458 research outputs found
A felicidade na fenomenologia da vida. Colóquio internacional Michel Henry. Organização : Florinda Martins, Adelino Cardoso
Dupuis Michel. A felicidade na fenomenologia da vida. Colóquio internacional Michel Henry. Organização : Florinda Martins, Adelino Cardoso. In: Revue Philosophique de Louvain. Troisième série, tome 110, n°4, 2012. pp. 767-768
Cost Structure of the Portuguese Water Industry: a Cubic Cost Function Application
The main scope of this paper is to confirm, or otherwise, the idea usually presented in national reports and strategic programmes for the water sector that the Portuguese water market is a natural monopoly. Based on a multi-product approach (considering the m3 of potable water delivered and wastewater collected as the outputs) we use a cubic functional specification to estimate water utilities cost function, and then to look for the presence of economies of scale and of scope. The estimated results show that the average production scale is below the estimated minimum efficient scale and that large utilities have moderate overall diseconomies of scale and scope. In addition, there are moderate economies of scope from the joint production of potable water and wastewater collection up to the minimum efficient scale, suggesting advantages in merging small and medium sized contiguous water utilities. Sufficient conditions for subadditivity of costs are not verified throughout the range of outputs, allowing us to conclude that the Portuguese water industry is not a natural monopoly for all output vectors.cubic function, multi-product cost function, water utilities, regulatory policy
Statistical methods to estimate infectious disease parameters and individual heterogeneity
Volgens de definitie van het Oxford English Dictionary is een ziekte “een toestand van
het lichaam, of van een deel of orgaan van het lichaam, waarin de functies verstoord of
ontregeld zijn; een ziekelijke lichamelijke toestand; een afwijking van de gezondheidstoestand, vooral wanneer deze veroorzaakt wordt door een structurele verandering”. Ziekten
kunnen worden ingedeeld in besmettelijke (b.v. kinderverlamming, cholera, malaria, waterpokken e.a.) en niet-besmettelijke (b.v. kanker, artritis e.a.) ziekten. Bij de verspreiding van een besmettelijke ziekte wordt rekening gehouden met de kenmerken van het
besmettelijke organisme, de individuele gastheer en de omgeving waarin de overdracht
plaatsvindt. In die zin vereist de overdracht van een besmettelijke ziekteveroorzakende
kiem van een ge¨ınfecteerde gastheer op een vatbaar individu drie hoofdcomponenten,
namelijk: reservoir (of infectiebron), wijze van overdracht (die kan plaatsvinden via vele
verschillende routes), en de vatbare gastheer. In de literatuur wordt melding gemaakt
van verschillende wijzen van overdracht, waarvan de belangrijkste zijn via direct contact
(bv. seksueel overdraagbare ziekten), via de ademhalingswegen (bv. griep, kinkhoest),
via fecaal-oraal (tyfus, dysenterie, veel helminten), of via insectvectoren (malaria en
dengue).
Nadat een individu is ge¨ınfecteerd, hetzij met een virus, bacterie, schimmel, of parasiet,
reageert het lichaam gewoonlijk met de productie van antilichamen (de belangrijkste
componenten van humorale immuniteit) tegen de ziekteverwekker. De antilichamen uit
de immunoglobulineklassen immunoglobuline G (IgG), immunoglobuline M (IgM) en
immunoglobuline A (IgA) zijn de meest voorkomende soorten antilichamen en worden
het vaakst gemeten na een infectie. In tegenstelling tot IgM en IgA worden antilichamen
van de IgG-klasse gewoonlijk in grote hoeveelheden gevormd tijdens de secundaire reactie op een antigeenstimulus (die meestal volgt op de vorming van IgM in de loop van een infectie) en zij leveren de meest uitgebreide en langdurige antilichaamrespons.
Aangezien IgG-antilichamen bovendien jaren na een infectie in het bloedserum kunnen
worden opgespoord, zou hun aanwezigheid in het bloed kunnen wijzen op een recente
of vroegere infectie, althans in een populatie zonder vaccinatie tegen de ziekteverwekker
van belang. Deze serologische onderzoeksgegevens kunnen worden gebruikt om epidemiologische parameters te schatten, zoals de infectiedruk (FOI) en de prevalentie.
Infectieziekte-epidemiologie, de studie van de relatie tussen een infectieus organisme en
zijn individuele gastheer, omvat het gebruik van statistische of mathematische modellen
om infectieziekte-parameters te schatten op basis van beschikbare infectieziektegegevens.
Meer in het bijzonder is het doel de verspreiding van een infectieziekte en het effect ervan
op een bevolking beter te karakteriseren en te begrijpen. De meest gebruikte gegevens
over infectieziekten om dergelijke parameters te schatten zijn serologische gegevens die
via transversale enquˆetes zijn verzameld. Dit soort gegevens wordt meestal verkregen
uit residuele serummonsters die worden verzameld en getest op de aanwezigheid van
bijvoorbeeld IgG-antilichamen die worden aangemaakt als reactie op een infectieverwekker. De “enzyme-linked immunosorbent assay” (ELISA) op basis van een vaste fase
enzyme immunoassay (EIA) is een algemeen gebruikte analytische biochemische test om
de aanwezigheid van een stof, in dit geval antilichaam, in een vloeibaar of nat monster
aan te tonen. Personen worden gewoonlijk ingedeeld als seropositief indien hun testresultaten een bepaalde drempelwaarde overschrijden (gewoonlijk verstrekt door de fabrikant
van de test) en als seronegatief indien de resultaten onder een eventueel andere drempelwaarde vallen. Het tijdshomogene Susceptible-Infected-Recovered (SIR) compartimenteel model dat de ziekteverspreiding van immuniserende infecties beschrijft, ook wel
het statische model genoemd, werd in overweging genomen. Dit compartimenteel model
is houdbaar voor PVB19 en VZV die in dit proefschrift worden beschouwd.
Overlevingsanalyse omvat de modellering van tijd-tot-gebeurtenis gegevens en is een
van de onmisbare onderzoeksmethoden gebruikt in vele wetenschappelijke studiegebieden zoals geneeskunde, biologie, epidemiologie, demografie, actuari¨ele wetenschappen, economie en andere. Sinds zijn ontwikkeling is het door Cox (1972) voorgestelde
proportional hazards een fundamenteel instrument geworden voor de analyse van tijdtot-gebeurtenisgegevens en de theoretische basis ervan is versterkt door het model te
koppelen aan de martingaaltheorie en telprocessen. Sedertdien zijn verschillende uitbreidingen van het oorspronkelijke model voorgesteld die betrekking hebben op complexere
overlevingstijdgegevens. Daartoe behoort het zogenaamde frailty-model voor de analyse van geclusterde overlevingsduurgegevens. De toepassing van frailty-modellen heeft
geleid tot verschillende relevante bijdragen aan overlevingsanalyse voor het modelleren van afhankelijkheid in multivariate time-to-event data. Dergelijke afhankelijkheid kan
bijvoorbeeld ontstaan doordat individuen in dezelfde groep aan elkaar verwant zijn, doordat een gebeurtenis binnen hetzelfde individu meerdere malen voorkomt, of doordat
de ene gebeurtenis het optreden van de andere binnen hetzelfde subject be¨ınvloedt. In
dit proefschrift beperken we onze aandacht tot bivariate gecorreleerde gamma frailty
modellen.
Frailty modellen zijn ontwikkeld om zowel heterogeniteit als associatie in multivariate
time-to-event data te kwantificeren. De laatste jaren zijn in de overlevingsliteratuur
talrijke gedeelde (shared) en gecorreleerde frailty-modellen voorgesteld die verschillende
associatiestructuren en frailty-verdelingen impliceren. Een bivariaat gecorreleerd gamma
frailty model met een additieve decompositie van de frailty variabelen in een som van onafhankelijke gamma componenten werd reeds eerder ge¨ıntroduceerd. Hoewel dit model
een zeer handige gesloten-vorm representatie heeft voor de bivariate overlevingsfunctie,
is de correlatie tussen event- of subject-specifieke frailty’s begrensd, wat een ernstige
beperking wordt wanneer de waarden van de twee frailty varianties substantieel verschillen. In Hoofdstuk 4 bespreken we bestaande gecorreleerde gamma frailty modellen
en stellen we nieuwe modellen voor gebaseerd op bivariate gamma frailty verdelingen.
Dergelijke modellen blijken bruikbaar te zijn voor de analyse van bivariate overlevingstijdgegevens, ongeacht het type censurering. De frailty-methodologie werd toegepast op
rechtsgecensureerde en linksgecensureerde sterftegegevens van Deense tweelingen en op
serologische gegevens over de huidige status van varicella-zoster-virus- en parvovirus
B19-infecties in Belgi¨e. Uit onze analyses is gebleken dat het toepassen van meer flexibele gecorreleerde gamma frailty modellen in termen van de opgelegde associatie- en
correlatiestructuur beter is dan bestaande frailty modellen, inclusief die met een additieve decompositie.
Een beperking van de frailty-modellen bij de toepassing van serologische gegevens is
dat gegevens over de huidige status worden verkregen door ziektespecifieke antilichaamniveaus te dichotomiseren aan de hand van ´e´en of twee drempelwaarden. Deze drempelwaarden worden vaak door de fabrikant van de test verstrekt. Een dergelijke dichotomisering met gebruikmaking van een drempelbenadering kan echter vrijwel zeker
leiden tot een verkeerde indeling van personen als seronegatief of -positief. Een benadering om dit nadeel te ondervangen is het gebruik van mengmodellen waarin continue
antilichaamtiters direct gemodelleerd worden zonder het gebruik van drempelwaarden
en bijbehorende dichotomisering. In Hoofdstuk 5 wordt een Bayesiaans bivariaat mengmodel gebruikt om continue antilichaam niveaus direct te modelleren terwijl rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van individuele heterogeniteit en impliciete associatie tussen twee infecties. We pasten het model toe op bivariate serologische gegevens
over het varicella-zoster virus (VZV) en het parvovirus B19 (PVB19). Gezien de aanwijzingen voor mogelijke herinfecties met PVB19, hebben wij ook gekeken naar de complexiteit van het model door een afnemend proces van antilichaamspiegels te beschrijven. Onze resultaten toonden aan dat, hoewel na een steile stijging met de leeftijd, de
waargenomen seroprevalentie voor PVB19 afneemt tussen de leeftijd van 20 en 40, de
gemiddelde antilichaamniveaus enigszins constant blijven met de leeftijd in de seropositieve component. Dit zou kunnen wijzen op een directe invloed van herinfecties met
PVB19 op het aandeel van seropositieve personen. Voor VZV vertoonde het resultaat een
ander profiel. De gemiddelde antilichaamspiegels nemen bij seropositieve personen met
de leeftijd af, wat wijst op een beperkte afnemende humorale immuniteit waargenomen
aandeel seropositieve personen monotoon toeneemt met de leeftijd. Bovendien toonden
we op basis van onze gegevensanalyse aan dat het mengselmodel bijkomende inzichten
verschafte over het afnemend proces van IgG-antilichamen.
De laatste twee hoofdstukken van dit proefschrift handelen over een longitudinale binaire uitkomstvariabele met uitkomstafhankelijke steekproeftrekking voor een malaria
follow-up studie in Oeganda. Om specifieker te zijn, malaria follow-up studies omvatten routine bezoeken op vooraf geplande tijdstippen en/of klinische bezoeken wanneer
individuen malaria-achtige symptomen ervaren. In het laatste geval leidt de infectie
tot de beoordeling van het resultaat, wat leidt tot uitkomstafhankelijke steekproefname (ODS). Veelgebruikte methoden om dergelijke longitudinale gegevens te analyseren negeren ODS en leiden mogelijk tot vertekende schattingen van malaria-specifieke
transmissieparameters, wat leidt tot een onjuiste beoordeling en evaluatie van malariabestrijdingsstrategie¨en. Methoden: In dit artikel stellen we nieuwe methodologie voor om
ODS te behandelen door gebruik te maken van een gezamenlijk model voor de longitudinale binaire uitkomst gemeten bij routinebezoeken en de klinische gebeurtenistijden. De
methodologie is toegepast op malaria parasitaemia gegevens van een cohort van n = 988
Oegandese kinderen van 0,5-10 jaar uit 3 regio’s (Walukuba–300 kinderen, Kihihi–355
kinderen en Nagongera–333 kinderen) met vari¨erende transmissie intensiteiten verzameld
tussen 2011-2014. De resultaten tonen aan dat de prevalentie van malariaparasieten en
de infectiedruk (FOI) toenemen met de leeftijd in de regio van hoge malaria-intensiteit
met de hoogste FOI in de leeftijdsgroep 5-10 jaar. Voor de regio met een gemiddelde
intensiteit neemt de prevalentie licht toe met de leeftijd en is de FOI voor het routineproces het hoogst in de leeftijdsgroep van 5-10 jaar, maar voor de klinische infecties
neemt de FOI geleidelijk af met toenemende leeftijd. Voor de regio met lage intensiteit bereiken zowel de prevalentie als de FOI een piek op de leeftijd van ´e´en jaar, waarna de
eerste constant blijft met de leeftijd, maar de laatste plotseling afneemt met de leeftijd
voor de klinisch waargenomen infecties. Malaria prevalentie en FOI nemen toe met de
leeftijd in de regio van hoge malaria intensiteit. In alle studiegebieden zijn zowel de
prevalentie als de FOI het hoogst bij voorheen asymptomatische kinderen en het laagst
bij hun symptomatische tegenhangers. Op basis van een simulatiestudie, ge¨ınspireerd
op de beschikbare malariagegevens, blijkt de voorgestelde methodologie de kleinste bias
te hebben, vooral wanneer opeenvolgende positieve resultaten van de aanwezigheid van
malariaparasieten binnen een tijdsperiode van 35 dagen beschouwd werden als te wijten
aan dezelfde infectie.
Ten slotte hebben we ons in Hoofdstuk 7 gericht op het modelleren van gap times
tussen terugkerende malaria-episoden. Dit werd gemotiveerd door het feit dat in malaria
cohortstudies met de nadruk op het modelleren van gap times tussen terugkerende
malaria-episodes, analyses meestal worden gedaan zonder rekening te houden met de
censurering van de laatste gap time en door individuen uit te sluiten die vrij blijven
van infectie. Dit heeft ons ertoe aangezet om een correcte integratie van alle gegevens
in de analyse mogelijk te maken. In het bijzonder stellen we een model voor om op
gepaste wijze rekening te houden met verschillende soorten censurering die inherent zijn
aan de manier waarop de gegevens worden verzameld, in combinatie met de geclusterde aard van de gegevens. Meer specifiek zijn we ge¨ınteresseerd in het bestuderen
van de impact van Artemether-Lumefantrine behandeling op het (terugkerende) infectierisico, naast andere factoren, op basis van gegevens uit het Program for Resistance,
Immunology, Surveillance and Modelling of Malaria in Uganda (PRISM; longitudinale
gegevens over 988 kinderen, afkomstig uit 300 huishoudens in drie Oegandese regio’s.
Gegevens gebruikt in Hoofdstuk 6). We hebben drie verschillende scenario’s onderzocht:
(1) interval-gecensureerde gap times, (2) interval- en rechts-gecensureerde gap times,
en (3) alle beschikbare informatie inclusief individuen die geen indicatie van malariainfectie vertonen gedurende de gehele follow-up periode. De resultaten toonden aan
dat de effecten van Artemether-Lumefantrine behandeling op het infectierisico verschillend waren voor de drie scenario’s, wat het belang onderstreept van het opnemen van
rechts-gecensureerde gap times en individuen die infectievrij blijven in de analyses
Statistical methods to estimate infectious disease parameters and individual heterogeneity
Volgens de definitie van het Oxford English Dictionary is een ziekte “een toestand van
het lichaam, of van een deel of orgaan van het lichaam, waarin de functies verstoord of
ontregeld zijn; een ziekelijke lichamelijke toestand; een afwijking van de gezondheidstoestand, vooral wanneer deze veroorzaakt wordt door een structurele verandering”. Ziekten
kunnen worden ingedeeld in besmettelijke (b.v. kinderverlamming, cholera, malaria, waterpokken e.a.) en niet-besmettelijke (b.v. kanker, artritis e.a.) ziekten. Bij de verspreiding van een besmettelijke ziekte wordt rekening gehouden met de kenmerken van het
besmettelijke organisme, de individuele gastheer en de omgeving waarin de overdracht
plaatsvindt. In die zin vereist de overdracht van een besmettelijke ziekteveroorzakende
kiem van een ge¨ınfecteerde gastheer op een vatbaar individu drie hoofdcomponenten,
namelijk: reservoir (of infectiebron), wijze van overdracht (die kan plaatsvinden via vele
verschillende routes), en de vatbare gastheer. In de literatuur wordt melding gemaakt
van verschillende wijzen van overdracht, waarvan de belangrijkste zijn via direct contact
(bv. seksueel overdraagbare ziekten), via de ademhalingswegen (bv. griep, kinkhoest),
via fecaal-oraal (tyfus, dysenterie, veel helminten), of via insectvectoren (malaria en
dengue).
Nadat een individu is ge¨ınfecteerd, hetzij met een virus, bacterie, schimmel, of parasiet,
reageert het lichaam gewoonlijk met de productie van antilichamen (de belangrijkste
componenten van humorale immuniteit) tegen de ziekteverwekker. De antilichamen uit
de immunoglobulineklassen immunoglobuline G (IgG), immunoglobuline M (IgM) en
immunoglobuline A (IgA) zijn de meest voorkomende soorten antilichamen en worden
het vaakst gemeten na een infectie. In tegenstelling tot IgM en IgA worden antilichamen
van de IgG-klasse gewoonlijk in grote hoeveelheden gevormd tijdens de secundaire reactie op een antigeenstimulus (die meestal volgt op de vorming van IgM in de loop van een infectie) en zij leveren de meest uitgebreide en langdurige antilichaamrespons.
Aangezien IgG-antilichamen bovendien jaren na een infectie in het bloedserum kunnen
worden opgespoord, zou hun aanwezigheid in het bloed kunnen wijzen op een recente
of vroegere infectie, althans in een populatie zonder vaccinatie tegen de ziekteverwekker
van belang. Deze serologische onderzoeksgegevens kunnen worden gebruikt om epidemiologische parameters te schatten, zoals de infectiedruk (FOI) en de prevalentie.
Infectieziekte-epidemiologie, de studie van de relatie tussen een infectieus organisme en
zijn individuele gastheer, omvat het gebruik van statistische of mathematische modellen
om infectieziekte-parameters te schatten op basis van beschikbare infectieziektegegevens.
Meer in het bijzonder is het doel de verspreiding van een infectieziekte en het effect ervan
op een bevolking beter te karakteriseren en te begrijpen. De meest gebruikte gegevens
over infectieziekten om dergelijke parameters te schatten zijn serologische gegevens die
via transversale enquˆetes zijn verzameld. Dit soort gegevens wordt meestal verkregen
uit residuele serummonsters die worden verzameld en getest op de aanwezigheid van
bijvoorbeeld IgG-antilichamen die worden aangemaakt als reactie op een infectieverwekker. De “enzyme-linked immunosorbent assay” (ELISA) op basis van een vaste fase
enzyme immunoassay (EIA) is een algemeen gebruikte analytische biochemische test om
de aanwezigheid van een stof, in dit geval antilichaam, in een vloeibaar of nat monster
aan te tonen. Personen worden gewoonlijk ingedeeld als seropositief indien hun testresultaten een bepaalde drempelwaarde overschrijden (gewoonlijk verstrekt door de fabrikant
van de test) en als seronegatief indien de resultaten onder een eventueel andere drempelwaarde vallen. Het tijdshomogene Susceptible-Infected-Recovered (SIR) compartimenteel model dat de ziekteverspreiding van immuniserende infecties beschrijft, ook wel
het statische model genoemd, werd in overweging genomen. Dit compartimenteel model
is houdbaar voor PVB19 en VZV die in dit proefschrift worden beschouwd.
Overlevingsanalyse omvat de modellering van tijd-tot-gebeurtenis gegevens en is een
van de onmisbare onderzoeksmethoden gebruikt in vele wetenschappelijke studiegebieden zoals geneeskunde, biologie, epidemiologie, demografie, actuari¨ele wetenschappen, economie en andere. Sinds zijn ontwikkeling is het door Cox (1972) voorgestelde
proportional hazards een fundamenteel instrument geworden voor de analyse van tijdtot-gebeurtenisgegevens en de theoretische basis ervan is versterkt door het model te
koppelen aan de martingaaltheorie en telprocessen. Sedertdien zijn verschillende uitbreidingen van het oorspronkelijke model voorgesteld die betrekking hebben op complexere
overlevingstijdgegevens. Daartoe behoort het zogenaamde frailty-model voor de analyse van geclusterde overlevingsduurgegevens. De toepassing van frailty-modellen heeft
geleid tot verschillende relevante bijdragen aan overlevingsanalyse voor het modelleren van afhankelijkheid in multivariate time-to-event data. Dergelijke afhankelijkheid kan
bijvoorbeeld ontstaan doordat individuen in dezelfde groep aan elkaar verwant zijn, doordat een gebeurtenis binnen hetzelfde individu meerdere malen voorkomt, of doordat
de ene gebeurtenis het optreden van de andere binnen hetzelfde subject be¨ınvloedt. In
dit proefschrift beperken we onze aandacht tot bivariate gecorreleerde gamma frailty
modellen.
Frailty modellen zijn ontwikkeld om zowel heterogeniteit als associatie in multivariate
time-to-event data te kwantificeren. De laatste jaren zijn in de overlevingsliteratuur
talrijke gedeelde (shared) en gecorreleerde frailty-modellen voorgesteld die verschillende
associatiestructuren en frailty-verdelingen impliceren. Een bivariaat gecorreleerd gamma
frailty model met een additieve decompositie van de frailty variabelen in een som van onafhankelijke gamma componenten werd reeds eerder ge¨ıntroduceerd. Hoewel dit model
een zeer handige gesloten-vorm representatie heeft voor de bivariate overlevingsfunctie,
is de correlatie tussen event- of subject-specifieke frailty’s begrensd, wat een ernstige
beperking wordt wanneer de waarden van de twee frailty varianties substantieel verschillen. In Hoofdstuk 4 bespreken we bestaande gecorreleerde gamma frailty modellen
en stellen we nieuwe modellen voor gebaseerd op bivariate gamma frailty verdelingen.
Dergelijke modellen blijken bruikbaar te zijn voor de analyse van bivariate overlevingstijdgegevens, ongeacht het type censurering. De frailty-methodologie werd toegepast op
rechtsgecensureerde en linksgecensureerde sterftegegevens van Deense tweelingen en op
serologische gegevens over de huidige status van varicella-zoster-virus- en parvovirus
B19-infecties in Belgi¨e. Uit onze analyses is gebleken dat het toepassen van meer flexibele gecorreleerde gamma frailty modellen in termen van de opgelegde associatie- en
correlatiestructuur beter is dan bestaande frailty modellen, inclusief die met een additieve decompositie.
Een beperking van de frailty-modellen bij de toepassing van serologische gegevens is
dat gegevens over de huidige status worden verkregen door ziektespecifieke antilichaamniveaus te dichotomiseren aan de hand van ´e´en of twee drempelwaarden. Deze drempelwaarden worden vaak door de fabrikant van de test verstrekt. Een dergelijke dichotomisering met gebruikmaking van een drempelbenadering kan echter vrijwel zeker
leiden tot een verkeerde indeling van personen als seronegatief of -positief. Een benadering om dit nadeel te ondervangen is het gebruik van mengmodellen waarin continue
antilichaamtiters direct gemodelleerd worden zonder het gebruik van drempelwaarden
en bijbehorende dichotomisering. In Hoofdstuk 5 wordt een Bayesiaans bivariaat mengmodel gebruikt om continue antilichaam niveaus direct te modelleren terwijl rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van individuele heterogeniteit en impliciete associatie tussen twee infecties. We pasten het model toe op bivariate serologische gegevens
over het varicella-zoster virus (VZV) en het parvovirus B19 (PVB19). Gezien de aanwijzingen voor mogelijke herinfecties met PVB19, hebben wij ook gekeken naar de complexiteit van het model door een afnemend proces van antilichaamspiegels te beschrijven. Onze resultaten toonden aan dat, hoewel na een steile stijging met de leeftijd, de
waargenomen seroprevalentie voor PVB19 afneemt tussen de leeftijd van 20 en 40, de
gemiddelde antilichaamniveaus enigszins constant blijven met de leeftijd in de seropositieve component. Dit zou kunnen wijzen op een directe invloed van herinfecties met
PVB19 op het aandeel van seropositieve personen. Voor VZV vertoonde het resultaat een
ander profiel. De gemiddelde antilichaamspiegels nemen bij seropositieve personen met
de leeftijd af, wat wijst op een beperkte afnemende humorale immuniteit waargenomen
aandeel seropositieve personen monotoon toeneemt met de leeftijd. Bovendien toonden
we op basis van onze gegevensanalyse aan dat het mengselmodel bijkomende inzichten
verschafte over het afnemend proces van IgG-antilichamen.
De laatste twee hoofdstukken van dit proefschrift handelen over een longitudinale binaire uitkomstvariabele met uitkomstafhankelijke steekproeftrekking voor een malaria
follow-up studie in Oeganda. Om specifieker te zijn, malaria follow-up studies omvatten routine bezoeken op vooraf geplande tijdstippen en/of klinische bezoeken wanneer
individuen malaria-achtige symptomen ervaren. In het laatste geval leidt de infectie
tot de beoordeling van het resultaat, wat leidt tot uitkomstafhankelijke steekproefname (ODS). Veelgebruikte methoden om dergelijke longitudinale gegevens te analyseren negeren ODS en leiden mogelijk tot vertekende schattingen van malaria-specifieke
transmissieparameters, wat leidt tot een onjuiste beoordeling en evaluatie van malariabestrijdingsstrategie¨en. Methoden: In dit artikel stellen we nieuwe methodologie voor om
ODS te behandelen door gebruik te maken van een gezamenlijk model voor de longitudinale binaire uitkomst gemeten bij routinebezoeken en de klinische gebeurtenistijden. De
methodologie is toegepast op malaria parasitaemia gegevens van een cohort van n = 988
Oegandese kinderen van 0,5-10 jaar uit 3 regio’s (Walukuba–300 kinderen, Kihihi–355
kinderen en Nagongera–333 kinderen) met vari¨erende transmissie intensiteiten verzameld
tussen 2011-2014. De resultaten tonen aan dat de prevalentie van malariaparasieten en
de infectiedruk (FOI) toenemen met de leeftijd in de regio van hoge malaria-intensiteit
met de hoogste FOI in de leeftijdsgroep 5-10 jaar. Voor de regio met een gemiddelde
intensiteit neemt de prevalentie licht toe met de leeftijd en is de FOI voor het routineproces het hoogst in de leeftijdsgroep van 5-10 jaar, maar voor de klinische infecties
neemt de FOI geleidelijk af met toenemende leeftijd. Voor de regio met lage intensiteit bereiken zowel de prevalentie als de FOI een piek op de leeftijd van ´e´en jaar, waarna de
eerste constant blijft met de leeftijd, maar de laatste plotseling afneemt met de leeftijd
voor de klinisch waargenomen infecties. Malaria prevalentie en FOI nemen toe met de
leeftijd in de regio van hoge malaria intensiteit. In alle studiegebieden zijn zowel de
prevalentie als de FOI het hoogst bij voorheen asymptomatische kinderen en het laagst
bij hun symptomatische tegenhangers. Op basis van een simulatiestudie, ge¨ınspireerd
op de beschikbare malariagegevens, blijkt de voorgestelde methodologie de kleinste bias
te hebben, vooral wanneer opeenvolgende positieve resultaten van de aanwezigheid van
malariaparasieten binnen een tijdsperiode van 35 dagen beschouwd werden als te wijten
aan dezelfde infectie.
Ten slotte hebben we ons in Hoofdstuk 7 gericht op het modelleren van gap times
tussen terugkerende malaria-episoden. Dit werd gemotiveerd door het feit dat in malaria
cohortstudies met de nadruk op het modelleren van gap times tussen terugkerende
malaria-episodes, analyses meestal worden gedaan zonder rekening te houden met de
censurering van de laatste gap time en door individuen uit te sluiten die vrij blijven
van infectie. Dit heeft ons ertoe aangezet om een correcte integratie van alle gegevens
in de analyse mogelijk te maken. In het bijzonder stellen we een model voor om op
gepaste wijze rekening te houden met verschillende soorten censurering die inherent zijn
aan de manier waarop de gegevens worden verzameld, in combinatie met de geclusterde aard van de gegevens. Meer specifiek zijn we ge¨ınteresseerd in het bestuderen
van de impact van Artemether-Lumefantrine behandeling op het (terugkerende) infectierisico, naast andere factoren, op basis van gegevens uit het Program for Resistance,
Immunology, Surveillance and Modelling of Malaria in Uganda (PRISM; longitudinale
gegevens over 988 kinderen, afkomstig uit 300 huishoudens in drie Oegandese regio’s.
Gegevens gebruikt in Hoofdstuk 6). We hebben drie verschillende scenario’s onderzocht:
(1) interval-gecensureerde gap times, (2) interval- en rechts-gecensureerde gap times,
en (3) alle beschikbare informatie inclusief individuen die geen indicatie van malariainfectie vertonen gedurende de gehele follow-up periode. De resultaten toonden aan
dat de effecten van Artemether-Lumefantrine behandeling op het infectierisico verschillend waren voor de drie scenario’s, wat het belang onderstreept van het opnemen van
rechts-gecensureerde gap times en individuen die infectievrij blijven in de analyses
Supplemental material for Correlated gamma frailty models for bivariate survival time data
Supplemental material for Correlated gamma frailty models for bivariate survival time data by Adelino Martins, Marc Aerts Niel Hens, Andreas Wienke and Steven Abrams in Statistical Methods in Medical Research</p
A Bayesian mixture model accounting for individual heterogeneity in response to pathogenic infection
The analysis of multivariate serological data derived from blood serum samples and tested for the presence of antibodies against multiple pathogens gained attention in recent years. Despite the common use of a so-called threshold approach to classify individuals as seronegative or -positive, limitations of such an approach have been reported in the literature, with the subjective choice of the threshold being the most important. Here, we consider a Bayesian mixture approach to model continuous IgG antibody concentrations directly while accounting for the presence of individual heterogeneity and implied association between antibody titer levels for two infections. We fitted the proposed model to Belgian bivariate serological data on the varicella-zoster virus (VZV) and parvovirus B19 (PVB19). Given the existing body of evidence with respect to possible reinfections with PVB19, we investigated whether models explicitly accounting for waning of humoral immunity improved model fit. Our results showed that although after a steep rise with age, the observed seroprevalence for PVB19 decreases between the ages of 20 and 40, the mean IgG antibody concentration remains constant with age among individuals in the seropositive component. This could provide evidence of a direct impact of reinfections with PVB19 on the observed IgG antibody levels, while individuals with loss of humoral immunity after natural infection imply an increase in susceptibility. For VZV, the mean IgG antibody levels slightly decrease with increasing age among seropositive individuals, indicating only very limited waning of humoral immunity as age-dependent seroprevalence estimates are monotonically increasing with increasing age. In general, based on our analyses, we showed that mixture models provide additional insights concerning the waning of humoral immunity as compared to more traditional frailty approaches, which focus on estimating the seroprevalence solely while the model is sufficiently flexible to capture observed dynamics in IgG antibody decay
Acquisition of Plus Discount by Jerónimo Martins
A Work Project, presented as part of the requirements for the Award of a Masters Degree in Finance from the NOVA – School of Business and EconomicsOn the 21st of December 2007, Jerónimo Martins announced that it was acquiring the
Plus Discount chain of stores in Poland and in Portugal. This was an excellent
opportunity to strengthen even more the leading position of Jerónimo Martins in the
hard discount sector of the Polish retail market, through the chain Biedronka.
This case study will analyze the main motives for this acquisition and contextualize it in
the strategy of Jerónimo Martins for Poland. The main elements of the valuation of the
chain Plus Discount will also be discussed throughout the case
Constitutive Principles and Regulative Principles of the Ordoliberal Wettbewerbsordnung. On Walter Eucken
The recent crisis of the Eurozone has led scholars and activists to critically consider the ordoliberal tradition of thought, in order to underline the ideological and effective primacy of the German interests within EU’s economic and monetary policies. Starting from this last widespread assertion, the author, after having recalled the differences which exist among the liberalism of the “Freiburg School” and that of the “Vienna School”, analyzes and discusses the principles of Walter Eucken’s economic policy, in particular, the “constitutive principles” and the “regulative principles” of his Wettbewerbsordnung. Nevertheless, if it is true that the ordoliberal concept of competition is based on a Leistungsprinzip which requires a starker Staat, how does the Wettbewerbsordnung coexist with EU’s systems of governance? Actually, says the author, the multilevel European governance seems to be better understood if intended as a “hybrid”, with respect to which not always Ordoliberalism plays a role consistent with its tradition
Political Variations on the Neoliberal Economic Discourse. Reflecting upon Europe
This introduction analyzes some of the key questions concerning the political variations of the neoliberal economic discourse in today’s Europe. In particular, the relationship between the evanescence of nation-state sovereignty and the rebirth of the “economic nation” is taken into account. In the great transformation imposed by the ongoing economic crisis, the author stresses the importance of grasping not only the German roots of the European Ordoliberalism, but also those of a hybrid politics, based on governance policies, and implicitly imposed by the unfinished character of the great transformation itself
JOSÉ NUNO MARTINS
Como ando com as leituras dos jornais em atraso, só agora li o texto de Adelino Gomes, editado na Pública de ontem, sobre José Nuno Martins. Eu, que fui um ouvinte atento de programas dele, em especial Os cantores do rádio, não posso deixar de anotar e saudar aqui no blogue o texto do jornalista sobre o realizador de programas de rádio. Recordo com muita alegria a música que servia de introdução a Os cantores do rádio, de Chico Buarque da Holanda. Em português de Portugal, os cantores cantam ..
- …
