254 research outputs found
Rechter, blijf uw rol vervullen in de opvangcrisis
Op donderdag 10 november 2022 keken wij naar de hoger beroepszitting in de zaak die Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) aanspande tegen de Nederlandse Staat en het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) over de opvang van asielzoekers. Diezelfde dag kopte de Volkskrant een citaat van de Staat bij monde van de landsadvocaat: ‘Rechter moet afzien van het opdragen van bevelen’. In deze blog keren wij ons tegen die boodschap, omdat de rol van de rechter in de democratische rechtsstaat tot dit tegengeluid noopt. Voordat wij daartoe overgaan, schetsen wij eerst de aanleiding voor de rechtszaak en geven wij een overzicht van de uitspraak van de voorzieningenrechter in eerste aanleg
Rechter, blijf uw rol vervullen in de opvangcrisis
Op donderdag 10 november 2022 keken wij naar de hoger beroepszitting in de zaak die Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) aanspande tegen de Nederlandse Staat en het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) over de opvang van asielzoekers. Diezelfde dag kopte de Volkskrant een citaat van de Staat bij monde van de landsadvocaat: ‘Rechter moet afzien van het opdragen van bevelen’. In deze blog keren wij ons tegen die boodschap, omdat de rol van de rechter in de democratische rechtsstaat tot dit tegengeluid noopt. Voordat wij daartoe overgaan, schetsen wij eerst de aanleiding voor de rechtszaak en geven wij een overzicht van de uitspraak van de voorzieningenrechter in eerste aanleg
Rechter, blijf uw rol vervullen in de opvangcrisis
Op donderdag 10 november 2022 keken wij naar de hoger beroepszitting in de zaak die Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) aanspande tegen de Nederlandse Staat en het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) over de opvang van asielzoekers. Diezelfde dag kopte de Volkskrant een citaat van de Staat bij monde van de landsadvocaat: ‘Rechter moet afzien van het opdragen van bevelen’. In deze blog keren wij ons tegen die boodschap, omdat de rol van de rechter in de democratische rechtsstaat tot dit tegengeluid noopt. Voordat wij daartoe overgaan, schetsen wij eerst de aanleiding voor de rechtszaak en geven wij een overzicht van de uitspraak van de voorzieningenrechter in eerste aanleg
Rechter, blijf uw rol vervullen in de opvangcrisis
Op donderdag 10 november 2022 keken wij naar de hoger beroepszitting in de zaak die Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) aanspande tegen de Nederlandse Staat en het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) over de opvang van asielzoekers. Diezelfde dag kopte de Volkskrant een citaat van de Staat bij monde van de landsadvocaat: ‘Rechter moet afzien van het opdragen van bevelen’. In deze blog keren wij ons tegen die boodschap, omdat de rol van de rechter in de democratische rechtsstaat tot dit tegengeluid noopt. Voordat wij daartoe overgaan, schetsen wij eerst de aanleiding voor de rechtszaak en geven wij een overzicht van de uitspraak van de voorzieningenrechter in eerste aanleg
Effectiveness of an 8-week exercise programme on pain and specificity of neck muscle activity in patients with chronic neck pain:a randomized controlled study
BACKGROUND: Although exercise can be effective for relief of neck pain, little is known about the effect of exercise on the neural control of neck muscles.METHODS: A randomized controlled trial was conducted on 46 women with chronic neck pain to investigate the immediate effectiveness of an 8-week exercise programme on pain and directional specificity of neck muscle activity. At baseline, the patients completed questionnaires including the neck disability index (NDI) and performed a circular contraction of their head in the horizontal plane at 15 N force, with continuous change in force direction in the range 0-360°. Electromyography (EMG) was recorded from the sternocleidomastoid (SCM) and splenius capitis (SCap) muscles. Tuning curves of the EMG amplitude were computed, which depicts muscle activity over a range of force directions. The mean point of the tuning curves defined a directional vector, which determined the specificity of muscle activity. Patients were randomly assigned either to a training or control group.RESULTS: A significant between-group difference in the change in NDI was observed. A reduction in NDI was observed following training (pre: 18.2 ± 7.4; post: 14.1 ± 6.5; p < 0.01) but not for the control group (pre: 17.5 ± 6.3; post: 16.6 ± 7.4). The training group showed higher specificity of muscle activity post-intervention (pre: 18.6 ± 9.8%, post: 24.7 ± 14.3%; p < 0.05), whereas no change occurred for the control group (pre: 19.4 ± 11.9%, post: 18.2 ± 10.1%).CONCLUSION: An exercise programme that aims to enhance motor control of the cervical spine improves the specificity of neck muscle activity and reduces pain and disability in patients with neck pain.</p
De rechter liet afstandsmoeders in de kou staan. En wat doet de overheid?
De rechter kan het leed dat ‘tweederangsburgers’ is aangedaan niet altijd goedmaken. Het antwoord moet echt van de overheid komen, stellen Nicole Immler en Niké Wentholt, onderzoekers in het ‘Dialogics of Justice’ project aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht
De rechter liet afstandsmoeders in de kou staan. En wat doet de overheid?
De rechter kan het leed dat ‘tweederangsburgers’ is aangedaan niet altijd goedmaken. Het antwoord moet echt van de overheid komen, stellen Nicole Immler en Niké Wentholt, onderzoekers in het ‘Dialogics of Justice’ project aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht
De macht van de rechter in het burgerlijk geding
Dit proefschrift beoogde klaarheid te scheppen in de verhouding tussen r echter en partijen in ons burgerlijk geding en meer bepaald te verifiëre n of het postulaat van Van Reepinghen, naar luid waarvan de partijen de leiding hebben over het geding, nog onverminderd geldig is. In deel I is gebleken dat de doctrinaire achtergrond van dit postulaat sterk geïnspi reerd is door de ideologie van het negentiende-eeuwse liberalisme, die h et zogenaamde accusatoir beginsel een bijna sacraal karakter heeft geg even. Daardoor is de indruk ontstaan dat in ons procesrechtsstelsel de p artijen altijd de leiding van het geding hebben gehad en de rechter stee ds tot een passieve houding veroordeeld is geweest. Een rechtshist orisch onderzoek heeft echter uitgewezen dat die veronderstelling niet m et de werkelijkheid overeenstemt en dat doorheen de geschiedenis de mach tsverdeling tussen rechter en partijen voortdurend geëvolueerd is, in ee n soort van pendelbeweging. Die beweging heb ik proberen te verklaren va nuit de these dat de macht van de rechter afhankelijk is, enerzijds van de staatsorganisatie en -visie, anderzijds van de graad van ontwikkeling van het recht, het rechtssysteem en het rechtsonderwijs. Die these slui t nauw aan bij de theorie van Damaka, die eerder reeds voorhield dat de verhouding tussen rechter en partijen een afgeleide is van de staatsvis ie enerzijds en de organisatie van het gerechtelijk systeem anderzijds. Een toepassing van deze bevindingen op de Belgische situatie maakt aanne melijk dat ook bij ons, zoals in vele andere landen, de verhouding tusse n de rechter en partijen in dezelfde zin geëvolueerd is. Zowel onze staa tsvisie als onze gerechtelijke organisatie zijn immers niet meer dezelfd e als in de negentiende eeuw. We leven nu in een eenentwintigste-eeuwse welvaartsstaat, waarin van de overheid verwacht wordt dat die al het mog elijke doet voor het welzijn van de burgers en waarin die burgers steeds mondiger worden en eisen dat de overheid bij de uitvoering van haar opd racht met hen in dialoog treedt. Tezelfdertijd is in de magistratuur een proces van verzelfstandiging en professionalisering aan de gang, dat zi ch onder meer uit in een toename van eigen initiatieven, bijvoorbeeld do or het sluiten van akkoordprotocollen of het ondernemen van experimenten zoals met rechterlijke bemiddeling. Om te achterhalen of dit gewi jzigde kader ook werkelijk geleid heeft tot een verschuiving van de verh oudingen in het burgerlijk proces, was een omvattend onderzoek van de bu rgerlijke rechtspleging in al haar aspecten nodig. Dat is gebeurd in vij f delen. Het eerste thema in mijn onderzoek was de gedinginleiding, besproken in deel II. Daaruit is gebleken dat het verbod voor de rechter om het gedin g ambtshalve in te leiden nog steeds een elementaire regel van burgerlij k procesrecht is. De grondslag voor dit verbod zoekt men doorgaans in he t beschikkingsbeginsel, maar dat is niet de enige verklaring waarom alle en partijen een geding kunnen inleiden. Verantwoording voor deze regel v indt men ook in twee andere fundamentele beginselen van onze rechtsorde, de scheiding der machten en de rechterlijke onpartijdigheid. Uit de ca se-study van het ambtshalve faillissement is bovendien gebleken dat voo ral die derde grondslag doorslaggevend is, meer nog dan de bekommernis o m de privaatautonomie of de scheiding der machten. Vervolgens heb ik, in deel III, heel wat paginas gewijd aan de af bakening van het geschil. Het komt in de eerste plaats aan de partijen t oe om te bepalen welk geschil zij aan de rechter voorleggen. Op hen rust daarom een libelleringslast (en soms een libelleringsplicht), die hen o pdraagt de feiten van de zaak zo volledig en accuraat mogelijk te omschr ijven en aan te duiden welke partijen zij in het geding wensen te betrek ken. De rechter, van zijn kant, mag enkel oordelen over het geschil dat de partijen hem hebben voorgedragen en ten aanzien van de partijen die z ij hebben aangeduid. Zelf partijen betrekken in het geding is hem niet t oegestaan (art. 811 Ger. W.), behalve wanneer de wet daarop een uitzonde ring maakt. Het geschil uitbreiden of over een andere kwestie uitspraak doen dan wat hem werd aangereikt door de partijen, mag hij evenmin. Daarentegen heeft de rechter wél een vraagrecht dat hij ter zitting vrij kan uitoefenen. Bovendien mag hij ervoor zorgen dat er op correcte wijz e recht wordt gesproken. Da mihi factum, dabo tibi ius: de partijen br engen de feiten aan en de rechter past het recht daarop toe. Dat beteken t dat de rechter desnoods de rechtsgronden mag aanvullen wanneer de part ijen niet de juiste rechtsregels of kwalificaties hebben voorgesteld. Me er nog: de consensus groeit dat hij daartoe zelfs verplicht is. Toch is de juridische beoordelingsvrijheid van de rechter niet onbeperkt. Het be treft een gebonden bevoegdheid waarvan de modaliteiten tot op vandaag no g steeds correct samengevat worden in de formule uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie, luidens dewelke de rechter de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten moet onderzoeken, en ongeacht de benaming (of omschrijving) die de partijen daaraan hebben gegeven, de d oor hen aangevoerde redenen ambtshalve mag aanvullen op voorwaarde dat h ij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmati g zijn overgelegd, dat hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vord ering wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partij en eerbiedigt. De concrete toepassing van deze voorwaarden leidt echter tot heel wat di scussie. Het meest problematisch is ongetwijfeld het antwoord op de vraa g of men de begrippen oorzaak en voorwerp juridisch dan wel feitelijk mo et invullen, maar daarnaast bestaat ook heel wat discussie over de vraag of een uitsluiting van betwisting uitdrukkelijk moet gebeuren dan wel m ag afgeleid worden uit het stilzwijgen van de partijen. Geen van deze co ntroverses is definitief beslecht. De rechtspraak van het Hof van Cassat ie is daarvoor té vaag of té dubbelzinnig. Wel valt te merken dat in de rechtsleer en de lagere rechtspraak er langzaamaan een duidelijke tenden s is om de beoordelingsvrijheid van de rechter zo ruim mogelijk op te va tten, opdat hij voor het geschil een zo adequaat mogelijke oplossing zou kunnen uitspreken. Dat is met name het geval voor de beoordelingsvrijhe id op het vlak van het recht, maar dezelfde tendens zet zich weliswaar meer gematigd ook door op het feitelijke niveau, zoals onder meer geb leken is uit de studie van het ultrapetitaverbod. Die heeft aangetoond d at de rechtspraak er niet voor terugdeinst het voorwerpbegrip iets soepe ler te interpreteren om de best mogelijke oplossing voor het geschil te kunnen opleggen. Ook wat betreft het uitklaren van de feiten van de zaak , heeft de rechter nu meer vrijheid dan vóór de invoering van het Gerech telijk Wetboek. De rechter is immers niet beperkt tot de feiten die de p artijen zélf hebben aangevoerd, maar mag ook rekening houden met de feit en die aan het licht zijn gekomen bij de uitvoering van onderzoeksmaatre gelen. Van het leerstuk over de aanvulling van de feiten is de brug snel gemaak t naar het bewijs, dat ik behandeld heb in deel IV. Hier is de partijaut onomie nóg kleiner. Weliswaar is het in de eerste plaats aan de partijen om hun stellingen te bewijzen, maar aan de rechter komt het toe op die bewijsgaring toe te zien en, indien hij oordeelt dat meer bewijs nodig i s, ambtshalve onderzoeksmaatregelen te bevelen. De belangrijkste beperki ng die uit de partijautonomie volgt, is dat de rechter enkel onderzoeksm aatregelen mag bevelen die iets kunnen bijdragen tot de oplossing van he t geschil dat de partijen hebben aangebracht. Indien daarbij evenwel toe vallig elementen aan het licht komen die de partijen nooit vermeld hebbe n, mag hij daarmee wel rekening houden bij zijn beoordeling van de zaak. Belangrijker dan de partijautonomie zijn te dezen drie andere beginselen : de proceseconomie, de procesloyauteit en het recht van verdediging. He t laatste beginsel spreekt voor zichzelf: de rechter mag niet willekeuri g een verzoek tot bewijsgaring afwijzen en moet bij het bevelen van een onderzoeksmaatregel garanderen dat alle partijen kennis hebben van zijn initiatief en zich over het resultaat ervan kunnen uitspreken. De eerste twee beginselen, de proceseconomie en de procesloyauteit, vereisen dat de rechter geen bewijs opdraagt van niet-betwiste stellingen en bij het bevelen van onderzoeksmaatregel rekening houdt met het belang van de zaa k, de kostprijs van de maatregel en het eventueel vertragende effect erv an; tezelfdertijd wordt van de partijen verwacht dat zij te goeder trouw meewerken aan de uitvoering van alle onderzoeksmaatregelen en dat zij n aar waarheid alle gegevens meedelen waarvan zij de waarachtigheid kunnen beoordelen en die beslissend kunnen zijn voor de oplossing van de zaak. In een vijfde deel kwam vervolgens de ingereedheidbrenging aan bod. De r echter vervult daarin de rol van toezichthouder die moet waken over de g oede en vlotte voortgang van de procedure. Wanneer een partij hem daarom verzoekt, kan hij ambtshalve de nodige afspraken opleggen met betrekkin g tot termijnen en rechtsdag die hij ook ambtshalve kan handhaven. Het c onsensualisme blijft evenwel de standaard: wanneer alle partijen het ero ver eens zijn dat een rechterlijke tussenkomst niet nuttig is, kunnen zi j de rechter ontwapenen tot een passieve waarnemer. Een verdere uitbreid ing van de rechterlijke macht staat op de agenda van de wetgever, maar o p de vraag of dat ook opportuun is, kwam nog geen eensgezind antwoord. I ntussen is er wel al een evolutie op het terrein merkbaar waarbij rechtb anken zich steeds meer en beter organiseren met het oog op een efficiënt er procesverloop. Centraal daarin staan de akkoordprotocollen die de mag istratuur sluit met lokale balies en waarin afspraken worden gemaakt ove r de ingereedheidbrenging. Aldus ontwikkelt zich een vorm van soft law die de vrijheid van de partijen bij de ingereedheidbrenging alsnog bepe rkt. Een laatste aspect, tot slot, is dat van de beëindiging van het ge ding. De rechter is verplicht elk geschil dat hem wordt voorgelegd te be slechten, maar de partijen behouden te allen tijde de mogelijkheid om de zaak voortijdig aan hem te onttrekken. Zij beschikken daartoe over vold oende instrumenten, zoals de afstand van rechtsvordering, de afstand van geding, de berusting en de doorhaling van de zaak. Vast staat evenwel d at de rechter de partijen mag stimuleren om de zaak in der minne te schi kken. Sinds de achttiende eeuw bestaat immers al een praktijk van verzoe ning, zowel voorafgaand aan de inleiding van het geding als incidenteel, tijdens de behandeling van de zaak. Recent is duidelijk geworden dat de rechter zich tijdens een dergelijke verzoeningspoging zelfs actief mag opstellen en constructief kan meewerken aan het uitwerken van een oploss ing. Voorts is het thans ook mogelijk voor de rechter om de partijen doo r te verwijzen naar een bemiddelaar. Dit kan weliswaar niet zonder toest emming van de partijen, maar de rechter mag dat ambtshalve voorstellen. Op Europees vlak is zelfs een tendens merkbaar om nog verder te gaan: me n zou de rechter willen toestaan de partijen te verplichten deel te neme n aan een informatiesessie omtrent bemiddeling. Hoe ruim de rol van de r echter hierbij ook is, belangrijk is wel dat de rechter zich steeds houd t aan twee elementaire beginselen, met name het verbod op partijdigheid en het verbod op schikkingsdwang. Dit betekent dat hij, enerzijds, niet de indruk mag wekken dat zijn beslissing reeds vastligt nog voor de deba tten gesloten zijn en, anderzijds, de partijen niet onder druk mag zette n om een akkoord te aanvaarden. Tot slot beschikt de rechter naar vigere nd Belgisch procesrecht over het instrument van de weglating van de rol. Daarmee kan een zaak waarin de partijen gedurende drie jaar inactief zi jn gebleven, van de rol geschrapt worden; de partijen kunnen deze evenwe l eenvoudig terug aanhangig maken. Het uitspreken van een echt verval va n geding behoort niet tot de mogelijkheden.status: Publishe
DJE Heubt=||artikel des Christlich=||en Glaubens/ Wider || den Bapst/ vnd der || Hellen Pforten zu er=||halten. Sampt andern || Dreien seer nuetzlichen || Buechlin ... || Mar.Luth.Wit.||(BEKEntnis des || Glaubens ... || Von rechter vnd || falscher Kirchen/ Wo bey jgliche er || erkennen sey.|| ... Der drey Sym||bola oder Bekentnis des Christlich=||en glaubens ... ||)
Vorlageform des Erscheinungsvermerks: 1544.||(Gedruckt zu Witten=||berg durch Petrum || Seitz ... ||)Luther, Martin: Der drei Symbola oder Bekenntnis des christlichen Glaubens. (VD16 L 4472)Luther, Martin: Bekenntnis des Glaubens [EST: Vom Abendmahl Christi Bekenntnis, Ausz.]. (VD16 L 6999)Luther, Martin: Von rechter und falscher Kirchen ... [EST: Wider Hans Worst, Ausz.]. (VD16 L 7524
HR (zaaknr. 13/04255: interregionaal recht; art. 38 lid 3 Statuut; interregionale bevoegdheid rechter i.g.v. verzoek tot nihilstelling alimentatie; overeenkomstige toepassing IPR-bevoegdheidsrecht; voorrang verdragen en EU-verordeningen in interregionale gevallen)
Interregionaal recht; art. 38 lid 3 Statuut; interregionale bevoegdheid rechter i.g.v. verzoek tot nihilstelling alimentatie; overeenkomstige toepassing IPR-bevoegdheidsrecht; voorrang verdragen en EU-verordeningen in interregionale gevallen. Overeenkomstige toepassing Verordening (EG) nr. 4/2009 (Alimentatieverordening); art. 8 lid 1 Alimentatieverordening inzake bevoegde rechter bij wijziging alimentatiebeslissing; belangen onderhoudsgerechtigde. Op grond van art. 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk kunnen bij rijkswet regels worden gesteld omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard, indien omtrent deze regels overeenstemming tussen de regeringen van de betrokken landen bestaat. Een regeling bij rijkswet van de rechterlijke bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard is tot op heden niet tot stand gebracht. Bij gebreke van een dergelijke regeling dient de rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk (hierna: het Rijk in Europa) evenals de rechter in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard te bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsregels die voor hem gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht. De rechter in het Rijk in Europa is, mede gelet op de voorrang van verdragen en EU-verordeningen ten opzichte van het nationale recht, gehouden om eerst te onderzoeken of in een geval van interregionale aard overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen en indien blijkt dat dergelijke verdragsrechtelijke of Unierechtelijke bevoegdheidsbepalingen ontbreken of zich niet voor overeenkomstige toepassing lenen, dient de rechter in het Rijk in Europa zijn rechtsmacht in een geval van interregionale aard te bepalen met overeenkomstige toepassing van de art. 1-14 Rv. Onderzocht dient te worden of ten behoeve van de rechtsmacht van de rechter in het Rijk in Europa om van het verzoek tot nihilstelling van alimentatie kennis te nemen, overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheidsbepalingen van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 (PbEU 2009, L 7/1)). Art. 8 lid 1 Alimentatieverordening bepaalt dat indien in een lidstaat (of in een derde staat als in die bepaling bedoeld) waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, een beslissing inzake een onderhoudsverplichting is gegeven, de onderhoudsplichtige niet in een andere lidstaat een procedure aanhangig kan maken om die beslissing te wijzigen of een nieuwe beslissing te verkrijgen zolang de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats behoudt in de staat waar de beslissing is gegeven. Art. 8 Alimentatieverordening leent zich voor overeenkomstige toepassing in een geval van interregionale aard als het onderhavige. Er is immers geen grond om in interregionale gevallen de belangen van de onderhoudsgerechtigde op het vlak van de rechterlijke bevoegdheid minder vergaand te beschermen dan in internationale gevallen waarop art. 8 Alimentatieverordening rechtstreeks van toepassing is. Overeenkomstige toepassing van art. 8 lid 1 Alimentatieverordening leidt tot het uitgangspunt dat de rechter in het Rijk in Europa niet bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek van de onderhoudsplichtige dat strekt tot wijziging van een beslissing inzake een onderhoudsverplichting, indien deze beslissing is gegeven door de rechter in het Caraïbische deel van het Koninkrijk waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats had toen die beslissing werd gegeven, zolang de onderhoudsgerechtigde aldaar zijn gewone verblijfplaats behoudt. Alsdan zal de onderhoudsplichtige zijn verzoek aanhangig moeten maken bij de rechter in het Caraïbische deel van het Koninkrijk die de oorspronkelijke beslissing heeft gegeven
- …
