23,093 research outputs found

    Sector firm and management performance in The Netherlands : the role of national governance and institutions

    No full text
    Paper presented to the fourth EMOT-workshop, theme 1, Economic performance outco- 1 mes in Europe, Berlin, January 30-February 1, 1997 This paper discusses performance characteristics and differences at three levels: at sector, firm and top management level. First, it explores the extent to which the particularities of the Dutch business system history influence the economic performance of different types of firms and sectors in the Netherlands. Elaborating on earlier work on the Dutch business system (Iterson and Olie, 1992; van Dijk and Punch, 1993: Sorge and Iterson, 1995, Iterson, 1997), it will be hypothesised which sectors and types of firms will prosper in the socio-institutional context and which sectors and types of firms will not. For instance, it will be brought forward that the agricultural sector, the mineral fuels and chemicals sector, the foods and detergents sector, the transport and transshipment sector and the financial services sector have emerged in a favourable socio-institutional context whereas the steel and the car sector have not. As to different types of firms, it will be brought forward that family-owned and state-owned companies are much less dominant in the Netherlands than public limited liability companies. At firm level, special attention will be given to the large multinational corporations, such as the Royal Dutch Shell Group, Unilever, AKZO, DSM and Philips. Secondly, the socially constructed managerial capabilities and discretion - again, related to economic performance - will be explored in this paper. They are to be understood as an outcome of the idiosyncratic formation of social groups in the Netherlands and the related emergent governance principles (Cf. Kristensen, 1995), which is known as `pillarisation''.management and organization theory ;

    Functional heterogeneity of oxygen supply with blood and hemoglobin-based oxygen carriers in porcine models of hemorrhagic shock

    No full text
    Op hemoglobine gebaseerde zuurstofdragers (HBOC’s) kunnen een alternatief zijn voor het toedienen van bloed bij ernstige bloedingen. Ze leveren niet alleen volume en zuurstof, maar zijn ook direct of indirect van invloed op de spanning in bloedvaten. Mat van Iterson onderzocht bij varkens de effecten van verschillende HBOC’s op de zuurstofvoorziening naar het hart en de darmen na een gecontroleerde bloeding. HBOC’s zijn effectief in het transporteren van zuurstof naar de microcirculatie (de kleinste vaten), maar door het samenknijpen van bloedvaten wordt een tekort aan bloedvolume gemaskeerd. Om de effectiviteit van HBOC’s vast te stellen, is het beoordelen van de microcirculatie daarom een voorwaarde

    Functional heterogeneity of oxygen supply with blood and hemoglobin-based oxygen carriers in porcine models of hemorrhagic shock

    No full text
    Op hemoglobine gebaseerde zuurstofdragers (HBOC’s) kunnen een alternatief zijn voor het toedienen van bloed bij ernstige bloedingen. Ze leveren niet alleen volume en zuurstof, maar zijn ook direct of indirect van invloed op de spanning in bloedvaten. Mat van Iterson onderzocht bij varkens de effecten van verschillende HBOC’s op de zuurstofvoorziening naar het hart en de darmen na een gecontroleerde bloeding. HBOC’s zijn effectief in het transporteren van zuurstof naar de microcirculatie (de kleinste vaten), maar door het samenknijpen van bloedvaten wordt een tekort aan bloedvolume gemaskeerd. Om de effectiviteit van HBOC’s vast te stellen, is het beoordelen van de microcirculatie daarom een voorwaarde

    Nieuwe Langendijk Delft: Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek van de panden 22 t/m 28, deel I, beschrijving van de onderzoeksresultaten

    No full text
    Het voor u liggende in drie deeltjes gebundelde pak papier is het verslag van een bouwhistorisch en archeologisch onderzoeK op de locatie Nieuwe Langendijk 22 t/m 28 - Trompetstraat 31 te Delft. Het onderzochte terrein is eigendom van de Delftse Katholieke Stichting voor Bejaardenzorg (DKSB). Het veldwerk van het onderzoek betrof de periode 10 februari t/m 6 augustus 1982, met uitzondering van de eerste weken van juliArchitectureArchitectur

    Het effect van kribverlaging op de afvoercapaciteit van de Waal ten tijde van hoogwater

    No full text
    Om in de toekomst de veiligheid rondom de Nederlandse rivieren tegen overstromen te waarborgen heeft het kabinet het standpunt "Ruimte voor de Rivier" ingenomen. Hierin staat beschreven dat in 2015 een pakket aan maatregelen ervoor moet zorgen dat een maatgevende Rijnafvoer van 16.000 m³/s binnen de gestelde veiligheidsnormen moet kunnen worden afgevoerd. Deze maatregelen betreffen naast extra dijkverbeteringen projecten die ervoor moeten zorgen dat de ruimte wordt teruggegeven aan de natuur. Een van deze maatregelen is het verlagen van de kribben in de Waal. Door het verlagen van de kribben zal de hydraulische weerstand van de rivier afnemen. Hierdoor wordt de afvoercapaciteit van de rivier vergroot. Het is echter onduidelijk hoeveel de afvoercapaciteit zal toenemen en of kribverlaging een effectieve maatregel tegen de hoogwaterproblematiek is. Doel van dit onderzoek is het bepalen van de toename van de afvoercapaciteit als gevolg van kribverlaging. Om deze doelstelling te verwezenlijken moet de bijdrage die de weerstand van de krib levert aan de hydraulische weerstand van de rivier worden geanalyseerd en gekwantificeerd. De bijdrage die de weerstand van de krib levert aan de hydraulische weerstand van de rivier is onderzocht met behulp van twee eenvoudige eendimensionale modellen. De onzekerheden in deze modellen zijn verkleind met behulp van een 2DV numeriek model. Naar aanleiding van de resultaten van het 2DV model kan geconcludeerd worden dat de beste benadering voor het beschrijven van de stroming over een krib is om te weerstand van de krib te beschouwen als een sleepweerstand. Omdat de stroming bij overstroomde kribben driedimensionaal is, is ook gebruik gemaakt van een numeriek 3D model. Hiermee is bepaald hoe de hydraulische weerstand van de gehele rivier verandert als de kribben worden verlaagd. Uit de modelresultaten kan een goede schatting worden gegeven van de toename van de afvoercapaciteit gerealiseerd door het verlagen van de kribben. Op grond van de resultaten van het model kan worden geconcludeerd dat wanneer de kribben aan weerszijde van de rivier worden verlaagd met 1 meter de afvoercapaciteit kan toenemen met 200-250 m³/s. Een verlaging van 2 meter levert een toename op van 350-400 m³/s. Dit komt overeen met een waterstandsdaling van respectievelijk 7 en 13 cm voor een maatgevende Rijnafvoer van 15.000 m³/s.Civil Engineering and Geoscience

    Verslag van de Staatscommissie met de opdracht een onderzoek in te stellen van de buitengewoon hooge waterstanden, tijdens den stormvloed van 13/14 januari 1916: voorgekomen op de in Zuidholland gelegen benedenrivieren, meer bepaaldelijk op den Rotterdamschen Waterweg

    No full text
    Rapport met een analyse van het extreme hoogwater in Rotterdam op 13 januari 1916 waardoor een dijk bij het Mallegat was doorgebroken terwijl de waterhoogte op zee bij Hoek van Holland net zo hoog was als bij de stormvloed tien jaar daarvoor. De concrete vraag was wat de oorzaak was, en of dit vaker kon voorkomen. De leden van de commissie waren deskundigen van Rijkswaterstaat en van het KNMI, maar het ministerie (minister Lely) wilde een ter zake deskundige buitenstaander als voorzitter. De commissie concludeerde dat dit specifieke hoogwater werd veroorzaakt door hoge rivierafvoer en een samenloop van diverse factoren, waaronder de lange duur van de storm. En dat er in principe geen bovengrens aan de waterstand is, maar dat bij geometrie van de waterlopen van dat moment een maximale ontwerpwaterstand van 3,55 m boven N.A.P. te adviseren was. De commissie heeft zeer uitgebreid gerapporteerd, en daarbij onderzoek gedaan naar de wiskunde van de doordringing van stormvloeden in de benedenrivieren. Het rapport bevat tevens een bijlage van 62 blz met een Historisch Overzicht van de hoge vloeden en overstromingen tot en met 1868

    Samenwerking in crisisbeheersing

    No full text
    In 2020 vormen de waterschappen een (veer)krachtig partnerschap in crisisbeheersing. Zowel in de voorbereiding als de feitelijke bestrijding van crises. Dit bereiken zij door vergaande samenwerking tussen de waterschappen en door het aangaan van optimale allianties met hun belangrijkste partners in crisisbeheersing: de veiligheidsregio\u92s. Een gezamenlijke aanpak in het opstellen en realiseren van deze visie voor crisisbeheersing door de waterschappen, is uniek. Dat vraagt om draagvlak en betrokkenheid van bestuurders en ambtenaren, die zich bezighouden met crisisbeheersing

    Nationaal kader Kust: Naar een veilige, sterke en mooie Noordzeekust

    No full text
    Het Deelprogramma Kust van het Deltaprogramma (verder aangeduid als Deltaprogramma Kust) heeft tot doel te verkennen wat nodig is voor een toekomstbestendige kust, die het aangrenzend binnenland duurzaam en (kosten)efficiënt verdedigt tegen overstroming vanuit zee en die tevens ruimte biedt aan behoud en ontwikkeling van functies in de kust. Het Deltaprogramma Kust doet dit door de lange termijn veiligheidsopgaven voor de kust optimaal te verbinden aan ruimtelijke opgaven. Een breed gedragen streefbeeld van de kust zal richting geven aan de op te stellen beleidstrategieën hoe op lange maar ook op de korte termijn gewerkt gaat worden aan een klimaatbestendige en mooi ingerichte kust. Dit vraagt om een wisselwerking met andere deelprogramma\u92s, met name Waddengebied, Zuidwestelijke Delta en Rijnmond/- Drechtsteden, waar deze raken aan de Noordzeekust. De tijdshorizon van 2100 en verder is daarbij een bijzondere uitdaging. Bij de provinciale en nationale kustvisies zal men moeten omgaan met onzekerheden door uit te gaan van verschillende scenario\u92s voor klimaatverandering en ruimtelijk-economische ontwikkeling (zie paragraaf 2.3). Verschillende klimaatscenario\u92s werken door in de snelheid van zeespiegelstijging, en leiden daarmee tot verschillende veiligheidsopgaven voor de kust. Ruimtelijk-economische scenario\u92s zullen gevolgen hebben voor de mate van ruimtedruk op de kust. Het Nationaal Kader Kust moet hierbij houvast bieden. Er is voor gekozen om hiertoe een aantal bouwstenen voor een Nationale Visie Kust te schetsen (hoofdstuk 2). Deze bouwstenen bevatten een aantal principes om opgaven voor veiligheid en ruimtelijke kwaliteit te vertalen in beleid en uitvoering. Op deze wijze wil dit Nationaal Kader een basis bieden voor de opstelling van integrale lange termijn kustvisies en/of strategische agenda\u92s per provincie en ook daarvoor een inspiratiebron zijn

    Criteria voor toepassing van bekledingen op waterkeringen: Hulpmiddel voor ontwikkeling van innovatieve dijkbekledingen

    No full text
    Traditioneel worden dijken bekleedt met steenzettingen, asfalt, gras of breuksteen. Echter, er worden steeds meer initiatieven voorgesteld waarbij innovatieve materialen worden toegepast als dijkbekleding. Deze initiatieven zul len in de toekomst leiden tot een efficienter of maatschappelijk beter geaccepteerde dijkbekleding. Tot nag toe is voor de ontwikkelaar van een innovatieve dijkbekleding en voor de dijkbe heerder nog geen goed kader waarbinnen de deze innovatieve dijkbekledingen beoordeeld kunnen worden. Dit leidt tot onduidelijkheid hetgeen de ontwikkelingen in de weg kan staan. Om innovaties met betrekking tot dijkbekledingen te stimuleren heeft de Waterdienst aan Deltares opdracht gegeven om een Technisch Rapport te ontwikkelen waarin aile relevante aspecten zijn beschreven met betrekking tot innovatieve dijkbekledingen. Met behulp van dit Technisch Rapport kunnen dijkbeheerders en ontwikkelaars van innovatieve dijkbekledingen inzicht verkrijgen in de eisen, wensen en aspecten die gepaard gaan met het antwerp en onderhoud van een dijkbekledingTAW/EN

    Waterstandsverloop Markermeer: Hydraulische randvoorwaarden t.b.v. grondmechanische toetsing van dijken

    No full text
    AANLEIDING VOOR HET ONDERZOEK Rijkswaterstaat RIZA is aan GeoDelft gevraagd een methode voor te stellen om waterstandsverlopen voor het Markermeer te karakteriseren ten behoeve van de geotechnische toetsing van de dijken rond het Markermeer. Aanleiding was een vraag van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Bij de toetsing van de Markermeerdijken zijn de vigerende randvoorwaarden toegepast (randvoorwaardenboek 2001, toetspeilen 2006 [HR 2001 ]). Dit leidde bij de toetsing tot afkeuringen, die omvangrijker waren dan eerder werd verwacht op basis van een verkennende studie door Infram [DWW/lnfram 2000]. Dit leidde in het MER-traject tot kritiek (van Infram) welke zich toespitste op de vraag of de gehanteerde hydraulische randvoorwaarde bij de toetsing (conform het randvoorwaardenboek) wel realistisch was. Het toetspeil is gebaseerd op (een combinatie van) de gebeurtenissen "hoog meerpeil" (door onvoldoende gelegenheid tot spuien) en windopzet. Deze twee gebeurtenissen lijken elkaar kansmatig uit te sluiten (de kans is klein dat langdurend hoog meerpeil bij westenwind en relatief kort durende windopzet bij de Noord-Hollandse dijken bij zuiden en zuidwestenwind samengaan). Voorgesteld werd om bij het vaststellen van toetspeilen onderscheid te maken tussen deze situaties. Een verkennende analyse wees uit dat het gescheiden behandelen van deze situaties praktisch niet erg veel invloed heeft op het toetsresultaat en de beslissing om te versterken, mede ook gelet op ongewenste versnippering van te versterken delen van de dijkstrekkingen [Fugro 2004]. Echter de principiële vraag bleef bestaan of en hoe met het opstellen van het randvoorwaarden boek 2006 (toetspeilen 2011) dit onderscheid in oorzaken voor hoge waterstand voor Marker- en Ijsselmeer kan worden meegenomen. TIJDSAFHANKELIJKHEID BIJ GRONDMECHANISCHE TOETSING VAN DIJKEN Tijdseffecten in de waterspanningsrespons in dijken, als gevolg van waterstandsverloop, worden bij de geotechnische toetsing van dijken slechts in beperkte mate meegenomen. De praktijk is dat tijdsafhankelijke respons doorgaans alleen berekend wordt voor waterspanningen in de watervoerende zandlaag onder de dijk en voor de indringing van waterspanning onder in de klei/veenlaag boven de watervoerende zandlaag. Vanwege de aanpassingstijd (1 of hooguit enkele etmalen) van het geohydrologische systeem is dat alleen zinvol bij verlopen van de buitenwaterstand waarvan de top een beperkte duur heeft. Voor de indringing van stijghoogte in het klei/veen-pakket vanuit de onderliggende watervoerende zandlaag wordt vaak uitgegaan van vaste waarden voor de indringingshoogte, afhankelijk van het type waterkering (zeedijk, rivierdijk). Voor meerdijken zou onderscheid gemaakt moeten worden naar type belasting: langdurige meerpeilen 3 m en kortdurende windopzet 1 m. Bij de freatische respons is vermoedelijk sprake van een langere aanpassingstijd, echter, vanwege onzekerheden in de berekening van freatische waterspanningen wordt in de praktijk doorgaans gekozen voor een empirisch vastgestelde schematisering waarin tijdseffecten geen rol spelen. Een ruwe schatting is overigens dat de aanpassingstijd voor freatische waterspanning in de orde van 1 week ligt. Geconcludeerd wordt dat bij de karakterisering van het waterstandsverloop van het Markermeer het feitelijke verloop van de meerpeilcomponent als stationair mag worden geschematiseerd terwijl de windopzetcomponent als tijdafhankelijk moet worden geschematiseerd. SPECIFIEKE SITUATIE BIJ HET TOETSEN VAN MARKERMEERDIJKEN De geotechnische toetsing van de Markermeerdijken is door Fugro uitgevoerd op basis van het vigerende voorschrift voor de hydraulische randvoorwaarde. Voor windopzet gedomineerde toetspeilen wordt een waterstandsverloop voorgeschreven, opgebouwd uit een component meerpeil en een component windopzet. Voor de hoogte van de component meerpeil wordt uitgegaan van het 1/10.000 meerpeil en voor de component windopzet van het verschil tussen het toetspeil volgens Hydra-M en het 1/10.000 meerpeil. Aan de meerpeilcomponent wordt een langzaam verloop toegekend, aan de windopzetcomponent een relatief snel verloop (standaard 35-uur verloop voor een storm). Op basis van deze toetsing werden meer dijken afgekeurd dan op basis van een eerdere inventariserende studie verwacht werd [DWW/lnfram 2000]. Dit heeft geleid tot de kritiek dat onvoldoende rekening is gehouden met de specifieke aard van het hydraulische systeem in het Markermeer. Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tussen een toestand met extreeem meerpeil en een toestand met extreme windopzet (voor die locaties langs de dijken waar dit relevant is), die elkaar min of meer uitsluiten, of waarvan de kans op samenvallen in de tijd erg klein is. De vigerende hydraulische randvoorwaarde is dus conservatief en leidt, aldus de kritiek, tot onnodig afkeuren van grote delen van de Markermeerdijken. Voor een realistische toetsing moet onderscheid gemaakt worden tussen een toestand met extreem meerpeil en een toestand met extreme windopzet, maar waarbij een "normaal" meerpeil heerst. Deze toestanden moeten apart worden beschouwd ("gesplitste randvoorwaarden"). VOORGESTELDE KARAKTERISERING VAN RANDVOORWAARDEN VOOR (GRONDMECHANISCHE) TOETSING Tegemoet komend hieraan zijn verschillende voorstellen voor het werken met gesplitste randvoorwaarden geopperd door dijkbeheerders van Marker en IJsselmeerdijken (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Regionale Directie IJsselmeergebied van Rijkswaterstaat) en door GeoDelft. Deze voorstellen zijn door GeoDelft voorgelegd aan RIZA om de haalbaarheid te toetsen (zowel vanuit een oogpunt van veiligheid als vanuit een oogpunt van werkbaarheid en de benodigde inspanning om het programma Hydra-M aan te passen). Hierbij kwam naar voren dat de geopperde voorstellen niet zonder meer haalbaar zijn. In het verlengde hiervan is door RIZA een voorstel gedaan voor het opstellen van gesplitste randvoorwaarden, dat tegemoet komt aan de bezwaren bij de eerdere voorstellen. Dit voorstel wordt niet gezien als ideale werkwijze, maar lijkt gezien de mogelijkheden en beperkingen, het best haalbare. GeoDelft deelt die conclusie met RIZA en denkt dat hiermee voor een belangrijk deel tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren tegen het vigerende conservatieve randvoorwaardenvoorschrift. Dit voorstel is als volgt: 1. Bij het berekende toetspeil met Hydra-M wordt, als het toetspeil wordt bepaald door windopzet (en dat is afhankelijk van de locatie), het waterstandsverloop aangenomen: conform onderstaande figuur S.1 waarbij: - de top van het windopzetverloop wordt gevormd door het toetspeil en - als drempel (de horizontale lijn waar het windopzetverloop op wordt gesuperponeerd) wordt het 90-percentiel van het meerpeil "gegeven overschrijden van het toets peil" genomen. Dit peil noemen we hier Mgo% en het is dus de 90 % bovengrens van de conditionele kansverdeling van de meerpeilen, gegeven dat het toetspeil wordt overschreden. Onder bepaalde omstandigheden kan Mgo% hoger zijn dan het toetspeil. Bijvoorbeeld, indien het toetspeil volledig bepaald wordt door de meerpeilstatistiek, is Mgo% de 90% bovengrens van de conditionele kansverdeling van meerpeilen gegeven dat het 1/10.000 meerpeil wordt overschreden. In dat geval is Mgo% dus per definitie hoger dan het toetspeil. Daarom wordt de beperking ingevoerd dat de drempelwaarde waar de windopzet op wordt gesuperponeerd nooit hoger is dan het toetspeil zelf. In gevallen waarin de windopzet domineert in het toetspeil zal Mgo% aanzienlijk lager zijn dan het 1/10.000 meerpeil. 2. Naast dit waterstandsverloop wordt de geotechnische toetsing ook uitgevoerd met een in de tijd constante waterstand gelijk aan het 1/10.000 meerpeil. Het Mgo% peil wordt niet door Hydra-M berekend. Echter de inspanning voor het berekenen van het Mgo% peil is waarschijnlijk redelijk beperkt en kan desgewenst door RWS RIZA uitgevoerd worden. De dijkbeheerder kan hiervoor RWS RIZA benaderen. Als voor de gebieden waarvan de dijken getoetst moeten worden een andere veiligheidsnorm geldt dan 1/10.000, geldt dat in bovenstaande voor 1/10.000 gelezen moet worden de voor dat gebied geldende gebiedsnorm (1/4.000, enz.). Hoewel exacte getallen nog niet zijn te geven is een voorlopige schatting dat met deze methode de drempelwaarde voor het waterstandsverloop, voor locaties met een toetspeil dat sterk door windopzet wordt bepaald, in de orde van NAP-0,1 0 m ligt. In dat geval is het voorgestelde waterstandsverloop voor de geotechnische toetsingen aanzienlijk gunstiger dan volgens de vigerende regel (namelijk het waterstandsverloop rond toetspeil door windopzet combineren met het 1/10.000 meerpeil als drempel). Voor locaties waar zowel meerpeil als wind belangrijk zijn, is de verwachting dat Mgo% substantieel hoger zal zijn dan het normale meerpeil (het streefpeil) en het meerpeil uit het illustratiepunt bij de belangrijkste windrichting, zoals berekend met Hydra-M. Deze peilen waren eerder voorgesteld als drempelwaarden voor het verloop van de windopzet
    corecore