1,721,126 research outputs found

    Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven Verlegging N629 te Oosterhout/Dongen, fase 2 (noordzijde) (gemeente Oosterhout)

    No full text
    In oktober 2020 is door Antea Group een archeologisch proefsleuvenonderzoek (BRL 4000, protocol 4003, KNA 4.1) uitgevoerd voor het plangebied N629 te Oosterhout (fase 2; locatie ten noorden van de Kanaaldijk Noord). De aanleiding voor dit onderzoek is de het verleggen van de provinciale weg N629 om de sub-regionale verkeersdoorstroming en de leefbaarheid rondom de N629 te verbeteren. Hiervoor heeft Antea Group al een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd binnen het gehele te realiseren tracé, gevolgd door een proefsleuvenonderzoek voor het gebied ten zuiden van het kanaal (fase 1).1 Onderhavige rapportage van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek vormt hier het vervolg op en heeft betrekking op de nog niet vrijgegeven delen van de nieuw aan te leggen provinciale weg ten noorden van de Kanaaldijk Noord; fase 2. Resultaten Er zijn drie proefsleuven aangelegd. Omdat de eigenaar van één van de percelen nog geen betredingstoestemming heeft gegeven, is de kleine proefsleuf die in het PvE vermeld was, niet aangelegd. Dit zal in een later stadium nog moeten gebeuren. De bodemopbouw was vrij uniform in het gehele gebied. Onder een recente bouwvoor bevond zich soms nog een tweede laag, die ook als (oudere) bouwvoor geïnterpreteerd is, maar iets anders van kleur of samenstelling was. Daaronder bevond zich in een deel van de profielen meteen de C-horizont, maar in de overige profielen was er daartussen nog een laag aanwezig die bestond uit een (deels) omgewerkte B- en/of E-horizont. Het lijkt er dus op dat met name in WP2 de oorspronkelijke top van de C-horizont niet meer intact is, maar op andere plekken nog wel. Er is bij het proefsleuvenonderzoek een beperkt aantal archeologische sporen aangetroffen. Het gaat om twee greppels en een paar losse paalsporen in WP1, en een cluster van paalsporen in WP3. Doordat er geen vondstmateriaal is aangetroffen, zijn de sporen moeilijk te dateren. De kleur en de scherpte van de begrenzing van de sporen in de omringende C-horizont doen echter vermoeden dat ze niet ouder zijn dan de late middeleeuwen of nieuwe tijd. Het sporencluster in WP3 heeft mogelijk deel uitgemaakt van één of meerdere structuren, maar het is niet mogelijk gebleken om deze te reconstrueren binnen proefsleuf 3 alleen. De vindplaats in werkput 3 is volgens de KNA-waardestelling beoordeeld als behoudenswaardig. Advies Terugkijkend op het uitgevoerde onderzoek moeten we constateren dat de door de opdrachtgever geregelde betredingstoestemming en de omstandigheden van de locatie (aanwezigheid van niet-gerooide bomen) niet opportuun is geweest bij de uitvoer van het proefsleuvenonderzoek. Het niet kunnen realiseren van de korte proefsleuf die in het PvE vermeld was, en het maar half kunnen realiseren van WP2 resulteert feitelijk in een te lage dekking van het nu mogelijke archeologische onderzoek. Tegelijkertijd zijn er wel nieuwe inzichten ontstaan die ons in staat stellen om gecombineerd met de resultaten van het archeologisch booronderzoek nu een advies voor vervolgonderzoek aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid te geven

    Bureauonderzoek. Groot onderhoud en spoorkruising N631

    No full text
    In opdracht van de provincie Noord-Brabant heeft Antea Group tussen juni en november 2018 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied N631 te Oosterhout en Rijen, gemeente Oosterhout en Gilze en Rijen (onderdeel van de ABG-samenwerking). Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek (BRL 4000, protocol 4002 KNA 4.0). Aanleiding voor het onderzoek is het groot onderhoud dat aan de weg zal gaan plaatsvinden. Daarnaast zullen enkele oversteekplaatsen heringericht worden om de veiligheid te verbeteren, en wordt de mogelijkheid van een spooronderdoorgang aan de zuidkant van het plangebied nagegaan. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2). Op delen van het plangebied rust een dubbelbestemming archeologie, wat betekent dat het gehele plangebied onderzoeksplichtig is. Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat voor het plangebied een brede archeologische verwachting geldt. Er kunnen resten en vondsten worden aangetroffen van de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Doordat in de directe omgeving van het plangebied relatief weinig archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd, is de archeologische verwachting per periode moeilijk te specificeren. Gekeken is in hoeverre de bij milieukundige onderzoeken beschreven bodemopbouw inhoudelijk hier een aanvulling op kan vormen. Hoewel bij dit onderzoek niet gekeken is naar de intactheid van de bodemopbouw, zijn er slechts in een paar gevallen redenen om aan te nemen dat de bodemopbouw geroerd is tot voorbij het archeologisch sporenniveau. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat de berm mogelijk nog intact is, maar dat de bodem ter plaatste van de weg zelf wel verstoord is. De diepte van deze verstoringen is maximaal 1,62 m –mv. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied verstoord is geraakt door bebouwing of andere grondwerkzaamheden. Voor zover de werkzaamheden zich beperken tot het reeds bestaande wegcunet, zullen de voorgenomen verstoringen niet dieper reiken dan de al bestaande verstoringen. Alleen waar buiten het bestaande cunet gegraven wordt, en waar dieper wordt gegraven dan 1,5 m –mv adviseren we een archeologisch onderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren. In de huidige plannen is dit alleen rond de spoorwegovergang het geval. Door middel van een booronderzoek kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. Dit is een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de provincie Noord-Brabant

    Bureauonderzoek afsluiterschema's S-6030, S- 6031, S-2059 en S-2006 GNIP/RTL Pijnacker-Nootdorp

    No full text
    In augustus/oktober 2018 heeft Antea Group in opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie een archeologisch bureauonderzoek (KNA-protocol 4002) verricht voor een plangebied in Pijnacker en Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp. Gasunie is voornemens in Pijnacker en Nootdorp vier afsluiterschema’s (S-6030, S-6031, S2059 en S-2006) te vervangen. Het plangebied bestaat dus uit vier deellocaties. Het plangebied bestaat uit vier deelgebieden: de afsluiterschema’s S-6030, S-6031, S-2059 en S-2006. De eerste twee zijn gelegen in Nootdorp, de laatste twee in Pijnacker. Het vervangen van de afsluiterschema’s is onderdeel van een groter onderhoudsproject met de naam GNIP/RTL (Gasunie Network Improvement Program / regionale transportleidingnet). Bij deze werkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Binnen het plangebied kunnen resten worden aangetroffen vanaf het laat-mesolithicum tot en met de nieuwe tijd. De hoogste verwachting geldt echter voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Wat er voor archeologische waarden kunnen worden aangetroffen is in grote mate afhankelijk van de bodemopbouw ter plaatse, die nu nog onvoldoende duidelijk is. Wel is in ieder geval een deel van het plangebied eerder al geroerd in verband met de aanleg van de afsluiterschema’s die reeds aanwezig zijn. Omdat de precieze contour van de geroerde grond niet duidelijk is, kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden omvangrijkere verstoringen met zich mee brengen, en daarmee eventuele archeologische resten verstoren. Wij adviseren dan ook om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen (tabel 12). Vanwege de relatief kleine omvang van de deelgebieden, adviseren we om per deelgebied één boring te zetten (vier in totaal). Op die manier kan naar opdrachtgever en bevoegde overheid een gefundeerd en gebiedsspecifiek advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied op basis van de daadwerkelijke bodemopbouw. Op deze wijze kan vervolgens de bevoegde overheid op basis van concrete data uiteindelijk haar afgewogen selectiebesluit formuleren en kan een eventueel vervolgonderzoek worden bepaald op basis van de aangetroffen bodemopbouw

    Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven verlegging N629 te Oosterhout (gemeente Oosterhout) - aanvullend onderzoek noordzijde

    No full text
    Op 24 november 2021 is in opdracht van de Provincie Noord-Brabant door Antea Group een archeologisch proefsleuvenonderzoek (BRL 4000, protocol 4003, KNA 4.1) uitgevoerd voor het plangebied N629 te Oosterhout (aanvullend onderzoek fase 2; locatie ten noorden van de Kanaaldijk Noord). Dit proefsleuvenonderzoek volgde op een eerder uitgevoerd archeologisch bureau- en booronderzoek. Het onderzoek voor de tweede fase N629 moet daarbij in het verlengde worden gezien van de onderzoeken die in opdracht van de gemeente Oosterhout zijn uitgevoerd vanaf 2009 ten behoeve van het aldaar voorziene bedrijventerrein. De aanleiding voor onderhavig proefsleuvenonderzoek is het verleggen van de provinciale weg N629 om de sub-regionale verkeersdoorstroming en de leefbaarheid rondom de N629 te verbeteren. Zoals gezegd werden hiervoor eerder door Antea Group een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd binnen het gehele te realiseren tracé, gevolgd door een proefsleuvenonderzoek voor het gebied ten zuiden van het kanaal (fase 1)1 en ten noorden van het kanaal (fase 2).2 Bij het proefsleuvenonderzoek voor fase 2 bleek door het ontbreken van terreinbetredingstoestemming het niet mogelijk om de beoogde dekkingsgraad te halen. Ook leverden de proefsleuven de resten van een archeologische vindplaats op aan de Oosterhoutse kant van het plangebied (het blauwe kader uit afbeelding 1). In overleg met opdrachtgever en de bevoegde overheid is besloten om een aanvullend proefsleuvenonderzoek uit te voeren ter hoogte van de vindplaats. Daarmee is het mogelijk om zowel de vindplaats nader te karteren en waarderen en om aan te sluiten bij de beoogde dekking van de proefsleuven voor de gehele fase 2. Dit rapport betreft dit aanvullende proefsleuvenonderzoek voor fase 2. Er zijn bij het proefsleuvenonderzoek in 2021 27 afzonderlijke archeologische sporen aangetroffen. Het gaat om paalkuilen en kuilen; van greppels of overige sporen bleek geen sprake. De bodemopbouw was ter plaatse van het archeologisch niveau grotendeels intact. Helaas is het echter niet mogelijk gebleken om structuren te herkennen in de aangetroffen sporen. Bij gebrek aan archeologisch vondstmateriaal is het lastig de aangetroffen sporen te dateren. De archeologische sporen hebben waarschijnlijk deel uitgemaakt van een erf dat groter is dan het eerder en in onderhavig proefsleuvenonderzoek onderzocht werd. Indien er sprake is geweest van één of diverse hoofdgebouwen met ingegraven staanders dan heeft dit elders op het erf gestaan, maar buiten de voorgenomen verstoring door de nog aan te leggen N629. Delen van de archeologische vindplaats zullen dan bij de aanleg van het Wilhelminakanaal aan de zuidzijde en een gasleiding aan de noordzijde reeds (deels) verstoord zijn. De vindplaats is op basis van de eerdere gegevens en de nu in 2021 verworven gegevens gewaardeerd als niet behoudenswaardig. Bovendien zullen de voorgenomen werkzaamheden in noordelijke en zuidelijke richting niet verder reiken dan het reeds opgegraven gebied. In oostelijke en westelijke richting zijn weinig archeologische sporen behorend bij deze vindplaats te verwachten. Antea Group adviseert daarom om het plangebied vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden. Bovenstaande betreft een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in dezen de Provincie Noord-Brabant en uiteindelijk binnen de te voeren ruimtelijke procedure de gemeente Oosterhout. Dit rapport is op 3 februari 2022 goedgekeurd door de Provincie Noord-Brabant. Deze heeft bovenstaand advies overgenomen

    Archeologische Opgraving (variant Archeologische Begeleiding). Vrachelsestraat te Oosterhout (gemeente Oosterhout)

    No full text
    In januari 2020 heeft Antea Group in opdracht van de gemeente Oosterhout een archeologische opgraving (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd voor het plangebied ‘Vrachelsestraat’ te Oosterhout, gemeente Oosterhout. Aanleiding voor het onderzoek was het vervangen van de riolering in het gebied. Voorafgaand aan de werken is er een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan heeft de adviseur van de bevoegde overheid, Programmabureau Regio West-Brabant, besloten tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek in de vorm van een archeologische opgraving (variant archeologische begeleiding). De gemeente heeft dit advies overgenomen. Er is besloten dat er bij de aanleg van de nieuwe leidingsleuf tussen de Achterstraat en de kruising met de Herweg onder actieve archeologische begeleiding uitgevoerd diende te worden. Archeologische resten werden verwacht direct onder het (verstoorde) oppervlak, en konden dus al vanaf een kleine diepte worden aangetroffen. Het archeologisch vlak is aangelegd in de top van de C-horizont, die zich inderdaad plaatselijk zeer ondiep bevond. Voor de zuidoostelijke helft van het plangebied kan worden gesteld dat de oorspronkelijke top van de C-horizont niet langer intact is. Dat gedeelte van het plangebied is voor wat betreft de bodemopbouw archeologisch gezien vrijwel volledig verstoord. In het noordwestelijke deel was de bodemopbouw nog wel grotendeels intact. Er is bij de opgraving in totaal circa 315 m2 aangelegd, verdeeld over acht werkputten. In het veld zijn acht spoornummers uitgedeeld, aangevuld met enkele laagnummers. Het merendeel (zes) van de sporen bleek bij couperen alsnog natuurlijk of recent. Naar de zuidoostkant van het plangebied nam de mate van verstoring toe, waardoor er aan die kant geen archeologische sporen zijn aangetroffen. Het archeologisch onderzoek heeft een beperkte hoeveelheid informatie opgeleverd. Er zijn in totaal twee archeologische sporen aangetroffen, te weten een paalkuil en een greppel. De vermoedelijke datering hiervan ligt in de nieuwe tijd. Het vondstmateriaal is afkomstig uit recente verstoringen en lagen, en is dateert ook allemaal in de (late) nieuwe tijd. De vindplaats, zijnde het tracé van de bestaande Vrachelsestraat en mogelijk ook het oudere tracé uit de nieuwe tijd, is gewaardeerd als niet behoudenswaardig, en het advies is om het vondstmateriaal te deselecteren. Bovenstaand is een advies, het uiteindelijk te nemen selectiebesluit is voorbehouden aan de gemeente Oosterhout als bevoegde overheid onder de Erfgoedwet 2016. Deze heeft het advies overgenomen

    Bureauonderzoek afsluiterschema's S-6030, S- 6031, S-2059 en S-2006 GNIP/RTL Pijnacker-Nootdorp

    No full text
    In augustus/oktober 2018 heeft Antea Group in opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie een archeologisch bureauonderzoek (KNA-protocol 4002) verricht voor een plangebied in Pijnacker en Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp. Gasunie is voornemens in Pijnacker en Nootdorp vier afsluiterschema’s (S-6030, S-6031, S2059 en S-2006) te vervangen. Het plangebied bestaat dus uit vier deellocaties. Het plangebied bestaat uit vier deelgebieden: de afsluiterschema’s S-6030, S-6031, S-2059 en S-2006. De eerste twee zijn gelegen in Nootdorp, de laatste twee in Pijnacker. Het vervangen van de afsluiterschema’s is onderdeel van een groter onderhoudsproject met de naam GNIP/RTL (Gasunie Network Improvement Program / regionale transportleidingnet). Bij deze werkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Binnen het plangebied kunnen resten worden aangetroffen vanaf het laat-mesolithicum tot en met de nieuwe tijd. De hoogste verwachting geldt echter voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Wat er voor archeologische waarden kunnen worden aangetroffen is in grote mate afhankelijk van de bodemopbouw ter plaatse, die nu nog onvoldoende duidelijk is. Wel is in ieder geval een deel van het plangebied eerder al geroerd in verband met de aanleg van de afsluiterschema’s die reeds aanwezig zijn. Omdat de precieze contour van de geroerde grond niet duidelijk is, kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden omvangrijkere verstoringen met zich mee brengen, en daarmee eventuele archeologische resten verstoren. Wij adviseren dan ook om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen (tabel 12). Vanwege de relatief kleine omvang van de deelgebieden, adviseren we om per deelgebied één boring te zetten (vier in totaal). Op die manier kan naar opdrachtgever en bevoegde overheid een gefundeerd en gebiedsspecifiek advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied op basis van de daadwerkelijke bodemopbouw. Op deze wijze kan vervolgens de bevoegde overheid op basis van concrete data uiteindelijk haar afgewogen selectiebesluit formuleren en kan een eventueel vervolgonderzoek worden bepaald op basis van de aangetroffen bodemopbouw

    Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase N629 Oosterhout-Dongen

    No full text
    In de periode maart-april 2017 heeft Antea Group in opdracht van de provincie Noord-Brabant een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van een provinciaal inpassingsplan (PIP) voor de N629 (nieuwe provinciale weg tussen Oosterhout en Dongen). Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek en een booronderzoek, verkennende fase. Doel van het archeologisch vooronderzoek is het onderdeel archeologie nader in beeld te brengen binnen de voorgenomen bodemingrepen. Daarbij is gebruik gemaakt van de eerder verkregen gegevens uit de MER maar is ook gebruik gemaakt van gebied specifieke studies die Antea Group juist voor voorliggende plangebied in opdracht van de gemeente Oosterhout reeds heeft uitgevoerd. Het voorgenomen tracé van de verbindingsweg heeft een lengte van circa 3,7 kilometer. De exacte verstoringsdieptes zijn op dit moment nog niet bekend, maar zullen de bodem hoogstwaarschijnlijk dieper dan 0,5 m beneden maaiveld verstoren. Het plangebied doorkruist het dekzandlandschap van Oosterhout en Dongen. Archeologische resten kunnen dateren vanaf de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, hoewel de hoogste verwachting geldt voor de perioden ijzertijd, (late) middeleeuwen en nieuwe tijd. Oudere resten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, maar worden op basis van diverse oudere veldonderzoeken in de nabijheid van het plangebied niet verwacht. De aanwezigheid van archeologische resten is echter sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied verstoord is. Dit kan niet worden bepaald door een bureauonderzoek alleen. Daarom is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het booronderzoek heeft daarbij opgeleverd dat met uitzondering van het zuidoostelijke deel van het tracé redelijkerwijs verondersteld mag worden dat bodemroeringen uit het verleden een eventueel aanwezig archeologisch vlak reeds in het verleden hebben verstoord. Het gaat daarbij zowel om daadwerkelijke bodemingrepen ten behoeve van ontgrondingen maar ook het regulier agrarisch gebruik van de gronden vanaf de nieuwe tijd. Uitzondering hierop vormt het zuidoostelijke deel van het tracé. Ter plaatse van het gebied tussen boring 1 tot en met 7 en 15 tot en met 18 (zie boorpuntenkaart van dit rapport) is dit archeologisch vlak waarschijnlijk nog aanwezig en kunnen er derhalve behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Daarbij geldt specifiek voor het gedeelte van boring 1 tot en met 7 dat hier in het verleden bij het provinciaal meldpunt voor archeologie melding is gedaan van een mogelijk grafveld uit de ijzertijd. Het advies van Antea Group luidt derhalve vrijgave voor het tracé van de N629 zoals opgenomen in de kaartbijlage met uitzondering van het tracé tussen boring 1 tot en met 18. Hier dient in het kader van het PIP een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden om eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen op te sporen en te waarderen. Mocht uit het proefsleuvenonderzoek blijken dat er ook op dit deel van het tracé van de N629 geen behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn is daarmee het aspect archeologie reeds in het PIP volledig onderzocht en geldt enkel de wettelijke meldingsplicht conform Artikel 5:10 uit de Erfgoedwet 2016 bij het aantreffen van toeval vondsten. Wanneer er wel behoudenswaardige vindplaatsen worden aangetroffen, zal gepoogd worden deze ook in het PIP al volledig te onderzoeken

    Bureauonderzoek Onderdoorgang Lentsesteeg te Rheden

    No full text
    In opdracht van ProRail heeft Antea Group tussen maart en november 2018 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Lentsesteeg te Rheden, gemeente Rheden. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek (BRL 4000, protocol 4002). Ter plaatse van de Lentsesteeg is ProRail voornemens een onderdoorgang onder het spoor te realiseren. Op deze locatie bevindt zich momenteel een gelijkvloerse spoorwegovergang. Momenteel bevindt zich ter plaatse van het plangebied een spoorlijn, die gekruist wordt door een spoorwegovergang. Ten noorden van het spoor bevindt zich de Lentsesteeg, ten zuiden ervan de Brinkweg. Het spoor is gelegen op een dijklichaam. De Brinkweg bevindt zich ter plaatse van de overweg ook op een verhoging. Het plangebied beslaat ongeveer 0,53 hectare. Bij de aanleg van de onderdoorgang vinden bodemverstorende werkzaamheden plaats. De verhoging ter plaatse van de Brinkweg zal worden afgegraven tot ongeveer 1 m onder het niveau van het omliggende maaiveld (in totaal ca. 2,5-3,5 m). De Lentsesteeg zal ook verdiept worden om de onderdoorgang te kunnen aanleggen. Voor het plangebied geldt een brede archeologische verwachting. Er kunnen in principe archeologische resten worden aangetroffen uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd, afhankelijk van de bodemopbouw in het plangebied. De hoogste verwachting geldt echter op het aantreffen van resten uit de ijzertijd, Romeinse tijd en nieuwe tijd, gebaseerd op de archeologische onderzoeken uit de directe omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van (behoudenswaardige) vindplaatsen in de ondergrond is sterk afhankelijk van het feit of de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, of dat deze voorbij een eventueel archeologisch niveau geroerd is als gevolg van bodemingrepen in het verleden. Dit kan niet worden bepaald door een archeologisch bureauonderzoek alleen. Antea Group adviseert dan ook om in het plangebied een verkennend archeologisch booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen. Op die manier kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. Dit is een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Rheden

    Bureauonderzoek Parkeerterrein Voetnoot te Almere, gemeente Almere

    No full text
    In opdracht van het Team Ruimtelijke Ontwikkeling en Mobiliteit van de gemeente Almere heeft Antea Group in 2018 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Parkeerterrein Voetnoot te Almere, gemeente Almere. Het onderzoek heeft als eerste bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek (protocol 4002). Dit is conform de uitvraag van de opdrachtgever. In afstemming daarna met de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Almere bleek hiervoor een standaard te bestaan. Wij hebben er voor gekozen deze standaard te integreren in voorliggend bureauonderzoek zodat de vervolgstap, een archeologisch Programma van Eisen (PvE) voor het nog uit te voeren booronderzoek, een eenvoudige maar wel gebiedsspecifieke (anders dan de algemenere standaard) handeling is. Op de locatie zal op termijn een woontoren ontwikkeld worden. Het projectgebied wordt begrensd door de Landdrostdreef, de Bodestraat en Schrijverstraat (afbeelding 2). Bij de bouw hiervan zullen eventuele in de bodem aanwezige archeologische resten verstoord raken. Een beperking voor de uitvoer van een archeologisch veldonderzoek is de momenteel in het plangebied aanwezige verharding. We adviseren derhalve eerst onderhavig rapport te laten goedkeuren door de bevoegde overheid en aansluitend ook het PvE voor te leggen. In de tussentijd kan bepaald worden of het booronderzoek middels asfaltboringen op korte termijn kan worden uitgevoerd of dat het archeologisch veldwerk wordt uitgevoerd na het buiten gebruik stellen van het parkeerterrein. De archeologische verwachting is dat er mogelijk archeologische resten van de steentijd tot en met de nieuwe tijd aanwezig zijn binnen het plangebied. Wij adviseren dan ook om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen. Op die manier kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. De gemeente Almere stelt daarbij als voorwaarde dat ook een booronderzoek geschiedt aan de hand van een PvE, teneinde de integratie van deze boorstaten in de gemeentelijke database aan de voorkant reeds te borgen

    Antea Group Archeologie 2020/154

    No full text
    In juni 2020 is in opdracht van de opdrachtgever is er door Antea Group een archeologische opgraving (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd voor het plangebied de Heidehof te Oosterhout (gemeente Oosterhout). Dit zowel voor het uitnemen van de funderingen van het voormalige wijkcentrum (fase 1) als voor het uitgraven van de bouwkuip (fase 2). Beide fasen zijn kort achter elkaar uitgevoerd en worden daarom gezamenlijk in onderhavig rapport gerapporteerd. Aanleiding voor het onderzoek is het voornemen van Oome Raamsdonk om binnen het plangebied nieuwbouw te realiseren. Het gaat daarbij om een woonzorgvoorziening met een bouwoppervlak van circa 770 m². Eerder was op deze locatie het wijkcentrum “De Heidehof” aanwezig. Ter plaatse van de toekomstige bebouwing zal naar verwachting, bij de aanleg van een standaard staalfundering op het gele zand (top van de C-horizont), de bodemopbouw tot een diepte van maximaal circa 1,0 m -mv worden afgegraven (bouwput). De nieuwbouw wordt daarbij deels onderkelderd. Voor de aanleg het parkeerterrein zal waarschijnlijk hooguit de huidige bouwvoor (eerste 30 cm) worden verwijderd, ten behoeve van de aanleg van een halfverhardingslaag en/of een laag cunet-/stabilisatiezand. Voorafgaande aan de nieuwbouw zullen eerst de ondergrondse delen van de bestaande bebouwing worden verwijderd. Van deze bebouwing zijn de bovengrondse delen reeds gesloopt. Hoewel er geen archeologisch vooronderzoek (bureau- of booronderzoek) is uitgevoerd was de verwachting dat er binnen het plangebied eventueel nederzettingsresten aanwezig konden zijn. Ook konden off-site sporen worden aangetroffen. Het plangebied bevindt zich namelijk langs een oude landroute die ongeveer het tracé van de hedendaagse wegen van de Europaweg, Sint Antoniusstraat en Abdis van Thornstraat volgt. Langs deze route werden diverse menselijke activiteiten ontplooid, mogelijk niet alleen voor het gebruik als erf. Resultaten archeologische begeleiding Er zijn tijdens het archeologisch onderzoek in totaal 32 spoornummers uitgedeeld. Zes hiervan zijn uiteindelijk vervallen na het couperen van de sporen. Het betrof hier dan een verstoring of de onderzijde van bioturbatie uit het bovenliggende dek. De overige sporen bestaan uit kuilen en paalkuilen en een aantal spitsporen. Op basis van de kleurstelling van de vullingen en de scherpe begrenzingen van de grondsporen tegen de omliggende top van de C-horizont is de verwachting dat de sporen zullen dateren in de (late) nieuwe tijd. Het gaat voornamelijk om kuilen, paalkuilen en spitsporen. Na het archeologisch veldwerk zijn de aangetroffen sporen afgezet tegen diverse historische kaarten van 1950 t/m heden, maar hierop zijn geen specifieke aanwijzingen te ontdekken voor de aangetroffen sporen. Vermoedelijk gaat het om landinrichtingssporen, hoewel duidelijke perceelsgrenzen ontbreken op de historische kaarten. Er zijn tijdens het archeologisch veldwerk geen greppels aangetroffen. De vindplaats scoort als niet behoudenswaardig. Overigens is door middel van de opgraving – variant archeologische begeleiding gekozen voor ex situ behoud van eventuele aanwezige archeologische vindplaatsen
    corecore