331 research outputs found
ZM 07 Sambeek Zomerbedverdieping km 112-120
In juni en september van 2005 heeft ADC ArcheoProjecten twee inventariserende onderzoeken gedaan op de Maas. Deze onderzoeken hadden tot doel om archeologische resten op of (deels) in de bodem van de Maas op te sporen en te identificeren.
Door Alterra is historisch-geografisch onderzoek uitgevoerd.
Het onderzoek te Stuwpand Sambeek, maaskilometer 112-120, is samengenomen met het onderzoek in Stuwpand Grave, maaskm 155-175.
Het eerste ADC-onderzoek bestond uit het uitvoeren van een survey van de Maasbodem door middel van side scan sonar en multibeam.
Te Stuwpand Sambeek zijn uit de gecombineerde side scan sonar- en multibeamgegevens op 66 locaties 81 contacten geïnterpreteerd. 15 van deze contacten zijn geïnterpreteerd als zijnde mogelijk archeologica.
Het tweede ADC-onderzoek bestond uit het uitvoeren van inspectieduiken op de geselecteerd objecten.
Op een locatie te Sambeek werd een houten boot aangetroffen. Op basis van wat is waargenomen lijkt het onwaarschijnlijk dat het hier om een zeer oude boot gaat. Gezien de locatie van het wrak, in het talud, en de conservering van het hout kan gezegd worden dat het bootje ook niet bijzonder recent is. Alleen nader onderzoek kan uitwijzen of dit wrak daadwerkelijk interessant is.
Op een andere locatie werden twee identieke bootjes aangetroffen. De bootjes zijn mogelijk vroeger ingezet bij de voorloper van de huidige veerpont; een 'gierpont' waarbij een kabel voor de pont op zijn plaats werd gehouden door kleine bootjes. Daarmee zouden de bootjes in ieder geval ongeveer 70 jaar oud zijn en wellicht zelfs uit de 19e eeuw stammen. Deze bootjes hebben een grote, met name lokale, historische waarde
Archeologisch verkennend booronderzoek Catharinaklooster/begraafplaats te Sambeek gemeente Boxmeer
Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Boxmeer een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Catharinaklooster/begraafplaats te Sambeek in de gemeente Boxmeer. Op basis van de aangetroffen (intacte) bodemopbouw kan worden geconcludeerd dat de hoge archeologische verwachtingswaarde voor het hele plangebied gehandhaafd blijft. Op basis van het behoud van de hoge archeologische verwachtingswaarde blijft de kans reeël dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn
een maritiem inventariserend veldonderzoek in de vorm van geofysisch onderzoek (opwaterfase) en inspectieduiken (onderwaterfase)
In opdracht van Rijkswaterstaat Maaswerken, realisatiegroep Zandmaas heeft ADC
ArcheoProjecten een maritiem inventariserend veldonderzoek (MIVO1, opwaterfase) uitgevoerd
in de volgende drie gebieden:
1. Stuwpand Grave (Maaskilometer 164 ? 174)
2. Stuwpand Grave, deelgebied Gennep (Maaskilometer 155 ? 158)
3. Stuwpand Sambeek (Maaskilometer 112 ? 120
Plangebied Trekdijk, Nieuw- en Sint Joosland (Gemeente Middelburg): Een aanvulling op een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
ADC ArcheoProjecten heeft in mei 2020 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Trekdijk in Nieuw- en Sint Joosland (gemeente Middelburg).
De aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van het Trekdijkgebied ten zuiden van Nieuw- en Sint Joosland. Dit onderzoek is een aanvulling van een eerder onderzoek in het Trekdijkgebied, waarbij het plangebied in eerste instantie buiten beschouwing is gebleven.
Op basis van het bureauonderzoek gold met name een archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd/Romeinse tijd en plaatselijk voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een (verkennend/karterend) booronderzoek uitgevoerd.
Uit de boringen blijkt dat zich aan de basis het Laagpakket van Wormer, onderdeel van de Formatie van Naaldwijk, bevindt. De bovenzijde hiervan is aangetroffen rond 3 m -NAP. Het betreft voornamelijk wadvlakteafzettingen.
Deze afzettingen worden afgedekt door een homogeen en compact pakket veen, dat onderin met name bestaat uit rietveen. De bovenzijde van het veen ligt vrijwel overal dieper dan ca. 1,5 m -NAP.
In diverse boringen is sprake van aanwijzingen voor moernering. Daar waar de top van het veen intact is, is deze veraard. Het veen wordt bedekt door dek- en geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren.
Met name het veraarde en niet gemoerneerde deel van het Hollandveen Laagpakket alsmede kreekruggen op het Laagpakket van Walcheren worden beschouwd als relevante potentiële archeologische niveaus
ADC rapport 5183
ADC ArcheoProjecten heeft in mei 2020 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Trekdijk in Nieuw- en Sint Joosland (gemeente Middelburg).
De aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van het Trekdijkgebied ten zuiden van Nieuw- en Sint Joosland. Dit onderzoek is een aanvulling van een eerder onderzoek in het Trekdijkgebied, waarbij het plangebied in eerste instantie buiten beschouwing is gebleven.
Op basis van het bureauonderzoek gold met name een archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd/Romeinse tijd en plaatselijk voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een (verkennend/karterend) booronderzoek uitgevoerd.
Uit de boringen blijkt dat zich aan de basis het Laagpakket van Wormer, onderdeel van de Formatie van Naaldwijk, bevindt. De bovenzijde hiervan is aangetroffen rond 3 m -NAP. Het betreft voornamelijk wadvlakteafzettingen.
Deze afzettingen worden afgedekt door een homogeen en compact pakket veen, dat onderin met name bestaat uit rietveen. De bovenzijde van het veen ligt vrijwel overal dieper dan ca. 1,5 m -NAP.
In diverse boringen is sprake van aanwijzingen voor moernering. Daar waar de top van het veen intact is, is deze veraard. Het veen wordt bedekt door dek- en geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren.
Met name het veraarde en niet gemoerneerde deel van het Hollandveen Laagpakket alsmede kreekruggen op het Laagpakket van Walcheren worden beschouwd als relevante potentiële archeologische niveaus
ZM 06 Proefproject 3 - Stuwpand Sambeek zomerbedverdieping km (102) 109-112
In 1999 heeft RAAP een Aanvullende Archeologische Inventarisatie uitgevoerd in het kader van het project Zandmaas tussen Maaskilometers 102.7 en 105.9. Het onderzoek bestond uit een oppervlaktekartering en booronderzoek.
Uit het onderzoek blijkt dat geen archeologische vondsten te verwachten zijn in een groot deel van het gebied; dit is het gevolg van ontgrondingen en woningbouw. Twee zones met een (relatief) intacte bodemopbouw zijn mogelijk wel van archeologische betekenis. In de eerste zone (Maaskm 103.4-103.6) zijn geen archeologische vondsten gedaan. Archeologische vondsten in de tweede zone (Maaskm 105.2-105.4) duiden waarschijnlijk niet op een nederzettingsterrein ter plaatse.In 1998 en 1999 heeft, met enkele onderbrekingen, prospectief archeologisch onderzoek plaatsgevonden van het zomerbed van de Maas tussen Maaskm 102,700 en 112,300. Dit onderzoek wordt beschouwd als een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI).
Het onderzochte Maastracé vormt een onderdeel van Proefproject 3. Dit project behelst het verdiepen van het zomerbed, het afsnijden van de bocht bij Steijl en de aanleg van natuurlijke oevers. Dit proefproject is de derde in een reeks van drie. Deze proefprojecten, die gerealiseerd worden vooruitlopend op het Tracébesluit, hebben als algemene doelstelling ervaring op te doen met grootschalige ontgrondingen in het Maasdal. Dit geldt ook voor de archeologische begeleiding.
Tijdens dit onderzoek zijn alleen ‘losse’ archeologische vondsten verzameld: vooral uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze vondsten geven slechts in beperkte mate inzicht in de relatie tussen mens en landschap. Vooral uit het historisch-geografische onderzoek is gebleken dat dit deel van het Maasdal in historische perioden zeer intensief is gebruikt. Vanuit de infrastructuur gezien ligt dit Maastracé op een belangrijke kruising van land- en waterwegen.
Er zijn geen archeologische waarden aangetroffen die nader onderzoek vereisen of die behoudenswaardig zijn. De bekende en beschermde vindplaatsen die direct op de oever van de Maas gelegen zijn, strekken zich niet uit tot in het zomerbed van de Maas en kunnen voor dit Maastracé nu aan de rivierzijde begrensd worden
Insights in the market of recycled plastic, with practical value chain research
The European Union (EU) landfilled and incinerated 600 million tons of waste in 2013, which could have been recycled and returned as raw material to the economy. Resource efficiency can regain this value and bring economic, environmental and social benefits. The EU has therefore adapted the Circular Economy Package with targets to stimulate the transition to a circular economy. These targets include reusing and recycling 55% of plastic packaging waste by 2025. Member states act to achieve those targets with subsidies and funding schemes. This enables entrepreneurs to enter the market of recycled plastic with innovations to gain Schumpeterian rent. However, only approximately 50% of starting companies are still operating after 4 years. It is crucial to increase the success rate of turning new technologies into innovations in order to reach the recycling targets. Market exploration and orientation strategies can aid entrepreneurs to gain insight in the recycled plastic market. Globalized value chain research is a commonly used method, but not suitable to address the recycling industry as it is not globalized but restricted by country borders and local governance. Value chain research methodology was used, according to a handbook written by Kaplinsky & Morris from 2001, which refers to and uses globalized value chain research methodology. For the recycling industry a specific selection was made from elements mentioned in the handbook. This enabled the execution of value chain research for the not globalized recycling industry. The interview questions and topics were made based on the required data for the selected elements. This thesis focussed on the biggest market segment of post-consumer plastic packaging waste in the Netherlands. In total 149 compounders, recyclers and converters were included in a database for a selection. Of which seven companies participated, which resulted in qualitative data that gives insight into the industry and enabled answering the research question.What is required from the value chain of the plastic recycling industry to increase the use of recycled post-consumer PPW? Converters must be able to get access to regranulate with stable MFI and crystallization time characteristics in higher quantities. Compounders can initiate this with joint design projects with branding companies thereby highlighting the possibilities of their regranulate. The optimization of the product and process for their regranulate lowers the switching costs for the converter and can bring rent opportunities. It furthermore showed to increase the sales of regranulate. The compounder requests higher quantities of mono streams recycled plastic from the recycler to comply with demand for regranulate to be used for high volume consumer goods. Recyclers however, upgrade their processes to maximize output for the Dutch ‘Raamovereenkomst’, which includes a mix stream next to the mono streams. This mix stream cannot be used by the compounders to make regranulate for the converters. The recyclers claim that they can technically increase the mono streams at the expense of the mix stream, although this leads to lower profits for them. A change is therefore required in the Dutch ‘Raamovereenkomst’ to optimize for mono stream output.Management of Technology (MoT
The functional flexibility of lock design: Applied on the Meuse route
In general, an inland navigation lock has a structural lifespan of about 100 years, while in most cases this lock is not big enough anymore after 25 - 50 years. This is caused by the growing ship dimensions and/or intensities. A functional flexible lock is the solution for extending the functional lifespan. This type of lock is, with or without a few structural adjustments, capable of serving the shipping traffic for its whole structural lifespan. This design approach will be applied on the lock complex ‘Sluis Sambeek’, which is located in the Meuse route. The first part of the study is carried out on the basis of the Life Cycle Management (LCM) approach. The LCM is started with a trend forecast, from which follows that the future ship sizes are normative for the required lock dimensions. After that, three alternatives are elaborated: 1. Zero-alternative: renovation of the lock. 2. Functional flexible lock: standard lock that is built large enough at once. 3. Structural flexible lock: a relatively easy extendable navigation lock. The maximum dimensions are reached stepwise. Alternative 2 appears to be the least expensive option for ‘Sluis Sambeek’. Although alternative 3 is the most expensive option, this alternative is elaborated further, because it is the most innovative option and could be a better solution for another lock reconstruction. The structural flexibility in alternative 3 is formed by the lock chamber which exists of relatively simple replaceable sheet pile walls, and by floatable lock heads that can be replaced by wider lock heads. The construction planning and the structural lock head design are the innovative parts that are elaborated most specifically. It is concluded that it is useful to consider both the possibilities of a functional and a structural flexible lock design for ‘Sluis Sambeek’ or for another lock location.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Buikpijn bij een zwangere die een maagverkleining heeft gehad: de risico's van bariatrische chirurgie op de lange termijn
Een nadeel van bariatrische chirurgie is dat de ingreep een risico geeft op complicaties op de lange termijn. Tijdens de zwangerschap kunnen deze complicaties leiden tot ernstige foetale en maternale morbiditeit en mortaliteit.1 In deze klinische les beschrijven we aan de hand van twee casussen het belang van multidisciplinaire expertise bij een zwangere patiënte met buikpijn door complicaties van eerdere bariatrische chirurgie. Patiënt A, een 38-jarige primigravida die 3 jaar eerder een laparoscopische ‘Roux-en-Y gastric bypass’ (RYGB) had ondergaan, was elders opgenomen met postprandiale buikpijn bij een tweelingzwangerschap met een amenorroeduur van 24/6 weken. Patiënte was normotensief, had een licht pijnlijke, niet-geprikkelde buik en een niet-afwijkend bloedbeeld. Het ongeboren kind was in goede conditie en er waren geen tekenen van dreigende vroeggeboorte. Differentiaaldiagnostisch werd gedacht aan obstipatie, galsteenlijden en inwendige herniatie van de dunne darm. Er werd een echo abdomen gemaakt waarop geen aanwijzingen waren voor galstenen of stuwing van de galwegen. Tevens ..
The year in cardiology 2014: Peripheral circulation
In 2014, the debate on the indication of revascularization in case of asymptomatic carotid disease continued, while another one regarding the use of surgery vs. stenting addressed some new issues regarding the long-term cardiac risk of these patients. Renal arteries interventions trials were disappointing, as neither renal denervation nor renal artery stenting was found associated with better blood pressure management or outcome. In contrast, in lower-extremities artery disease, the endovascular techniques represent in 2014 major alternatives to surgery, even in distal arteries, with new insights regarding the interest of drug-eluting balloons. Regarding the aorta, the ESC published its first guidelines document on the entire vessel, emphasizing on the role of every cardiologist for screening abdominal aorta aneurysm during echocardiography. Among vascular wall biomarkers, the aorta stiffness is of increasing interest with new data and meta-analysis confirming its ability to stratify risk, whereas carotid intima-media thickness showed poor performances in terms of reclassifying patients into risk categories beyond risk scores. Regarding the veins, new data suggest the interest of D-dimers and residual venous thrombosis to help the decision of anti-coagulation prolongation or discontinuation after the initial period of treatment for deep vein thrombosis
- …
