3,711 research outputs found
A multi-factor approach to understanding socio-economic segregation in European capital cities
The research leading to the results presented in this chapter has received funding from the Estonian Research Council (Institutional Research Grant IUT no. 2–17 on Spatial Population Mobility and Geographical Changes in Urban Regions); European Research Council under the European Union’s Seventh Framework Programme (FP/2007-2013) / ERC Grant Agreement no. 615159 (ERC Consolidator Grant DEPRIVEDHOODS, Socio-spatial Inequality, Deprived Neighbourhoods, and Neighbourhood Effects); and from the Marie Curie programme under the European Union’s Seventh Framework Programme (FP/2007-2013) / Career Integration Grant no. PCIG10-GA-2011-303728 (CIG Grant NBHCHOICE, Neighbourhood Choice, Neighbourhood Sorting, and Neighbourhood Effects).Growing inequalities in Europe, even in the most egalitarian countries, are a major challenge threatening the sustainability of urban communities and the competiveness of European cities. Surprisingly, though, there is a lack of systematic representative research on the spatial dimension of rising inequalities. This is filled by our book project Socio-Economic Segregation in European Capital Cities: East Meets West, with empirical evidence from Amsterdam, Athens, Budapest, London, Madrid, Milan, Oslo, Prague, Riga, Stockholm, Tallinn, Vienna and Vilnius. This introductory chapter outlines the background to this international comparative research and introduces a multi-factor approach to studying socio-economic segregation. The chapter focuses on four underlying universal structural factors: social inequalities, global city status, welfare regime and housing system. Based on these factors, we propose a hypothetical ranking segregation levels in the thirteen case study cities. As the conclusions of this show, the hypothetical ranking and the actual ranking of cities by segregation levels only match partly; the explanation for this can be sought in context-specific factors which will be discussed in-depth in each of the case study chapters
De dijkdoorbraak bij Ouderkerk (Z-H) in 1953
Dagboekverslag van Johan van Veen over zijn activiteiten bij het stroomgat bij Ouderkerk en zijn pogingen om dat te dichten. Met een transcriptie door Willem van der Ha
Jetten in slib ten behoeve van waterinjectie baggeren
Waterinjectie baggeren (WIB) is een baggermethode die slechts vijftien jaar geleden is bedacht en ontwikkeld. Door middel van een patent is HAM nu nog steeds het enige baggerbedrijf dat deze winstgevende methode mag toepassen. Grote voordelen van de methode zijn de natuurlijke methode van transport door middel van zogeheten dichheidsstroming en de geringe slijtage van materieel doordat alleen water verpompt wordt. Dit in tegenstelling tot de conventionele methoden met een sleephopperzuiger of een snijkopzuiger, waarbij mengsels van grand en water vanaf de bodem omhoog gepompt moeten worden en het bodemmateriaal vervolgens met schepen of door leidingen getransporteerd moet worden naar een stortlocatie. Bij waterinjectie baggeren worden stralen water onder druk verticaal de bodem in gespoten. Bodemmateriaal wordt hierdoor verspoeld en in suspensie gebracht. Dit met sediment verzwaarde water blijft vervolgens, onder de juiste omstandigheden, als een dikke laag op de bodem liggen en zal zich al bij zeer geringe bodemhellingen gaan verplaatsen naar dieper gelegen delen. Op deze manier kunnen havens en scheepvaartwegen met relatief weinig kosten op de gewenste diepte gehouden worden. Veel gegevens waren voor dit onderzoek al beschikbaar over waterstralen in zand. Indringing en erosie van waterstralen in cohesieve sedimenten echter, waar het bij WIB veel vaker om gaat, waren nog vrij onbekende onderzoeksgebieden. Inzicht in deze processen was vereist voor een betere begroting en uitvoering van WIB-werken door HAM. In juni 1997 is Mejr. K.Schuurman afgestudeerd op het onderwerp 'Jetten in slib' en tijdens haar onderzoek heeft zij proeven uitgevoerd met een enkele waterstraal in een bed van China Clay. In haar rapport beschrijft zij een aantal interessante theorieover de indringing van een waterstraal in slib. Met name haar model van loodrechte indringing leek goed overeen te komen met de proefresultaten, maar benodigde gegevens omtrent de ontwikkeling van een waterstraal in het slib ontbraken nog. Met behulp van een bestaand model voor de ontwikkeling van waterstralen in zand, bedacht en ontwikkeld door Ir. C. van Rhee, is getracht de ontwikkeling van een straal in slib te beschrijven. Met een aantal aanpassingen werd het cohesieve gedrag van het slib in het model verwerkt en werd het mogelijk op iedere diepte in de slibbodem de stroomsnelheid, de breedte en de mengselconcentratie van de straal te berekenen. De stroomsnelheid neemt af met de diepte, de straalbreedte en de concentratie nemen toe. In een eerste serie proeven werd met vijf waterstralen naast elkaar wederom in een bed van China Clay gespoten. Proeven op slib van verschillende sterktes en met verschillende horizontale voortgangssnelheden van de stralen werden uitgevoerd. Met de gemeten indringdieptes werd een randvoorwaarde voor indringing van een waterstraal in slib vastgesteld. Door koppeling aan het eerder genoemde indringmodel was nu voor alle combinaties van straaldruk, voortgangssnelheid en slibsterkte, de indringdiepte van de stralen te voorspellen. Ook kan een indruk gekregen worden of de stralen elkaar in de bodem overlappen, zodat een brede kuil ontstaat, of dat de stralen los van elkaar indringen waardoor in sommige gevallen het tussenliggende slib als 'ruggen' blijft staan.Civil Engineering and Geoscience
Comparative Structural Survey Election Management Bodies EMS (version 1, European and International Data, February 2019)
The Electoral Management Survey (EMS) was conducted between July 2016 and October 2017. It consists of two parts: a structural survey filled out by one senior EMB official in each EMB surveyed, and a personnel survey sent to EMB employees. The EMS initially focused on Europe, while a sister survey implemented by the Electoral Integrity Project, ELECT, was disseminated to non-European countries (Norris et al., 2016). In the first half of 2017, the countries that had not responded to either the EMS or the ELECT survey were contacted again. Effort was made to contact all bodies that perform any of the major functions of EMBs, as defined by the International IDEA Handbook on Electoral Management Design (Wall et al., 2006). In total, 177 countries that held elections between 2012 and 2017, and that were not micro-states (population < 100,000), were identified. EMB contact information was missing for 21 countries. A total of 156 countries were contacted, and 72 countries responded to either EMS or ELECT, resulting in a response rate of 46%. For more on the Electoral Management Network, see: www.electoralmanagement.com.
More detailed description and discussion of these data can be found in:
James, S., Garnett, H., Loeber, L. and van Ham, C. 2019. Improving Electoral Management: the Organizational Determinants of Electoral Integrity. Special issue on Improving Electoral Management, in International Political Science Review, 40(3): 298-312.
Please note that these data can be merged with structural EMB data from the ELECT survey, available on Harvard Dataverse
Bresgedrag bij het profilerend ontgraven van zand
Het onderzoek is erop gericht het bresgedrag van zand, wanneer dit in lange rechte sneden hydraulisch wordt ontgraven, te analyseren. De bresvorm rond de winkop bepaalt het profiel dat wordt ontgraven. De optredende mengselstroomgrootheden, de snelheid, de hoogte en de concentratie, zijn van belang voor de optredende bresmors. Deze bresmors wordt bepaald door de hoeveelheid van het mengsel dat tot afstroming komt en niet door de winkop wordt weggezogen. Een hogere mengselstroomsnelheid en een grotere mengselstroomhoogte zorgen voor een grotere bresmors. In het deel Iiteratuuronderzoek wordt in eerste instantie het bresgedrag in zijn algemeenheid beschreven. De belangrijkste eigenschappen van de korrels, de grond en het mengsel worden behandeld, zoals de doorlatendheid, de valsnelheid en de optredende dilatantie. Hierna wordt de stabiliteit van de bres die zich voor de winkop in zal stellen geanalyseerd op zowel micro- als macroniveau. Macrostabiliteit bekijkt de stabilteit van de grondmoot als geheel waarbij deze bij vastgepakt zand wil afschuiven langs het meest kritieke glijvlak. De over dit vlak constant veronderstelde wateronderspanning moet voor de benodigde stabiliteit zorgen. Bij losgepakt zand kunnen er zettingsvloeiingen op gaan treden. De microstabiliteit bekijkt de stabiliteit van een grondmootje of een zandkorrel op het bressende talud. In de continuum benadering wordt de stabiliteit van een grondmootje berekend. In de single particle benadering van Koenders wordt de stabiliteit van een zandkorrel berekend. Uit bresproeven uit het verleden is gebleken dat de continuum benadering het bresgedrag het beste weergeeft. Op basis van deze continuum benadering is de walletjestheorie ontwikkeld. Deze theorie berekent de optredende breshoeken voor een winkop. Deze breshoek is daarbij afhankelijk van de verhaalsnelheid, de hoek van inwendige wrijving en de grondsoort. Deze grondsoort zit via de walletjessnelheid in de theorie. De walletjessnelheid bleek uit experimenten uit het verleden een grondeigenschap te zijn die afhankelijk is van de doorlatendheid van het zandpakket. Voor hoge verhaalsnelheden is de breshoek groter dan de hoek van inwendige wrijving. Bij fijner materiaal, grotere breshoogte, en hogere verhaalsnelheden treden er afwijkingen op van de eenvoudige walletjestheorie. De mengselstroming die over de bres zal optreden zorgt voor erosie en sedimentatie. Hierdoor kunnen de optredende breshoeken op het midden en de onderzijde van de bres veel flauwer worden dan de hoek van inwendige wrijving.Civil Engineering and Geoscience
Testing the ‘residential rootedness’ hypothesis of self-employment for Germany and the UK
The work on this paper was funded by a Marie Curie grant from the European Commission within the 7th Framework Program (ID 252752). Based on the notion that entrepreneurship is a ‘local event’, the literature argues that entrepreneurs are ‘rooted’ in place. This paper tests the ‘residential rootedness’ hypothesis of self-employment by examining for Germany and the UK whether the self-employed are less likely to move over long distances (internal migration) than workers in paid employment. Using longitudinal data from the German Socio-Economic Panel Study (SOEP) and the British Household Panel Survey (BHPS), and accounting for transitions in employment status we found little evidence that the self-employed in Germany and the UK are more rooted in place than workers in paid employment. Generally speaking, the self-employed were no less likely than workers in paid employment to migrate over longer distance. In contrast to the residential rootedness hypothesis we found that entry into self-employment and female self-employment are associated with internal migration, and that the self-employed who work from home (home-based businesses) are fairly geographically mobile. The gendered results suggest that women might use self-employment as a strategy to be spatially mobile with their household, or as a strategy to stay in the workforce after having moved residence until they find a job in the more secure wage and salary sector.OTB Research Institute for the Built Environmen
Unwilling or unable? spatial and socio-economic restrictions on females’ labour market access
Van Ham M. and Büchel F. (2006) Unwilling or unable? Spatial and socio-economic restrictions on females’ labour market access, Regional Studies 40, 345–357. The effects of regional structures on both females’ willingness to work and the probability of being employed for those willing to work are analysed. Special permission was granted to link regional data to individual respondents in the German Socio-Economic Panel (GSOEP). Results of a bivariate probit model correcting for sample selection show that high regional unemployment discourages women from entering the labour market. Those willing to work find it easier to do so if they live in regions with low regional female unemployment rates, at a short distance from the next agglomeration, and – for mothers – with a high density of childcare provision. Van Ham M. et Büchel F. (2006) Peu disposées ou incapables? Les limites géographiques et socio-économiques à l'insertion des femmes dans le marché du travail, Regional Studies 40, 345–357. On cherche à analyser l'impact des structures régionales à la fois sur la disposition des femmes à travailler et sur la probabilité de trouver un emploi de celles qui sont disposées à travailler. A titre exceptionnel, on a pu lier des données régionales à l’échantillon permanent socio-économique allemand (German Socio-Economic Panel – GSOEP). Les résultats d'un modèle probit à deux variables, qui corrige en fonction de la sélection de l’échantillon, démontrent qu'un taux de chômage régional élevé décourage les femmes de s'insérer dans le marché du travail. Celles qui sont disposées à travailler le trouvent plus facile si elles habitent des zones où le taux de chômage féminin régional s'avère peu élevé, qui sont à peu de distance de l'agglomération limitrophe, et – pour les mères – où les crèches sont à forte densité. Offre d'emploi féminin, Marchés du travail régionaux, Crèches, Modèle probit à deux variables, Allemagne Van Ham M. und Büchel F. (2006) Nicht gewillt oder nicht in der Lage? Räumliche und sozio-ökonomische Einschränkungen des Zugangs zum Arbeitsmarkt für Frauen, Regional Studies 40, 345–357. Dieser Aufsatz analysiert die Auswirkungen regionaler Strukturen auf die Bereitschaft von Frauen, einem Erwerb nachzugehen, und die Wahrscheinlichkeit der Erwerbstätigkeit für solche, die willens sind. Den Autoren wurde gestattet, regionale Daten mit einzelnen Teilnehmern der deutschen sozio-ökonomischen Vertretung (German Socio-economic Panel = GSEP) zu verbinden. Ergebnisse einer zweifach variablen Probitmodellkorektur für Stichprobenauswahl zeigen, daß hochgradige regionale Erwerbslosigkeit Frauen vom Einstieg ins Erwerbsleben abhält. Diejenigen, die arbeiten wollen, finden es leichter, diesen Vorsatz zu verwirklichen, wenn sie in Regionen leben, die geringe Erwerbslosigkeitsraten unter Frauen aufweisen, wenn die Entfernung zur nächsten Agglomeration nicht weit ist, und, soweit sie Mütter sind, ihnen eine gute Auswahl von Angeboten der Kinderpflege entgegenkommt. Angebot weiblicher Arbeitskräfte, regionale Arbeitsmärkte, Bereitstellung von Kinderpflege, zweifach variables Probitmodell, Deutschland Van Ham M. y Büchel F. (2006) ¿No quieren o no pueden? Limitaciones espaciales y socioeconómicas de las mujeres para acceder al mercado laboral, Regional Studies 40, 345–357. Analizamos cuáles son los efectos de las estructuras regionales con respecto a la disposición de las mujeres para el trabajo y la probabilidad de que las que desean trabajar sean contratadas. Recibimos una autorización especial para poder vincular los datos regionales con entrevistados individuales en el panel socioeconómico alemán. Los resultados de un modelo probit bivariado para corregir por selección muestral indican que el alto nivel de desempleo regional desanima a las mujeres a entrar en el mercado laboral. Las que quieren trabajar hallan empleo antes si viven en regiones con tasas bajas de desempleo femenino, a una corta distancia de la siguiente aglomeración, y en el caso de madres, si existe una alta densidad de cobertura de atención a la infancia. Mercado laboral femenino, Mercados laborales regionales, Cobertura de atención a la infancia, Modelo probit bivariado, AlemaniaFemale labour supply, Regional labour markets, Childcare provision, Bivariate probit model, Germany,
Re-thinking residential mobility : linking lives through time and space
Rory Coulter’s work on this paper was partly supported by an Economic and Social Research Council grant [ES/L009498/1]. Maarten van Ham’s contribution was supported by funding from the European Research Council under the European Union’s Seventh Framework Programme (FP/2007–2013) / ERC Grant Agreement n. 615159 (ERC Consolidator Grant DEPRIVEDHOODS, Socio-spatial inequality, deprived neighbourhoods, and neighbourhood effects); and from the Marie Curie programme under the European Union’s Seventh Framework Programme (FP/2007–2013) / Career Integration Grant no. PCIG10-GA-2011-303728 (CIG Grant NBHCHOICE, Neighbourhood choice, neighbourhood sorting, and neighbourhood effects). Allan Findlay’s work was supported by an Economic and Social Research Council grant [ES/K007394/1].While researchers are increasingly re-conceptualizing international migration, far less attention has been devoted to re-thinking short-distance residential mobility and immobility. In this paper we harness the life course approach to propose a new conceptual framework for residential mobility research. We contend that residential mobility and immobility should be re-conceptualized as relational practices that link lives through time and space while connecting people to structural conditions. Re-thinking and re-assessing residential mobility by exploiting new developments in longitudinal analysis will allow geographers to understand, critique and address pressing societal challenges.Peer reviewe
Optimalisatie van zonne-energiegebruik voor woningen met een opslagsystemen
Tegenwoordig zijn de omstandigheden voor de toepassing van zonne-energiesystemen enorm verbeterd. In de toekomst zullen deze omstandigheden waarschijnlijk alleen nog maar beter worden. Het toepassen van zonne-energieopslagsystemen is vooralsnog niet of nauwelijks direct gerelateerd aan de energiebehoefte van huishoudens. De keuze voor een zonne-energiesysteem wordt voornamelijk bepaald door wat er gemiddeld geldt voor een woningtype. De belangrijkste vraag op voorhand is of er significant verschil zou zijn met de huidige manier van ontwerpen, als het zonne energieopslagsysteem afgestemd wordt op de energievraag van het specifieke huishouden waar het systeem geïnstalleerd zal worden. Het gaat hier dus om de invloed van huishoudelijk gedrag voor energiegebruik op de configuratie van een algemeen of veelvoorkomend opslagsysteem. Om de voorgaande materie goed te beschouwen zijn probleemstellingen opgesteld. In eerste instantie leidt het feit dat een bepaald type woning geen eenduidig energievraagpatroon heeft (de omstandigheden per huishouden verschillen enorm) tot de eerste probleemstelling. De eerste probleemstelling stelt hier de vraag: is het mogelijk om met het gedrag van een huishouden een bepaling te maken voor het patroon van de energiebehoefte? Het doel hierbij is het ontwikkelen van een model dat de continue energiebehoefte van een bepaald huishouden en woningtype kan bepalen.Design and ConstructionCivil Engineering and Geoscience
A phylogenetic analysis of the Eriopisa complex (Crustacea: Amphipoda: Melitidae) and a new species from beach interstitia in Venezuela
VAN DER HAM, JORIS L., VONK, RONALD (2003): A phylogenetic analysis of the Eriopisa complex (Crustacea: Amphipoda: Melitidae) and a new species from beach interstitia in Venezuela. Journal of Natural History 37 (7): 779-796, DOI: 10.1080/00222930110108344, URL: http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/0022293011010834
- …
