54 research outputs found

    Zandsuppletie op het strand van de Kop van Goeree, uitgevoerd met behulp van de zogenaamde "Punaise"

    No full text
    Er is naar potentiële wingebieden gezocht, waar de punaise in principe kan worden ingezet. Deze wingebieden moesten binnen een afstand van 10 km van de Kop van Goeree liggen, omdat verwacht wordt, dat de uitvoering met de punaise tot die afstand nog concurrerend is met een conventionele uitvoering. Tevens moesten de wingebieden van nature aanzanden, zodat de inzet van de punaise de zandbewegingen in het kustgebied van Goeree zo min mogelijk zou verstoren en dit zo min mogelijk nadelige gevolgen voor de kust zou hebben. Dit onderzoek leverde vier mogelijke wingebieden op. De werkomstandigheden in de wingebieden zijn vergeleken, zodat een voorkeur voor één van de wingebieden kon worden uitgesproken. Om echter een verantwoorde keuze te doen is onder andere een gedetailleerd grondonderzoek noodzakelijk. Dat gaat de mogelijkheden van dit afstudeerrapport echter te boven. Voor het gekozen wingebied is een berekening gemaakt van de aanzanding van een gezogen put. Daarmee kan worden vastgesteld hoe lang het duurt eer de oorspronkelijke situatie is hersteld. Tenslotte wordt geconcludeerd dat er binnen een afstand van 10 km van de Kop van Goeree op meerdere plaatsen voldoende zand kan worden gewonnen met de punaise voor een zandsuppletie op Goeree. Voorwaarde is dan wel, dat het zand zodanig grof is, dat het op het stort blijft liggen en niet met het spuitwater wegvloeit. Een grondonderzoek moet hierover uitsluitsel geven. De kosten van een zandsuppletie met de punaise moeten eveneens worden onderzocht om te toetsen of deze uitvoeringswijze inderdaad kan concurreren met een conventionele uitvoering.kustwaterbouwkundeHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Willem Goeree and the production of knowledge in the early modern Netherlands

    No full text
    National Library of the Netherlands (Nationale Bibliotheek, KB), The Hague, March 27, 2020 CfP Deadline: Sep 22, 2019 As a prolific author, publisher and bookseller operating between Middelburg and Amsterdam, Willem Goeree represents a remarkable case study through which to investigate the processes of producing, printing and publishing knowledge in the Dutch Republic. Using Goeree and his works as a starting point, this workshop addresses topics including Goeree’s social network; his in..

    De kosten van een zandsuppletie op het strand van de Kop van Goeree uitgevoerd met behulp van de zogenaamde "Punaise"

    No full text
    In het 1e deel van het afstudeerverslag van A.H. van Berk (lit. 1) werd de vraag gesteld of een baggersysteem voor het kustonderhoud van de Kop van Goeree met de punaise (fig. 0) in één van de wingebieden A, B of C (fig. 2) kan konkurreren met een systeem met een cutterzuiger in wingebied E. Voor het antwoord op deze vraag zijn de kosten van zowel de uitvoering met de punaise als die met de cutterzuiger bepaald. Deze kosten zijn omgerekend naar de gemiddelde jaarlijkse kosten voor het kustonderhoud en onderling vergeleken. In het tweede deel wordt een handleiding gegeven voor de berekening van de jaarlijkse kosten van het kustonderhoud van de lop van Goeree door zandsuppietie a.b.v. de Punaise.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Een telling van Spiranthes spiralis (L.) Chevall. op Goeree

    No full text
    In the dunes, named “Westduinen” on the island of Goeree (prov. S. Holland) one of the two known Dutch localities of Spiranthes spiralis (L.) Chevall. is situated. In this locality the author counted the number of flowering specimens. This number proved to be 730 (23. VIII. 1970) and 1142 (22.VIII.1971). As a rule the species flowers in the above named locality from the second half of August until the middle of September

    Morphological development of the Bollen van de Ooster: A potential hazard for Goeree-Overflakkee?

    No full text
    The Bollen van de Ooster, in this report referred to as the Ooster, is a sand bar in the outer delta of the Grevelingen. The Ooster is separated from the coast by a relatively deep channel, called the Schaar. Closure of the Grevelingen in 1971, with the construction of the Brouwersdam, initiated vast changes in morphology. Damming of the estuary mainly affected the tide-induced flow patterns and therefore the relative influence of the waves at the outer delta. In this study the main focus is on the morphological development near the coastline of Goeree-Overflakkee. During the past years an erosion trend of locally up to 27 m/year, just south of the Flaauwe Werk, led to concerns with Rijkswaterstaat. This erosion is caused by the migration of the Ooster along the coast. Out of precaution a beach nourishment has been planned in this area due to the potential danger for the Flaauwe Werk. However, uncertainty about the future morphological development and therefore the necessity to take measures remains. The aim of this study is to provide a better understanding in the changes that have occurred, bring more certainty about the future and therefore contribute to informed decision-making. The coast of Goeree-Overflakkee has had a long history of coastline erosion. Closure of the Grevelingen estuary led to an increase of this erosion trend at the Westhoofd due to a combination of increased tide-induced flow velocities and morphological development of the Ooster. The latter was characterised by an eastward migration which forced the Schaar into the coastline. This process initiated multiple nourishments in the period 1969-1985. The attachment of one of the shoals of the Ooster resolved this problem, resulting in a large accumulation of sediments on the beach. In the years thereafter these sediments have been eroded as the Ooster migrated along the coast and transported further north. The latter resulted in beach widening along the coast of Goeree-Overflakkee. Due to the rapid elongation of the Ooster the erosion problems of the 80’s returned. The Schaar shows a continuous decrease in depth and flow surface since 2003, according to data analysis. Model results show that the channel mainly plays a role during low tide when the Ooster is emerged. Significant tide-induced flow velocities occur in the channel. In general, the decreasing channel dimensions lead to an increase of the magnitude of the flow in the channel. However, this occurs for a limited time duration during the full tidal cycle. A striking observation is the small influence of the wave angle on the wave-induced flow velocities near the channel. Waves coming from the north are refracted considerably due to the extension of the Haringvliet outer delta. The result is a large net longshore sediment transport rate at the seaward side of the Ooster. This could explain the pace of the migration in eastern direction. Moreover these sediments are a source for the channel, contributing to decreasing the channel dimensions. In general the presence of wind decrease the magnitude of the flow in the channel. Based on these findings it can be concluded that the waves are the dominant forcing mechanism in shaping the morphology and attachment of the Ooster is expected to occur in the near future. Attachment of the Ooster implies the disappearing of the eroding currents. The duration at which this attachment can be expected cannot be deduced from this study. The erosion of the coastline will continue as long as the channel is present. Based on the width of the dune row and the presence of beach groynes the potential treat of the morphological development for the primary flood defences seems minor.Civil Engineering | Hydraulic Engineerin

    Enige beschouwingen ten aanzien van het gedrag van zandgolven in het Proefgebied Goeree in relatie tot extreme getij-condities

    No full text
    Een gedegen kennis van de zeebodem - met name van de oppervlaktelagen - als functie van de hydrodynamische- en sedimentologische factoren is van groot economisch belang. Men denke hierbij bijvoorbeeld aan het optimaliseren van de ingraafdiepte voor pijpleidingen of aan het minimaliseren van het baggerwerk ten behoeve van scheepvaartgeulen. Een groot gedeelte van de Zuidelijke Noordzeebodem is bedekt met zandgolven, die een hoogte (top-dal) hebben van ca. 3 m·tot ca. 15 m. Naar het gedrag van zandgolven in enkele proefgebieden is in de periode 1974-1981 al het nodige onderzoek verricht. In het evaluatierapport thematiek 6 Raad van Overleg voor het Fysisch-Oceanografisch Onderzoek van de Noordzee (1) wordt van de activiteiten tot juni 1979 en van de daaruit af te leiden bevindingen verslag gedaan. In de zomer van 1980 is door Van Kleef (2) een onderzoek gedaan naar de verplaatsing van zandgolven in het studiegebied nabij het Lichteiland Goeree. Ook dit onderzoek is verricht in het kader van de thematiek 6 en had betrekking op het gedrag van zandgolven, zoals dit uit de lodingen af te leiden is. In beide bovengenoemde rapporten wordt de aanbeveling gedaan om het gedrag van zandgolven in relatie tot de verschillende getijcondities te onderzoeken. Daarom zijn in het voorjaar van 1981 van 1 raai verschillende lodingsopnamen gemaakt binnen 1 getijperiode. In een tijdsbestek van ca. 10 uur werden ca. 7 lodingen verricht aan dezelfde raai. Zulk een meting heeft men 4 maal uitgevoerd: 3 maal bij springtij- en 1 maal bij doodtij. Hiervan zullen 1 springtij- en 1 doodtij meting nader bestudeerd worden. De werkwijze bij deze studie wordt uiteengezet in paragraaf 2. Nadat in paragraaf 3 enige algemene zaken met betrekking tot de zandgolven in het studiegebied aan de orde zijn gekomen, zal in paragraaf 4 de zandgolfmobiliteit als funktie van de extreme getij-condities onderzocht worden. Hierna wordt in paragraaf 5 ingegaan op het gedrag van een 3-tal zandgolven binnen 1 getijperiode. In paragraaf 6 volgt dan een beschouwing over een veronderstelde evenwichtshelling van de steile flank van dè zandgolven en ter afsluiting wordt in paragraaf 7 een vergelijking getrokken tussen het gedrag van zandgolven in het Proefgebied Goeree en het gedrag van zandgolven in het Baggerproefvak, zoals dit uit eerdere onderzoeken naar voren is gekomen

    Onderzoek naar de verplaatsing van zandgolven nabij het lichteiland Goeree

    No full text
    Een groot gedeelte van de bodem van de Zuidelijke Noordzee is bedekt met zandgolven tot ongeveer 10 meter hoogte. Om eventuele verplaatsingen van deze zandgolven vast te stellen, zijn vanaf 1975 in een proefgebied van 1 x 2 km2, dat gelegen is ten zuiden van het lichteiland Goeree (zie bijlage VIII), lodingen verricht. Deze lodingen hebben plaatsgevonden met tussenpozen variërend van één maand tot 10 maanden. Dit onderzoek vindt plaats in het kader van thematiek 6 van de Raad van Overleg voor fysisch-oceanografisch onderzoek op de Noordzee. Het onderhavige rapport is een verslag van het in de zomer 1980 door mij verrichte practisch werk bij de Directie Noordzee (afdeling Beheer en Kwaliteit Bodem) van de Rijkswaterstaat in het kader van mijn studie aan de TH Delft. In de eerste twee-inleidende-hoofdstukken wordt het proces van het loden en de verwerking van de gegevens beschouwd. In het laatste hoofdstuk is het aldus verkregen cijfermateriaal geanalyseerd. In het bijzonder zijn de resultaten bekeken in relatie tot de meet- en verwerkings- nauwkeurigheid. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 1. De toppen van de zandgolven bewegen in verticale richting; hierbij is mogelijk sprake van een seizoensbeweging. 2. De onnauwkeurigheid in de dieptemeting is beter dan plus of min 40 cm. 3. Metingen die een klein gebied betreffen kunnen een wezenlijk ander beeld geven dan metingen over een groot gebied. Met het trekken van conclusies uit gegevens, die betrekking hebben op één punt danwel slechts weinig metingen omvatten, dient grote terughoudendheid betracht te worden. 4. Nader onderzoek naar de beweging binnen één getij is gewenst. 5. De standaardafwijking in de tussen twee lodingen gevonden verplaatsingen bedraagt 11 meter. Verschillen in plaats tussen twee lodingen van meer dan 22 meter wijzen op reële verplaatsingen. Hierbij moet worden. bedacht, dat de beweging van megaribbels op de kam in dezelfde orde van grootte kan liggen. 6. De waarnemingen na februari 1977 liggen gemiddeld ongeveer 15 meter noordelijker dan die voor februari 1977. Noch in de lodingen voor 1977, noch in latere lodingen is een beweging in horizontale zin aantoonbaar. Voor deze sprong is geen verklaring gevonden

    Optimal Privatisation Using Qualifying Auctions

    No full text
    This article explores use of auctions for privatising public assets. In our model, a single 'insider' bidder possesses information about the asset's common value. Bidders are privately informed about their costs of exploiting the asset. Due to the insider's presence, uninformed bidders face a strong winner's curse in standard auctions. We show that the optimal mechanism discriminates against the informationally advantaged bidder. It can be implemented via a two-stage 'qualifying auction'. In the first stage, non-binding bids are submitted to determine who enters the second stage, which consists of a standard second-price auction augmented with a reserve price. Copyright � The Author(s). Journal compilation � Royal Economic Society 2009.

    Dissertatio de ortu et interitu Imperii Romani : qua examinatur nobilis illa, ut eam vocat merito summus Grotius, cum apud historicos, tum etiam JCtos tractata quaestio, anea, quae olim fuerint Romani Imperii, jam sint Germanici regni, propter translationem Imperii Romani in Carolum M. factam, vel an nulla translatio ejusmodi facta, sed, populo Romano eodem hodie, qui olim fuit, penes eundem quoque imperium mansisse dicendum, tanquam penes corpus, in quo esset ac viveret /

    No full text
    Errata, p. [28] of preliminaries.Signatures: pi² *⁴ 2*⁸ A-L¹² M⁶.Frontispiece by Jan van Vianen after Jan Goeree. Plates (unsigned) depict medals.Mode of access: Internet.Ownership inscription of Lisa & Leonard Baskin on back pastedown, with notation of bookseller Ced[ric] Rob[in]son and date 1970; Baskin's initial B written in pencil after signature letter L; his printed labels for Fort Hill and Lurley Manor on front pastedown. Signature of W.B. Goodwin on front free endpaper.Binding: vellum, tooled in blind. Author, title & date written on spine. Edges mottled blue & red

    Drift-flux modeling of hyper-concentrated solid-liquid flows in dredging applications

    No full text
    Transporting large amounts of sand is mostly done hydraulically in dredging and mining. This method of sand transport is efficient and is used in land reclamation projects or extraction of oil from tar sands. Large pieces of equipment, such as pumps and pipe line systems, dredging vessels etc., are used enabling the sand water mixtures to be transported hydraulically. Therefore, a good understanding of the hydrodynamical behavior of sand water mixtures is eminent in order to further improve these kind of systems. In this thesis a numerical model has been developed which describe the hydraulic behavior of sediment fluid mixtures. In the model the volume concentration of solids varies from 0.0 to 0.6. Moreover, the model is able to describe mixtures consisting of multiple sized sand particles.Offshore and Dredging Engineerin
    corecore