319,779 research outputs found
Antea Group Archeologie 2020/204
N.B.: Het onderzoek is voorgelegd aan en beoordeeld door de bevoegde overheid. Deze heeft het onderstaande advies overgenomen.
Antea Group heeft in oktober 2020 een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in voorbereiding op de aanleg van de kabelbundel van 20 kV spanning op het traject Doetinchem – Olde Kaste. Het tracé doorkruist twee gemeenten, namelijk de gemeente Doetinchem en de gemeente Bronckhorst. De onderhavige rapportage heeft betrekking op het gedeelte van het tracé dat zich in de gemeente Doetinchem bevindt. Het veldonderzoek volgt op een bureauonderzoek dat Antea Group in juli 2020 heeft opgesteld. Het bureauonderzoek is in onderstaand integraal overgenomen.
Bureauonderzoek Het plangebied is onderdeel van het rivierduinenlandschap, het dekzandlandschap en het oud rivierenlandschap IJsseldal-Rijn. In het plangebied kunnen in principe resten worden aangetroffen vanaf het laatpaleolithicum tot en met de nieuwe tijd, inclusief de Tweede Wereldoorlog. In het verleden concentreerde de bewoning zich met name op de hoger gelegen zones, zoals de rivierduinen, rivierterrassen en dekzandruggen.
Binnen de gemeente Doetinchem wordt een groot gedeelte van het tracé door middel van gestuurde boringen (HDD) aangelegd. Op een aantal punten zullen de werkzaamheden wél in open ontgraving worden uitgevoerd. Deze deelgebieden, genummerd 1 tot en met 5, vormen de focus van het onderhavige bureauonderzoek.
Voor deelgebieden 1 tot en met 4 vertalen de bovengenoemde fysisch-geografische eenheden zich naar een algemene (brede) middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Voor deeltracé 5 geldt deels een middelhoge en deels een lage archeologische verwachting. Echter in deelgebied 1 zijn vanwege bestaande ondergrondse situatie geen intacte resten meer te verwachten van eventuele vindplaatsen. Deelgebied 3 ligt aan de rand van AMK-terrein 13166. Het betreft een historische havezate en bekende vindplaats met een hoge archeologische verwachting voor de middeleeuwen en nieuwe tijd (inclusief de Tweede Wereldoorlog). Deze locatie heeft daarmee naast de brede verwachting ook een specifieke verwachting op vroege nieuwe tijd en Tweede Wereldoorlog.
Inventariserend veldonderzoek Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase voor deelgebieden 2 tot en met 5. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie.
De bodemopbouw verschilt sterk per locatie: • deelgebied 2: verstoorde grond op C-horizont in zand • deelgebied 3: humushoudend dek op C-horizont met vuile overgangslaag, mogelijk oud landbouwdek of vergraven bosbodem op een vlakvaaggrond van (rivier)duinzand. • deelgebied 4: verstoorde grond op C-horizont, boring 30 gelegen op een afgegraven deel van het duin (Kruisberg) • deelgebied 5: oude rivierkleigrond met dekzanddek en/of (her)verstoven rivierduinzand, bijzonder hierbij is de vegetatielaag op de overgang van oude klei naar zand.
De mate van verstoring is in bermsituaties (deelgebied 2, 3 en 4) en het weiland (deelgebied 5) in de meeste gevallen vrij aanzienlijk, tot 1 m –mv. De relevante bodems in de zandgronden zijn echter, ook bij de ondieper geconstateerde verstoringen, reeds verstoord geraakt.
In deelgebied 3 (boringen 33 en 34) is een intacte vlakvaaggrond met humushoudend dek aanwezig. Door de afwezigheid van een podzolprofiel worden geen resten van prehistorische bewoning verwacht. Het humushoudend dek kan hier echter wel afkomstig zijn van plaggenbemesting op de akkers rondom havezathe Hagen/De Kelder uit de periode late middeleeuwen/vroege nieuwe tijd. Resten van agrarische bewerking (waaronder een plaggendek) worden echter niet als een behoudenswaardige vindplaats beschouwd.
In deelgebied 5 is de top van de oude rivierklei een humushoudende laag gevormd, vermoedelijk door toedoen van enige veengroei. De laag bevat ook onverteerde plantenresten. De vegetatielaag vormt een vermoedelijk loopvlak uit het laat glaciaal. De onverteerde plantenresten duiden op een natte vorming en daarmee niet op een geschikte verblijfplaats: daarvoor zullen de rivierduinen waar deze door de oude rivierklei heen steken beter geschikt zijn geweest.
Met de gekozen aanlegwijze (als grootschalig gestuurde HDD boring) is al een minimale verstoring aan eventuele archeologische resten bewerkstelligd. Waar nog wel vergravingen plaatsvinden kan op grond van de bovenstaande gegevens de archeologische verwachting worden bijgesteld naar een lage verwachting. Dit geldt voor deelgebieden 2, 3, 4 en 5. De (middel)hoge verwachting voor deelgebied 1 vervalt door de hoge mate van bestaande verstoringen. Dit deel van de aanlegwerkzaamheden is geheel gelegen in een bestaand kabelbed op het trafostation. Voor gebieden zonder of met een lage (resterende) verwachting wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Het advies om het plangebied (deelgebieden 1, 2, 3, 4 en 5) vrij te geven ten aanzien van het aspect archeologie is ter beoordeling aan de bevoegde overheid (de gemeente Doetinchem). Zij zal, op voorspraak van haar adviseur, de resultaten en het advies in beoordeling nemen en overgaan tot een selectiebesluit. In het selectiebesluit kan zij ofwel meegaan met de in dit rapport gestelde adviezen ofwel op inhoudelijke gronden anders besluiten.
Het advies is overgenomen en omgezet in een selectiebesluit
Antea Group Archeologie 2021/36
Antea Group heeft In februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd in het kader van de aanleg van een gashogedruk- en een gaslagedrukleiding langs de oostzijde van de Hoofdweg tussen Oudemolen en Zeegse (gemeente Tynaarlo).
Conclusie bureauonderzoek
Over het algemeen geldt er een (middel)hoge archeologische verwachting en / of waarde voor het plangebied voor meerdere perioden. Deze verwachting is met name gebaseerd op de gunstige landschappelijke ligging aangrenzend aan een (deels niet ontgonnen) gebied voormalig heidegebied. De bewoningsgeschiedenis in de omgeving van het huidige plangebied gaat terug tot het midden paleolithicum. De prehistorische vindplaatsen zijn gelegen op de hogere gedeeltes van het landschap, in de buurt van lagere en nattere delen. In de (directe) omgeving van het plangebied zijn grafheuvels aangetroffen uit de periode neolithicum – ijzertijd. Verder laat de AHN in de zone ten oosten van het plangebied duidelijk de aanwezigheid van karresporen en een celtic field in het landschap zien. De grafheuvels komen aan beide zijden van de Hoofdweg voor. De parallel aan de Hoofdweg gelegen karresporen laten zien dat de huidige hoofdweg teruggaat op een veel oudere route.
Conclusie booronderzoek
Er werd in het bureauonderzoek rekening gehouden met een brede verwachting op zand, waarbij relatief intacte bodems werden verwacht vanwege de uitgebleven ontginning van het aangrenzende terrein. De boringen zijn geplaatst aan de buitenzijde van de bestaande kabel en leidingenstrook en de berm of in de rand van de bosstrook. De verwachting op intacte bodems wordt bevestigd door boringen 24 en 25 (een volledig intacte veldpodzol). Deze verwachting geldt echter voor het aangrenzende terrein en niet voor de daadwerkelijk berm van de Hoofdweg: waar in de berm is geboord zijn voornamelijk tot in de C-horizont verstoorde profielen aangetroffen.
De oorspronkelijke bodemopbouw zal voor het gehele plangebied echter ook een veldpodzol zijn geweest (natte heideprofiel), die in de berm vrijwel overal is verstoord tot in de C-horizont. De dikke eerdlaag in boring 01 duidt mogelijk op de aanwezigheid van een plaggendek. Geologisch bestaat de basis van het profiel in de meeste gevallen binnen 1,2 m -mv uit zand uit de Elster-ijstijd (Formatie van Peelo) met daarboven dekzand (Formatie van Boxtel).
In boring 01 is een vuilige laag aanwezig op een diepte van 0,85-0,95 m -mv met daarboven een dikke (omgewerkte) eerdlaag (mogelijk plaggendek). De vuilige laag is, vermoedelijk in verstoorde staat, ook aangetroffen in boring 10. Deze laag betreft mogelijk oude akkergrond, of de vulling van een oude bermgreppel of een karrenspoor. De laag heeft geen vondsten opgeleverd.
Selectieadvies
Er is geadviseerd om de aanleg te laten plaatsvinden binnen de bestaande kabel- en leidingstrook in de berm. Zolang de kabels vlak langs de weg wordt aangelegd bestaat er geen kans op het verstoren van intacte profielen; daarbuiten wel. Indien nieuwe grondroering niet kan worden uitgesloten en er bijvoorbeeld toch naar de buitenzijde van de bestaande kabel- en leidingstrook wordt uitgeweken dan adviseren wij om een archeologische begeleiding uit te voeren ter plaatse van boring 01 (circa 25 m bij Schapendrift tot maximaal aan de oprit naar de parkeerplaats van Staatsbosbeheer). Voor boring 10 geldt dit advies niet, omdat de laag daar verstoord lijkt te zijn
Antea Group Archeologie 2018/153
In september 2018 heeft Antea Group in opdracht van CroonenBuro5 een archeologisch booronderzoek (verkennende fase) uitgevoerd voor een plangebied dat valt binnen het grotere bestemmingsplan Slotjes te Oosterhout. Het plangebied bestaat uit verschillende fasen waarvan nu fase 4 tot en met 7 worden onderzocht. De verschillende fasen komen daarbij overeen met verschillende deelgebieden (zie ook afbeelding 1).
In juni 2018 is reeds een bureauonderzoek uitgevoerd, waarin is geadviseerd een booronderzoek op de bestaande grasvelden uit te voeren. Het bureauonderzoek is ook opgenomen in dit rapport.
Een booronderzoek ter plaatse van de nog bestaande bebouwing lijkt vooralsnog niet zinvol en praktisch niet mogelijk.
Conclusie
Tijdens het archeologisch booronderzoek is gebleken dat er sprake is van een gehomogeniseerd, deels verrommeld antropogeen dek op het uitgangsmateriaal, met in enkele gevallen een BC-horizont of een mogelijk een ontginningslaag.
Er zijn geen aanwijzingen dat de oorspronkelijke top van de C-horizont, en daarmee het archeologisch relevante vlak, diep verstoord zijn geraakt. Dit maakt dat dit vlak nog steeds intact in de ondergrond aanwezig is en de archeologische verwachtingswaarde nog steeds als hoog tot middelhoog kan worden aangemerkt.
Selectieadvies
Het advies van Antea Group is dan ook om in het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren in het booronderzoek nu onderzocht zones. Daarbij kan ook besloten worden om, als bovengrondse sloop van de flats reeds heeft plaatsgevonden ten tijde van de uitvoering één of enkele sleuven door te trekken naar de flats om te controleren of de bodem daar te ver verstoord is geraakt door de bouw van de flats.
Dit betreft een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Oosterhout.
Het bevoegd ging akkoord met het selectieadvies, door middel van een selectiebesluit
Redundant operators in the exact renormalisation group and in the f(R) approximation to asymptotic safety
In this paper we review the definition and properties of redundant operators in the exact renormalisation group. We explain why it is important to require them to be eigenoperators and why generically they appear only as a consequence of symmetries of the particular choice of renormalisation group equations. This clarifies when Newton’s constant and or the cosmological constant can be considered inessential. We then apply these ideas to the Local Potential Approximation and approximations of a similar spirit such as the f (R) approximation in the asymptotic safety programme in quantum gravity. We show that these approximations can break down if the fixed point does not support a ‘vacuum’ solution in the appropriate domain: all eigenoperators become redundant and the physical space of perturbations collapses to a point. We show that this is the case for the recently discovered lines of fixed points in the f (R) flow equations
Antea Group Archeologie 2016/46
Resultaten proefsleuvenonderzoek Het plangebied kenmerkt zich door een bodemopbouw bestaand uit een AC-profiel. Op een aantal plaatsen is er ook sprake van een mixlaag met materiaal uit de A- en C-horizont. Alleen ter plaatse van profiel 7-2 is sprake van een dun donkerbruin /zwart laagje met daaronder een uitspoeling. Dit is mogelijk een oude A-horizont. De A-horizont bestaat uit matig fijn, zwak tot matig humeus, zwak tot matig siltig zand; de C-horizont bestaat uit matig fijn, zwak tot matig siltig zand. Hieruit mag worden afgeleid dat het sporenniveau dat aanwezig is geweest in de oorspronkelijke top van de C-Horizont niet overal binnen de Everdenberg bewaard is gebleven. Op een aantal plaatsen mag verondersteld worden dat de sporen, indien aanwezig, in ieder geval beschadigd of al compleet opgenomen zijn in de bovenliggende A-Horizont. Dit kan echter alleen door middel van gravend onderzoek met zekerheid worden vastgesteld.
Tijdens de proefsleuffase zijn in totaal 61 grondsporen aangetroffen. Drieënveertig daarvan zijn aangetroffen in werkput 2. Het merendeel betreft kuilen, drie sporen zijn mogelijk te duiden als paalkuil. In de overige werkputten zijn 15 greppels, 2 sloten en een laagte aangetroffen.
Conclusie Uit het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er in het nu onderzochte plangebied sprake is van twee archeologische vindplaatsen. De eerste betreft een cluster kuilen die waarschijnlijk deel uitmaken van een achtererf van bewoning aan de Heistraat uit de 17e of 18e eeuw. Dit verklaart tegelijkertijd ook de verhoogde ligging in het landschap die al in de AHN-fase werd vastgesteld. Het gaat hier niet om een natuurlijke verhoging in het landschap maar om een lintbebouwing waarbij de erven langs de weg zijn opgehoogd door bouw en verbouwingen en waarbij de achtererven door ophoging uitsteken boven de gronden die een agrarisch grondgebruik hebben gekend. Deze vindplaats is als behoudenswaardig beoordeeld door Antea Group maar door wijziging in de ruimtelijke plannen wordt deze alsnog niet bedreigd en kan deze vooralsnog in situ bewaard blijven, mits de gemeente Oosterhout hiertoe in de planologische bescherming kan voorzien.
De tweede archeologische vindplaats bestaat uit de resten van landinrichting uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd en is als niet behoudenswaardig beoordeeld. Bij gebrek aan daterend vondstmateriaal kan deze datering helaas niet scherper.
De locatie voor een potentieel derde mogelijke vindplaats binnen de herontwikkeling van Everdenberg werd in het zuiden van het plangebied verondersteld. Dit deel van het plangebied bleek echter gedurende de proefsleuffase en enkele archeologische boringen reeds geroerd tot voorbij het archeologische niveau. Juist dit deel van het gebied rondom de Everdenberg kent de aanzet naar een verhoging van het natuurlijk landschap. Als daar echter archeologische sporen in de ondergrond aanwezig zouden zijn geweest dan is dat nu in ieder geval niet meer vast te stellen. Tijdens het archeologisch onderzoek in 2016 bleek namelijk dat de ondergrond van het zuidelijk deel ontgrond is geweest en dat er van een oorspronkelijke top van de C-Horizont geen sprake meer is. Dat op deze plaats tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw sprake is geweest van een aanzienlijke verhoging in het landschap werd gedurende het veldwerk van onderhavig onderzoek door diverse bewoners en gebruikers bevestigd
The local spectrum of the Dirac operator for the universal cover of SL_2(R)
Using representation theory, we compute the spectrum of the Dirac operator on the universal covering group of SL2(R)SL2(R), exhibiting it as the generator of KK1(C,A)KK1(C,A), where AA is the reduced C?C?-algebra of the group. This yields a new and direct computation of the K -theory of AA. A fundamental role is played by the limit-of-discrete-series representation, which is the frontier between the discrete and the principal series of the group. We provide a detailed analysis of the localised spectra of the Dirac operator and compute the Dirac cohomology
Antea Group Archeologie 2022/52
Conclusies bureauonderzoek
Op basis van het bureauonderzoek wordt vastgesteld dat in het plangebied vanwege de aanwezigheid van een dekzandrug een middelhoge verwachting geldt. Er kunnen resten worden aangetroffen vanaf het laat paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Binnen het plangebied kunnen op basis van de eerdere onderzoeken podzolgronden verwacht worden op de hoger gelegen delen van het plangebied die vanaf de prehistorie gunstig zijn geweest voor menselijke activiteiten. Daarbuiten op de lager gelegen delen is de verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden laag. Bovendien kan worden geconcludeerd dat een deel van het actuele plangebied reeds onderzocht is. Daarbij gaat het concreet om het onderzoeksgebied vanaf het 110 kV-station tot aan de Nieuwe Deventerweg.
Antea Group adviseert binnen de zone met een middelhoge verwachting (dekzandrug) vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek op twee locaties (afbeelding 11). De eerste locatie (Iepensingel) ligt direct ten oosten van het transformatorstation, waar een HDD-kuip en aansluiting op het station is voorzien (in open ontgraving). Hier geldt een middelhoge verwachting. De tweede locatie betreft locatie het Erf in de wijk Vloedkampen waar twee HDD-kuipen zijn voorzien met een korte aanleg in open ontgraving, en voorts een mogelijke uitlegstrook wordt voorzien. Of bij dit gebruik uiteindelijk bodemverstoring zal plaatsvinden is nog niet geheel bekend, aangezien het plan nog in voorbereidingsfase bevindt en dergelijke details nog uitgewerkt zullen worden.
De HDD-boringen inclusief de in- en uitreedpunten vormen geen bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden vanwege de aanlegdiepte van de HDD circa 10 m tot 25 m – mv. Deze zones kunnen net als de gebieden waarin reeds onderzoek heeft plaatsgevonden (het 110kV station zelf en de aanleg tussen het station en de Nieuwe Deventerweg) worden vrijgegeven.
Conclusies en advies verkennend booronderzoek
Op deellocatie Iepensingel bestaat het profiel tot aanzienlijke diepte (minimaal 1,6 m -mv en maximaal 2,7 m -mv) uit opgebrachte en omgewerkte pakketten. Hieronder ligt direct een C-horizont (boringen 02, 03 en 04) en in een enkele boring (01) een restant van een eerdlaag, gevormd in dekzand. Dit betreft een restant van een goor- of beekeerdgrond. Van de eerdlaag resteert slechts 15 cm. In de overige boringen is deze laag geheel verdwenen. De mate van verstoring, ondanks bedekking door aanzienlijke ophogingslagen, is vrij hoog.
Op locatie het Erf is voor het meest oostelijke boringen geen reconstructie te maken van de oorspronkelijke bodem: het profiel bestaat onder een gering omgewerkt pakket uit een C-horizont, al dan niet iets roestig bovenin. Voor het westelijke deel is uit de absolute hoogteligging te herleiden dat het hier een dekzandrug aanwezig is. De bodem bestaat uit omgewerkte lagen die direct op een C-horizont ligt. De oorspronkelijke (historische) bodem zal hier hebben bestaan uit een humeuze ploegvoor op de C-horizont (maar geen duidelijk enkeerdgrond). Podzolbodems of geroerde resten daarvan zijn niet aangetroffen.
De aangetroffen bodems zijn onvoldoende intact om de eventuele de aanwezigheid van intacte archeologische vindplaatsen te ondersteunen. Wij adviseren daarom om, in aanvulling op het advies uit het bureauonderzoek, ook de nader onderzochte locaties vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie. Dit advies wordt gegeven voor het tracé zelf (de open ontgravingen en HDD-putten op beide onderzochte locaties), alsook voor een eventueel te realiseren werkstrook of uitlegstrook langs de weg het Erf (te weten binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied zoals weergegeven op afbeelding 11 in dit rapport).
In de uitvoeringsfase kunnen eventueel nog andere werkterreinen in en om het plangebied worden ingericht. Mits daarbij grondroering wordt voorzien en mits de locatie binnen de zone die op afbeelding 5 is aangemerkt als een zone met middelhoge verwachting valt, dan kan daar alsnog een archeologisch onderzoek verplicht zijn.
Het bovenstaande selectieadvies is in de vorm van een eerdere revisie van dit rapport (revisie 0A) voorgelegd aan de adviseur van de bevoegde overheid, Het Oversticht, en akkoord bevonden (d.d. 18 mei 2022)
Antea Group Archeologie 2022/136
In de periode maart-april 2022 heeft Antea Group een bureauonderzoek opgesteld en in juni 2022 een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen uitgevoerd in verband met de voorbereiding van een bestemmingsplan behorende bij de voorgenomen stedenbouwkundige herontwikkeling (plan Nieuw Buurland) in de Staatsliedenbuurt te Utrecht, gemeente Utrecht. Het plangebied ligt ter hoogte van de Slotemaker de Bruïnestraat, de Nolenslaan, de Samuel van Houtenstraat en de Samuel Mullerstraat.
Conclusies bureauonderzoek
Het plangebied ligt buiten de stad Utrecht en is in de late middeleeuwen ontgonnen. Het plangebied maakt geen deel uit van deze historisch bewoonde zone. Er worden dan ook geen bewoningsresten vanaf de late middeleeuwen in het plangebied verwacht. Bekende gegevens van de ondergrond van het plangebied zijn niet voldoende vlakdekkend om te weten op welke diepte het dekzand zich bevindt en of er sprake is van en dekzandreliëf en of er sprake is van relevante bodemvorming. In principe kunnen erop eventuele hoger gelegen, droge delen van het dekzandreliëf resten uit de steentijd worden aangetroffen. Op basis van ondergrondgegevens uit het plangebied zal naar verwachting het grootste deel van de werkzaamheden plaatsvinden in opgehoogde en verstoorde lagen, ontstaan door (mogelijk) afticheling, het bouwrijp maken en door fundering en onderkeldering van de bestaande bebouwing. Naar aanleiding van deze resultaten werd in samenspraak met de gemeente Utrecht geadviseerd tot het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) binnen het plangebied.
Conclusies veldonderzoek
In het plangebied is de bodem tot minimaal het niveau van een restant komklei opgehoogd en/of verstoord. De bodemopbouw bestaat, globaal gezien en van boven naar beneden, uit meerdere pakketten (sub)recent opgebrachte grond van gemiddeld 1,8 m dik, met hieronder een dun laagje komklei op veen op dekzand. Boven op de komklei ligt in een aantal boringen nog een restant van een historisch ophogingspakket. Het niveau van de het dekzand is in meerdere boringen binnen de einddiepte van circa 3 tot 3,5 m-mv aangetroffen en bestaat vrijwel overal uit verspoeld zand. Het dekzand bevindt zich op een gemiddelde diepte van 2,8 m-mv / 1,5 m -NAP. De top van het zand is over het algemeen verspoeld en vertoont geen kenmerken van bodemvorming. Enkel in boringen 01 en 21B zijn zwakke podzolidatiekenmerken waargenomen in de vorm van een EB-B-C-horizont en AB-C horizont. Tevens ligt het zand in deze boringen iets hoger in het landschap (1,1 respectievelijk 1,3 m -NAP). Er bestaat een kleine (maar niet te verwaarlozen) kans dat er in deze zone archeologische waarden uit de prehistorie in de ondergrond aanwezig zijn.
Advisering
Geadviseerd wordt om op deze locatie de bodem niet dieper dan 2 m-mv te ontgraven/ verstoren. Concreet gaat het hierbij enkel om bouwvlak 1 op afbeelding 2. Indien dit niet mogelijk is, dan adviseren wij om de aanwezigheid van vindplaatsen te karteren en eventueel te waarderen door middel van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Dit onderzoek kan pas uitgevoerd worden nadat de huidige bebouwing is gesloopt. Verder kan er pas worden begonnen met ondergrondse sloopwerkzaamheden en ontgravingen nadat het archeologisch onderzoek is afgerond. De overige gedeeltes van het plangebied, te weten bouwvlakken 2 en 3 op afbeelding 2, adviseren we vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze gemeente Utrecht.
Revisiebeheer en uitgesteld selectiebesluit
Een eerdere versie van deze rapportage (revisie 00) is voorgelegd aan en beoordeeld door de gemeente Utrecht. De onderhavige versie (revisie 01) betreft een ge-update versie van deze rapportage waarin de op- en aanmerkingen van de bevoegde overheid zijn verwerkt. De gemeente heeft aangegeven pas een selectiebesluit te kunnen nemen als zij de gegevens over de daadwerkelijke graafwerkzaamheden heeft ontvangen. Een (bijna) definitieve funderingstekening en palenplan is noodzakelijk om tot een goede beoordeling te komen
Antea Group Archeologie 2015/129
Op basis van de resultaten uit het bureau- en booronderzoek worden binnen het plangebied geen bewoningsresten verwacht. De verwachting voor archeologische resten uit de prehistorie wordt laag ingeschat en vanwege het algemeen aanwezige A/C-profiel zal een eventuele vindplaats uit deze periode waarschijnlijk niet intact aanwezig zijn. Het plangebied is relatief laag gelegen en was te nat voor bewoning. In de late middeleeuwen en nieuwe tijd wordt het gebied als landbouwgrond in gebruik genomen, hiervan getuigen de losse waarneming van laatmiddeleeuws aardewerk en een voormalig boerenerf aan de overkant van de weg (Wezenland). Van de landbouwactiviteiten in deze periode zouden nog enkele sporen in het plangebied aanwezig kunnen zijn, zoals greppels of verspreid liggende kuilen, maar dan gaat het om resten in de periferie van een eventuele vindplaats. In het oosten van het plangebied, in boring 06, zijn vermoedelijke beekafzettingen aangetroffen. Ter plaatse van het beekdal kunnen archeologische resten (‘natte context’) worden aangetroffen. Deze sporen kunnen echter zeer plaatselijk voorkomen en niet of nauwelijks met een karterend booronderzoek of proefsleuvenonderzoek worden opgespoord. Het oostelijk deel van het plangebied wordt op basis van de voorliggende plannen vooral in gebruik genomen als weiland, waardoor er naar verwachting effectief geen grote verstoringen worden toegebracht aan het beekdal.
Op basis van deze constateringen is geen vervolgonderzoek voor archeologie geadviseerd
A CHARACTERIZATION OF HN: ADDENDUM
In the paper mentioned in the title [{\it C. Franchi, M. Mainardis} and {\it R. Solomon}, J. Group Theory 11, No. 3, 357-369 (2008; Zbl 1151.20014)] the Harada-Norton sporadic simple group was characterized as a group of bicharacteristic . In this note we extend that result to bicharacteristic for any prime greater than . Our result follows from the fact that, for such primes, a -local configuration of the type found in the Harada-Norton group for can appear in a finite group only when is equal to or
- …
