481,432 research outputs found
A-13.0066
In opdracht van de gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ‘s-Hertogenbosch van 22 tot en met 25 april 2013 een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Ook is een bureauonderzoek en een booronderzoek uitgevoerd. Het onderzochte plangebied is Fort Crèvecoeur te ‘s-Hertogenbosch. Het plangebied is een groot gebied gelegen tussen Engelen, ’s-Hertogenbosch, Oud-Empel en Hedel. Binnen dit gebied ligt het oude Fort Crèvecoeur. Officieel is het plangebied een militair oefenterrein van Defensie. In de praktijk is voornamelijk het oostelijke deel in gebruik als militair terrein. In het westelijke deel, waar nog ruïnes van het oude Fort Crèvecoeur zichtbaar zijn, is een gevarieerde flora en fauna ontstaan. De weilanden aan de westkant zijn eigendom van Defensie en worden beheerd door Natuurmonumenten. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was om de aanwezigheid van archeologische resten vast te stellen. De gemeente wil die archeologische resten gebruiken als een inspiratiebron bij de planontwikkeling. Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente ’s-Hertogenbosch valt het plangebied binnen een zone met een hoge verwachting. In deze zone is een hoge verwachting op het aantreffen van resten van verdedigingswerken uit de 16e-19e eeuw. In 2007 is door BAAC bv een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het oostelijk deel van het plangebied Bij dit onderzoek is onder de bouwvoor een minstens één meter dik pakket ophogingen aangetroffen. Dit pakket is, op grond van fragmenten ijsselsteen, op zijn vroegst te dateren in de 16e eeuw. Doordat verder geen vondstmateriaal is aangetroffen kon geen nauwkeurigere datering worden gegeven. Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van verkennend booronderzoek en proefsleuven is het vaststellen van de aanwezigheid van archeologische resten die een inspiratiebron kunnen zijn bij de planontwikkeling van Fort Crèvecoeur. Het onderzoek resulteert in een waardering van de archeologische informatie en in een selectieadvies, namelijk een voorstel voor nader onderzoek. Voorafgaand aan het veldonderzoek is een bureaustudie gedaan, waarbij naast literatuuronderzoek ook archiefstukken in het Brabants Historisch Informatiecentrum te ’s-Hertogenbosch (BHIC) en het Nationaal Archief te Den Haag (NA) zijn opgevraagd. Binnen het plangebied zijn tijdens het onderzoek niet alleen bovengronds maar ook ondergronds resten aangetroffen van het fort. Tijdens het boor- en proefsleuvenonderzoek zijn resten aangetroffen van het fort die wijzen op militair gebruik vanaf 1500 tot in de 21e eeuw. Dit sluit aan bij het beeld van het fort dat naar voren is gekomen uit de historische bronnen
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
In opdracht van de familie Van den Ham heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch veldonderzoek (karterende fase) uitgevoerd voor het plangebied Wijngaard Telgt te Ermelo. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om een wijnkelder inclusief wijnproductieplek te realiseren. De verstoring van de bodem zal circa 3 m diep bij 144 m2 bedragen.
In het plangebied geldt op basis van het bureauonderzoek een hoge verwachting op het aantreffen van bewoningsresten uit de periode steentijd – late middeleeuwen voor het gehele plangebied. Mogelijk dat de bodemopbouw in het westelijke deel van het plangebied door de aanwezigheid van een schuurtje plaatselijk verstoord is geraakt.
Uit het veldonderzoek (karterende fase) blijkt dat het plangebied en omgeving wordt gekenmerkt door een 85 tot 110 cm dik esdek. Dit esdek is vanaf de late middeleeuwen geleidelijk aan opgebracht en dekt een oude akkerlaag/cultuurlaag in de top van het aanwezige dekzand af. Het dekzand is circa 0,5 m dik en gaat naar beneden toe over in slecht gesorteerde fluvio(peri)glaciale afzettingen. De bodem is, met uitzondering van een 30 tot 35 cm dikke bouwvoor (Ap-horizont), nog geheel intact aanwezig. Bij controle van het opgeboorde materiaal zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen. In alle boringen zijn één of meerdere fragmenten houtskool aangetroffen. Naast houtskool zijn in de boringen 1 en 4 in de oude akkerlaag (ABp-horizont) tussen 110 en 125 cm –mv fragmenten handgevormd aardewerk aangetroffen uit de late bronstijd tot en met de Romeinse tijd.
Op basis van het inventariserend veldonderzoek (karterende fase) bestaat er een hoge kans op het aantreffen van nederzettings- en/of begravingsresten uit de late bronstijd tot en met de Romeinse tijd binnen het plangebied en naaste omgeving. Conservering van organische resten zal daarbij laag zijn vanwege de relatief lage grondwaterstanden. Gezien de geplande verstoringsdiepte van 3 m – mv (beneden maaiveld) bestaat een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord/vernietigd zullen worden. BAAC bv adviseert om de aanleg van de bouwput archeologisch te begeleiden, conform het protocol opgraven. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een PvE (Programma van Eisen) opgesteld te worden. Dit advies is overgenomen door de gemeente Ermelo
BAAC rapport A-15.0120
In opdracht van de gemeente Veghel heeft BAAC bv op 16 juni 2015 een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd in plangebied Witte de Withstraat 24 te Veghel. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om een nieuw schoolgebouw te realiseren. Het plangebied is gelegen in de wijk Veghel-Zuid. Het wordt aan de zuidzijde begrensd door de Witte de Withstraat, in het oosten door de Hiddes de Friesstraat en in het westen door de Van Heemskerkstraat. De noordelijke grens wordt bepaald door kadastrale perceelsgrenzen. Momenteel bestaat het uit een braakliggend terrein. De voormalige bebouwing is in 2014 gesloopt. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 2.640 m2.
Voor het plangebied zijn in 2015 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit deze onderzoeken kwam naar voren dat er sprake was van een hoge archeologische verwachting voor resten vanaf de bronstijd in het oostelijke deel van het plangebied, en een hoge verwachting voor resten vanaf de steentijd in het noordwestelijke deel van het plangebied. Voor de rest van het plangebied bestond een lage archeologische verwachting omdat hier sprake was van diepe verstoringen.
Uit het IVO-P bleek dat het plangebied op een dekzandplateau bestaande uit (verspoeld) dekzand ligt, met in het noordwestelijke deel ervan een lager gelegen poel of ven. Op basis van de bodemopbouw van de drie proefsleuven lijkt het oorspronkelijke maaiveld vanuit het zuidoosten in noordwestelijke richting te hebben afgelopen in de richting van het ven. Het pleistocene oppervlak is ter hoogte van de lagere delen van het dekzandplateau nog grotendeels intact aanwezig, terwijl deze op het hogere deel diep (tot zeer diep) is afgetopt.
De bodemopbouw bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden, die in het zuidwestelijke, centrale en oostelijke deel van het plangebied grotendeels vergraven zijn. Vermoedelijk is het aanwezige esdek niet oud, gezien het er in aangetroffen vondstmateriaal en aangezien het is aangetroffen boven een greppel die wordt gedateerd in de nieuwe tijd. In het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied is op het hogere deel van het dekzandplateau onder het esdek een oudere akkerlaag aangetroffen.
In de proefsleuven zijn een postmiddeleeuwse greppel, twee parallelle greppels uit de late middeleeuwen of eerder, postmiddeleeuwse grondverbeteringskuilen en spitsporen aangetroffen. Bij de aanleg van het vlak in werkput 3, op het van oorsprong hoogste gedeelte van het plangebied, werd gebruiksaardewerk uit de volle en late middeleeuwen aangetroffen.
Binnen het plangebied zijn twee vindplaatsen aangetroffen (vindplaats 1 en 2). Vindplaats 1 bestaat uit twee parallelle greppels die dateren uit de late middeleeuwen of eerder. Ze doorsnijden een oude akkerlaag en worden afgedekt door een esdek. Mogelijk dateren ze uit dezelfde periode als het op het terrein aangetroffen vol- en laatmiddeleeuwse vondstmateriaal. Vindplaats 2 bestaat uit ontginningssporen en een greppel uit de nieuwe tijd die zijn gelegen onder het esdek.
Op basis van de scores op fysieke en inhoudelijke kwaliteit zij beide vindplaatsen niet behoudenswaardig. BAAC bv adviseert dan ook om binnen het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren
A-12.0051
Van 7 tot en met 20 maart 2012 heeft BAAC bv binnen het plangebied Voederheil II te Zeeland een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. De reden voor dit onderzoek is de geplande ontwikkeling van de landbouwgrond tot bedrijventerrein.
Het plangebied Voederheil II is gelegen ten noorden van het dorp Zeeland, in het gehucht Voederheil. Het wordt aan de noord- en noordoostzijde begrensd door de Peelweg (N277), in het westen door het zandpad Voederheil, aan de zuidzijde door de straat Voederheil en de daaraan gelegen boerenerven en aan de oostzijde door het bedrijventerrein aan de Hogeweg.
Het onderzoeksgebied maakt deel uit van het plangebied en betreft die zones, waarvoor vanuit het vooronderzoek een hoge, middelhoge of onbekende archeologische verwachting geldt. De zone met een lage archeologische verwachting valt buiten het onderzoeksgebied.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn op het terrein diverse soorten sporen aangetroffen. Het betreft hier greppels, kuilen, paalsporen, karrensporen, waterputten, ontginningssporen en spitsporen. Daarnaast zijn ook zandwinningskuilen en recente verstoringen gevonden. Tenslotte is er ook sprake van natuurlijke verstoringen en natuurlijke depressies.
Binnen het onderzoeksgebied is sprake van meerdere vindplaatsen. Allereerst zijn er nederzettingssporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen bestaande uit paalsporen, kuilen en waterputten (vindplaats 1, 2, 5 en 6). Daarnaast zijn de sporen van een noordwest-zuidoost lopende landweer gevonden, die vermoedelijk uit de late middeleeuwen stamt (vindplaats 3 en 4). De sporen bestonden uit dubbele greppels, paalsporen, staakgaten of plantgaten en karresporen. Het verloop van de landweer is niet teruggevonden op historisch kaartmateriaal. Wel was het meer noordelijke noord-zuid lopende deel al bekend van een kaart uit 1840.
Vindplaats 1 t/m 6 zijn door BAAC bv gekwalificeerd als behoudenswaardig. Het selectieadvies luidt, dat indien zij niet kunnen worden behouden in de planvorming, deze vindplaatsen dienen te worden opgegraven.
Vindplaats 7 (percelleringssysteem), vindplaats 8 (karresporen), vindplaats 9 (zandwinningskuilen) en vindplaats 10 (ontginningssporen) dateren uit de nieuwe tijd, vermoedelijk uit de 17e – 18e eeuw en later. Deze vindplaatsen zijn door BAAC bv gekwalifi ceerd als niet-behoudenswaardig
BAAC Rapport A-12.0427
In opdracht van het Openbaar Lichaam Regionaal Bedrijventerrein Twente heeft BAAC bv op 6 maart 2015 een (eerste fase van een) inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd nabij Erve Drijerink aan de Wolbes Landen 11 te Almelo. Tijdens deze fase van het IVO-P is alleen het zuidwestelijke deel van het onderzoeksterrein door middel van drie proefsleuven onderzocht omdat voor de rest van het terrein de betredingstoestemming ontbrak. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek was de ontwikkeling van het XL Businesspark Twente ten zuiden van Almelo.
Op basis van archeologisch vooronderzoek werden binnen het onderzoeksterrein archeologische resten uit de volle en late middeleeuwen verwacht, meer specifiek resten die samenhangen met het nabijgelegen historische Erve Drijerink. De verwachting bestond dat zich binnen het onderzoeksterrein een voorganger van dit erf heeft bevonden. Het doel van het IVO-P is de kartering van het onderzoeksterrein en het waarderen van de (eventueel) aangetroffen vindplaats(en).
Sporen van een voorganger van Erve Drijerink zijn op de flank van een dekzandkop, in het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied, niet aangetroffen. Wel bevonden zich hier grondverbeteringskuilen. Deze zogenaamde off-site sporen stammen uit de periode vóór het ontstaan van het esdek en hebben vermoedelijk een datering in de middeleeuwen en/of het begin van de nieuwe tijd. De kuilen zijn waarschijnlijk gegraven bij de ontginning van het gebied en bevinden zich mogelijk in de periferie van een (gelijktijdig) erf. Indien inderdaad een (gelijktijdig) erf in de nabijheid aanwezig is, zou deze zich hoger in het landschap, op de dekzandkop kunnen bevinden. Dit deel van het onderzoeksgebied moet nog onderzocht worden.
Voor het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied geldt dat geen vindplaats is aangetroffen. Voor dit deel wordt dan ook geen vervolgonderzoek geadviseerd. In de rest van het onderzoeksgebied dient nog een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden
BAAC rapport A-12.0075
In opdracht van Dienst Landelijk Gebied Gelderland, regio Oost heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ‘s-Hertogenbosch van 28 tot 30 maart 2012 een proefsleuvenonderzoek in het plangebied perceel SBB 91 in de Ooijpolder, gemeente Ubbergen uitgevoerd. Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen verlaging van het perceel ten behoeve van natuurontwikkeling.
Het onderzoeksgebied bevindt zich in de Ooijpolder tussen Nijmegen en Ooij, in een gebied begrenst door de Ooijse Bandijk in het westen, de Hezelstraat in het noorden, de Kruisstraat in het oosten en de Leuthsestraat in het zuiden.
Binnen het onderzoeksgebied zijn negen proefsleuven aangelegd, gelijkelijk verdeeld over het terrein. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn kronkelwaardafzettingen van de Ooij stroomgordel aangetroffen. Op de kronkelwaard zijn oeverwalafzettingen van de Waal aanwezig. De bodem is een ooivaaggrond. Gedurende het onderzoek zijn slechts twee grondsporen aangetroffen die mogelijk van antropogene oorsprong zijn. Beide sporen zijn aangetroffen in proefsleuf 6 aan de oostzijde van het onderzoeksgebied. In totaal zijn er drie vondsten gedaan: een ovale ijzeren gesp en een ijzeren deel van een kettingschalm (17e-18e eeuw); een fragment roodbakkend aardewerk met slibversiering en loodglazuur (mogelijk 17e-18e eeuw) en tot slot een klein fragment tufsteen. Er zijn geen directe aanwijzingen in het onderzoeksgebied aangetroffen voor de aanwezigheid van een vindplaats. De aangetroffen vondsten bestaan uit ‘losse’ vondsten die niet duiden op specifieke activiteiten binnen het onderzoeksgebied. Gezien de beperkte aanwezigheid van archeologische resten binnen het onderzoeksgebied acht BAAC bv vervolgonderzoek niet noodzakelijk
Nieuwbouw Ervendtaete te Houten
ABOIn het kader van de geplande nieuwbouw Ervenstaete aan het Stationserf 82 te Houten voert Vestigia BV een bureau- en booronderzoek uit
BAAC rapport A-11.0276
In opdracht van mevr. L.H.M. van der Steen (particulier) heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ’s Hertogenbosch op 27 oktober 2011 een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd. Aanleiding tot het onderzoek vormt voorgenomen woning bouw. Bij de bouw zal de ondergrond in het plangebied worden verstoord, waardoor eventuele archeologische resten bedreigd worden. Het onderzoek valt in het plangebied
Veghel, Havelt, dat ten zuidoosten van Veghel ligt. De locatie van het archeologisch onderzoek betreft een perceel aan de Havelt te Havelt. Het terrein is momenteel in gebruik als grasland.
Er is één werkput aangelegd van 4 x 25 meter. Bij de aanleg zijn geen sporen gevonden en is één vondst gedaan. Dit betrof een vuurstenen afslag, die mogelijk in het Neolithicum te dateren is. Op basis van de lage fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt deze als niet behoudenswaardig gewaardeerd. BAAC bv adviseert daarom geen vervolgonderzoek
A-14.0147
In opdracht van VOF Huurlingsedam heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ‘s-Hertogenbosch een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) in plangebied Huurlingsedam te Wijchen uitgevoerd. De aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van een nieuwe woonwijk in het plangebied. De bouw van de wijk vindt gefaseerd plaats. Het nu onderzochte terrein valt onder fase 2. Tijdens het IVO-P is op drie vindplaatsen archeologisch onderzoek uitgevoerd. De vindplaatsen 1, 2 en 3 liggen op een rivierduinencomplex. Vindplaats 1: In het onderzoeksgebied zijn aanwijzingen voor bewoning op het terrein uit het neolithicum, de ijzertijd en de Romeinse tijd aangetroffen. Op de vindplaats zijn paalkuilen, kuilen en greppels blootgelegd evenals vondstmateriaal dat onderverdeeld kan worden in keramiek, vuur- en natuursteen, metaal en bot. Structuren zoals hoofd- en bijgebouwen zijn in deze fase van het onderzoek niet herkend. Behalve deze nederzettingssporen en vondsten zijn ook off-site structuren in de vorm van greppels aangesneden, evenals een geringe hoeveelheid aardewerk, bouwkeramiek en metaal uit de middeleeuwen/nieuwe tijd. Voor deze vindplaats is op basis van de resultaten het advies van BAAC bv om deze deels te beschermen middels behoud in situ en indien dit niet mogelijk is door behoud ex situ door middel van een opgraving. Vindplaats 2: Deze vindplaats bestaat uit met name aardewerk uit de ijzertijd. Ook is een enkele scherf aardewerk en een brok bewerkte vuursteen uit de periode neolithicum-bronstijd aangetroffen. Sporen als zodanig zijn niet blootgelegd. Vermoedelijk is op deze locatie sprake van de periferie van een nederzetting waarvan de kern ten zuidwesten van de Huurlingsedam ligt. Evenals op vindplaats 1 zijn ook hier off-site structuren als greppels en kuil uit de middeleeuwen/nieuwe tijd aangetroffen. Ook is een kleine hoeveelheid vondstmateriaal uit deze periode verzameld. Het gaat om aardewerk, bouwkeramiek, glas en metaal. Naar aanleiding van de resultaten acht BAAC bv het niet noodzakelijk om een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Het archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat op het onderzoeksterrein geen bewoning in de periode neolithicum-nieuwe tijd heeft plaatsgevonden; bewoningssporen ontbreken. Wel is het terrein in de nieuwe tijd en naar verwachting ook de middeleeuwen gebruikt als akker- of weidegrond. Vindplaats 3: Op vindplaats 3 is een enkel antropogeen spoor uit vermoedelijk de prehistorie blootgelegd. Met name het vondstmateriaal (aardewerk, vuur- en natuursteen) wijst op bewoning of gebruik van het terrein in het neolithicum en de ijzertijd. Op basis van het lage aantal aangesneden sporen is de verwachting dat hier sprake is van de periferie van een nederzetting. De mogelijkheid dient echter overwogen te worden of zich in de relatief grote ruimte tussen de sleuven niet ook nog sporen zullen bevinden. Bovendien is de verwachting op basis van het AHN dat ook sporen ten zuidoosten van de vindplaats aanwezig kunnen zijn. Naar aanleiding van de resultaten op vindplaats 3 acht BAAC bv het noodzakelijk, indien geen behoud in situ kan plaatsvinden, een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Vanwege het grote aantal vondsten, maar in verband met een gebrek aan sporen, wordt voorgesteld om middels een aantal aanvullende proefsleuven het terrein nader te onderzoeken en de dekkingsgraad te verhogen. Bovendien verdient het de voorkeur om aan de zuidoostzijde van de vindplaats ook archeologisch onderzoek uit te laten voeren middels aanvullende proefsleuven. Het onderzoek heeft uitgewezen dat buiten de grenzen de rivierduin doorloopt en dat er een reële kans is op het aantreffen van sporen van bewoning
Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de uitbreiding van een kantoorgebouw aan de Burg. Godschalxstraat 59 te s-Hertogenbosch, gemeente s-Hertogenbosch. Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
n opdracht van Ildi Beheer BV heeft Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase verricht in het kader van de ruimtelijke onderbouwing voor een plangebied in de gemeente ’s-Hertogenbosch (afbeelding 1, kaart 1). Binnen het plangebied aan de Burgemeester Godschalxstraat 59 te ’s-Hertogenbosch zal uitbreiding plaatsvinden van het bestaande kantoorgebouw. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2.644 m2; naast de uitbreiding van het kantoorgebouw zullen nog enige ingrepen plaatsvinden in het kader van de aanleg van enkele parkeerplaatsen (afbeelding 2). Voorafgaand aan de geplande ontwikkelingen dient in kaart gebracht te worden of zich binnen het onderzoeksgebied behoudenswaardige archeologische resten (zouden kunnen) bevinden, die tegen de achtergrond van de bodemingrepen gevaar lopen. Het bureauonderzoek had tot doel na te gaan of er reeds bekende archeologische waarden in de vorm van archeologische monumenten, waarnemingen of vondsten binnen het plangebied bekend zijn en om een gespecificeerde archeologische verwachting te bepalen. Binnen het plangebied bevinden zich geen bekende archeologische waarden. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachting, dit vanwege de ligging van het plangebied op de flank van een dekzandkop. In principe is het plangebied vanwege de hoger gelegen ligging altijd aantrekkelijk geweest voor menselijke activiteit en bewoning, waardoor er sporen en vondsten kunnen worden aangetroffen uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd zodat door de voorgenomen ingrepen mogelijk archeologische waarden worden bedreigd. Het plangebied ligt echter binnen een gebied waar grootschalige ruilverkaveling heeft plaatsgevonden waarbij hoger gelegen delen zijn afgevlakt en laagtes zijn opgevuld. Onbekend is of dit ook voor het onderhavige plangebied consequenties heeft gehad voor de conservering van mogelijke archeologische vindplaatsen. Vervolgens is een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw in het plangebied grotendeels verstoord is. In vijf van de acht uitgevoerde boringen is er een scherpe overgang waargenomen van de bovengrond (al dan niet geroerd) naar het onderliggende dekzand. Ook het – in het noordoosten van het plangebied aanwezige – kleipakket is sterk siltig met zandige bijmengingen waardoor geconcludeerd wordt dat de klei-afzetting een erosieve werking heeft gehad op het onderliggende dekzand. Eventuele archeologische vindplaatsen die in het plangebied aanwezig (zouden kunnen) zijn, zullen dan ook grotendeels verstoord zijn
- …
