelijke verzorging en militaire ethiek een rol spelen in deze verandering. Een belangrijke bevinding in het onderzoek is dat de totale opleiding vormend is en vooral gebaseerd is op discipline. Dit uit zich in gehoorzaamheid, leren omgaan met frustratie en onzekerheid en ook zorgzaamheid voor elkaar. Het doel is dat de cursist leert dat een marinier nooit opgeeft, onder welke omstandigheden dan ook.
Voor een keurkorps als het Korps Mariniers komt het niet alleen aan op fysieke fitheid, maar ook op het te allen tijde overleven – in alle omstandigheden. Daartoe is kameraadschap en vertrouwen zeer belangrijk. Het opleiden van mariniers gebeurt door het Korps Mariniers zelf en is voor een groot deel gebaseerd op overlevering. Dit heeft gevolgen voor de (ongeschreven) lesdoelen: veel kaderleden hebben een eigen visie op het resultaat van de opleiding en hebben veel vrijheid hun eigen stempel op de opleiding te drukken. De lessen (militaire) ethiek van het Korps Mariniers dragen duidelijk bij aan de vorming van de marinier in opleiding; de lessen geestelijke verzorging zijn voor verbetering vatbaar. Bij veel kaderleden leven ideeën om de opleiding te verbeteren; er is geen modus waarin deze ideeën gehoord worden. Tot slot is uit het onderzoek gebleken dat de selectie van cursisten gebreken vertoont, waardoor er veel geld en energie wordt geïnvesteerd voor cursisten die in groten getale afhaken. Het onderzoek bevat aanbevelingen die een humaniserend effect kunnen hebben op het Korps Mariniers
Werken vanuit het innerlijk
Hoe kan een geestelijk begeleider of coach in het eigen innerlijk aanwezig zijn en vanuit het innerlijk werken met de gesprekspartner? Hierover gaat dit onderzoek naar het werken vanuit het innerlijk. Ik onderzoek een eigen casus uit mijn werk als humanistisch geestelijk verzorger in een ziekenhuis. Vanuit deze casus onderzoek ik de wijze waarop ik mij innerlijk voorbereid op een gesprek en de wijze waarop ik mij verhoud tot hetgeen ik tijdens het gesprek in mijn innerlijk waarneem. Het praktijkgeval wordt methodisch geanalyseerd en dit leidt tot een beschrijving van innerlijke aanwezigheid. Innerlijke aanwezigheid wordt verwoord in kwaliteiten als opmerkzaamheid, rust, intuïtie en innerlijke afstemming. Vervolgens wordt innerlijke aanwezigheid als competentie van een begeleider in de literatuur onderzocht. Verschillende beschrijvingen in de literatuur verwijzen op herkenbare wijze naar het vermogen om het zelf in het eigen innerlijk te decentreren en daarmee het innerlijk waarnemingsperspectief te veranderen. Het perspectief verandert van een identificatie met de waarneming naar een getuige zijn van de waarneming. Uit het onderzoek blijkt dat een begeleider die in staat is om vanuit een gedecentreerd zelf begeleidende gesprekken aan te bieden, meer voor zijn cliënten kan betekenen doordat kwaliteiten als opmerkzaamheid, rust, empathie, betrokkenheid en intuïtie in ruimere mate bij de begeleider beschikbaar komen
Uitdrukking geven aan het onzegbare. Over de betekenis van metaforen voor de begeleiding bij existentiële processen.
Deze afstudeerscriptie onderzoekt de rol die beeldtaal kan spelen in de begeleiding van mensen bij existentiële processen. Geestelijke verzorging is bij uitstek een vakgebied waarin blijkt dat taal niet altijd toereikend is om uitdrukking te geven aan dat wat er leeft, of wat er wezenlijk toe doet. Waar gewone taal tekortschiet om existentiële thema’s te benoemen en te bespreken, kan beeldende taal, zoals die van metaforen, vaak wel een uitkomst bieden. Dit onderzoek richt zich op metaforen die de cliënt in het gesprek inbrengt als indicaties voor hoe de cliënt zichzelf, de wereld en zijn problemen ziet. Aan de hand van literatuur uit het vakgebied van de (psycho)therapie en counseling zijn diverse functies, werkingen en kwaliteiten die aan metaforen worden toegeschreven bestudeerd en samengebracht tot zeven functies: de relationele functie, het reduceren van weerstand, toegang tot het zelf, expressie van het zelf, verstaan van het zelf, het openen van nieuwe perspectieven en mogelijkheden voor het zelf en integratie van het zelf. Deze functies blijken in verschillende opzichten ook relevant te zijn voor existentiële processen, wat beeldtaal tot een onmisbaar element maakt van geestelijke begeleiding
Geweld genaderd, reflecties en opvattingen van humanistisch raadslieden bij Justitie over geweld
Geweld is een veelsoortig en complex verschijnsel. Geweld roept emoties op en kan diep
ingrijpen in de levens van mensen. Het roept ook morele vragen op en dwingt tot een
vorm van handelen. Humanisten hebben over het algemeen een moeizame verhouding
met geweld. En als geweld al aan bod komt in het humanistische discours dan gaat het
doorgaans om vormen van institutioneel geweld. Het meer alledaagse geweld zoals een
beroving, een inbraak met geweld of moord maakt daarentegen nauwelijks deel uit van
humanistische beschouwingen.
In de beroepspraktijk van humanistisch raadslieden bij Justitie komt dit alledaagse
geweld echter met enige regelmaat aan de orde in de levensverhalen van gedetineerden.
De meeste raadslieden hebben dan ook een vorm gevonden in de omgang met het geweld
in deze levensverhalen.
Raadslieden hebben een cliëntgerichte attitude van onbevooroordeeld luisteren waarbij de
cliënt bepaald wat aan bod komt in het contact. Tegelijkertijd doen zij dit vanuit een
humanistische gerichtheid waarbij morele vorming ook een van de opdrachten is in het
humanistisch raadswerk. Als het gaat om geweld in levensverhalen van cliënten is de
vraag hoe raadslieden daar mee om gaan. Wat doen ze met hun emoties en morele
opvattingen ten aanzien van geweld?
In dit kwalitatieve onderzoek worden de emotionele reacties, morele en
levensbeschouwelijke opvattingen van raadslieden ten aanzien van geweld verkend.
Vervolgens wordt gekeken of raadslieden deze emoties en opvattingen inbrengen in het
professionele handelen, op welke wijze dat gebeurt en waarom.
Uit het onderzoek blijkt onder meer dat raadslieden hun emotionele reacties,
levensbeschouwelijke en morele opvattingen meer inzetten dan gedacht en dat de posities
van raadslieden wat dit betreft globaal uiteenvallen in een groep raadslieden die
terughoudend is met de inbreng van eigen opvattingen over geweld en een groep die dat
veel minder is
Geweldloze communicatie: Een methode voor de humanisticus? Een vergelijkende literatuurstudie tussen het gedachtegoed en de methode van Marshall Rosenberg en het werk in het kader van geestelijke weerbaarheid van Jaap van Praag
De methode geweldloze communicatie heeft veel raakvlakken met de humanistiek, maar heeft in dit veld tot op heden geen duidelijke positie verworven. En dat terwijl humanistici vaak verlegen zitten om methodes en zoeken naar praktische handvatten in het werk dat zij doen. Deze literatuurstudie heeft daarom tot doel te exploreren of geweldloze communicatie passend zou kunnen zijn als praktisch tool voor de humanisticus. Er is voor gekozen dit te doen middels een vergelijking tussen de morele visie en het methodisch handelen van Jaap van Praag, ‘vader van het modern Nederlands humanisme’, en Marshall Rosenberg; grondlegger van de geweldloze communicatie. Het werk van Van Praag staat grotendeels in het teken van de bevordering van geestelijke weerbaarheid, een proces waarin geweldloze communicatie van waarde kan zijn. Uit de vergelijking komt naar voren dat geweldloze communicatie op vele aspecten een praktisering is van humanistische waarden en een aanvulling in humanistische begeleiding, maar ook dat het gedachtegoed van Rosenberg zich op spanningsvolle wijze tot het humanisme van Van Praag verhoudt. Een belangrijk verschil zit in de visie op de menselijke natuur, die volgens Rosenberg bestaat uit mededogen terwijl Van Praag ook het kwade onmiskenbaar in de mens terugziet. Andere verschillen zitten onder andere in de rol die beide auteurs aan het denken toekennen, en de manier waarop een moreel oordeel geveld wordt. Het inzetten van geweldloze communicatie vraagt daarom van de humanisticus om een open, kritische en ondogmatische omgang ermee, met oog voor de mogelijke theoretische bezwaren en praktische valkuilen, en vooral: de bewuste verhouding tot en inbedding van de methode in het bredere verband van zijn humanistische morele visie
Van angst naar authenticiteit: De existentiële benadering in het humanistisch raadswerk
In mijn scriptie onderzoek ik de mogelijkheden van de existentiële benadering voor het humanistisch raadswerk. Ik begin met een uitwerking van hoe het humanistisch raadswerk zich onderscheidt van andere (geestelijk hulpverlenende) beroepen, zoals counseling en psychologie. Vervolgens geef ik een omschrijving van het veld van de existentiële psychotherapie. Daarbij bespreek ik vijf belangrijke stromingen: de Daseinsanalyse, de logotherapie, de existentieel-humanistische benadering, de Britse school en de benadering van Laing.
Na deze omschrijvingen werk ik uit wat beide beroepen met elkaar gemeen hebben, waarin ze van elkaar verschillen en tenslotte wat het humanistisch raadswerk kan ontlenen aan de existentiële benadering. Vervolgens geef ik een uitwerking van hoe er in de humanistische geestelijke begeleiding kan worden gewerkt met existentiële begrippen. De concepten die ik beschrijf zijn de betekenis van onze sterfelijkheid, existentiële angst, de ‘ik-ben’ ervaring, het belang van het levensverhaal en de terugkeer naar originele intenties. Het doel van dit alles is om de cliënt te helpen om zo authentiek mogelijk te leven.
Ik eindig met een slotbeschouwing, waarin ik vanuit het voorgaande een beschrijving geef van de existentiële benadering in het humanistisch raadswerk
Niemand wordt gespaard, niemand is helemaal verloren. Een theoretisch afstudeeronderzoek naar bronnen van seksualiteit in de begeleidingsrelatie
Deze afstudeerthesis is een onderzoek naar bronnen van seksualiteit in begeleidingsrelaties. Het doel is een eerste grond leggen voor denken over seksualiteit in de relatie tussen geestelijk verzorger en cliënt. Dit wordt gedaan door een theoretisch onderzoek naar verschillende bronnen van seksualiteit zoals deze beschreven zijn in de literatuur van de psychoanalyse en psychotherapie. Vervolgens wordt er vanuit deze bronnen een eerste vertaalslag gemaakt naar de geestelijke verzorging.
In dit onderzoek wordt er eerst aandacht gegeven aan verschillende onderzoeken omtrent seksualiteit in begeleidingsrelaties. Deze onderzoeken maken aannemelijk dat seksualiteit tussen begeleider en cliënt een thema is dat veel speelt, en enkele risico’s met zich meedraagt. Er wordt ingegaan op codes en wetten omtrent seksuele omgang met cliënten zoals deze beschreven zijn in enkele beroepsstandaarden van begeleidingsberoepen en het strafrecht in Nederland. Vervolgens worden vier verschillende bronnen van seksualiteit besproken, en komt de omgang met seksualiteit aan bod. In de eerste bron worden ervaringen uit het verleden van de cliënt of de begeleider geactualiseerd in het heden, in de begeleidingsrelatie. Dit wordt vanuit de psychoanalyse beschreven in termen van overdracht en tegenoverdracht. De authentieke relatie tussen cliënt en begeleider is de tweede bron van seksualiteit. Hierbij wordt een grensoverschrijdende kwaliteit van seksualiteit zichtbaar. De derde bron van seksualiteit is de existentiële bron waarbij seksualiteit ontstaat als beschermingsmechanisme tegen de confrontatie met existentiële gegevenheden als dood en isolatie. In de vierde, lichamelijke bron, wordt seksualiteit beschreven als de wijze waarop we op een lichamelijke manier de wereld tegemoet treden. In de terugblik vanuit de geestelijke verzorging wordt duidelijk dat de geestelijke verzorging, met behoud van eigenheid, het volgende kan meenemen: seksualiteit als belangrijk levensthema bij de cliënt, de omgang met seksualiteit door ruimte en spel, oog voor zingevings-aspecten in seksualiteit, en aandacht voor het lichamelijke. In het besluit wordt gesteld dat seksualiteit als levensthema en seksualiteit in de relatie tussen geestelijk verzorger en cliënt meer aandacht verdient in onderwijs, onderzoek, supervisie en intervisie en de beroepsstandaarden van de geestelijk verzorgers
Variations on the Author
“Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship
- …
