183 research outputs found

    RAM 93

    No full text
    De conclusies van het onderzoek kunnen als volgt worden samengevat: - de vindplaats Urk-E4 is gelegen op een rivierduin nabij een oude loop van de Vecht; - als gevolg van erosie is met name het hogere deel van de duin sterk aangetast, zodat geen uitspraken kunnen worden gedaan over de representativiteit van de aangetroffen bewoningssporen; - de duin is gedurende het Mesolithicum en Neolithicum bewoond geweest; - tot de mesolithische bewoningsfase (7300-5059 cal. BC) kunnen enkele vuurstenen werktuigen worden gerekend en een aantal diepe haardkuilen; - de vondstenlaag die over het duinoppervlak is aangetroffen heeft waarschijnlijk het loopvlak voor de mesolithische en neolithische bewoning gevormd, waardoor afval uit beide perioden vermengd is; - tot de neolithische bewoningsfase moet het grootste deel van het vuursteen, het aardewerk en het natuursteen worden gerekend; - het vuursteen maakt op typologische en technologische gronden een ‘late’ indruk door de beperkte rol van de klingtechnologie en het voorkomen van spitsen met oppervlakteretouche; - voor het vuursteen lijkt sprake van een breed activiteitenspectrum; - het aardewerk is overwegend gemagerd met steengruis en opgebouwd uit rolletjes; - de potten hadden overwegend een S-vormig profiel (met soms een scherpere knik op de buik) en ronde of puntvormige bodems (soms plat); - versiering komt vrij weinig voor en is vooral beperkt tot de rand en de hals; - sommige versieringsmotieven verwijzen naar Trechterbeker- of Rössenaardewerk; - de neolithische bewoning lijkt op grond van met name het aardewerk vooral aan het latere deel van de midden-Swifterbantcultuur en de late Swifterbantcultuur (ca. 4200-3400 cal. BC) te moeten worden toegeschreven; - er zijn geen aanwijzingen voor bewoning door de Trechterbekercultuur of de laat-neolithische bekerculturen, wat past bij het inzicht dat de duintop rond 3400 cal. BC onder het grondwater moet zijn verdwenen; - op de duin is kleinschalig geakkerd; - onder het botanisch materiaal zijn verkoolde resten van met name wilde planten aangetroffen, maar ook van cultuurgewassen (Triticum monococcum/dicoccum en Hordeum vulgare); - een datering van een graankorrel leverde een ouderdom van ca. 4200-4000 cal. BC op, maar deze datering geeft geen ouderdom voor de akkerlaag aan; - de akkerlaag moet gezien de diepteligging ten opzichte van NAP van vóór ca. 3800 cal. BC dateren; - onder het zwaar gefragmenteerde botmatriaal zijn resten van huisdieren (rund, schaap/geit en hond) en wilde dieren (wild zwijn, edelhert, bever, otter, das, wilde kat) aangetroffen, en een grote groep waarvan niet duidelijk is of het wild zwijn of tam varken betreft; - opvallend is de quasi-afwezigheid van vogel- en visresten, maar de betekenis hiervan is niet te schatten; - op het hogere deel van de duin is een grafveld aanwezig dat waarschijnlijk tot de Swifterbantcultuur moet worden gerekend; - in het grafveld zijn resten van minimaal tien individuen aangetroffen, waarbij het gaat om volwassen mannen en vrouwen en één jongere; - er is sprake van een variabele begravingswijze; - bijgaven zijn beperkt tot barnstenen kralen (waarschijnlijk met een snoer om het hoofd); - er zijn geen sporen van zwaardere woonconstructies zoals huisplattegronden herkend; - de gegevens reflecteren voor de neolithische bewoningsfase een breed spectrum economie die gebaseerd is op jacht, veeteelt, akkerbouw en waarschijnlijk visvangst; - op de duin zijn activiteiten van diverse aard ontwikkeld; - waarschijnlijk hebben we hier te maken met de resten van een basiskamp, maar er kunnen geen uitspraken worden gedaan over de bewoningsduur

    Aanvullend Archeologisch Onderzoek in het trace van de Hogesnelheidslijn-Zuid/A16, vindplaats 37, Rotterdam, Overschiese Kleiweg

    No full text
    In het kader van de aanleg van de Hogesnelheidslijn heeft een Aanvullend Archeologisch Onderzoek op deze locatie plaatsgevonden. Het betreft een dijk opgebouwd uit kleikluiten, aangelegd op een geulvulling. De dijk is gelegen op Afzettingen van Duinkerke. Op grond van historische bronnen is gesteld dat de dijk in de 12e eeuw is aangelegd. Een onderste vulling laat zien dat de geul vermoedelijk actief is geweest in de IJzertijd, een tweede vulling is daarboven aanwezig, en een derde vulling gaat over het Hollandveen, waarin de ijzertijdnederzetting is gelegen, heen en dateert van later. Dateringen van hout- en zadenmonsters duiden op menselijke activiteiten in de Vroege Middeleeuwen. Resten van rieten matten of andere constructies ter versteviging van het dijklichaam zijn niet aangetroffen. Er zijn drie palenconfiguraties van in totaal 129 palen met daartussen ijzertijdaardewerk aangetroffen. Tot het eind van de 20e eeuw bevond zich 18e/19e-eeuwse bebouwing ten noorden van de Overschiese Kleiweg

    Aanvullend Archeologisch Onderzoek in het trace van de Hogesnelheidslijn-Zuid/A16, vindplaats 37, Rotterdam, Overschiese Kleiweg

    No full text
    Verslag van aanvullend onderzoek na inventariserend onderzoek naar archeologie op de Overschiese Kleiweg, Rotterdam. Op grond van historische bronnen werd vermoed dat zich hier een middeleeuwse dijk uit de 12e eeuw bevond.De dijk bevat sporen uit de IJzertijd, Vroege Middeleeuwen (7e en 8e eeuw) en Nieuwe Tijd (18e en 19e eeuw)

    BOOR 301

    No full text
    onderzoeksrappor

    BOOR 283

    No full text
    onderzoeksrappor

    Erfgoedrapport Breda 75

    No full text
    In opdracht van de gemeente Breda is op 22 t/m 25 maart 2010 een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven uitgevoerd op drie bouwkavels aan de Oude Molenweg 8, 10, en 12. Het plangebied wordt begrensd door de Oude Molenweg in het westen, de Leursebaan in het zuiden, en perceelsgrenzen in het noorden en oosten. Het gebied is in gebruik geweest als manege, waarvan de stal bij aanvang van het onderzoek al gesloopt was. Aanleiding voor het onderzoek is de verkoop van drie bouwkavels op deze locatie en de toekomstige nieuwbouw op het terrein. De bodemopbouw in de verschillende werkputten is ongeveer hetzelfde. De natuurlijke bodem wordt gevormd door geel iets lemig zand (S 950, C-horizont). Dit wordt afgedekt door een verploegde en door bioturbatie verrommelde laag waarin de A- met de C-horizont vermengd is geraakt (S 951) deze laag wordt vervolgens afgedekt door een donkerbruine bouwvoor (S 990). In enkele profielen was onder de bouwvoor (S 990) nog een restant van een oudere donkerbruine A-horizont aanwezig, dat mogelijk een oude akkerlaag vertegenwoordigd (S 952). In werkput 3 en 5 was een noord-zuid georiënteerde greppel aanwezig die in verband gebracht kan worden met een oudere perceelsindeling. Deze greppel is niet herkend op de kadastrale minuutplan uit 1824. De palenrijen die in werkput 5 zijn aangetroffen liggen parallel aan deze greppel en hebben vermoedelijk te maken met de afrastering van het perceel. Deze perceelindeling is ouder dan de bebouwing die in ieder geval al in 1824 op het terrein aanwezig is geweest. Er zijn funderingen en keldervloertjes aangetroffen van de 19e eeuwse gebouwen op deze locatie. Op het kadastrale minuutplan van 1824 staan op deze locatie langs de Oude Molenweg twee gebouwtjes aangegeven. Waarschijnlijk hebben deze gebouwtjes tot één erf behoord, en is er één een woonhuis en één een schuur geweest. Wanneer we de allesporenkaart projecteren op de kadastrale minuut wordt het duidelijk dat het meest zuidelijk gelegen muurfundament (S 109) op dezelfde plaats ligt als de zuidelijke (korte) gevel van het zuidelijke gebouwtje. Het keldertje S 104 ligt ter hoogte van de noordelijke korte gevel van hetzelfde gebouw. Deze twee fundamenten zullen de begrenzing hebben gevormd van de eerste fase van het (zuidelijke) woonhuis. Het meest noordelijke muurfundament (S 032) ligt op dezelfde hoogte als de noordelijke lange gevel van het noordelijke gebouw. In de loop van de tijd zijn de beide gebouwen samengetrokken tot één gebouw en is het gebouw richting het zuiden uitgebreid. Het nieuwe gebouw kende één lange deels bakstenen gevel parallel aan de weg met aan de noordzijde een houten gedeelte

    Erfgoedrapport Breda 63

    No full text
    In opdracht van de directie economische zaken en grondbedrijf afdeling vastgoed (voorheen ODB/VGEP/vastgoed) van de Gemeente Breda is op 19, 20, 23, 26, 27, 28 juli en op 18 en 19 oktober 2010 een inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven uitgevoerd op het terrein aan de Schoolstraat 2a t/m c in Prinsenbeek. Het plangebied ligt in het centrum van Prinsenbeek in de gemeente Breda en wordt omgrensd door Gertrudislaan (W) , Schoolstraat (Z), Markt (O) en de begraafplaats (N). Het plangebied maakt deel uit van de bebouwde kom van Prinsenbeek en was gedeeltelijk bebouwd en gedeeltelijk in gebruik als schoolplein en parkeerterrein. Aanleiding voor het onderzoek is de geplande nieuwbouw van een woonzorgcentrum op het terrein. Het inventariserend veldonderzoek heeft een greppelsysteem uit de late-middeleeuwen, een structuur van een (bij)gebouw, muurwerk en uitbraaksporen van de 19e eeuwse O.L.V. ten Hemelopnemingkerk aan het licht gebracht. Het onderzoek heeft 4 greppels opgeleverd die waarschijnlijk één of twee greppelsystemen hebben gevormd. Twee greppels (S 002 en S 008) zijn noord-zuid georiënteerd en liggen haaks op de huidige Schoolstraat. Een van deze greppels oversnijdt de oost-west georiënteerde greppel (S 006) en is dus jonger. Een derde greppel was meer noordoost-zuidwest georiënteerd (S 005) en ligt niet helemaal parallel aan de hierboven genoemde greppels. Deze greppel wordt oversneden door S 006. En is waarschijnlijk het oudste van de vier. De vierde greppel is oost-west georiënteerd (S 006) en maakt een flauwe bocht. Hoewel er verschillende oversnijdingen van de greppels zijn aangetroffen worden deze greppels, aan de hand van het vondstmateriaal, wel alle vier in de late-middeleeuwen gedateerd. Wanneer we de ligging en oriëntatie van de greppels vergelijken met de perceelsgrenzen zoals aangegeven op het kadastrale minuutplan blijkt dat deze verschillen. Drie greppels behorende tot de laat-middeleeuwse greppelsystemen liggen haaks op de huidige Schoolstraat. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de ontginning van dit gebied heeft plaatsgevonden vanaf de voormalige Slikstraat. In het zuidoosten van het plangebied, dicht tegen de huidige Schoolstraat aan, is een structuur gevonden (structuur 1) die bestaat uit meerdere paalsporen. Helaas kon de volledige structuur tijdens dit onderzoek niet worden opgegraven, waardoor het onduidelijk blijft wat voor gebouw hier gestaan heeft. De grote en diepte van de paalgaten wijzen erop dat er palen hebben gestaan behorende tot een dragende constructie. Of er in dit gebouw is gewoond of dat het als bijgebouw op een erf heeft gestaan blijft onduidelijk. In het zuidoosten zijn resten gevonden van fundamenten. De bakstenen, het metselwerk en de vondsten dateren dit muurwerk in de 19e eeuw. Helaas konden ook hier niet de hele oppervlakte van de fundamenten worden onderzocht. Op de topografische kaarten uit de 19e eeuw en later is er geen gebouw te zien op de locatie waar het muurwerk is aangetroffen. Op het midden van het schoolplein heeft wel een waterpomp gestaan. Mogelijk heeft het muurwerk gediend als fundament voor een soort pomphuisje. Behalve een aantal uitbraaksleuven en uitbraakkuilen gevuld met puin zijn er tijdens dit onderzoek geen sporen of resten van de O.L.V. ten Hemelopnemingkerk kerk aangetroffen. De uitbraaksleuven van de 19e eeuwse kerk zijn niet tot in de natuurlijke bodem gegraven. De bouw en sloop van de kerk heeft de natuurlijke bodem niet verstoord. Onder deze kerk zijn geen resten aangetroffen van een voorganger en ook werden er geen begravingen aangetroffen binnen het plangebied
    corecore