133,282 research outputs found

    Archeologisch bureauonderzoek Martinusplein 19 te Losser, gemeente Losser (OV)

    No full text
    Laagland Archeologie heeft in maart 2022 een Bureauonderzoek uitgevoerd op een locatie aan het Martinusplein 19 en 25 te Losser. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de sloop van de huidige bebouwing ten gunste van nieuwbouw. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol SIKB KNA 4002.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd. Op ongeveer 120 m ten oosten van het plangebied ligt een zone met dekzandwelvingen. Het is aannemelijk dat het plangebied ook in deze zone ligt. Ten oosten van het plan- en onderzoeksgebied bevinden zich grondmorenewelvingen die verband houden met de stuwwal die zich nog verder richting het westen bevindt. Op het AHN is te zien dat zich ten westen van het plangebied een verhoging in het landschap bevindt die verband houdt met de grondmorenewelvingen die zijn weergegeven op de geomorfologische kaart. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een verlaging die overeenkomt met de beekdalbodem van de Dinkel. Bodemkundig is het gebied ook niet gekarteerd. Op ongeveer 220 m ten oosten van het plangebied is een zone met kleiige beekdalgronden weergegeven. Deze beekdalgronden komen overeen met de verlaging op het AHN voor de rivier de Dinkel. Ook zijn ten noorden en westen van het plangebied veldpodzolgronden en hoge zwarte enkeerdgronden weergegeven. Op basis van het Historisch onderzoek wordt vermeld dat het plangebied zich in de historische kern van Losser bevindt. Gebaseerd hierop kan in het plangebied een oude stadsophoging verwacht worden met daaronder mogelijk nog (restanten van) een esdek. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Vroege IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd bekend. De nadruk ligt hierbij op vondsten uit de Middeleeuwen. In historische tijden (vanaf circa 1787) was het terrein bebouwd (woningen met erf). Bebouwing in het plangebied is zeer waarschijnlijk veel verder terug te voeren aangezien het plangebied deel uitmaakt van de oude kern van Losser. Op 10 meter ten zuiden van het plangebied stond een kerk die in de 14e/ 15e eeuw gebouwd is. De kerk is in 1904 gesloopt maar de toren is behouden. De huidige bebouwing in het oosten van het plangebied is gebouwd in 1955 en de huidige bebouwing in het westen van het plangebied komt uit 1985. Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de periode Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Geadviseerd wordt archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren in de vorm van verkennende boringen. Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Losser. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, E. Kaptijn Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed)

    Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Kloppenstraat 77 te Losser, gemeente Losser (OV) Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Kloppenstraat 77 te Losser, gemeente Losser (OV)

    No full text
    Laagland Archeologie heeft in maart 2022 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Kloppenstraat 77 te Losser. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de nieuwbouw van drie appartementengebouwen op het terrein van de voormalige st. Martinuskerk. Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd. Op ongeveer 200 m ten oosten van het plangebied ligt een dekzandrug. Het is aannemelijk dat het plangebied ook op de dekzandrug ligt. Ten oosten van het plan en onderzoeksgebied bevinden zich grondmorenewelvingen. Op het AHN is zien dat ten westen van het plangebied een verhoging in het landschap te zien is die verband houdt met de grondmorenewelvingen die zijn weergegeven op de geomorfologische kaart. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een verlaging die overeenkomt met de beekdalbodem van de Dinkel. Bodemkundig is het gebied ook niet gekarteerd. Op ongeveer 210 m ten oosten van het plangebied is een zone met Hoge bruine enkeerdgronden weergegeven. De kans is aannemelijk dat hen plangebied ook uit deze gronden bestaat. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Vroege IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd bekend. De nadruk ligt hierbij op vondsten uit de IJzertijd en Middeleeuwen. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als bouwland. Het plangebied bleef onbebouwd tot 1965. Toen is in het plangebied de st. Martinuskerk gebouwd. Dit gebouw is zeer recent gesloopt. Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor de periode Laat Neolithicum – Late Middeleeuwen. Voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum kan een middelhoge verwachting worden aangehouden. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat er in de meeste boringen sprake is van een intact bodemprofiel, bestaande uit een plaggendek, gevolgd door een fossiele akkerlaag met daaronder een intacte C-horizont. Op basis hiervan kan de hoge verwachting voor de periode Midden-Neolithicum – Late Middeleeuwen gehandhaafd blijven. Deze resten lopen gevaar bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm -mv. We adviseren daarom een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, met een eventuele doorstart naar een opgraving. Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Losser. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, dr. O. Satijn. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed)

    Dr. Duane M. Jackson, Morehouse College, July 2011

    No full text
    This video is a conversation with Dr. Duane M. Jackson. Dr. Jackson talks about his paper, "Recall and the Serial Position Effect: The Role of Primacy and Recency on Accounting Students' Performance." Jackie Daniel, AUC Woodruff Library, is the interviewer

    Transect-rapport 1591: Een archeologisch bureauonderzoek. Glanerburg, Glanerbeek. Gemeente Enschede en Losser (OV).

    No full text
    In februari 2018 is archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied aan de Glanerbeek nabij Glanerbrug. Het gebied bestrijkt daarbij het grondgebied van de gemeenten Enschede en Losser. De aanleiding van het onderzoek vormt het opstellen van een gebiedsontwerp-inrichtingsplan voor een traject tussen de N35 en de Dinkel in een zone langs de Glanerbeek. Dit gebied zal opnieuw worden ingericht waarbij de ligging van de beek van loop veranderd zal worden. Het archeologische onderzoek vindt plaats in het kader van de onderbouwing van de hiervoor benodigde bestemmingsplanwijziging, maar ook als informatiebron om inzicht in het aspect archeologie c.q. archeologisch risico te hebben bij het opstellen van het inrichtingsplan. In het plangebied is volgens de (nu) vigerende bestemmingsplannen echter sprake van archeologische waarden. Deze kunnen in het kader van de voorgenomen herinrichting worden aangetast gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig, om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het gebied. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek zijn verschillende verwachtingszones gemaakt, die gebaseerd zijn op de te verwachten (geo)morfologische ondergrond en historisch kaartmateriaal. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen hoge dekzandruggen, het beekdal, historische erven en structuren, met veen bedekte gebieden en zones waar de bodem reeds verstoord is (verwachtingsgebied A t/m F in bijlage 18). Op de hoge zandruggen op de rand van het beekdal kunnen archeologische vondsten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Middeleeuwen aanwezig zijn. Op dekzandruggen binnen het plangebied zijn vondsten bekend uit het Mesolithicum, Neolithicum-Romeinse Tijd en Late-Bronstijd-Vroege-IJzertijd (urnenveld). Buiten het plangebied zijn op dekzandruggen ook vondsten uit dergelijke periodes bekend. In het beekdal kunnen ook archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum-Middeleeuwen aanwezig zijn, al is de kans hier iets kleiner dan op de hogere zandruggen. In het beekdal in het plangebied zijn vondsten bekend van een boerenerf uit de Vroege-Middeleeuwen. Dit laat zien dat het beekdal zeker niet ongebruikt was. Ook kunnen in het beekdal watergerelateerde archeologische waarden aanwezig zijn zoals bruggen en rituele deposities. Ter plaatse van de historische erven zijn vermoedelijk oudere voorgangers van de boerderijen aanwezig, die mogelijk teruggaan tot in de Vroege-Middeleeuwen. Plaatselijk is de bodemopbouw al aangetast door recente bebouwing, kabels en leidingen, waterpartijen en de eroderende werking van de beek, maar tot welke diepte is nog niet bekend. Ook in het zuiden van het plangebied waar veen aanwezig is geweest, is de kans groot dat de bodem reeds verstoord is met het turfsteken. Daarnaast is een veengebied niet aantrekkelijk voor bewoning wanneer er hogere en drogere dekzandruggen in de omgeving aanwezig zijn

    "Reflections on the subject of Emigration from Europe with a view to Settlement in the United States" By M. Carey.

    No full text
    "Reflections on the subject of Emigration from Europe with a view to Settlement in the United States: containing bried sketches of the moral and political character of those states. By M. Carey, member of the American philosophical, and of the American Antiquarian Society, and author of The Olive Branch, Cindiciae Hibernicae, essays on banking, on political economy, and on internal improvement. To which are now added the English editor's comments on the subject; together with Important Advice to Emigrants, and Cautions Against Impositions Practiced in the Outports

    Transect-rapport 1591: Een archeologisch bureauonderzoek. Glanerburg, Glanerbeek. Gemeente Enschede en Losser (OV).

    No full text
    In februari 2018 is archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied aan de Glanerbeek nabij Glanerbrug. Het gebied bestrijkt daarbij het grondgebied van de gemeenten Enschede en Losser. De aanleiding van het onderzoek vormt het opstellen van een gebiedsontwerp-inrichtingsplan voor een traject tussen de N35 en de Dinkel in een zone langs de Glanerbeek. Dit gebied zal opnieuw worden ingericht waarbij de ligging van de beek van loop veranderd zal worden. Het archeologische onderzoek vindt plaats in het kader van de onderbouwing van de hiervoor benodigde bestemmingsplanwijziging, maar ook als informatiebron om inzicht in het aspect archeologie c.q. archeologisch risico te hebben bij het opstellen van het inrichtingsplan. In het plangebied is volgens de (nu) vigerende bestemmingsplannen echter sprake van archeologische waarden. Deze kunnen in het kader van de voorgenomen herinrichting worden aangetast gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig, om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het gebied. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek zijn verschillende verwachtingszones gemaakt, die gebaseerd zijn op de te verwachten (geo)morfologische ondergrond en historisch kaartmateriaal. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen hoge dekzandruggen, het beekdal, historische erven en structuren, met veen bedekte gebieden en zones waar de bodem reeds verstoord is (verwachtingsgebied A t/m F in bijlage 18). Op de hoge zandruggen op de rand van het beekdal kunnen archeologische vondsten en/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Middeleeuwen aanwezig zijn. Op dekzandruggen binnen het plangebied zijn vondsten bekend uit het Mesolithicum, Neolithicum-Romeinse Tijd en Late-Bronstijd-Vroege-IJzertijd (urnenveld). Buiten het plangebied zijn op dekzandruggen ook vondsten uit dergelijke periodes bekend. In het beekdal kunnen ook archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum-Middeleeuwen aanwezig zijn, al is de kans hier iets kleiner dan op de hogere zandruggen. In het beekdal in het plangebied zijn vondsten bekend van een boerenerf uit de Vroege-Middeleeuwen. Dit laat zien dat het beekdal zeker niet ongebruikt was. Ook kunnen in het beekdal watergerelateerde archeologische waarden aanwezig zijn zoals bruggen en rituele deposities. Ter plaatse van de historische erven zijn vermoedelijk oudere voorgangers van de boerderijen aanwezig, die mogelijk teruggaan tot in de Vroege-Middeleeuwen. Plaatselijk is de bodemopbouw al aangetast door recente bebouwing, kabels en leidingen, waterpartijen en de eroderende werking van de beek, maar tot welke diepte is nog niet bekend. Ook in het zuiden van het plangebied waar veen aanwezig is geweest, is de kans groot dat de bodem reeds verstoord is met het turfsteken. Daarnaast is een veengebied niet aantrekkelijk voor bewoning wanneer er hogere en drogere dekzandruggen in de omgeving aanwezig zijn

    Dr. Glendon Swarthout

    No full text
    Hosted by Roger M. Busfield, MSU Assistant Professor of Speech and Theater, Meet the Author is designed to introduce a general audience to a contemporary author and their work through in-depth interviews. This episode features a conversation between Dr. Glendon Swarthout, prolific author and English professor at MSU, and assistant professors Sam S. Baskett and Theodore B. Strandness

    Overdinkel, Drielandweg 8 Gemeente Losser (OV): Archeologisch Bureauonderzoek

    No full text
    In opdracht van DLV heeft Transect in januari 2017 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Drielandweg 8 te Overdinkel (gemeente Losser). De aanleiding van het onderzoek is de vestiging van een nieuw melkveebedrijf. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, dient een omgevingsvergunning voor de werkzaamheden te worden aangevraagd. Vanuit het bestemmingsplan Buitengebied (2013) heeft het plangebied een archeologische waarde. Deze waarde zal in de toekomstige planvorming moeten worden afgewogen in het licht van de aanstaande plannen. De ingrepen zijn namelijk zodanig, dat graafwerkzaamheden deze waarde zullen aantasten. Om deze reden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk om het effect van de ontwikkeling op de archeologische waarde in het gebied te kunnen onderbouwen. Deze rapportage geeft invulling aan die onderzoeksplicht. Conclusie In het plangebied wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van dekzandruggen met haarpodzolgronden en een dekzandvlakte met veldpodzolgronden. Ter plaatse van de dekzandruggen geldt een hoge archeologische verwachting en ter plekke van de dekzandvlakte een lage archeologische verwachting. De verwachting heeft betrekking op archeologische resten uit de periode van het Laat-Paleolithicum tot en met de Middeleeuwen. In de omgeving zijn resten uit het Mesolithicum-Neolithicum, Neolithicum en Late-Bronstijd tot en met Romeinse tijd bekend op dekzandruggen. Dit geeft aan dat de omgeving van het plangebied toen bij de mens in gebruik was. Vanaf het Neolithicum is er mogelijk ook sprake van bewoning. Archeologische resten uit de Nieuwe tijd worden in het plangebied niet verwacht. Op basis van het AHN lijkt de dekzandrug in het plangebied echter grotendeels te zijn geëgaliseerd. Waarschijnlijk zijn archeologische resten uit de steentijd dus niet meer aanwezig, maar diepere grondsporen uit de periode van het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen kunnen nog wel aanwezig zijn. Om deze verwachting te kunnen toetsen zijn boringen nodig waarmee uitspraken kunnen worden gedaan over de intactheid van de bodem

    Simulation of thermal plant optimization and hydraulic aspects of thermal distribution loops for large campuses

    No full text
    Following an introduction, the author describes Texas A&M University and its utilities system. After that, the author presents how to construct simulation models for chilled water and heating hot water distribution systems. The simulation model was used in a $2.3 million Ross Street chilled water pipe replacement project at Texas A&M University. A second project conducted at the University of Texas at San Antonio was used as an example to demonstrate how to identify and design an optimal distribution system by using a simulation model. The author found that the minor losses of these closed loop thermal distribution systems are significantly higher than potable water distribution systems. In the second part of the report, the author presents the latest development of software called the Plant Optimization Program, which can simulate cogeneration plant operation, estimate its operation cost and provide optimized operation suggestions. The author also developed detailed simulation models for a gas turbine and heat recovery steam generator and identified significant potential savings. Finally, the author also used a steam turbine as an example to present a multi-regression method on constructing simulation models by using basic statistics and optimization algorithms. This report presents a survey of the author??s working experience at the Energy Systems Laboratory (ESL) at Texas A&M University during the period of January 2002 through March 2004. The purpose of the above work was to allow the author to become familiar with the practice of engineering. The result is that the author knows how to complete a project from start to finish and understands how both technical and nontechnical aspects of a project need to be considered in order to ensure a quality deliverable and bring a project to successful completion. This report concludes that the objectives of the internship were successfully accomplished and that the requirements for the degree of Degree of Engineering have been satisfied

    Bureauonderzoek Archeologie Plangebied Elsbeek-Kloosterhuizenbeek, te Losser en Enschede, gemeente Losser en gemeente Enschede

    No full text
    Hamaland Advies heeft in opdracht van Ortageo Noordoost B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Elsbeek-Kloosterhuizenbeek, gelegen in de gemeenten Losser en Enschede. Het betreft een omgevingsvergunning voor de herinrichting van beide beken met een totale lengte van circa 5,135 kilometer. Het plangebied Elsbeek heeft een lengte van circa 2,165 kilometer en het plangebied Kloosterhuizenbeek van circa 2,970 kilometer. De werkzaamheden die uitgevoerd zullen worden ter plaatse van de Kloosterhuizerbeek en de Elsbeek worden beschreven in de inleiding van dit rapport. Voor een volledige beschrijving van de exacte locaties van de werkzaamheden, wordt verwezen naar het Projectplan Elsbeek. De gemeente Losser beschikt niet over een archeologische beleidskaart. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Veegplan 2015’ zijn voor het plangebied geen aanvullende eisen voor archeologisch onderzoek opgenomen. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Enschede en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuidoost 2013’ ligt het plangebied in Onderzoeksgebied B, met lage en middelhoge archeologische verwachtingswaarden. De gemeentelijke eis is om archeologisch onderzoek uit te voeren bij plangebieden groter dan 2.500 m² en bodemingrepen dieper dan 50 cm-mv. Conclusie Uit het bureauonderzoek blijkt globaal een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd en voor de Tweede Wereldoorlog een lage verwachting. Binnen de gebieden met een middelhoge verwachting komen zowel veldpodzolen (op de gordeldekzanden) als beekeerdgronden (op het dekzandkopje) voor, al kunnen conform de geomorfologische kaart oude bouwlanden niet worden uitgesloten. Indien op het terrein archeologische indicatoren en/of ondiepe bewoningssporen aanwezig zijn, kunnen deze bij een intacte beekeerdgrond (ter plaatse van een dekzandkopje) binnen 50 cm beneden maaiveld worden verwacht. In het geval dat het humeuze dek ter plaatse 50 cm dik is, kunnen archeologische indicatoren en/of ondiepe bewoningssporen op iets grotere diepte worden verwacht (tot circa 75 cm beneden maaiveld). Omdat de laaggelegen beekeerdgronden vaak in gebruik zijn als niet geploegd weiland, zullen eventuele vindplaatsen in of onder de bouwvoor veelal nog gaaf zijn. Vanwege de periodiek hoge grondwaterstand is de kans op een goede conservering van grondsporen, organische resten en botmateriaal groter dan bij de hoger gelegen en drogere bodems. Archeologische vondsten en ondiepe bewoningssporen in een intacte veldpodzolgrond kunnen op of binnen 30 tot 50 cm beneden maaiveld worden verwacht. Omdat de (relatief) laaggelegen veldpodzolgronden vaak in gebruik zijn als weiland of vochtig bos, zullen eventuele vindplaatsen in of onder de ‘bouwvoor’ veelal nog gaaf aanwezig zijn. De kans op een goede conservering van grondsporen en organische resten is matig tot goed vanwege de hoge grondwaterstand, terwijl botmateriaal slecht geconserveerd zal zijn vanwege de zure omstandigheden. Selectieadvies Dekzandkopjes De dekzandkopjes worden door middel van verkennend onderzoek in kaart gebracht. De aanwezigheid van eventuele archeologische indicatoren op aanwezige dekzandkopjes wordt normaliter onderzocht door middel van karterende boringen. Het heeft echter de voorkeur om bij de geplande bodemingrepen de koppen en ruggen te ontzien, waardoor inventariserend booronderzoek achterwege kan blijven. Het beekdal Booronderzoek is daarentegen wel geschikt voor het opsporen van steentijdnederzettingen op zandkoppen en -ruggen. Hoewel bij de bestudering van de AHN ter plaatse van zowel de Elsbeek als de Kloosterhuizerbeek geen dekzandkopjes zijn waargenomen, kunnen deze eventueel afgedekt en vervlakt zijn door latere beekafzettingen. Bij karterend booronderzoek dient een zone van 15 m om de kop/rug te worden meegenomen om ook eventuele dumpzones te kunnen opsporen. Een andere vindplaatscategorie die zich leent voor booronderzoek zijn de afvaldumps die verwacht mogen worden in de directe omgeving van nederzettingen aan de dalrand. Of karterend onderzoek noodzakelijk is moet blijken uit het verkennend (inventariserend) booronderzoek. Maatregelen bij beekdal gerelateerde vindplaatsen Voorden en bruggen laten zich niet (altijd) door middel van boringen, sonderingen of proefsleuven opsporen en dat geldt ook voor watermolens. De door Hamaland uitgevoerde gedetailleerde AHNanalyse heeft geen voorden opgeleverd, maar dit hoeft niet te betekenen dat deze niet aanwezig zijn. Op historische kaarten zijn meerdere oversteekplaatsen van beken weergegeven. Alleen als de vindplaats exact bekend is, kan waarderend onderzoek door middel van proefsleuven plaatsvinden. In de regel zal het karterend en waarderend onderzoek daarom doorgeschoven moeten worden naar de uitvoeringsfase. Het spreekt voor zich dat dit soort onderzoeken het best bij een zo laag mogelijke waterstand - dus in de zomer - kunnen worden uitgevoerd. Indien de watersituatie hoe dan ook verantwoord onderzoek niet mogelijk maakt, dient in principe voor planinpassing of -aanpassing te worden gekozen. Het spreekt tevens vanzelf dat bij alle gravend onderzoek - zowel het proactieve als het reactieve veldwerk - metaaldetectie wordt uitgevoerd. De aanleg van natuurvriendelijke oevers, waarbij het profiel van de oevers van de beek vervlakt wordt aangelegd, kan bedreigend zijn voor de mogelijke aanwezigheid van bijvoorbeeld dumps van nederzettingsafval en rituele deposities die langs die oevers aanwezig kunnen zijn. De mate van verstoring hangt samen met de aard, de diepte en de omvang van de geplande ingreep. De ingrepen zijn in mindere mate bedreigend voor eventueel andere archeologische vindplaatsen. Het afplaggen of verlagen van het maaiveld is in het algemeen gesteld bedreigend voor het archeologische bodemarchief. Ondanks de betrekkelijk ondiepe ingreep is deze in horizontaal opzicht vaak erg breed. Het is voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek nog moeilijk is in te schatten op welke wijze en in welke mate deze ingreep bedreigend is voor archeologische waarden. Ter plaatse van de Kloosterhuizenbeek zal de bouwvoor afgegraven worden. Wanneer er nog een afdekkend pakket veen en/of organische beekafzettingen aanwezig is, zal het afplaggen van het maaiveld en het verwijderen van de afdekkende laag deze bodemsoorten door oxidatie of vergraving doen verdwijnen. Het archeologisch relevante niveau ligt veelal direct onder de bouwvoor. Hermeandering (en eventuele aanleg van nieuwe poelen in het beekdal) welke uitgevoerd worden zonder relatie met de geologische, bodemkundige en/of archeologische ondergrond kunnen ernstig bedreigend zijn voor eventueel aanwezige archeologische waarden zowel langs als in de beekloop. Ook een wijziging van de lokale waterhuishouding is een indirecte bedreiging van het bodemarchief. Hierdoor kunnen de conserveringscondities voor archeologische resten van organische materialen worden aangetast. Wijzigingen in de vegetatie van een beekdallandschap zijn nog moeilijk te beoordelen met betrekking tot de impact op het bodemarchief. Het is een moeilijk te sturen ingreep die op de lange termijn een grote verstorende invloed kan hebben op archeologische waarden. Met name doorgroei van populier en wilg is niet wenselijk vanwege de diepe worteling. Naast doorworteling in het archeologisch relevante niveau onder de bouwvoor is ook de toename van zuurstof in de bodem bedreigend voor organische archeologische resten. Conclusie Op grond van het uitgevoerde bureauonderzoek wordt voor een tweetal zones binnen het plangebied een verkennend booronderzoek met boringen om de 100 m geadviseerd. Voor de overige delen van het plangebied wordt geadviseerd om, om de 250 m een controleboring te plaatsen, omdat niet kan worden vastgesteld of de oude beeklopen zijn verdwenen door egalisatie of afgraving. De boringen hebben als doel om de mate van intactheid van de bodem en de bodemsamenstelling ter plaatse van de geplande bodemingrepen te controleren. Op grond van de verkennende boringen zal vervolgens in overleg met gemeente Losser en gemeente Enschede en diens archeologisch adviseur (dhr. A. Vissinga) bepaald worden of – en zo ja, welke vorm van - vervolgonderzoek dient plaats te vinden. Dit kan bestaan uit karterend booronderzoek, proefsleuvenonderzoek, archeologische begeleiding van graafwerkzaamheden of een combinatie daarvan. Selectiebesluit Op 31 juli 2019 is het conceptrapport getoetst door dhr. A. Vissinga van het Oversticht te Zwolle. In zijn beoordeling geeft dhr. Vissinga aan dat het advies van Hamaland Advies deels overgenomen wordt. Vervolgonderzoek dient alleen op die locaties plaats te vinden waar daadwerkelijk bodemingrepen gepland zijn. Hiervoor is door de beoordelaar een advieskaart opgesteld, welke opgenomen is in bijlage 2 in dit rapport. In afwijking van het advies van Hamaland Advies betekend dit: • Daar waar de watergang alleen puinvrij gemaakt zal worden, hoeft geen verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden; • Bij de Kloosterhuizenbeek vindt een deel van het grondwerk (afgraven bouwvoor) plaats in een zone waarvoor een ontgrondingsvergunning afgegeven is. Hier hoeft geen uitgebreid verkennend onderzoek plaats te vinden. Voorbehoud Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren bij de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Losser en de gemeente Enschede
    corecore