1,722,180 research outputs found

    SYNTHEGRA 2005 001

    No full text
    onderzoeksrappor

    rapport 2557

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Schapekade in de gemeente Muiden. Voor de Schapekade wordt een dijkverbetering beoogd, waarbij de bestaande (lage) dijk wordt verzwaard en waarbij een nieuwe sloot wordt gegraven. Op basis van het bureauonderzoek worden in een gedeelte van het plangebied archeologische resten verwacht uit de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen op of in de oeverafzettingen van de Vecht, die vanaf het maaiveld voor kunnen komen. ADC ArcheoProjecten adviseert derhalve, om in dat gebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend en karterend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft in januari 2014 ten behoeve van de voorgenomen uitbreiding van het rioleringsstelsel een Inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd in de Prinsessenbuurt te Leiden. In een door het bureau Erfgoed Leiden en Omstreken in 2013 opgesteld adviesdocument werd de verwachting geformuleerd dat er in het plangebied sprake zou zijn van kreekgeulen onder een ophoogpakket van zand. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen werd in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van dit booronderzoek kan de hierboven weergegeven verwachting gedeeltelijk worden bevestigd, met dit verschil dat er onder het ophoogpakket van zand sprake is van oeverafzettingen van de Oude Rijn met daarboven een begraven bodem. In de westelijke helft van het plangebied bevinden zich komafzettingen tussen de oeverafzettingen en de bodem. Bovendien wordt het geheel doorsneden door een drietal sloten ter plaatse van de Marijkestraat, de Margrietstraat en de Irenestraat. In de Marijkestraat, de Margrietstraat en de Irenestraat zal de riolering worden aangelegd in een reeds verstoorde bodem. Hier is geen sprake van bedreiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. In het overige deel van het plangebied worden mogelijk aanwezige archeologische waarden bedreigd, aangezien de onderkant van de riolering naar verwachting dieper wordt aangelegd dan 1 m beneden maaiveld. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Om de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende te kunnen aanvullen en toetsen, adviseert ADC ArcheoProjecten om in een zone rondom de boringen 1, 2, 4, 6, 8, en 9 (overeenkomend met de Julianakade en de Bernhardkade) tijdens de graafwerkzaamheden in een archeologische begeleiding te voorzien. De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (AB/IVO-P). Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Verder wordt geadviseerd om het overige deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies

    Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

    No full text
    Ten behoeve van een uitbreiding van een bedrijventerrein heeft ADC ArcheoProjecten in maart 2012 een bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Tiendweg- Oost, Lekkerkerk (gemeente Nederlek). . Op basis van het bureauonderzoek werd in het hele plangebied op of in de oeverafzettingen archeologische resten verwacht van een nederzetting groter dan 2000 m2 uit de Vroege Middeleeuwen. Tevens werd in de ondergrond van het plangebied vanaf 4 m –mv de top van een rivierduin verwacht. Teneinde deze verwachting te toetsen werd in het plangebied een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. De ligging van het rivierduin werd verkend met behulp van twee kruislingse raaien ter hoogte van de verwachte top. Bovendien werd het gehele plangebied middels een karterend booronderzoek onderzocht op de aanwezigheid van nederzettingsvindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen, doormiddel van het plaatsen van boringen in een 40x50 m grid. Uit het booronderzoek is vastgesteld dat in het plangebied zich een rivierduin op een diepte variërend van 410 cm –mv tot 705 cm –mv (5,4 m –NAP tot 8,3 m –NAP) bevindt. De top van het rivierduin is intact en bevat plaatselijk houtskoolbrokken en gebroken kwartskorrels. Dit kan duiden op de aanwezigheid van een vindplaats uit het Neolithicum of Bronstijd op het rivierduin. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een nederzetting groter dan 2000m2 uit de Vroege Middeleeuwen. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied, met uitzondering van de locatie met het rivierduin in de ondergrond, vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Ter hoogte van het rivierduin adviseert ADC ArcheoProjecten behoud in situ plaats te laten vinden. Conform de KNA en het Verdrag van Malta is het uitgangspunt, dat behoudenswaardige planlocaties in principe in situ behouden dienen te worden. Uitsluitend indien dit niet mogelijk is, kan behoud ex situ plaatsvinden. Ter hoogte van het rivierduin adviseren wij geen grondroerende activiteiten uit te voeren dieper dan 360 cm –mv (4,9 m –NAP) en geen grondwaterpeilverlaging toe te passen. Er dient een nauwkeuriger begrenzing van het rivierduin plaats te vinden, met name daar waar volgens de huidige plannen het bedrijventerrein gerealiseerd zal worden. ADC ArcheoProjecten adviseert daarom tevens een aanvullend veldonderzoek uit te voeren door middel van een nader verkennend en karterend booronderzoek, teneinde de begrenzing van het rivierduin nauwkeruig vast te stellen. De reeds gezette boringen in een kruislinge raai dienen te worden verdicht naar een 25x25 m grid. Aangezien alleen ten westen van de noord-zuid raai (boring 2 tot 25) bodemingrepen zijn gepland dient het aanvullend booronderzoek alleen hier plaats te vinden.De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) of Programma van Eisen (PvE). Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies

    Een Bureauonderzoek

    No full text
    Ten behoeve van de ontgronding van het eiland in het recreatiegebied Rhedenlaag, heeft ADC ArcheoProjecten in april 2012 een bureauonderzoek uitgevoerd. Volgens de oudste geraadpleegde kaart (Ducatus Gelria Zutphania Camitatus) blijkt dat het plangebied in ieder geval reeds in 1760 juist ten noorden of in de IJssel was gelegen. Op recentere kaarten (kadastrale minuut uit 1811-1832 en Bonnekaart uit 1906) blijkt dat het plangebied zich eveneens juist ten noorden van de IJssel bevond en in gebruik was als weiland. Volgens de Bonnekaart uit 1931 was de grond binnen het gebied op dat moment reeds afgegraven en bestond het gehele plangebied uit water. In 1977 lijkt in het gebied weer grond opgebracht te zijn. Ook is in deze periode het gebied rondom het plangebied ontgrond. Op basis van met name de verzamelde aardwetenschappelijke waarden en de historische situatie wordt duidelijk dat in ieder geval tot de eerste helft van de 20e eeuw het plangebied zich in de binnenbocht, oftewel de erosieve loop, van de Gelderse IJssel bevindt. Dit houdt in dat de Gelderse IJssel eventuele archeologische resten heeft weggespoeld en niet meer aanwezig zijn. Bovendien is de grond in het plangebied in de jaren 30 van de 20e eeuw ontgraven. Eventuele latere ophogingen zijn, zoals weergegeven wordt op de bodemkaart en geomorfologische kaart, vergraven en geëgaliseerd. Bovenstaande houdt in dat in het plangebied geen archeologische resten te verwachten zijn, omdat ze zijn verspoeld en/of zijn ontgraven

    Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

    No full text
    In opdracht van BügelHajema heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Holevoetplein 294-296 in Scherpenzeel. In het plangebied zal een bestaand garagebedrijf gesloopt worden en plaats maken voor de bouw van 18 appartementen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een projectprocedure ten behoeve van een wijziging in het bestemmingsplan en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. Op basis van het bureauonderzoek werden archeologische resten verwacht uit alle archeologische perioden. Deze zouden zich bevinden direct onder de A-horizont, mits deze intact is. Teneinde de mate van intactheid van de bodem te onderzoeken, werd in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Vijf van de zes boringen vertoonden een intact potentieel archeologisch niveau. Het bodemtype vertoonde kenmerken van een enkeerdgrond. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied nog archeologische resten voorkomen. Om de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende te kunnen aanvullen en toetsen, adviseert ADC ArcheoProjecten om in het plangebied tijdens de sloop- en graafwerkzaamheden in een archeologische begeleiding te voorzien. De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het verdient verder de aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

    No full text
    In opdracht van Lakerveld Ingenieurs- en Architectuurbureau BV heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Burggraaf 6 in Meerkerk (gemeente Zederik). In het plangebied zal bestaande bebouwing worden gesloopt en nieuwbouw worden gerealiseerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een aanvraag van een bouwvergunning en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. Op basis van een in januari 2010 uitgevoerd bureauonderzoek werden prehistorische resten op de Schoonrewoerdse meandergordel, alsmede ophogingsmateriaal in associatie met een laatmiddeleeuwse woonheuvel verwacht. Teneinde deze verwachting te toetsen werd aansluitend in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit booronderzoek zijn inderdaad aanwijzigen gebleken voor de aanwezigheid van een aan een woonheuvel geassocieerde ophogingslaag. Aangezien de bouw van het nieuwe woonhuis vooraf zou worden gegaan door de sloop van de huidige bebouwing, waarbij eventuele archeologische waarden van de vermoede woonheuvel bedreigd zouden worden, werd een archeologische begeleiding van de sloopwerkzaamheden aanbevolen. De gemeente Zederik wenste echter, dat een eventuele sloopbegeleiding vooraf gegaan zou worden door een karterend booronderzoek ter plaatse van de vermoede woonheuvel. Dit karterende booronderzoek werd door ADC ArcheoProjecten op 8 december 2010 uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek werden de eerder genoemde ophogingslagen wederom aangetroffen. Het betreft een ophoging bestaande uit matig siltige klei met baksteen- en houtskoolfragmenten op een matig siltige kleilaag met houtskoolbrokken (de oorspronkelijke bouwvoor ten tijde voor het ontstaan van de woonheuvel). ADC ArcheoProjecten adviseert om in de gebieden met een hoge archeologische verwachting (het gebied ter plaatse van de tijdens onderhavig uitgevoerde boringen) een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P), teneinde gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten te onderzoeken. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het is niet uit te sluiten dat buiten het voor vervolgonderzoek geselecteerde gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Daarom merken wij op dat het aanbeveling verdient om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet

    rapport 2897

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een specialistisch onderzoek uitgevoerd in de omgeving van Waddinxveen. Hier wordt in het kader van de werken aan de Rijn-Gouwelijn een tunnelbak geplaatst. Ten zuiden van deze locatie is een restgeul aanwezig behorend bij de Zuidplas-stroomgordel. De Zuidplas-stroomgordel was actief van 5845 - 5635 v. Chr.1 (Laat- Mesolithicum) tot aan 5485 ? 5340 v. Chr.2 (Laat-Mesolithicum). Op de bedding- en oeverafzettingen van (vermoedelijk) dezelfde (Zuidplas-) meandergordel nabij de voormalige Moordrechtse Tiendweg (Gemeente Gouda) zijn houtskoolresten gevonden welke mogelijk op gebruik van het terrein of op bewoning in het Mesolithicum duiden. De venige invulling van de restgeul stamt tevens uit deze periode. Hierdoor is het mogelijk dat eventuele bewoningsactiviteiten weerspiegeld zijn in het vegetatiebeeld. De vegetatieontwikkeling ten tijde de bewoning kan met behulp van palynologisch onderzoek aan de sedimenten uit de restgeul gereconstrueerd worden. Om die reden is de venige invulling bemonsterd met behulp van een Begemannboring. Hieruit zijn monsters genomen ten behoeve van pollen- en macrorestenonderzoek. Gedurende het vooronderzoek zijn uit de venige invulling van deze stroomgordel monsters genomen ten behoeve van een AMS 14C-datering. Hierbij is de basis van de restgeul gedateerd op5890 - 5675 v. Chr.3 (Mesolithicum). Hoger in het profiel is nog een datering beschikbaar, deze is gedateerd op 5325 - 4580 v. Chr.4 (Laat-Mesolithicum / Vroeg-Neolithicum). In het rapport zijn de resultaten van het pollen- en macrorestenonderzoek besproken, op basis van deze gegevens is de vegetatieontwikkeling van de omgeving gereconstrueerd. Daarnaast is kort ingegaan op de landschappelijke ontwikkeling en de resultaten van het booronderzoek

    rapport 2859

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Geerkade/Noorddijk in Maassluis. In het plangebied zal nieuwbouw van woningen en een parkeergarage plaatsvinden. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een projectprocedure ten behoeve van een wijziging in het bestemmingsplan en een aanvraag van een bouwvergunning en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. Het plangebied is gelegen aan en maakt deel uit van de in de 12e eeuw aangelegde Maasdijk, nabij de in de 14e eeuw aangelegde Monstersluis. Bij deze sluis, direct ten zuidoosten van het plangebied, vestigden zich sluiswachters in eenvoudige houten huisjes, wat wordt gezien als het begin van Maassluis. In het plangebied kunnen resten van bewoning vanaf de 14e eeuw voorkomen. De archeologische resten kunnen onder meer bestaan uit ophogingspakketten, beerputten en funderingen. Het vondstniveau wordt verwacht direct onder het maaiveld of in en onder ophogingspakketten. Archeologische sporen kunnen eveneens vanaf het maaiveld voorkomen. Aangezien ophogingspakketten worden verwacht kan geen exacte diepte van het vondstniveau en de archeologische sporen worden gegeven. In de diepere ondergrond van het plangebied kunnen resten voorkomen uit de Ijzertijd en de Romeinse tijd. Op basis van de bovengenoemde waarnemingen kunnen deze resten zowel op kreekafzettingen als op het veen worden verwacht. De resten kunnen zich manifesteren als een archeologische laag, bestaande uit een vermenging van onder meer kleine fragmenten aardewerk, houtskool en bot met het oorspronkelijke substraat, maar ook andere typen archeologische vindplaatsen kunnen voorkomen, zoals resten die verband houden met infrastructuur (de genoemde mogelijke Romeinse hoofdweg) of grafvelden (crematies uit Ijzertijd en/of Romeinse tijd). De meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk, metaal) zullen door de natte en zuurstofloze condities goed zijn geconserveerd. Omtrent de diepteligging hiervan kunnen geen uitspraken worden gedaan. De sloop van de voormalige (19e eeuwse) bebouwing kan tot verstoring van de in de ondergrond aanwezige archeologische resten hebben geleid. Op basis van het bureauonderzoek kunnen geen uitspraken worden gedaan over de mate van deze verstoring. Geadviseerd werd om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, teneinde inzicht te krijgen in de bodemopbouw in het plangebied. Voorgesteld werd om 4 boringen verspreid over het plangebied te zetten. Conform de eis van de gemeente werden de boringen doorgezet tot minimaal 6 m -mv. Tijdens het booronderzoek zijn diverse ophogingspakketten aangetroffen op een natuurlijke ondergrond die bestaat uit veen op sterk siltige klei. De ophogingspakketten konden niet worden gedateerd maar een oorsprong in de 14e eeuw is mogelijk. Daaronder werd een kreekafzetting met voormalige bouwvoor aangetroffen, welke vermoedelijk dateert uit de periode IJzertijd-Late Middeleeuwen

    Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek naar de ligging van de Slikpoort bij Retranchement (gemeente Sluis), de Bordeelschans bij Draaibrug (gemeente Sluis), het Mauritsfort bij Hoek (gemeente Terneuzen) en het Fort St.-Jan bij Zuiddorpe (gemeente Terneuzen)

    No full text
    In opdracht van de Provincie Zeeland heeft ADC ArcheoProjecten in het kader van het Interreg IV Aproject Forten en Linies in Grensbreed Perspectief een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor een viertal terreinen (de Slikpoort bij Retranchement (gem. Sluis), de Bordeelschans bij Draaibrug (gem. Sluis), het Mauritsfort bij Hoek (gem. Terneuzen) en het Fort St.-Jan bij Zuiddorpe (gem. Terneuzen). In deze terreinen worden maatregelen beoogd om landschappelijke accentuering van de verschillende fortterreinen uit de Tachtigjarige Oorlog mogelijk te maken. Het archeologisch onderzoek was noodzakelijk om een waarheidsgetrouwe reconstructie van (gedeelten van) de (voormalige) fortterreinen mogelijk te maken. Van de vier tijdens het bureauonderzoek onderzochte deelgebieden werden er drie nader onderzocht door middel van een Inventariserend Veldonderzoek. Het betrof de deelgebieden Slikpoort en Bordeelschans, omdat er enerzijds het voornemen bestond de betreffende werken tot in een redelijke mate van detail (fysiek) te reconstrueren, maar anderszijds het bureauonderzoek hiertoe vooralsnog te weinig concrete aanknopingspunten bood. Voor deelgebied Fort St.-Jan geldt, dat de ingreep hier uitsluitend het uitbaggeren van bestaande grachten behelst, en er uit het bureauonderzoek geen significant risico bestaat op het aantasten van archeologische waarden, zodat er geen noodzaak bestaat tot nader veldonderzoek. Op basis van het uiteindelijk uitgevoerde onderzoek werden voor de vier onderzochte deelgebieden de volgende aanbevelingen geformuleerd: Deelgebied Slikpoort: Tot op heden is de vorm en constructiewijze van de Slikpoort nog niet in voldoende mate vast te stellen. Het betrof mogelijk een houten poort, of mogelijk zelfs niet meer dan een eenvoudige open doorgang door de vestingwal. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een kleinschalig proefsleuvenonderzoek rondom de boringen 3, 7, 8, 11 en 13 zou wellicht meer inzicht kunnen verschaffen in het antwoord op de vraag, wat de vorm en constructiewijze van de Slikpoort is geweest. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Deelgebied Bordeelschans: Wanneer men wil weten of de Bordeelschans hier lag, moet er een geofysisch onderzoek en mogelijk tevens een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Deelgebied Mauritsfort: ADC ArcheoProjecten adviseert om het fortterrein uitsluitend te reconstrueren met behulp van beplanting. In dat geval kan het terrein worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling, waarbij het aanbeveling verdient, de op afbeelding 38 van dit rapport weergegeven reconstructie als leidraad te gebruiken, en om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht eventuele archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Indien er voor wordt gekozen, de reconstructie vorm te geven door te ontgraven, wordt aanbevolen dit te laten voorafgaan door een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, teneinde meer zekerheid te verkrijgen omtrent de exacte ligging van de voormalige gracht en hiermee te voorkomen dat er onverhoopt buiten de recente grachtvullingen en binnen de zone met eventueel nog aanwezige archeologische restanten van het fortterrein wordt ontgraven. Tenslotte wordt aanbevolen de begrenzing van het bestaande AMK-terrein aan te passen aan de reconstructie op afbeelding 27 van dit rapport. Deelgebied Fort St.-Jan: ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, met de kanttekening dat bij het uitbaggeren langs de binnenoever enige voorzichtigheid in acht genomen dient te worden, waarbij men er zich van moet vergewissen dat er niet meer dan de recente aanplempingslagen worden verwijderd. Hiervoor is deskundig archeologisch toezicht (door SCEZ of een een bekwaam amateurarcheoloog) noodzakelijk. Tevens dient men de uitvoerder van het grondwerk dient te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet
    corecore