18,013 research outputs found
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (opwaterfase)
Periplus Archeomare heeft in opdracht van Rijkswaterstaat Zee en Delta een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied in de Oosterschelde nabij de Anna Frisopolder. Het onderzoek vond plaats in het kader van voorgenomen beschermingsmaatregelen.
Binnen het plangebied zijn op tien locaties objecten van waarschijnlijk antropogene oorsprong aangetroffen. Aan geen van deze objecten is een archeologische verwachting toegekend. Het betreft hier voornamelijk recente boeistenen en kleine losse objecten die verloren of verspoeld zijn. Het centrum en noordelijke deel van het plangebied zijn door getijdenstromingen in combinatie met de infrastructuur van de Oosterscheldekering sterk geërodeerd en uitgeslepen. De archeologische waarden die hier mogelijk ooit aanwezig zijn geweest zullen zijn geërodeerd en weggespoeld. Dit zal waarschijnlijk het geval zijn geweest met de resten van het vliegtuigwrak uit WOII en de tjalk Drie gebroeders, gezonken in 1898 op de locatie waar zich nu een zeer diepe slijpgeul bevindt.
Geadviseerd wordt het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden.
Als men tijdens de werkzaamheden stuit op objecten of voorwerpen waarvan vermoed wordt dat deze een archeologische waarde kunnen vertegenwoordigen geldt een meldingsplicht conform de Monumentenwet. Het is aan te bevelen deze meldingsplicht met verwijzing naar de herziene Monumentenwet 2007 op te nemen in het bestek en het uitvoeringsplan voor de geplande werkzaamheden
Van de grond af opgebouwd
Bundeling van de lezingen ter gelegenheid van de 80e verjaardag van prof. Agema, naast de lezingen staan er twee interviews met prof. Agema in deze publicatie. De bijdragen van de overige sprekers zijn: Rijkswaterstaat: de (te) grote opdrachtgever in de GWW (Struik), De fundamenten onder het ontwerp (vd Meer), Buitenland en waterbouw (Zanetti), Uitvoeren met verstand (Beerda), Techniek en grote projecten (Korf)Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Inventariserend Veldonderzoek (onderwaterfase verkennend)
In opdracht van Rijkswaterstaat dienst Zee en Delta heeft Periplus Archeomare BV in samenwerking met Aquatech Diving BV een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de Oosterschelde ten westen van Zierikzee. Het betrof een inventariserend veldonderzoek (onderwaterfase verkennend) in de vorm van duikinspecties en een booronderzoek.
In het voortraject is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat in het plangebied resten van het verdronken dorp Borrendamme verwacht kunnen worden. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd om deze verwachting te toetsen. De toets betrof de uitvoering van acht grondboringen om de (intactheid van) de bodemopbouw en eventuele aanwezigheid van archeologische niveaus te onderzoeken en de inspectie van twee geselecteerde locaties door duikers.
Het onderhavige onderzoek heeft uitgewezen dat de getrapte richelstructuren parallel aan de dijk bestaan uit de oorspronkelijke veenbodem, die verder naar het oosten ontbreekt door erosie. De pokdalige structuren zoals zichtbaar op de multibeamopnamen op het diepere plateau in het oostelijk deel van het plangebied bestaan uit banken van dode mossels en oesters op een fijne siltige zandbodem.
Op zowel de boorlocaties als de inspectielocaties zijn geen vaste structuren zoals fundamenten aangetroffen. Wel zijn op de inspectielocaties losse fragmenten van kloostermoppen gevonden. Het onderzoek heeft derhalve geen concrete aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van in situ archeologische resten in het plangebied.
Geadviseerd wordt daarom het gebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden.
Omdat slechts een klein deel van het plangebied geïnspecteerd en bemonsterd is valt niet uit te sluiten dat zich nog resten in het overige deel van gebied bevinden. Wij adviseren daarom in het bestek van de geplande werkzaamheden een protocol op te nemen over de handelswijze voor de uitvoerder en uitvoeringsbegeleider bij een archeologische vondst. In geval van een vondst dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, zoals dat in de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) staat voorgeschreven
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek
In opdracht van Rijkswaterstaat Zee en Delta heeft Periplus Archeomare BV een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd van het zandwingebied Q02 Diep op de Noordzee.
Tijdens de analyse van de side scan sonar en multibeamopnamen zijn 217 contacten gerapporteerd. Het merendeel van de contacten bestaat uit kleine, afgeronde objecten met een diameter tot ca 1,5 meter en een hoogte van 0,2 tot 0,4 meter. Waarschijnlijk betreffen dit losgeslagen stukken veen, maar het kan niet worden uitgesloten dat hier ook stenen met een glaciale oorsprong kunnen worden aangetroffen.
Op vijf locaties binnen het zoekgebied zijn duidelijke antropogene resten aangetroffen waarvan niet met zekerheid kan worden gesteld dat deze geen archeologische waarde hebben.
Eén locatie bevat de duidelijke resten van een scheepswrak. Een eerste inspectie met videoapparatuur heeft uitgewezen dat het om een ijzeren schip gaat. Een tweede locatie bevat resten die tijdens een eerder onderzoek in 1987 al geclassificeerd waren als mogelijke wrakresten. De overige drie locaties bevatten losse, geïsoleerde antropogene objecten waarvan de aard niet kon worden vastgesteld, en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze een archeologische waarde hebben.
Zolang de vijf locaties met een archeologische verwachting niet nader geïdentificeerd zijn door middel van een duik- of ROV inspectie, wordt geadviseerd om deze locaties inclusief een bufferzone van 100 meter rondom, te ontzien bij de geplande zandwinning en deze locaties gedurende de zandwinactiviteiten te monitoren om eventuele verstoringen in kaart te brengen.
Naast de genoemde locaties kunnen in het gebied nog begraven resten van scheeps- of vliegtuigwrakken voorkomen. Prehistorische in situ nederzettingssporen worden niet verwacht. Vooral onder de 1 tot 4 m dikke holocene laag marien schelpenhoudend zand (Bligh Bank Laagpakket) kunnen wel verspoelde vuurstenen artefacten uit het Midden Paleolithicum en Laat Paleolithicum tot Vroeg Mesolithicum voorkomen.
Tijdens de zandwinning in het plangebied kunnen wrakresten aan het licht komen die tot heden volledig was afgedekt in de waterbodem of niet als archeologisch object is herkend tijdens het geofysisch onderzoek. De uitvoerder is conform de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) verplicht om dergelijke vondsten te melden bij de bevoegde overheid. Deze meldingsplicht voor archeologische vondsten dient in het bestek of Plan van Aanpak van het werk te worden opgenomen
Archeologisch Bureauonderzoek
In opdracht van Pondera Consult heeft Periplus Archeomare BV een bureauonderzoek uitgevoerd van de geplande kabelroute van Wijk aan Zee naar Beverwijk. De kabel wordt aangelegd voor het Offshore windpark Q4 van Eneco. De kabel wordt grotendeels middels gestuurde boringen in de bodem aangebracht. De kabel wordt over een gezamenlijke lengte van minder dan 1 kilometer door middel van open ontgraving aangebracht. Aanleiding voor het onderzoek vormde de wettelijke verplichting om archeologisch onderzoek te verrichten als voorgenomen bodemingrepen een bedreiging kunnen vormen voor het bodemarchief. Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat langs de kabelroute de archeologische resten verwacht kunnen worden. De verwachting is beknopt weergegeven in onderstaande tabel en geïllustreerd aan de hand van twee verwachtingskaarten. De roodomkaderde zones op de verwachtingskaarten betreffen AMK-terreinen.
Opdrachtgever: Pondera Consult oktober 2014 - revisie 2.0 4 Geadviseerd wordt om de locaties waar de kabel door middel van open ontgravingen wordt aangelegd nader te onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische resten. Het onderzoek bestaat uit een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende en karterende boringen. Voorts is het aanbevelenswaardig om ten zuidwesten van de kruizing West Viaductweg en Zeeweg met boringen te onderzoeken of nog resten van een lunet in de ondergond aanwezig zijn. Binnen de kabelroute kunnen ook geïsoleerde archeologische objecten voorkomen, zoals bijvoorbeeld historische scheepswrakken in het voormalige Wijkermeer. Het is niet mogelijk om scheepswrakken met boringen op te sporen en het is daarom mogelijk dat deze tijdens de werkzaamheden aan het licht komen. De uitvoerder is conform de Monumentenwet verplicht om dergelijke vondsten te melden bij de bevoegde overheid. Deze meldingsplicht voor archeologische vondsten dient in het bestek of Plan van Aanpak van het werk te worden opgenomen
Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
In opdracht van Projectbureau Wieringerrandmeer heeft ADC ArcheoProjecten een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Wieringerrandmeer in de gemeente Wieringen en Wieringerwerf. Het onderzoek is uitgevoerd volgend op het bureauonderzoek en ten behoeve van een Milieu Effect Rapportage (MER) en het provinciaal inpassingsplan en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans zou bestaan dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. In het najaar van 2010 is besloten het plan niet te realiseren. Dit rapport is opgesteld om aan de wettelijke eisen inz. publicatie van archeologische veldgegevens te voldoen door middel van een standaard rapportage.
Op basis van een in 2008 door Vestigia BV eerder uitgevoerd bureauonderzoek werden in totaal dertien fasen onderscheiden op hun mogelijkheden voor bewoning en (maritiem) gebruik. De archeologische verwachting binnen het plangebied hangt nauw samen met de mate van intactheid van het pleistocene oppervlak en het voorkomen van intacte wad- en/of kwelderafzettingen uit het Midden- en Laat Neolithicum. Ook is een verwachting voor de periode na het Neolithicum gedefinieerd.
Teneinde deze verwachting te toetsen werd in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. initieel werd het onderzoek onderscheiden in twee fasen. Dit het onderhavig rapport omhelst alleen de eerste fase. In het overgrote deel van het plangebied bevinden zich mariene afzettingen aan het oppervlak. Deze wad- en/of kwelderafzettingen zijn zeer homogeen, kennen weinig gelaagdheid in de bovenste meter en bestaan met name uit sterk tot uiterst siltige klei. In het veld kon geen onderscheid worden gemaakt tussen de jongste afzettingen (Zuiderzee en Almere laag) en de oudere afzettingen van de Naaldwijk Formatie. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt doordat het pakket jonge afzettingen (Zuiderzee en Almere Laag) relatief dun zijn geweest en deze inclusief de top van de oudere afzettingen is opgenomen in de bouwvoor. Op basis van de verzamelde gegevens is het daardoor niet mogelijk gericht binnen de mariene afzettingen gebieden aan te wijzen dan wel af te schrijven voor een mogelijk Laat- Neolithische verwachting. De dikte van de aangetroffen afzettingen varieert van 10 cm tot meer dan 100 cm.
Onder de mariene afzettingen is in een aantal boringen mineraalarm veen aangetroffen van gemiddeld 50 cm dik. Dit veen wordt gerekend tot de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket. Op en/of in de top het veen kunnen in potentie archeologische resten voorkomen vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. De heersende natte omstandigheden in deze periode waren echter niet gunstig voor bewoning. Tijdens het veldonderzoek is geen verzanding van het veen of andersoortige aanwijzingen voor bewoning op het veen aangetroffen.
Onder het veen zijn pleistocene afzettingen bestaande uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) op plaatselijk aanwezig leem aangetroffen. In het gehele plangebied heeft in de top van het zand podzolering opgetreden. De mate van intactheid van de top van het dekzand is echter grotendeels afhankelijk van de mate van verspoelingen, die zijn opgetreden na ca. 5000 BP
Nieuw OV voor Amsterdam: Ontwerp van een aangepast openbaar vervoer net naar aanleiding van de aanleg van de Noord/Zuidlijn
Recentelijk is\u95 besloten de Noord/Zuidlijn aan te leggen als uitbreiding van het Amsterdamse metronet. Deze metrolijn loopt van het Buikslotermeerplein in Amsterdam-Noord via het Centraal Station naar het station Zuid/WTC. Parallel aan dit tracé !open een aantal tramlijnen, waarvan het gebruik waarschijnlijk door de Noord/Zuidlijn beYnvloed zal worden. Tevens wordt het gebied rand de snelweg A10-zuid ontwikkeld in het kader van het Masterplan Zuidas. De aanleg van de Noord/Zuidlijn en de ontwikkeling van de Zuidas hebben een grote invloed op de vraag naar en het gebruik van openbaar vervoer in Amsterdam. Gezien deze ontwikkelingen is er behoefte aan meer informatie over de noodzakelijkheden en mogelijkheden tot het aanpassen van het lijnennet. In dit rapport worden drie alternatieven gemaakt om ideeën te genereren voor een nieuw openbaarvervoernet. Het eerste alternatief is een aanpassing van een door het projectbureau Noord/Zuidlijn ontwikkelde variant op het huidige netwerk. Dit alternatief wordt dan ook als referentie-alternatief gebruikt. De aanpassingen hebben vooral betrekking op de ontwikkeling van de Zuidas. Het tweede alternatief is gebaseerd op de stedelijke structuur van Amsterdam, dat voornamelijk uit radialen en tangenten bestaat. Ook bij dit alternatief liggen de belangrijkste veranderingen in het gebied rand de Zuidas. Het derde alternatief wordt ontworpen aan de hand van de door de TU Delft ontwikkelde Systed-methode voor het ontwerpen van stedelijk openbaar vervoer. Hierbij worden eigenschappen van het te onderzoeken stedelijk gebied vertaald naar een eenvoudig schema bestaande uit lijnen en knopen. De eigenschappen en route van deze lijnen bepalen de uiteindelijke vormgeving van het ontwerp. De evaluatie van de alternatieven op basis van reistijdvergelijkingen en materieelinzet Ievert een aantal opvallende conclusies op met betrekking tot delen van het netwerk. De belangrijkste conclusie is het verschijnsel dat de metrolijn een sterke wisselwerking heeft met kruisende tramlijnen. Er vinden dus vee! overstappen plaats tussen metro's en aan- en afvoerverzorgende tramlijnen. Daarentegen neemt de Noord/Zuidlijn het grootste gedeelte van de vervoersstroom van de parallel lopende tramlijnen over. Van de drie lijnen die in de huidige situatie volgens het tracé van de Noord/Zuidlijn !open hoeft er slechts een gehandhaafd te worden. Een hierop volgende conclusie is dat die ene lijn die overblijft wei degelijk een functie behoudt naast de metrolijn. Het toevoegen van een buslijn langs het tracé van de Oostlijn blijkt in de berekeningen voldoende gevuld te zijn. Hieruit wordt het verschil in functie tussen een verbindende en een ontsluitende lijn goed zichtbaar. De metrolijnen vervullen een belangrijke verbindende functie. Dit komt voornamelijk door de grote afstanden binnen Amsterdam in combinatie met de lage gemiddelde snelheden van het bus- en tramnet, waardoor het reizen met de bus of de tram over lange afstand vee! ongunstiger is dan het reizen met de metro, ondanks een eventuele omweg. De resultaten tonen ook aan dat het ontwerpen op zich, ook indien een specifieke methode wordt gebruikt, een iteratief proces is. Bij het ontwerpen van fijnmazige netwerken is er zoveel ontwerp vrijheid, dat slechts door het evalueren van tussentijdse stappen een goed functionerend antwerp kan worden gemaakt. Tenslotte kan geconcludeerd worden dat het bestaande lijnennet na een aantal aanpassingen geschikt is om de gevolgen van de hierboven genoemde ontwikkelingen op te vangen. Omdat het beheer van een lijnennet door de jaren heen ook een soort iteratief ontwerpproces is geworden, blijkt het bestaande netwerk goed opgebouwd te zijn en een goede basis te vormen voor het functioneren van het openbaar vervoer in de volgende eeuw. Het uitvoeren van uitgebreide vervoerswaardeonderzoeken wordt zeer nuttig geacht om het bestaande lijnennet te optimaliseren en aan te passen aan toekomstige ontwikkelingen. Hierbij kunnen bovenstaande conclusies van belang zijn om ideeën te genereren voor en richting te geven aan het ontwerpproces.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek
In opdracht van Rijkswaterstaat Zee en Delta heeft Periplus Archeomare BV een bureauonderzoek uitgevoerd van het zandwingebied Bergen – EgmondA op de Noordzee. Aanleiding voor het onderzoek vormde de wettelijke verplichting om archeologisch onderzoek te verrichten als voorgenomen bodemingrepen een bedreiging kunnen vormen voor het bodemarchief.
Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied goed geconserveerde scheeps- en vliegtuigwrakken kunnen voorkomen. Middeleeuwse en nieuwetijdse wrakresten worden vooral verwacht in de mobiele toplaag van matig fijn tot matig grof schelpenhoudend zand van het Bligh Bank Laagpakket. Deze laag is 1 tot 9m dik. De aanwezigheid van prehistorische scheepswrakken in de onderliggende vroeg-holocene afzettingen kan niet worden uitgesloten. De basis van de fijnkorrelige afzettingen van de Formatie van Naaldwijk ligt rond -31m LAT.
In situ nederzettingssporen worden niet verwacht. Op de overgang van pleistocene afzettingen van de Formatie van Kreftenhye naar de vroeg-holocene afzettingen van de Formatie van Naaldwijk (verspoelde) benen en vuurstenen artefacten uit het Laat Paleolithicum en Vroeg Mesolithicum voorkomen. Het archeologische niveau worden tijdens de geplande zandwinning niet aangetast, zodat de bodemingreep geen bedreiging vormt voor eventueel aanwezige artefacten.
Een eerste toets van de archeologische verwachting voor scheeps/ en vliegtuigwrakken, het side scan sonaronderzoek, heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische resten in het plangied. Tijdens de zandwinning kunnen echter wrakresten aan het licht komen die tot op heden volledig waren afgedekt door sediment of niet als archeologisch object zijn herkend tijdens het geofysisch onderzoek.
De uitvoerder is conform de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) verplicht om dergelijke vondsten te melden bij de bevoegde overheid. Deze meldingsplicht voor archeologische vondsten dient in het bestek of Plan van Aanpak van het werk te worden opgenomen.
Het plangebied wordt doorkruist door een actieve gaspijpleiding van Wintershall. Conform de wet en regelgeving geldt een onderhoudszone van 500 meter aan beide kanten. Hier kunnen alleen activiteiten plaatsvinden met toestemming van de eigenaar. Geadviseerd wordt dan ook om binnen een corridor van één kilometer langs de pijpleiding geen zandwinactiviteiten te plannen
De haven van Rades (Tunesië)
Nabij Tunis, de hoofdstad van Tunesië (Noord-Afrika), bevinden zich drie haventerreinen die gezamenlijk het complex Tunis/La Goulette/Radès vormen. De haven van Tunis wordt binnenkort gesloten voor commercieel scheepvaartverkeer. De in 1986 geopende haven van Radès is opgebouwd uit twee aparte haventerreinen, een gespecialiseerd terrein voor de overslag van bulkgoederen en een general cargo-gedeelte voor de overslag van stukgoederen vervoerd door conventionele general cargo-schepen, ro-ro- en containerschepen. In 1993 bedroeg de hoeveelheid overgeslagen general cargo 1,1 miljoen ton. De vervoersprognoses voor de komende jaren duiden op een toename in transport over zee van goederen van en naar de haven van Radès. Met name op het gebied van ro-ro- en containeroverslag wordt een sterke toename verwacht, mede door de overname van een deel van de overslag van de haven van Tunis. In combinatie met de huidige lange wacht- en verblijftijden van schepen en goederen in deze haven, wordt aangenomen dat de haven dit aanbod in de toekomst niet meer zal kunnen verwerken. Om dit te voorkomen zal de haven van Radès zich verder moeten ontwikkelen en een aantal aanpassingen moeten ondergaan. In dit afstudeerwerk, dat wordt verricht in samenwerking met het ingenieursbureau DHV, wordt ingegaan op de ontwikkeling van het general cargo-deel van de haven van Radès. Aan de hand van de gesignaleerde huidige problemen en de verkeersprognose voor de komende jaren, wordt een masterplan opgesteld voor deze haven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een computersimulatiemodel, om op die wijze sneller en beter inzicht te krijgen in de gevolgen en effecten van bepaalde ingrepen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Verslag van de vierde Benelux-havenstudiedagen
Verslag met een welkomstwoord van D.J. Wansink en R. Burgert, een inleiding door prof. Kuiler, en presentaties over de samenwerking tussen havens en de scheepsbouw, de sleutels van het deltagebied, de problematiek van de mechanisatie van de overslag van goederen, de ontwikkelingen in de scheepsbouw en de economische consequenties van de ontwikkeling in de scheepsbouw voor de havens
- …
