1,375 research outputs found
Number of analyzed individuals from Beemster per age category.
Number of analyzed individuals from Beemster per age category.</p
Ryhiner-Kartensammlung / 33 De Zype : ; Beemster ; Caerte van Waterland ; De Wormer
apud Gerardus Valk et Petrus Schenk ; De Purmer / gemeeten ende geteekent door Mr. Lucas Jansen SinckEnth.: De Zype (ca. 1:65 000, 17 x 23 cm), Beemster (ca. 1:50 000, 17 x 23 cm), Caerte van Waterland (ca. 1:60 000, 17 x 16 cm), De Wormer (ca. 1:50 000, 17 x 15 cm), De Purmer (ca. 1:50 000, 17 x 16 cm
Huizen, haven en handel. Opgravingen bij de Waag en onder het Waagplein (1997-2003)
Gelegen in het historische centrum vervult het Waagplein de functie van bruisend stadshart. Het plein ligt centraal tussen de winkelgebieden en is al eeuwen de plaats voor de kaasmarkt. De laatste jaren worden behalve de kaasmarkt veel andere evenementen op het plein georganiseerd zoals de Landbouwdag, Culinair Plaza, taptoes, kerstmarkten, etc. Het multifunctionele karakter dat het plein de laatste jaren kreeg was de aanleiding tot het herinrichten van de aansluiting op de Marktstraat, opnieuw bestraten van het gehele plein, plaatsing van bomen en aanbrengen van nieuwe verlichting, met respect voor het historische karakter van het plein. Ten behoeve van de uitstalling van de kazen had het plein ooit bol gelegde stroken bestrating met verdiepte goten ertussen. Dit reliëf is niet terug gebracht maar wel is het patroon van de stroken en goten in de bestrating weergegeven door middel van brede lijnen ongeveer haaks op de Mientgracht.
In de voorbereiding was er discussie met de omliggende horecabedrijven over de wens om een podium annex opslagkelder op het plein te creëren. Deze kelder moest ondergronds worden aangelegd waarbij het podium eventueel in de kelder kon worden geïntegreerd. Vanwege tijdsdruk en gebrek aan financiële middelen werd het plan in 2003 overigens voor onbepaalde tijd uitgesteld. In de voorbereiding van die plannen drong zich de vraag op, welke archeologische verwachtingen men op het Waagplein kon hebben. Wellicht zou het behoud in situ van deze archeologische resten kunnen prevaleren boven andere belangen. Zo niet, dan moet er t.z.t. een indicatie te geven zijn van de eventuele tijdsduur en kosten van een opgraving.
In de periode van 10 tot en met 24 oktober 2003 werd door de afdeling monumentenzorg en archeologie een proefsleuf (werkput 1) aangelegd tegenover de huidige panden Houttil 24 t/m 28. De eerste 5 meter gerekend vanaf de Houttil werd aangelegd met een breedte van 8 meter om daarna te versmallen tot 4 meter. De proefsleuf werd over de gehele breedte van het Waagplein doorgezet om de bodemopbouw te bestuderen. De proefsleuf werd gesitueerd ter hoogte van de zuidgevel van het grote pand, dat van 1605/1606 tot 1681 de noordzijde vormde van het Waagplein.
De beide boomgaten, werkput 2 en 3, bevonden zich aan de noordkant van het huidige plein, tegen de verlengde Markstraat. Voor het verplanten van volwassen bomen waren de gaten van een flinke omvang, namelijk circa 5 tot 6 meter bij 4 meter en 1 meter diep. Hoewel het de bedoeling was dat beide gaten op archeologische wijze zouden worden gegraven, was er door de aannemer al voortijdig begonnen met beide gaten. Hierdoor waren er allerlei sporen verstoord en kon alleen de kuil door de archeologen nog afgewerkt worden.
Het onderzoek vond plaats in nauwe samenwerking met de gemeentelijke collega’s die de herinrichting van het plein voorbereidden, met name Wim Hanraeds die op het werk de directie voerde. Het veldwerk werd onder de dagelijkse leiding van Rob Roedema uitgevoerd door Cor Prins en Sjaak Waterlander van de gemeente Alkmaar, (destijds) studente Nancy Lambregts van de Universiteit van Amsterdam en de vrijwilligers Marcel Corbié, Jan Klinkert en Cees Tiebie.
Bij de uitwerking is de determinatie van de keramiek en de sporenanalyse gedaan door Peter Bitter en Rob Roedema, leervondsten zijn beschreven door Karin Beemster en metaalvondsten door Cor Prins, schriftelijk bronnenonderzoek door Peter Bitter. Voorts is aan de publicatie meegewerkt door vrijwilligers Marianne Bruggeman (restauratie), Jeannet Rezelman en Wiezel Huisinga (tekenwerk)
Resveratrol provides late-phase cardioprotection by means of a nitric oxide- and adenosine-mediated mechanism
We used two experimental models to prove that resveratrol (trans-3,4',5-trihydroxystilbene) reduces cardiac ischemic-reperfusion injury by means of a nitric oxide- and adenosine-dependent mechanism. (1). ACUTE EX VIVO: resveratrol (10 microM, 10 min) infusion in Langendorff-perfused normoxic rat hearts significantly increased adenosine release and coronary flow compared with baseline. After 30-min low-flow ischemia, vasodilation, still present at reperfusion, was completely abolished by resveratrol plus adenosine antagonist 8-(p-sulfophenyl)theophylline (SPT, 50 microM) administration. (2). CHRONIC IN VIVO: rats received tap water containing 25 mg/l resveratrol for 15 days or normal water. Twenty-four hours after, their hearts were Langendorff-perfused and submitted to 60-min low-flow ischemia and reperfusion. The resveratrol-treated hearts showed better functional recovery at reperfusion and significant vasodilation, but no variation in high-energy phosphates (31P Nuclear Magnetic Resonance). N(G)-nitro-L-arginine methyl ester (L-NAME, 30 microM), a nonselective nitric oxide synthase inhibitor, or SPT (50 microM) administered for 10 min prior to the low-flow ischemia cancelled the effects. This suggests that long-term moderate resveratrol consumption could play an important role in late cardioprotective effects
DBFM(O) bij scholen: Perspectief; luchtkasteel of schoolgebouw
In dit onderzoek is bekeken of een langdurige contractrelatie van een DBFM(O) geschikt is voor het ontwikkelen van scholen en of het antwoord geeft op de problemen van onderwijshuisvesting.Architectur
Geloof en ongeloof in een Noord-Hollandse polder. Een religiografie van de Beemster
De godsdienstsociologie staat heden ten dage in het middelpunt der belangstelling. Overal vraagt men naar sociologische onderzoekingen in dienst van het kerkelijk leven. Zo verschenen de laatste jaren van Rooms-Katholieke zijde de dissertatie van A. van de Weyer 'De religieuze practijk in een Brabantse industriestad' 1955; die van M. Staverman 'Buitenkerkelijkheid in Friesland' 1954 en van Protestantse zijnde de belangrijke dissertatie van P. Smits 'Kerk en stad' 1952; verder die van Sj. Groenman 'Staphorst' 1947 en van B. Oosten 'Een Veenpolderbevolking'. Speciaal over het platteland verscheen van E.W. Hofstee 'Het Oldambt', dat echter al van 1937 dateert. Over de verhouding van stad en platteland en over het godsdienstig leven ten plattelande bestaat wel enige literatuur, doch voor zover mij bekend, is er nog geen religiografie verschenen van een plattelandssamenleving. De volgede studie over de Beemster wil deze lacune invullen. ... Zie: Inleiding
Geloof en ongeloof in een Noord-Hollandse polder. Een religiografie van de Beemster
De godsdienstsociologie staat heden ten dage in het middelpunt der belangstelling. Overal vraagt men naar sociologische onderzoekingen in dienst van het kerkelijk leven. Zo verschenen de laatste jaren van Rooms-Katholieke zijde de dissertatie van A. van de Weyer 'De religieuze practijk in een Brabantse industriestad' 1955; die van M. Staverman 'Buitenkerkelijkheid in Friesland' 1954 en van Protestantse zijnde de belangrijke dissertatie van P. Smits 'Kerk en stad' 1952; verder die van Sj. Groenman 'Staphorst' 1947 en van B. Oosten 'Een Veenpolderbevolking'. Speciaal over het platteland verscheen van E.W. Hofstee 'Het Oldambt', dat echter al van 1937 dateert. Over de verhouding van stad en platteland en over het godsdienstig leven ten plattelande bestaat wel enige literatuur, doch voor zover mij bekend, is er nog geen religiografie verschenen van een plattelandssamenleving. De volgede studie over de Beemster wil deze lacune invullen. ... Zie: Inleiding
Geloof en ongeloof in een Noord-Hollandse polder. Een religiografie van de Beemster
De godsdienstsociologie staat heden ten dage in het middelpunt der belangstelling. Overal vraagt men naar sociologische onderzoekingen in dienst van het kerkelijk leven. Zo verschenen de laatste jaren van Rooms-Katholieke zijde de dissertatie van A. van de Weyer 'De religieuze practijk in een Brabantse industriestad' 1955; die van M. Staverman 'Buitenkerkelijkheid in Friesland' 1954 en van Protestantse zijnde de belangrijke dissertatie van P. Smits 'Kerk en stad' 1952; verder die van Sj. Groenman 'Staphorst' 1947 en van B. Oosten 'Een Veenpolderbevolking'. Speciaal over het platteland verscheen van E.W. Hofstee 'Het Oldambt', dat echter al van 1937 dateert. Over de verhouding van stad en platteland en over het godsdienstig leven ten plattelande bestaat wel enige literatuur, doch voor zover mij bekend, is er nog geen religiografie verschenen van een plattelandssamenleving. De volgede studie over de Beemster wil deze lacune invullen. ... Zie: Inleiding
Geloof en ongeloof in een Noord-Hollandse polder. Een religiografie van de Beemster
De godsdienstsociologie staat heden ten dage in het middelpunt der belangstelling. Overal vraagt men naar sociologische onderzoekingen in dienst van het kerkelijk leven. Zo verschenen de laatste jaren van Rooms-Katholieke zijde de dissertatie van A. van de Weyer 'De religieuze practijk in een Brabantse industriestad' 1955; die van M. Staverman 'Buitenkerkelijkheid in Friesland' 1954 en van Protestantse zijnde de belangrijke dissertatie van P. Smits 'Kerk en stad' 1952; verder die van Sj. Groenman 'Staphorst' 1947 en van B. Oosten 'Een Veenpolderbevolking'. Speciaal over het platteland verscheen van E.W. Hofstee 'Het Oldambt', dat echter al van 1937 dateert. Over de verhouding van stad en platteland en over het godsdienstig leven ten plattelande bestaat wel enige literatuur, doch voor zover mij bekend, is er nog geen religiografie verschenen van een plattelandssamenleving. De volgede studie over de Beemster wil deze lacune invullen. ... Zie: Inleiding
Experimental cell length distribution.
<p>Cell length distribution along the principal growth axis (distance from the QC/quiescent centre) determined for a typical 7-day-old <i>Arabidopsis</i> seedling root. Experimental set-up and growth conditions were in accordance with Beemster and Baskin <a href="http://www.ploscompbiol.org/article/info:doi/10.1371/journal.pcbi.1003910#pcbi.1003910-Beemster1" target="_blank">[5]</a>. The data points represent epidermal cell lengths. The ‘polyloc method’ was used for curve fitting (full line, <i>cf.</i><a href="http://www.ploscompbiol.org/article/info:doi/10.1371/journal.pcbi.1003910#s4" target="_blank">Methods</a>).</p
- …
