1,720,983 research outputs found

    RAAP-RAPPORT 3521

    No full text
    In opdracht van DLV Glas en Energie B.V. heeft RAAP in september 2018 een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Greenbrothers te Zevenbergen, gemeente Moerdijk. In het plangebied, met een oppervlakte van circa 9 ha, worden tuinbouwkassen gebouwd. Het plangebied ligt landschappelijk in een vlakte met getijde-afzettingen. De afzettingen liggen op dekzand, waarin zich vanaf 5000 v. Chr. veen heeft ontwikkeld als gevolg van een sterke stijging van de grondwaterspiegel. Vanaf het Midden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is het gebied erg nat geweest en dus niet aantrekkelijk voor bewoning. In de onmiddellijke omgeving zijn dan ook geen archeologische vindplaatsen bekend. Pas in de periode 1600-1700 na Chr. is het gebied ingepolderd, waardoor het droger werd. Historisch kaartmateriaal toont aan dat het gebied in gebruik is geweest als weiland en akkerland. Nergens is historische bebouwing afgebeeld. Vanwege de natte omstandigheden en het ontbreken van historische bebouwing op historisch kaartmateriaal, geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen vanaf het Midden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Voor steentijdvindplaatsen, die dateren van vóór de veenvorming en dus in de top van het dekzand verwacht worden, geldt volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente een middelhoge archeologische verwachting. De top van dit dekzand ligt in het plangebied naar verwachting op een diepte van 2 tot 4 m -NAP. De toekomstige graafwerkzaamheden liggen boven het verwachte archeologische niveau. Alleen de heipalen waarop de tuinbouwkassen zullen gefundeerd worden, gaan dieper dan het archeologische niveau. Maar omdat de palen zelf een afmeting van circa 20 cm hebben en in een grid van 5 x 8 m geplaatst worden, zal de verstoring minimaal zijn. Daarom wordt archeologisch vervolgonderzoek niet zinvol geacht. Om de diepte van het archeologisch niveau te bepalen, heeft de gemeente Moerdijk besloten om een verkennend archeologisch booronderzoek uit te voeren ((besluit op 09-10-2018, contactpersoon mevr. D. de Kuijper)

    Plangebied Wozoco, gemeente Sittard-Geleen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

    No full text
    In opdracht van Van Wijnen heeft RAAP van 4 tot en met 6 december een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project ?Wozoco Sittard? in de gemeente Sittard-Geleen. Het doel van het onderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van archeologische vindplaatsen. Tijdens het onderzoek zijn 10 proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 550 m2. Het dekkingspercentage bedraagt daarmee ruim 10% van het onderzoeksgebied en 5,8% van het plangebied. Zowel in het plangebied als in de directe omgeving ervan zijn in het verleden diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd. Op basis hiervan kon verwacht worden dat zich in het onderzoeksgebied archeologische resten zouden kunnen bevinden. Het fysisch-geografisch onderzoek bestond uit het beschrijven en documenteren van de profielopbouw van alle profielen die door middel van boringen tot op het pleistocene niveau werden doorgezet. De resultaten kwamen goed overeen met de resultaten uit de oudere nabijgelegen onderzoeken aan de Ligne (2014) en de Odaparking (2009-2010). In het vroeg-holoceen (11.000 - 6400 jaar geleden) hebben zich in het plangebied leemlagen met afwisselend zandlagen afgezet die een daluitspoelingswaaier vormen. Na de actieve periode (vroeg-holoceen) volgende een periode waarin (bijna) geen nieuwe sedimenten werden afgezet. Deze rustige periode (mesolithicum tot vroegneolithicum) maakte bodemvorming mogelijk in de afzettingen van de oude daluitspoelingswaaier. Langzaam ontstond er een bos in het plangebied. Het organisch afval dat zich ophoopte kenmerkt zich nu in de humeuze bodem (oude bosbodem). In het vroeg- en midden-neolithicum (4900 - 2850 v. Chr.) kreeg de naburige Geleenbeek weer grote hoeveelheden water en sediment te verwerken. In putten 3, 10 en 11 werden de bosbodem en onderliggende sedimenten van de daluitspoelingswaaier weggeslagen en later weer opgevuld met beekafzettingen. Dit betekent dat sporen van v??r het vroegneolithicum hier niet meer aanwezig zijn. De locaties waar de oude bosbodem wel bewaard is gebleven, komt goed overeen met de landschappelijke reconstructies van Archeodienst (Wei?-K?nig et al., 2012). Deze reconstructie uit 2011 behoefde slechts op ??n locatie licht gecorrigeerd worden. In het laat-neolithicum tot de vroege middeleeuwen (2850 v. Chr. - 450 n. Chr.) ging de naburige Geleenbeek langzamer stromen en werden oeverafzettingen gesedimenteerd. Tijdens de vroegemiddeleeuwen (450 - 1050 n. Chr.) was er een relatief korte overstromingsfase waarbij sterk zandige lemen zijn afgezet. Vanaf de volle-middeleeuwen ligt deze overstromingslaag aan het oppervlak waardoor bodemvorming is opgetreden. Ook hebben er activiteiten (zoals ploegen) plaatsgevonden in deze grond waarbij de grond gemengd is geraakt met o.a. steenkool en middeleeuws aardewerk. In subrecente tijd, vermoedelijk in de tweede helft van de 20e eeuw is er grootschalig grond opgebracht om reli?fverschillen te nivelleren. Waarschijnlijk tijdens het bouwrijp maken van het plangebied voorafgaand aan de bouw in de jaren ?60 en waarschijnlijk ook weer tijdens de sloop is daarnaast nog extra puin en bouwmateriaal in de ophogingslagen terecht gekomen. De 10 proefsleuven hebben in vlak 1 alleen in het westen van het onderzoeksgebied twee greppels uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd opgeleverd, die waarschijnlijk percelen hebben begrensd. In vlakken 2 en 3 zijn vervolgens alleen natuurlijke lagen vastgesteld. Het vondstmateriaal bestond uit ??n scherf uit de IJzertijd, ??n scherf uit de Volle tot Late Middeleeuwen en ??n scherf uit de Late Middeleeuwen. De sporen en vondsten worden niet als vindplaats ge?nterpreteerd maar als off-site verschijnselen beschouwd. Een behoudenswaardige vindplaats is dus niet aangetroffen. Plan- en onderzoeksgebied kunnen worden vrijgegeven voor ontwikkeling tot op een diepte van 42,30 m +NAP. De diepere niveaus van het plan- en onderzoeksgebied zijn met te kleine dekkingspercentages onderzocht om een uitspraak over de behoudenswaardigheid te kunnen doen. Hier moet een dubbelbestemming archeologie blijven bestaan, omdat zich hier nog waardevolle archeologische resten kunnen bevinden. Aangezien met uitzondering van betonpalen binnen de huidige planontwikkeling geen verdere diepe ingrepen dan de onderzochte gepland zijn, kan het gebied voor de bouw worden vrijgegeven. Dit rapport geeft uitsluitend (selectie)adviezen. Om deze te laten bekrachtigen in een selectiebesluit kan contact worden opgenomen met de bevoegde overheid, de gemeente Sittard-Geleen (contactpersoon: mevrouw M. Aarts, Marion.Aarts@ sittard-geleen.nl, 046-477 74 56)

    Plangebied N605 randweg Boekel, gemeente Boekel; archeologisch vooronderzoek: een verkennend- en karterend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek.

    No full text
    In opdracht van Witteveen+Bos heeft RAAP van oktober 2017 tot en met maart 2018 een ver kennend booronderzoek, een karterend booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitge voerd in verband met de aanleg van de randweg N605 bij Boekel in de gemeente Boekel. Het verkennende booronderzoek werd uitgevoerd op een perceel dat tijdens eerder onderzoek niet voor onderzoek beschikbaar was. Doel van het verkennende booronderzoek was het vaststellen van de aard en gaafheid van de bodem. Het karterende booronderzoek was gericht op het opsporen van Steentijdvindplaatsen, die op basis van het eerde uitgevoerde onderzoek in het plan gebied verwacht werden. Het primaire doel van het proefsleuvenonderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het onderzochte gebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische grondsporen. Voorts diende het proefsleuvenonderzoek zich te richten op de aard, omvang, datering, kwaliteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aanwezige archeologische grondsporen en resten. Het verkennende booronderzoek liet zien dat er op het perceel een deels intacte bodemopbouw was, waarna op dit perceel een karterend booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek werd uitgevoerd. Het karterende booronderzoek heeft geen relevante vondsten opgeleverd. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn verspreid over het gebied greppels, enkele kuilen en paalkuilen aangetroffen, die samenhangen met de perceelsindeling en het landbouwkundige gebruik van het gebied. Hoewel tijdens het onderzoek geen vondsten zijn aangetroffen, lijken de sporen in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd te dateren. Er zijn geen behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. In de deelgebieden waar proefsleuven zijn gegraven, is het archeologisch onderzoek helemaal afgerond. Deze gebieden kunnen worden vrijgegeven. Een deel van het gebied was nu nog niet beschikbaar voor onder zoek. Hier moeten, zodra de terreinen voor onderzoek beschikbaar zijn, eerst verkennende bo ringen gezet worden. Verder waren enkele terreinen wel voor het karterende booronderzoek beschikbaar, maar niet voor proefsleuvenonderzoek. Hier dienen op een later tijdstip nog proef sleuven gegraven te worden

    Plangebied Berewoutstraat, gemeente ?s- Hertogenbosch; archeologisch onderzoek: een opgraving en archeologische begeleiding

    No full text
    In opdracht van P. Hoedemakers en Zn. bv heeft RAAP in juli 2014 een archeologische begeleiding en opgraving uitgevoerd in verband met voorgenomen bouwwerkzaamheden aan de Berewoutstraat in het historisch centrum van ?s-Hertogenbosch. Het primaire doel van het onderzoek was het veilig stellen van de wetenschappelijke informatie van de verwachte archeologische resten (behoud ex situ) voor zover deze zich binnen de verstoringsdiepte van de toekomstige bebouwing zouden bevinden. Het onderzoek bleef dan ook beperkt tot de omvang (horizontale vlak) en ontgravingsdiepte (circa 1 m ?mv) van de nieuwbouw. Het plangebied wordt in het noordoosten begrensd door de Berewoutstraat en ligt ingeklemd tussen huisnummers 26 en 30. Aan de noordwestzijde wordt de grens gevormd door de Berewoutkazerne die in 1744 werd gebouwd. In het zuidwesten vormde de voormalige stadsmuur uit de 14e eeuw de grens van het onderzoeksgebied, terwijl de zuidoostelijke grens wordt gevormd door Berewoutstraat huisnummer 22. In de diepere ondergrond zijn beekafzettingen aanwezig, die worden afgedekt door 3,3 tot 3,9 m dikke ophoogpakketten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Dekzand lijkt zich overal dieper dan de grondwaterspiegel (1,50 m NAP) te bevinden. De oudste aangetroffen resten bestaan uit resten van de middeleeuwse stadsmuur (14e eeuw), die de zuidwestgrens van het plangebied vormt. Op enkele plekken werden aan de stadzijde van de muur mogelijk gesloopte poeren waargenomen. Op de stadsmuur is een jongere 20e eeuwse muur gemetseld. Verder zijn zowel langs de Berewoutstraat als op het achterterrein telkens enkele muren, een trap, gewelven en een kelder aangetroffen die vermoedelijk in de 17e of 18e eeuw geplaatst moeten worden. Verder zijn op het achterterrein nog enkele kleinere muren aangetroffen die waarschijnlijk verband houden met bebouwing die op het Minuutplan uit 1811-1832 staat aangegeven. Wanneer deze huizen gebouwd zijn, is niet helemaal duidelijk, maar dat kan al in de 17e eeuw geweest zijn. Langs de Berewoutstraat zijn naast funderingen en de kelder diverse vloeren van vierkante keramieken tegels aangetroffen, die deels tot de 17e eeuw terug gaan. De historische bebouwing op het achterterrein wordt in ieder geval uiterlijk aan het begin van de 20e eeuw helemaal gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Er werd in deze periode onder andere een vleesrokerij gevestigd. Veel van de oudere fundamenten zijn daardoor verdwenen, zodat het beeld van deze historische bebouwing fragmentarisch blijft. Aan de Berewoutstraat zijn ook resten uit de 20e eeuw teruggevonden zoals een jonge kelder met een betonplaat erbovenop, enkele afvoerputjes met gresbuizen en enkele kabel- en leidingsleuven. Naast muren, funderingen en vloeren zijn ook nog een mogelijke beerput, waterput, ophooglagen en enkele kuilen aangetroffen. De beerput lijkt na 1650 te dateren gezien aardewerkvondsten in de insteek ervan. De exacte datering is echter niet duidelijk omdat de put maar tot een diepte van 1 m ?mv onderzocht werd. De waterput lijkt van 20e eeuwse ouderdom, maar werd eveneens slechts tot vlakniveau onderzocht. De meeste kuilen kunnen op basis van aardewerkvondsten in de 19e eeuw geplaatst worden. De ophooglagen lijken op basis van aardewerkvondsten hoofdzakelijk in de 17e en 18e eeuw te dateren. Zowel het aangetroffen aardewerk als het metaal lijkt in de hoofdzaak na 1600 te dateren. Bij het aardewerk zijn ook wel oudere vondsten aanwezig die een mogelijke start van de bewoning in de 14e eeuw suggereren, maar samen met de vondsten uit de 15e en 16e eeuw vormen deze minder dan een vijfde van het totaal. Bij het botmateriaal zijn aanwijzingen gevonden voor de productie van kralen. Of dit ook in het plangebied plaatsvond is onzeker gezien de geringe hoeveelheden afval die werden aangetroffen. De aangetroffen gebouwen en vondsten wijzen erop dat in de 17e, 18e en 19e eeuw bewoning in het plangebied plaatsvond. Aan de Berewoutstraat liep deze door tot in de 20e eeuw. Op het achterterrein vond vanaf het begin van de 20e eeuw waarschijnlijk uitsluitend nijverheid plaats, waaronder minstens een vleesrokerij. Het onderzoek in het plangebied heeft zich beperkt tot die zones en dieptes die verstoord worden. In de opgravingsputten bevinden zich nog resten uit de nieuwe tijd en vermoedelijk middeleeuwen op diepere niveaus. Maar ook buiten de putten kunnen archeologische resten uit de nieuwe tijd al vanaf het maaiveld voorkomen. Het verdient daarom de aanbeveling het archeologisch beleid dat op deze locatie geldt (archeologisch onderzoek bij ingrepen groter dan 25 m2 en dieper dan 50 cm) te handhaven. Ter hoogte van de nieuwbouw kan een vrijstellingsdiepte van 100 cm aangehouden worden omdat de archeologische resten tot deze diepte gedocumenteerd zijn

    Plangebied Grenscorridor N69, deelgebied C en westelijk deel deelgebied D, gemeente Bergeijk; archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek.

    No full text
    In opdracht van Arcadis Nederland B.V. heeft RAAP van 28 januari 2019 tot en met 4 februari 2019 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project ?Grenscorridor N69? in deelgebieden C en het westelijke deel van deelgebied D in de gemeente Bergeijk. Het doel van het onderzoek was vast te stellen of er sprake is van een beekdal in het onderzoeksgebied, of van een natte vlakte met depressies en vennen. Tevens richtte het onderzoek zich op het karteren en waarderen van eventuele vindplaatsen. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties van de onderzoeksresultaten zijn voor de verdere planvorming in het gebied. Zijn eventuele archeologische resten behoudenswaardig, en, zo ja, dienen deze behouden te blijven of dienen ze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het onderzoeksgebied 45 proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van 6.024 m2. Dit komt neer op een dekkingsgraad van circa 3% van het totale onderzoeksgebied. Het werd vastgesteld dat sprake is van een vrij nat en vlak gebied op de rand van het beekdal van de Keersop. Meestal was sprake van een bouwvoor op C-horizont. In het noordelijke deel van deelgebied C was sprake van een afgetopte dekzandrug, terwijl meteen aangrenzend hieraan een ven opgevuld met een dunne veenlaag heeft gelegen. In het vlak werden in totaal 14 greppels aangetroffen, die deel uitmaken van een greppelsysteem dat samenhangt met het agrarisch gebruik van het gebied in de 20e eeuw. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit ervan, wordt geconcludeerd dat het gaat om een niet-behoudenswaardige vindplaats. De archeologische verwachting voor alle archeologische resten (uitgezonderd nietbehoudenswaardige greppels en wegen uit de 20e eeuw), kan naar laag worden bijgesteld. Enkele sleuven konden niet worden aangelegd vanwege plaatsgebrek of het ontbreken van betredingstoestemming. De bodemkundige en lithogenetische situatie kan (mede op basis van historische kaarten) naar de niet onderzochte delen ge?xtrapoleerd worden. Ook voor de niet onderzochte delen is er sprake van een lage archeologische verwachting. Het wordt daarom geadviseerd deelgebied C en het westelijke deel van deelgebied D vrij te geven

    Archeologisch vooronderzoek: een proefsleuvenonderzoek

    No full text
    In opdracht van de Gemeente Waalre heeft RAAP op 8 augustus 2017 een proefsleuvenonder zoek uitgevoerd in verband met voorgenomen woningbouw te plangebied Heistraat Noord Fase 2 in de gemeente Waalre. Het onderzoeksgebied is onderzocht door middel van vijf proefsleuven. De bodem in het gebied bleek uit een veldpodzol te bestaan die grotendeels tot in de C-horizont verstoord is. Er werden enkele greppels aangetroffen, die als perceelgreppels uit de 19e en 20e eeuw geïnterpreteerd moeten worden. Een diepe en kromme greppel met een vlakke bodem kan een loopgraaf behorende tot het kampement van het Armée Gallo-Batave van generaal Augereau van het Franse leger zijn, dat in juni en juli 1800 vermoedelijk circa 750 m ten noordoosten van het plangebied gelegerd was. Een interpretatie als oefenloopgraaf of als een andere greppel is echter niet uit te sluiten. Verder zijn er enkele recente verstoringen aangetroffen die te interpreteren zijn als plantgaten uit de 19e of 20e eeuw, en verstoringen veroorzaakt door het verwijderen van grote stobben tijdens de aanleg van het vlak. Verdere grondsporen werden niet aangetroffen en er werden ook geen vondsten aangetroffen. Van een echte vindplaats is dan ook geen sprake. Op basis van het uitgevoerde onderzoek advi seert RAAP daarom het onderzoeksgebied voor ontwikkelingen vrij te geven

    Dijkring 54 vakken A, C, D en E, gemeente Gennep, archeologisch onderzoek: proefsleuvenonderzoek en archeologische begeleiding

    No full text
    In opdracht van Waterschap Limburg heeft RAAP in maart 2018 en in juni 2019 een archeologisch proefsleuvenonderzoek en in juli, augustus en september 2019 een archeologische begeleiding uitgevoerd in het kader van het project ?Dijkversterking dijkring 54 Ven-Zelderheide? in de gemeente Gennep. Het doel van het proefsleuvenonderzoek en de archeologische begeleiding was het vaststellen of er archeologische resten in het onderzoeksgebied aanwezig zijn, en zo ja, wat de aard, omvang en datering daarvan is. Aan de hand daarvan diende bepaald te worden of er van een behoudenswaardige vindplaats sprake is of niet. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Is de archeologische vindplaats behoudenswaardig, en, zo ja, kan deze behouden blijven of dient deze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn in eerste instantie acht proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van 400 m2. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 9,5 % van het plangebied. Het gaat om vier sleuven in dijkvak A, twee sleuven in dijkvak C en twee sleuven in dijkvak E. Negen andere sleuven (??n in dijkvak C, zeven in dijkvak D en ??n in dijkvak E) konden vanwege praktische omstandigheden niet worden aangelegd. Als aanvulling op deze acht sleuven, werden in juni 2019 in dijkvak E nog twee profielsleuven over een oude weg aangelegd. In dijkvakken D en E werden daar waar geen proefsleuven konden worden aangelegd archeologische begeleidingen van de graafwerkzaamheden uitgevoerd. Alleen in dijkvak E heeft het onderzoek archeologische resten opgeleverd. Het gaat om karrensporen die verband houden met een voorganger van de naastgelegen Bloemenstraat (voorheen Bloemenweg) . Deze weg was v??r de aanleg van de N271 de doorgaande route van Venlo naar Nijmegen. In het wegpakket werden daarnaast enkele paalkuilen uit de 20e eeuw aangetroffen, die ontstaan moeten zijn nadat de weg buiten gebruik is geraakt. De vondsten die in de wegpakketten werden aangetroffen dateren hoofdzakelijk in de nieuwe tijd, maar mogelijk gaat de weg al terug tot de (late) middeleeuwen. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat het gaat om een nietbehoudenswaardige vindplaats. Dijkvakken A, D en E kunnen geheel worden vrijgegeven. Hier is het archeologische onderzoek afgerond. Het oostelijke deel van dijkvak C heeft evenmin archeologische resten opgeleverd en kan worden vrijgegeven. In het westelijke deel van dijkvak C is geen proefsleuf gegraven en ook geen archeologische begeleiding uitgevoerd omdat hier (nog) geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Hier is het archeologische onderzoek dan ook nog niet afgerond. Indien hier in de toekomst werkzaamheden plaatsvinden, dan kan gezien de praktische omstandigheden het beste voor een archeologische begeleiding gekozen worden

    Plangebied Kloosterweg 100 te Roermond, gemeente Roermond; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

    No full text
    In opdracht van dhr. L. Cox heeft RAAP in september 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in plangebied Kloosterweg 100 te Roermond (gemeente Roermond). In het plangebied is de sloop van een bestaand kinderdagverblijf en vervanging door nieuwbouw gepland. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunning. Landschap Het plangebied ligt in de Roerdalslenk en daarbinnen op een Maasterras uit het allerød. Op het Maasterras ligt het plangebied precies binnen een restgeul uit het laat pleistoceen waarin rivierzand en -grind is afgezet (Formatie van Beegden). In het holoceen zijn hierin venige beekdalgronden gevormd. Archeologie In de omgeving van het plangebied zijn verschillende vondsten gedaan die dateren uit het mesolithicum tot en met de nieuwe tijd. Geen enkel archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden in de restgeul waarin het plangebied ligt, maar in de geul zijn wel vuurstenen werktuigen en aardewerk aangetroffen. Uit het plangebied zelf zijn geen vondsten bekend. Historische informatie Direct ten noordwesten bevond zich een historische hoeve genaamd Kloosterhof. Deze gaat terug tot de 13e eeuw. Het plangebied was in de vroege 19e eeuw in gebruik als hooiland. Direct ten westen liep een weg richting de zuidwestelijk gelegen beekovergang. In 1990 is het oude kinderverblijf in het plangebied gebouwd. Er heeft toen tot 150 cm -mv grondverbetering plaatsgevonden. Gespecificeerde archeologische verwachting In het hele plangebied worden restanten verwacht van paleolithische en mesolithische resten van jacht/visserij en organische en paleo-ecologisch materiaal. Daarnaast worden de resten verwacht van een beekovergang (inclusief weg) die terug zou kunnen gaan tot het neolithicum. Verder kunnen in het plangebied ook resten van beakkering en grondstofwinning uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aanwezig zijn. In het westelijk deel van het plangebied, onder het oude kinderdagverblijf, wordt de kans op intacte archeologische resten klein geacht. Door de grondverbetering hebben eventuele archeologische resten hier waarschijnlijk een slechte tot matige gaafheid. In het oostelijk deel hebben de resten een goede gaafheid. De conservering van vondstmateriaal (organisch en anorganisch) is naar verwachting goed. Advies Naar verluid is tijdens de bouw van het oude kinderdagverblijf grondverbetering toegepast tot 150 cm – mv. De nieuwbouw, met geplande funderingen van 80 cm diep, zal circa 70 cm hoger komen te liggen als het oude kinderdagverblijf. Een deel van de nieuwbouw bevindt zich in ongeroerde grond. In dit deel zal het maaiveld worden opgehoogd waarin vervolgens de funderingen aangelegd worden. Op basis hiervan blijkt dat het huidig maaiveld nauwelijks wordt geroerd en het archeologisch niveau niet geraakt wordt. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Roermond, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit

    Omlegging Raam te Stramproy, gemeente Weert ; archeologisch vooronderzoek: een QuickScan.

    No full text
    In opdracht van OmniVerde B.V. heeft RAAP in februari en maart 2020 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een QuickScan uitgevoerd voor het onderzoeksgebied omlegging Raam te Stramproy in de gemeente Weert. In het onderzoeksgebied zijn diverse werkzaamheden gepland, waaronder het graven van sloten, het verdiepen en verbreden van al bestaande sloten, en het verhogen van het maaiveld. Het onderzoek vond plaats in het kader van een nieuw bestemmingsplan. Volgens het vigerende bestemmingsplan heeft alleen het noordelijk deelgebied een dubbelbestemming “waarde-archeologie”. Het onderhavige onderzoek heeft dan ook alleen betrekking op dit deel van het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het noordelijk deelgebied bestaat uit een dekzandrug en dekzandwelvingen met veldpodzolgronden. In dit gebied is er een lage verwachting voor intacte paleolithische en mesolithische kampementen, een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de ijzertijd, een middelhoge verwachting voor off-site fenomenen uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen en een hoge verwachting voor off-site fenomenen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Het archeologisch relevante niveau bevindt zich waarschijnlijk direct onder de bouwvoor op een diepte van circa 30 cm -mv. In dit deelgebied bevindt zich al een sloot, die met deze werkzaamheden verdiept en mogelijk iets verbreed wordt. Daarnaast bevinden zich diverse kabels en leidingen tussen de sloot en de nabijgelegen weg. Gezien de verstoringen die reeds in het onderzoeksgebied aanwezig zijn (sloot, kabels en leidingen) en de relatief beperkte omvang van de ingrepen wordt er geadviseerd om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren en het hele plangebied vrij te geven. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische resten aangetroffen worden, dan dienen deze gemeld te worden. Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Weert, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit

    Plangebied Dorpshart Bocholtz, gemeente Simpelveld; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek).

    No full text
    Inleiding De gemeente Simpelveld is voornemens een wegreconstructie in de dorpshart van Bocholtz uit te voeren. In het kader van deze werkzaamheden heeft RAAP in opdracht van Lievense CSO in augustus 2018 een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Het doel van dit onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de archeologische resten die in dit plangebied verwacht worden en de te verwachten diepteligging en fysieke kwaliteit daarvan. Middels het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over de landschappelijke en archeologische context van het plangebied, op basis waarvan een archeologische verwachting is opgesteld. Deze gegevens zijn middels een booronderzoek in het veld getoetst. Bureauonderzoek Op basis van de ligging in een dal en de (periodieke) aanwezigheid van drinkwater geldt, voornamelijk op de rand van het dal of de voet van de helling, een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager/verzamelaars. Indien niet geërodeerd zijn deze vindplaatsen afgedekt door een dik pakket colluvium (in de top van de in situ löss). Daarnaast geldt voor die delen van het plangebied die binnen de historische dorpskern liggen een zeer hoge archeologische verwachting voor met name resten uit de Volle en Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Deze resten kunnen al vanaf 40 cm –Mv voorkomen, in de top van het colluvium. Verkennend booronderzoek Op basis van de resultaten van het veldonderzoek worden oudere resten, zoals vindplaatsen van jager/verzamelaars niet meer intact verwacht. Wel blijft de zeer hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen gerelateerd aan de historische kern van Bocholtz gehandhaafd. Advies Voor die delen van het plangebied met een zeer hoge archeologische verwachting - exclusief het reeds verstoorde parkeerterrein aan de kruising met de Wilhelminastraat en de Beatrixstraat - wordt vervolgonderzoek geadviseerd bij werkzaamheden die dieper gaan dan 40 cm –Mv (figuur 12). Dit vervolgonderzoek kan bestaan uit een IVO-P (variant archeologische begeleiding) met indien nodig doorstart naar opgraven (variant archeologische begeleiding. Met name de begeleiding van grotere aaneengesloten vlakken wordt essentieel geacht. Gezien de zeer beperkte waarnemingsmogelijkheden is het minder zinvol om de kleine, zeer verspreide werkzaamheden archeologisch te laten begeleiden. Een archeologische begeleiding dient uitgevoerd te worden conform een vooraf opgesteld Programma van Eisen (PvE). Het PvE dient te zijn goedgekeurd door de bevoegde overheid (gemeente). Dit rapport geeft een selectieadvies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Simpelveld, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een selectiebesluit
    corecore