1,575 research outputs found
Archeologische begeleiding Lange Landweg te Onnen, gemeente Haren (GR)
Aanleiding tot de hier beschreven archeologische begeleiding (protocol opgraven) betreft de vernieuwing van de riolering ter plaatse van de Lange Landweg te Onnen. Omdat deze plannen met bodemverstorende ingrepen gepaard gaan, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Gemeente Haren heeft MUG Ingenieursbureau, afdeling Archeologie, opdracht gegeven de archeologische begeleiding aan de Lange Landweg uit te voeren. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3, en de richtlijnen uit het Programma van Eisen.
Het doel van een archeologische begeleiding protocol opgraving is gelijk aan dat van een definitieve opgraving (DO): het ex situ veilig stellen van het bodemarchief in het plangebied door middel van een zorgvuldige documentatie van de archeologische en aardwetenschappelijke sporen en berging van het vondstmateriaal.
Het tracé van de rioolbuis heeft een lengte van circa 175 m en een breedte van circa 3 m. De archeologische gegevens zijn geadministreerd in twee werkputten. Werkput 1 betreft het tracé langs de Lange Landweg. Werkput 2 betreft de aansluiting van de Lange Landweg op de Mottenbrink.
De bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied bestaat van boven naar onder uit een puinlaag/ egalisatielaag, een laag oud wegdek, de dekzand C-horizont en keileem.
Tijdens het onderzoek is een klein aantal archeologische sporen aangetroffen. Deze sporen bestaan hoofdzakelijk uit paalsporen en zijn voornamelijk aangetroffen in werkput 2. Daarnaast zijn karrensporen, een tweetal kuilen, een greppel en een sloot aangetroffen.
Uit de archeologische begeleiding blijkt dat zich met name op de kruising van de Mottenbrink met de Lange Landweg (werkput 2) archeologisch interessante sporen en vondsten bevinden. De hier aangetroffen paalkuilen dateren uit de late ijzertijd. Uit de paalkuilen is geen structuur te herleiden. De sloot die hier is gevonden, kan van latere datum zijn maar zeker is dat niet. Onder het huidige wegdek bevindt zich in werkput 2 een circa 50 cm dikke laag met karrensporen. De paalkuilen bevinden zich onder deze laag.
In het riooltracé dat in de Lange Landweg is begeleid (werkput 1), zijn weinig vondsten en sporen aangetroffen. De enige vondst van waarde is een vuurstenen artefact. Het betreft een losse vondst, afkomstig uit het dekzand onder het esdek naast de Lange Landweg. Aangezien de weinige sporen in werkput 1 niet te dateren zijn, kunnen ze niet direct worden gekoppeld aan de (nederzettingssporen) uit de late ijzertijd in werkput 2.
Er is een klein aantal vondsten aangetroffen. Naast het reeds genoemde prehistorische aardewerk zijn meerdere metalen voorwerpen aangetroffen, alle van (sub)recente datering. Ook werd naast werkput 1 een vuurstenen artefact gevonden. Het artefact betreft een holle schaaf gemaakt op een afslag met windlak. De schaaf zou kunnen dateren in het laatpaleolithicum of vroegmesolithicum.
Het oude wegdek, dat zich onder het huidige wegdek bevindt en een resterende dikte heeft van maximaal 50 cm, geeft aan dat zowel de Mottenbrink als de Lange Landweg oude wegen betreffen. In geval van de Lange Landweg kan aan de hand van de huidige resultaten worden geconstateerd dat deze wellicht al ten tijde van de vorming van de es als landweg gebruikt werd, aangezien zich direct buiten de weg wel een pakket esdek bevindt en in het wegtracé zelf niet
ARC-Publicaties 72
De gemeente Coevorden is van plan om op korte termijn een start te maken met de uitbreiding van de nieuwbouwwijk Molenakkers. Deze wijk ligt in het zuidwesten van Dalen. Een terrein van zeven hectare omvang dat grenst aan de huidige woonwijk, ‘De Spil’ genaamd, zal worden volgebouwd.
In februari 2002 werd door archeologisch onderzoeks- en adviesbureau De Steekproef een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) op het bestemmingsterrein uitgevoerd. Bij dit onderzoek werd de bodemopbouw door middel van een booronderzoek onderzocht. Ook werd er een veldkartering uitgevoerd.
De AAI toonde aan dat over vrijwel het gehele terrein de bodemopbouw intact was. Bovenop het natuurlijke dekzand was overal nog een laag middeleeuws esdek aanwezig. Tijdens het onderzoek werd verbrand vuursteen en een scherf aardewerk aangetroffen. Er werd besloten om op het terrein een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) uit te voeren. Dit onderzoek werd van 21 oktober tot en met 5 november 2002 uitgevoerd door ARC bv.
Conclusie:
Het AAO op ‘De Spil’ te Dalen heeft aangetoond dat dit terrein grote archeologische waarde bezit. De sporen en vondsten die in de werkputten zijn aangetroffen, geven aan dat dit terrein in de Late Bronstijd en de IJzertijd intensief door de mens is gebruikt, zowel om op te wonen en werken als om hun doden te begraven. De nabijheid van de nederzettingssporen en de grafmonumenten laat zien dat men zich hier in de prehistorie naast of in de buurt van het urnenveld vestigde. Zowel de nederzetting als het urnenveld is van aanzienlijke omvang geweest.
Op het hele terrein zijn nederzettingssporen gevonden. Deze sporen zullen nog verder doorlopen of doorgelopen hebben, gezien de bevindingen van eerdere archeologische onderzoeken in de nabije omgeving. Het urnenveld heeft zich ten noorden van ‘De Spil’ over een groot gebied uitgestrekt. Helaas is het grootste deel hiervan verloren gegaan door de bouw van de woonwijk Molenakkers.
De bewoners van het terrein in de Late Bronstijd en de IJzertijd zullen boeren zijn geweest. De resultaten van het archeobotanisch onderzoek en de aanwezigheid van stukken maalsteen geven aan dat er in en rond de nederzetting aan akkerbouw werd gedaan. De veekraal in werkput 9 is een aanwijzing voor het bedrijven van veeteelt. Hoewel de nederzettingssporen talrijk en over een groot gebied verspreid zijn, zal een nederzetting uit hoogstens twee of drie boerderijen per keer hebben bestaan, bewoond door even zoveel gezinnen. Na gemiddeld zo’n 30 a 40 jaar waren de boerderijen en bijgebouwen aan vervanging toe en werden ze een eindje verderop weer herbouwd. De doden uit de nederzetting werden gecremeerd en bijgezet in het aangrenzende urnenveld. Dit urnenveld zal er ten tijde van gebruik uit hebben gezien als een verzameling heuveltjes, met daaromheen greppeltjes.
Het AAO heeft slechts een zeer klein deel van de totaal aanwezige archeologie op ‘De Spil’ gedocumenteerd. Ongetwijfeld zijn op het terrein veel meer resten van de nederzetting en het urnenveld aanwezig. Met name het restant van het urnenveld dat nog op het terrein aanwezig is, is van belang. De aanbeveling aan de gemeente Coevorden luidt dan ook om de archeologie die op ‘De Spil’ aanwezig is, te beschermen, zodat dit belangrijke deel van het bodemarchief van Dalen intact kan blijven. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen op het totale terrein een uitvoerig archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren
Archeologisch proefsleuvenonderzoek Pleiadenlaan 8, locatie Polaris, te Groningen, gemeente Groningen (GR)
Aanleiding tot het hier beschreven inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven zijn de plannen van Lefier voor de bouw van een woontoren voor het onderzochte perceel aan Pleiadenlaan 8 te Groningen. Omdat deze plannen met bodemverstorende ingrepen gepaard gaan, is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd conform de Erfgoedwet. Lefier heeft MUG Ingenieursbureau, afdeling Archeologie, opdracht gegeven het proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
Het archeologische veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 7 september 2016 en stond onder leiding van mevrouw M.J.M. de Wit, met ondersteuning van mevrouw T.N. Krol-Karsten. De uitwerking vond plaats in september en oktober 2016. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.0, en de richtlijnen in het PvE en de gemeentelijke advieskaart
Archeologische begeleiding rioolwerkzaamheden De Vennen en Mottenbrink te Onnen, gemeente Haren (GR)
Het onderzoeksgebied betreft de straten Mottenbrink en De Vennen. De Mottenbrink betreft een oude doorgaande weg en ligt aan de westkant van het dorp Onnen. De Vennen ligt ten noorden van de Lange Landweg en sluit aan op de Mottenbrink.
De bij het onderzoek aangetroffen grondsporen en -lagen bestaan uit paalsporen, kuilen, greppels, esgreppels, een sub-recente sloot, een oude akkerlaag en de restanten van een oud wegdek/karrensporen. Ook is in De Vennen een klein restant van een (sub)-recente fundering gevonden. Het archeologische onderzoek heeft een inkijk kunnen geven in het gebruik van dit deel van Onnen door de eeuwen heen, vanaf de late prehistorie tot aan onze tijd.
De oudste sporen die bij het onderzoek zijn aangetroffen betreffen de nederzettingssporen en een oude akkerlaag, die dateren uit de periode late ijzertijd/Romeinse tijd. De nederzettingssporen bestaan uit paalsporen, kuilen en greppels. Uit een deel van de paalsporen zijn (gedeeltelijk) gebouwen te reconstrueren, zoals spiekers en een groter gebouw, mogelijk een schuur of een woonhuis. De greppels horen waarschijnlijk bij elkaar en kunnen tot een perceels- of erfscheiding hebben gehoord. Uit de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied is duidelijk dat de nederzettingssporen zowel onder een oude akkerlaag liggen, in de C-horizont, als door deze akkerlaag heen zijn gegraven. De exacte datering van deze akkerlaag is dus niet goed te achterhalen, maar moet gezien de stratigrafie van de paalsporen en kuilen en de erin aangetroffen vondsten eveneens in dezelfde periode als de nederzettingssporen worden geplaatst.
In de late middeleeuwen heeft een deel van het onderzoeksgebied, De Mottenbrink, twee opeenvolgende functies. In eerste instantie doet het nog steeds dienst als akkerland, getuige de esgreppels die in het grootste deel van de Mottenbrink zijn gevonden. Van het esdek zelf, dat zich op de esgreppels moet hebben bevonden, is niets meer teruggevonden. Daarna wordt de Mottenbrink als weg in gebruik genomen. Het aangetroffen oude wegdek/de karrensporen dateren vermoedelijk vanaf de late middeleeuwen (circa 13e eeuw). De esgreppels, die zich onder het wegdek bevinden, dateren daarmee uit de periode van vóór de 13e eeuw. De onverharde Mottenbrink is gedurende enige eeuwen in gebruik en wordt tussen 1926 en 1935 voorzien van een verhardingslaag.
De aangetroffen vondsten bestaan uit aardewerk, metaal, natuur- en vuursteen en uit houtskool. Het vondstmateriaal is zowel afkomstig uit sporen als uit lagen (akkerlaag, wegdek). Het aardewerk en het metaal dateert uit de late ijzertijd/Romeinse tijd, de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het houtskool en het steen dateert op basis van vondstcontext en 14C-datering (houtskool) in de late ijzertijd/Romeinse tijd.
Uit het onderzoek blijkt dus dat de doorgaande weg de Mottenbrink op zijn vroegst in de late middeleeuwen in gebruik is genomen. Hiervóór is het gebied waar de Mottenbrink en De Vennen zich bevinden in gebruik als bouwland en woongebied. Er zijn verschillende archeologische sporen in het tracé van de Mottenbrink gevonden die aangeven dat de bewoning in de late ijzertijd/Romeinse tijd niet langs een voorloper van de huidige weg gelegen was. Er zijn dus geen aanwijzingen dat de Mottenbrink reeds in de prehistorie als route in gebruik was
Archeologische begeleiding in de Oude Hoflaan en de Prins Bernhardlaan te Haren, gemeente Haren (GR)
Het onderzoeksgebied betreft de straten Oude Hoflaan en Prins Bernhardlaan, beide in het centrum van Haren gelegen. De Oude Hoflaan ligt globaal tussen de Jachtlaan en de Rijksweg. De Prins Bernhardlaan ligt haaks op de Oude Hoflaan. Binnen het onderzoeksgebied is het huidige riool vervangen door een gescheiden rioleringssysteem voor vuilwaterafvoer (GWA) en hemelwaterafvoer (HWA). Deze riolering is onder het wegdek aangebracht. Hierbij is eerst een cunet of werkstrook ontgraven, waarin vervolgens de smallere rioleringssleuf is aangelegd. De Oude Hoflaan en Prins Bernhardlaan zijn aan het eind van de jaren ‘40 of het begin van de jaren ‘50 van de vorige eeuw aangelegd. De Oude Hoflaan overlapt (deels) met twee van de historische boerderijplaatsen die zijn aangegeven op de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Haren. De westelijk gelegen boerderijplaats, op de kruising van de Oude Hoflaan en de
Prins Bernhardlaan, staat bekend als ‘het Oude Hof’. Van de oostelijk gelegen boerderijplaats is geen naam bekend.
Het doel van een archeologische begeleiding, protocol opgraven is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Meer specifiek is de vraagstelling voor dit onderzoek erop gericht om informatie te verkrijgen over de bewoningsgeschiedenis van Haren, over zowel de bewoningsgeschiedenis zelf als het gebruik van de landschappelijke kenmerken van de Hondsrug door de mens.
Uit het onderzoek blijkt dat in zijn algemeenheid de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied van onder naar boven bestaat uit keileem, kei- of dekzand (de C-horizont), een (restant van een) esdek en/of een oude bouwvoor en uit (egalisatie-, ophoog)lagen die met de aanleg van de straten Oude Hoflaan en Prins Bernhardlaan te maken hebben. Het esdek is met name aangetroffen aan de westkant van de
Oude Hoflaan, dat het hoogst gelegen is binnen het onderzoeksgebied. Op basis van het in het esdek gevonden aardewerk dateert deze ongeveer vanaf de 12e/13e eeuw. De oude bouwvoor is in de nieuwe tijd te dateren, vermoedelijk in de 16e of 17e eeuw.
De archeologische begeleiding ter plaatse van de Oude Hoflaan en de Prins Bernhardlaan heeft aangetoond dat dit gebied een lange bewoningsgeschiedenis heeft. Het onderzoeksgebied ligt op de oostflank van de Hondsrug en heeft in de loop van meer dan 2000 jaar dienst gedaan als zowel nederzettingsterrein als landbouwgrond, mogelijk met tussentijdse onderbrekingen. In de C-horizont is bij het onderzoek een aantal archeologische sporen aangetroffen. De sporen bestaan uit paalkuilen, kuilen, sloten, greppels en twee waterputten. De meeste sporen dateren uit de nieuwe tijd. Daarnaast is ook een aantal sporen uit de late middeleeuwen aanwezig. De oudste sporen betreffen een vroegmiddeleeuwse sloot en een waterkuil die uit de ijzertijd dateert. De vroegmiddeleeuwse sloot is in de late middeleeuwen of in de nieuwe tijd verbreed of er werd op de plaats van de oude sloot een nieuwe, minder diepe en bredere sloot gegraven. De waterkuil uit de ijzertijd is het enige aan de late prehistorie toe te schrijven spoor binnen het onderzoeksgebied. De meeste sporen zijn aangetroffen in het gebied rond de kruising van de
Oude Hoflaan met de Prins Bernhardlaan. Deze kunnen deels worden gerelateerd aan het Oude Hof of aan (een) voorganger(s) van deze. In de nieuwetijdse sporen is een fasering aan te brengen met een fase die dateert uit de 15e tot 17e eeuw en een latere fase. Gezien het feit dat naast de nieuwetijds sporen op de kruising van de Oude Hoflaan en de Prins Bernhardlaan ook sporen en vondsten zijn gevonden die getuigen van laatmiddeleeuwse bewoning, kan aan het Oude Hof een middeleeuwse oorsprong worden toegeschreven. Die laatmiddeleeuwse sporen vormen twee mogelijke structuren, een palenrij en een roedenberg die naast elkaar liggen, de tweede waterput en een smalle sloot. Deze sporen en structuren dateren uit de 12e of 13e eeuw en hebben deel uitgemaakt van een erf. Aan de uiterste oostkant van het onderzoeksgebied is een sloot aangesneden die deel uitmaakte van de begrenzing van de tweede, oostelijk gelegen historische boerderijplaats.
Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit: aardewerk (handgevormd en draaischijf), bouwmateriaal, metaal, glas, metaalslak, faunaresten en botanische macroresten. Deze vondsten komen uit de archeologische sporen en lagen of zijn aangetroffen bij de aanleg van het vlak in de werkputten.
Duidelijk is dat de oudste vondsten en sporen die bij het onderzoek zijn gedaan en die dateren uit de ijzertijd en de vroege middeleeuwen zich op de hoogste delen van het onderzoeksgebied bevinden (de waterput die uit de ijzertijd dateert bevindt zich zelfs op het hoogste deel). De laatmiddeleeuwse en nieuwetijdse sporen zijn vooral te relateren aan de boerderijplaatsen die zich binnen of direct aangrenzend aan het onderzoeksgebied bevinden; hierbij lijkt het reliëf een minder grote rol te spelen, aangezien de boerderijplaatsen zich zowel hoger op de Hondsrug (het Oude Hof) als in de lagere gebieden (boerderijplaats ten oosten van het Oude Hof) bevinden. In de perioden hiervoor gaf men de voorkeur aan de hoger gelegen delen van de Hondsrug als nederzettingsterrein
Archeologisch proefsleuvenonderzoek op plangebied Molenakkers II, fasen 2 en 3 te Dalen, gemeente Coevorden (DR)
Aanleiding voor het hier beschreven inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is het voornemen van de gemeente Coevorden om in het plangebied Molenakkers II fase 2 en 3 te Dalen een aantal woningen te realiseren, als vervolg op de ten noorden van dit terrein gelegen nieuwbouwwijk Molenakkers I en de in de randzone De Spil te realiseren Molenakkers II fase 1. Omdat deze plannen met bodemverstorende ingrepen gepaard gaan, is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd conform de Monumentenwet 1988. De gemeente Coevorden heeft MUG Ingenieursbureau, afdeling Archeologie, opdracht gegeven het proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het archeologische onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3, en de richtlijnen uit het Programma van Eisen.
Het onderzoeksgebied ligt ten zuidwesten van de weg De Spil en ten oosten van het fietspad Molenakkers en het watergat De Bongerd. Het gebied is in gebruik als akkerland. Het gebied dat fasen 2 en 3 beslaat is circa 2 ha groot, waarvan 1500 m2 door middel van het hier beschreven proefsleuvenonderzoek is onderzocht.
Het plangebied Molenakkers II is in 2002 grotendeels onderzocht middels een proefsleuvenonderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat hier onder meer nederzettingsresten en een urnenveld uit de late bronstijd en ijzertijd aanwezig zijn. Naar aanleiding van dit onderzoek is het perceel waarbinnen het plangebied ligt geregistreerd op de Archeologische Monumentenkaart (AMK-terrein 15952). Het AMK-terrein is tevens door de provincie Drenthe benoemd als een terrein van provinciaal belang. Het te bebouwen gebied omvat de randzone van het AMK-terrein. In deze zone zijn destijds geen sleuven aangelegd. Binnen het huidige plangebied Molenakkers II, fasen 2 en 3, heeft tot nog toe alleen een booronderzoek plaatsgevonden. Het noordelijk deel van de randzone, het ten noorden van het huidige plangebied gelegen plangebied Molenakkers II, fase 1, is inmiddels onderzocht. Hier zijn nederzettingsresten uit de ijzertijd, vroeg-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen aangetroffen. Ook zijn er bewijzen dat dit gebied al eerder, in het neolithicum, is gebruikt. Aangezien het resterende deel van de randzone door het onderzoek uit 2002 nog niet afdoende was onderzocht om de aanwezigheid van archeologische resten en de aard daarvan voldoende in beeld te hebben voor het kunnen vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan, is onderhavig proefsleuven-onderzoek uitgevoerd. Verwacht wordt echter dat de reeds eerder op plangebied Molenakkers aangetroffen archeologische resten zich ook binnen het huidige plangebied bevinden.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn zes proefsleuven of werkputten aangelegd, werkputten 1 t/m 6. In alle zes de werkputten zijn behoudenswaardige archeologische sporen aangetroffen. Deze sporen bestaan voornamelijk uit paalsporen, met daarnaast een aantal kuilen, greppels, sloten, de ringsloot van een grafheuvel, een haardkuil en twee vermoedelijke ovens. Uit de paalkuilen is een aantal structuren te reconstrueren.
Het onderzoeksgebied bevindt zich op een dekzandrug waarop een dun esdek ligt (10-30 cm dik), bestaande uit hoge zwarte enkeerdgronden van lemig fijn zand. Tussen het esdek en de top van het vaste zand, de C-horizont, zit een dunne meng- of bioturbatielaag. In werkputten 1, 3 en 6 bevindt zich aan de onderkant van het esdek een verspitte laag, die mogelijk samen kan hangen met (middeleeuwse) agrarische activiteiten. In werkput 6 is eveneens direct onder het esdek een ‘vuile laag’ of een oud landbouwdek aanwezig. Deze laag is lichtgrijs van kleur. Onder het esdek zijn in de top van het dekzand de archeologische sporen goed bewaard gebleven.
Bij het onderzoek is een redelijk grote hoeveelheid vondstmateriaal verzameld. De meeste vondsten zijn verzameld uit de aangetroffen sporen en bieden informatie over de datering van deze sporen en het gebruik hiervan. Daarnaast zijn vondsten verzameld bij de aanleg van het vlak en uit de top van het dekzand. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat voornamelijk uit keramiek en uit steen. Ook is een klein aantal metalen voorwerpen en metaalslakken gevonden en houtskool.
Uit de sporen en vondsten die bij proefsleuvenonderzoek zijn gedaan blijkt dat het plangebied Molenakkers II, fasen 2 en 3 over lange tijd gebruikt is als nederzettingsterrein en als locatie om te begraven, ambachten uit te voeren en landbouw te bedrijven.
De oudste sporen die zijn gevonden betreffen een haardkuil, een kuil in werkput 4 en twee grafstructuren. De haardkuil dateert uit het mesolithicum en geeft aan dat de dekzandkop waar het onderzoeksgebied deel van uitmaakt al in deze tijd werd gebruikt door de mens. De grafstructuren dateren uit het laat-neolithicum of de vroege bronstijd en uit de midden-bronstijd. Afgezien van de kuil in werkput 4, die dateert op de overgang van het laat-neolithicum naar de vroege bronstijd en waarvan de functie niet bekend is, zijn (overige) bijbehorende nederzettingssporen niet in de werkputten van het proefsleuvenonderzoek aangetroffen. Wel is een klein aantal aardewerkvondsten gedaan dat uit het neolithicum dateert. De aangetroffen nederzettingssporen dateren uit de periode late bronstijd tot en met de late ijzertijd of de vroeg-Romeinse tijd en vertegenwoordigen tenminste twee erven. Deze nederzettingssporen bestaan uit een deel van een huisplattegrond, een schuur of stal en een aantal spiekers en kuilen. Daarnaast zijn veel ‘losse’ paalkuilen gevonden die wel in deze periode dateren, maar waaruit vanwege de geringe breedte van de proefsleuven geen structuren te reconstrueren zijn. De meeste van deze nederzettingssporen en de grafstructuren bevinden zich op de westelijke helft van het plangebied, in het gebied rond werkputten 4 t/m 6. Mogelijk bevindt zich in werkput 3 eveneens een structuur, gezien de aanwezigheid van meerdere paalkuilen in de noordelijke helft van deze werkput. In de midden- of late ijzertijd wordt de zuidoosthoek van het plangebied gebruikt als ambachtszone (zuidkant werkput 2). Hier zijn namelijk twee ovens gevonden die uit deze periode dateren. De ovens kunnen mogelijk met aardewerkproductie in verband worden gebracht.
Hoewel het plangebied ook al in de prehistorie in gebruik was als landbouwgrond en de erven zich in die periode door het gebied verplaatsten (‘zwervende erven’), is het plangebied vanaf de late middeleeuwen, ongeveer vanaf de 13e eeuw, eenzijdig in gebruik als landbouwgrond. Hiervan getuigen het esdek, dat in het gehele plangebied aanwezig is, en de perceelssloten en greppels die deels kunnen worden gekoppeld aan de percelering volgens de kadastrale minuut uit 1811-1832. Een aantal sloten dat in werkput 2 is gevonden dateert uit de periode 15e tot en met 17e eeuw, wat aangeeft dat de indeling van het plangebied zoals deze is opgetekend aan het begin van de 19e eeuw deels een oudere oorsprong heeft.
Afgezien van de haardkuil, de kuil in werkput 4 en de grafstructuren, die in deze vorm (haardkuil, grafstructuren) en datering nog niet eerder op de Molenakkers zijn gevonden en uit welke periode (mesolithicum, laat-neolithicum of vroege bronstijd en midden-bronstijd) hier ook nog geen eerdere sporen of vondsten zijn gedaan, sluiten alle resten in het huidige plangebied aan bij de resten die bij de eerdere onderzoeken op de Molenakkers zijn gevonden.
Uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat zich in het gehele plangebied archeologisch waardevolle en behoudenswaardige resten bevinden, met een duidelijke concentratie in de westelijke helft van het onderzoeksgebied (de gebieden rond werkputten 4 t/m 6). De opdrachtgever, de gemeente Coevorden, wordt geadviseerd om deze resten te behouden. Te allen tijde dient gestreefd te worden naar behoud in situ (in de bodem) door planaanpassingen. Met name voor de westelijke helft van het onderzoeksgebied wordt aanbevolen de archeologische resten zoveel mogelijk in situ te behouden, vooral het gebied rond werkput 5 waarin zich de grafstructuren bevinden. Ook de gebieden rond de paalsporen in de noordhelft van werkput 3, de mesolithische haardkuil aan de zuidkant van werkput 3 en rond beide ovens in werkput 2 verdienen aandacht, aangezien de kans bestaat dat zich meerdere dergelijke haardkuilen of ovens in de directe nabijheid kunnen bevinden. Dit betekent dat deze zones in het bestemmingsplan zoveel mogelijk ontzien dienen te worden. Indien behoud in situ niet mogelijk is, dienen de archeologische resten binnen het gehele onderzoeksgebied ex situ behouden te worden, door middel van een archeologische opgraving
ARC-Rapporten 2006-94
Aan de oostkant van Twello is een gebied van ca. 19 ha door de gemeente Voorst aangewezen als bestemmingsterrein voor nieuwbouw. Het terrein, dat als toponiem ‘Achter ’t Holthuis’ heeft, bestaat uit zowel akkerland als uit een sportveldencomplex. Aan de hand van een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) door middel van een booronderzoek, werden in het bestemmingsterrein zones aangegeven waarin zich veel archeologische indicatoren (houtskool en aardewerk) bevonden. Hierna werd een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven uitgevoerd, waarbij de proefsleuven in deze archeologische zones werden aangelegd. Beide onderzoeken werden uitgevoerd door Archaeological Research & Consultancy (ARC bv) uit Groningen. Uit het IVO bleek dat op vrijwel het gehele bestemmingsterrein nederzettingssporen aanwezig zijn uit de Late IJzertijd –Romeinse Tijd.
Een deel van de riolering in een nieuw wegcunet op het bestemmingsterrein valt in de archeologische zone waar zich veel aardewerk bevindt. De gemeente Voorst besloot dan ook het uitgraven van deze riolering hier archeologisch te laten begeleiden. Hierbij werd de graafmachine door de opdrachtgever geleverd. Er is vanwege tijdsdruk gekozen voor een archeologische begeleiding, zo konden de archeologische en de infrastructurele werkzaamheden gelijktijdig plaatsvinden. De begeleiding werd op woensdag 4 oktober 2006 uitgevoerd door mw. drs. M. Essink (veldtechniek) en mw. drs. M.J.M. de Wit (projectleiding) van ARC bv.
Conclusie:
In de rioolsleuf zijn twee greppels gevonden en een kuil.De greppels kunnen in verband worden gebracht met de indeling van het Germaanse nederzettingsterrein (akkers, weilanden, percelen land).De functie en de datering van de kuil zijn niet bekend.
De resultaten van de archeologische begeleiding passen in het beeld dat er tot nu toe bestaat over de archeologische resten op Achter ’t Holthuis. Uit het proefsleuvenonderzoek dat in 2003 en 2006 is uitgevoerd en uit de opgraving blijkt dat het een nederzettingsterrein betreft (met wellicht meerdere woonkernen).
Rondom de woonkern(en) worden perceelscheidingen aangetroffen die te maken hebben met de indeling van de akker- en weidegebieden. In 2007 wordt het archeologisch onderzoek op Achter ’t Holthuis vervolgd
Archeologisch onderzoek op plangebied Molenakkers II, fase 1, te Dalen, gemeente Coevorden (DR)
Aanleiding tot de hier beschreven archeologische onderzoeken betreft het voornemen van gemeente Coevorden om een aantal woningen te bouwen in plangebied Molenakkers II, fase 1, te Dalen. Het onderzoeksgebied ligt direct ten westen en zuiden van de weg De Spil en grenst aan de woonwijk Molenakkers. Gezien de bodemverstorende ingrepen die hiermee gepaard gaan en de zeer hoge archeologische waarde van het plangebied (het plangebied maakt deel uit van AMK-terrein 15952), heeft gemeente Coevorden besloten archeologisch onderzoek op het plangebied te laten uitvoeren. In eerste instantie is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, gevolgd door twee archeologische opgravingen. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd conform de Monumentenwet van 1988. De gemeente Coevorden heeft MUG Ingenieursbureau, afdeling Archeologie, opdracht gegeven de archeologische onderzoeken uit te voeren. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd conform de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3, en de richtlijnen van de Programma’s van Eisen.
In het kader van de uitbreiding van woonwijk Molenakkers is in 2002 op het beoogde plangebied een archeologisch booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit laatstgenoemde onderzoek zijn nederzettingsresten uit de late bronstijd en ijzertijd aangetroffen, bestaande uit onder meer een huisplattegrond uit de vroege of midden-ijzertijd, enkele grote bijgebouwen, spiekers, haard- en afvalkuilen, een veekraal en omheiningen. Naast nederzettingsresten werd ook een deel van het - reeds bekende - urnenveld aangesneden, bestaande uit vier kringgreppelgraven en een langbed. Van het urnenveld, dat een vrij grote oppervlakte moet hebben gehad, is door de bouw van de woonwijk Molenakkers I destijds een groot deel verdwenen. Het huidige onderzoeksgebied, plangebied Molenakkers II, fase 1, is in 2002 niet onderzocht, met uitzondering van het meest zuidelijke deel. Voor het plangebied is door Libau een archeologisch advies opgesteld waarin wordt geadviseerd om op het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, aangezien de verwachting was dat zich op het plangebied eveneens nederzettingsresten uit de late bronstijd en ijzertijd zouden kunnen bevinden. Onderhavig rapport doet verslag van zowel dit proefsleuvenonderzoek als van de daaropvolgende twee opgravingen.
Het onderzoeksgebied bevindt zich op een dekzandrug waarop een esdek ligt, bestaande uit hoge zwarte enkeerdgronden van lemig fijn zand. Dit esdek is nog ongeveer 20 tot 30 cm dik. De donkergrijze tot zwarte bouwvoor gaat abrupt over in de es, die twee lagen laat zien. De bovenste laag is donkerder dan de ondergelegen grijze laag en kan beschouwd worden als een inspoellaag van de humeuze bouwvoor in de onderliggende es. Tussen het esdek en de top van het vaste zand, de C-horizont zit een dunne meng- of bioturbatielaag. Onder het esdek zijn in de top van het dekzand de archeologische sporen goed bewaard gebleven. De aangetroffen paalsporen hebben een gemiddelde resterende diepte van 15 tot 20 cm beneden vlakniveau en de kuilen van gemiddeld 40 tot 50 cm.
In vrijwel alle werkputten, afgezien van werkput 4 aan de uiterste oostkant van het plangebied, zijn archeologische sporen aangetroffen. Deze sporen bestaan voornamelijk uit paalsporen. Uit de paalsporen is een aantal structuren te reconstrueren. Deze structuren bestaan uit twee huisplattegronden en uit opslaggebouwen, zogeheten spiekers. Ook zijn een aantal kuilen (silo- en afvalkuilen) en delen van palissades gevonden. De aangetroffen sporen betreffen nederzettingssporen en hebben deel uitgemaakt van prehistorische boerenerven. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, huttenleem, natuur- en vuursteen, houtskool, metaal en metaalslak, faunaresten en botanische macroresten. De sporen en structuren dateren vooral –voor zover na te gaan aan de hand van typologie en vondstmateriaal- uit de ijzertijd en uit het begin van de Romeinse tijd. Het terrein is echter in een oudere periode (neolithicum-bronstijd) eveneens gebruikt, getuige vuursteenvondsten en een kuil. De huizen worden gedateerd in de vroege ijzertijd (huis 1) en op de overgang van de late ijzertijd naar de vroeg-Romeinse tijd (huis 2). De spiekers dateren uit de ijzertijd. Eén van de kuilen kan aan de hand van koolstofonderzoek (14C) gedateerd worden in de vroege middeleeuwen. Een tweede kuil heeft een veel oudere datering en stamt uit het neolithicum (14C-onderzoek). Naast prehistorische vondsten is aardewerk en metaal aangetroffen dat een laatmiddeleeuwse datering heeft. Dit materiaal is afkomstig uit het esdek en heeft geen directe relatie met de onderliggende sporen.
Op basis van de huidige resultaten is binnen het plangebied gedurende de gehele ijzertijd, tot en met het begin van de Romeinse tijd, een continuïteit van bewoning of gebruik aanwezig. Wanneer de huidige resultaten worden samengevoegd met die van de overige onderzoeken in de nabije omgeving is vast te stellen dat de locatie Molenakkers in gebruik is geweest in de periode vanaf het mesolithicum tot en met de vroege middeleeuwen, waarbij naast gebruiks- en bewoningsporen ook de sporen van grafvelden zijn vastgesteld.
Aan de westkant van het huidige Dalen zijn in de afgelopen decennia archeologische bewoningssporen aangetroffen die grofweg dateren in de periode neolithicum tot en met vroege middeleeuwen. Het gebied lijkt lange tijd vrij intensief bewoond te zijn geweest. Vrijwel alle bekende archeologische waarnemingen en monumentterreinen bevinden zich ten westen van het oude esdorp Dalen. Dalen bevindt zich op een lage dekzandrug, de oude kern van het esdorp bevindt zich op de oostelijke helft van deze rug. Aangezien binnen de oude kern van Dalen naast laatmiddeleeuwse eveneens vroegmiddeleeuwse sporen en vondsten zijn aangetroffen, lijkt het er op dat de bewoning zich vanaf de prehistorie van de westhelft van de dekzandrug heeft verplaatst naar de oosthelft, waarbij in de late middeleeuwen het westelijk deel van de zandrug in gebruik is genomen als es. In dit licht kunnen de sporen en structuren die in het plangebied zijn gevonden, worden beschouwd als behorend tot een voorganger van het huidige Dalen.
Uit de hier gerapporteerde onderzoeken blijkt eens te meer dat zich te Dalen Molenakkers een zeer rijke archeologische vindplaats bevindt waarin veel archeologische periodes zijn vertegenwoordigd en die vergelijkbaar is met bijvoorbeeld een vindplaats als de Noordbarger es te Emmen. Dit beeld was natuurlijk al verkregen bij het onderzoek op de Molenakkers in 2002, waarna het gebied de AMK-status heeft gekregen. De vindplaats te Dalen Molenakkers is vele malen groter dan hier nu onderzocht is en dient zoveel mogelijk behouden te worden voor de toekomst
Archeologisch onderzoek Molenakkers II, fase 1 te Dalen, gemeente Coevorden
Aanleiding tot de hier beschreven archeologische onderzoeken betreft het voornemen van gemeente Coevorden om een aantal woningen te bouwen in plangebied Molenakkers II, fase 1, te Dalen. Gezien de bodemverstorende ingrepen die hiermee gepaard gaan en de zeer hoge archeologische waarde van het plangebied (het plangebied maakt deel uit van AMK-terrein 15952), heeft gemeente Coevorden besloten archeologisch onderzoek op het plangebied te laten uitvoeren. In eerste instantie is een archeologisch proeflseuvenonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een opgraving. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd conform de Wet op de archeologische monumentenzorg. Gemeente Coevorden heeft MUG Ingenieursbureau, afdeling Archeologie, opdracht gegeven de archeologische onderzoeken uit te voeren.
Het onderzoeksgebied ligt direct ten westen en zuiden van de weg De Spil en grenst aan woonwijk Molenakkers. In het kader van de uitbreiding van woonwijk Molenakkers is in 2002 op het beoogde plangebied een archeologisch booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit laatste onderzoek zijn nederzettingsresten uit de late bronstijd en ijzertijd aangetroffen. Ook werd een deel van het - reeds bekende - urnenveld aangesneden. Het huidige onderzoeksgebied, plangebied Molenakkers II, fase 1, is in 2002 niet onderzocht, met uitzondering van het meest zuidelijke deel. Voor het plangebied is door Libau een archeologisch advies opgesteld.
Tijdens het veldonderzoek zijn zes proefsleuven aangelegd. Bij het vervolgonderzoek, de opgraving, zijn op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek twee gebieden geselecteerd voor nader onderzoek.
Op het gehele plangebied is onder de bouwvoor een esdek aanwezig, bestaande uit hoge zwarte enkeerdgronden van lemig fijn zand. Dit esdek is nog ongeveer 20 tot 30 cm dik en bestaat uit twee lagen. De bovenste laag kan beschouwd worden als een inspoellaag van de humeuze bouwvoor in de onderliggende es. Tussen het esdek en de top van het vaste zand, de C-horizont, zit een dunne meng- of bioturbatielaag. Aan de hand van in het esdek aangetroffen vondstmateriaal (aardewerk) kan het resterende esdek in de periode 12e tot en met eind 15e eeuw worden gedateerd.
Afgezien van werkput 4 zijn in alle werkputten archeologische sporen en vondsten aangetroffen. Deze sporen betreffen nederzettingssporen en bestaan uit (paal)kuilen en een greppel. Uit de paalkuilen is een aantal structuren te reconstrueren, met name spiekers (tien stuks in totaal). Daarnaast is een mogelijk grotere structuur gevonden, te dateren in de vroege ijzertijd. Van de kuilen kunnen drie getypeerd worden als voorraadkuil of silo. Deze kuilen zijn in een later stadium opgevuld met afval.
Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, huttenleem, natuur- en vuursteen, houtskool, metaal en metaalslak, faunaresten en botanische macroresten. Het materiaal heeft grotendeels een prehistorische datering. Naast prehistorische vondsten is aardewerk en metaal aangetroffen dat een laatmiddeleeuwse datering heeft. Dit materiaal is afkomstig uit het esdek.
De sporen en vondsten die tijdens het archeologisch onderzoek op plangebied Molenakkers II, fase 1 te Dalen zijn aangetroffen, geven aan dat het gebied in verschillende perioden door de mens is gebruikt. De sporen en structuren dateren – voor zover na te gaan aan de hand van typologie en vondstmateriaal – uit de ijzertijd, met name uit de vroege en midden-ijzertijd. Eén van de kuilen kan aan de hand van koolstofonderzoek (14C) gedateerd worden in de vroege middeleeuwen. Een oudste mogelijke bewonings- of gebruiksfase kan aan de hand van het aangetroffen vuursteen naar alle waarschijnlijkheid gedateerd worden in de periode neolithicum-bronstijd. Gezien de vondstlocatie van het vuursteen is er een globale indicatie dat in werkput 9 mogelijk vuursteenbewerking heeft plaatsgevonden.
In de ijzertijd zal de bewoning op de Molenakkers waarschijnlijk hebben plaatsgevonden binnen een Celtic field-systeem.Uit de vroege ijzertijd (800-500 v.Chr.) is de mogelijk grotere structuur afkomstig, met daarnaast waarschijnlijk twee spiekers en twee voorraadkuilen die later dienst hebben gedaan als afvalkuil. Deze sporen en structuren bevinden zich alle aan de zuidkant van het huidige plangebied, in werkput 9. Mogelijk heeft hier een erf gelegen. Van de overige structuren kan een aantal spiekers in de midden tot late ijzertijd (500-250 v. Chr.) of in de late ijzertijd (250 v. Chr.- begin jaartelling) worden gedateerd. Deze spiekers liggen verspreid over het plangebied. De datering van de rest van de spiekers is niet duidelijk, maar op basis van de resultaten ligt een datering in de ijzertijd voor de hand.
De resultaten van het huidige onderzoek dragen bij aan de kennis die uit eerder onderzoek in de nabije omgeving reeds voorhanden is over het archeologisch rijke gebied aan de westkant van Dalen
ARC-Rapporten 2004-43
De gemeente Noordoostpolder gaat ten zuiden van het dorp Luttelgeest nieuwe woningen bouwen. Het plangebied, dat de toponiem N14 heeft, heeft volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW 2e generatie) een middelhoge verwachtingswaarde (afb. 1). Van het plangebied zijn drie boringen van de voormalige Rijksdienst IJsselmeerPolders bekend, waaruit blijkt dat het pleistocene dekzand zich hier ongeveer één meter beneden maaiveld bevindt. Eén van de boringen liet een intact podzolprofiel in het zand zien met een duidelijke A-, B- en C-horizont (RIJP-boring 528-186-07).
In overleg met de Provinciaal Archeoloog van Flevoland, drs. A. Kerkhoven, besloot de gemeente Noordoostpolder in het plangebied een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van bureauonderzoek en boringen uit te laten voeren. Hiertoe werd opdracht verleend aan Archaeological Research & Consultancy (ARC bv). Het onderzoek is op 4 augustus 2004 uitgevoerd door drs. S.J. Tuinstra en mw. drs. M.J.M. de Wit.
Aanbeveling
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het pleistocene dekzand naar het westen toe oploopt en dat zich mogelijke twee zandkopjes op het onderzoeksterrein bevinden, rond boringen 7 en 9. Uit de boringen blijkt dat de bodemopbouw van het terrein grotendeels niet intact is, alleen in boringen 6 en 8 is een restant van het veen. Bij de boorpunten 2, 3, 4 en 9 lijken restanten van een podzolbodem te zijn gevonden. Het oppervlak van deze podzolbodem is echter in geen van de boringen meer aanwezig. Dit betekent dat de laag waar in zich archeologische resten, zoals houtskool, aardewerkresten, vuursteen en dergelijke, kunnen bevinden niet meer aanwezig is. Alleen bij de bovengenoemde boorpunten zijn resten van een Bhorizont gevonden. Hierin zouden eventueel nog sporen aanwezig kunnen zijn. De kans deze in boringen te herkennen is echter gering.
Hoewel het gezette boorgrid zeer extensief is, is het niet te verwachten dat zich op het terrein nog resten bevinden van een laag waarin archeologische indicatoren kunnen worden aangetroffen. Hoewel de top van het pleistocene zand zich op slecht een meter beneden maaiveld bevindt zijn er geen vondsten aangetroffen, niet in de boorkernen noch aan het oppervlak. Het lijkt daarom niet waarschijnlijk dat bij verder booronderzoek nog archeologie wordt aangetroffen. Daarom wordt aanbevolen geen verder onderzoek te verrichten en het terrein vrij te geven voor de voorgenomen aktiviteiten. Dit laat onverlet dat de uitvoerder alert dient te zijn op eventueel toch nog aanwezige sporen en deze, indien worden aangetroffen, alsnog onverwijld dient te melden aan het bevoegd gezag, dhr. A. Kerkhoven, provinciaal archeoloog te Lelystad
- …
