1,721,170 research outputs found

    archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

    No full text
    RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft in samenwerking met Eckhart Heunks Landschapsarcheologie, in de periode maart-juni 2010 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied De Bree, gemeente Bodegraven. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij de aanvang van het veldonderzoek voor vrijwel het gehele plangebied een hoge verwachting voor het aantreffen van (intacte) archeologische overblijfselen uit de Prehistorie en Romeinse tijd. Aan de hand van de verkennende fase van het veldonderzoek is deze verwachting genuanceerd. Met name het meest zuidelijke deel (jonge fase meandergordel van de Oude Rijn) en een smalle, nieuw gekarteerde crevasse in het meest noordelijke deel blijken kansrijke locaties voor het aantreffen van sporen van bewoning en/of andere activiteiten. Voor deze locaties geldt een hoge archeologische verwachting. Voor de overige delen kan op grond van de veldkenmerken eerder worden uitgegaan van een middelmatige tot lage archeologische verwachting. Het karterend booronderzoek is uitgevoerd over het gehele plangebied, conform de richtlijnen van de provincie Zuid-Holland. Gemiddeld zijn over het plangebied 11 boringen/ha geplaatst. Alleen ter hoogte van de crevasse zijn daarbij mogelijk archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van houtskool. De stratigrafische ligging hiervan (top crevasse) en landschappelijke situering van de houtskoolspreiding geven aanleiding om een antropogene oorzaak niet uit te sluiten. Het ontbreken van andere indicatoren en/of een gerijpte bodemhorizont en/of cultuurlagen geeft daarentegen tevens aanleiding om rekening te houden met een natuurlijke oorzaak

    RAAP-rapport 1588

    No full text
    RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft in de periode juni-december 2007 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van de aardgastransportleiding tussen Angerlo en Hernen (A-663). In totaal heeft het veldonderzoek drie nieuwe vindplaatsen opgeleverd, dat wil zeggen locaties met zeer waarschijnlijk archeologische resten in situ die niet eerder ontdekt/geregistreerd zijn. In de Liemers betreft het een vindplaats van een nederzettingsterrein op een kleine rivierduin met vermoedelijk een datering in de IJzertijd (vindplaats 2). In de omgeving van Beuningen gaat het om een vermoedelijk aardgastransportleidingtracé Angerlo-Hernen (A-663); archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek en aanvullend bureauonderzoek nederzettingsterrein uit de Late Middeleeuwen (ten noorden van de Van Heemstraweg) en een locatie met een minder duidelijk karakter en een brede datering in de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen iets ten zuiden van de Van Heemstraweg (resp. vindplaatsen 13 en 14). Daarnaast zijn de archeologische kenmerken van veertien reeds bekende archeologische vindplaatsen op en/of nabij het tracé in het veld nader onderzocht. Van deze bekende vindplaatsen zijn er vier waarvoor op grond van de veldbevindingen nader waarderend veldonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Samen met de al bekende vindplaatsen (vindplaatsen 15 en 16) zijn er zes vindplaatsen waarvoor een nader waarderend veldonderzoek noodzakelijk wordt geacht

    Heerlijkheid op moderne leest : cultuurhistorische rapportage voor de herinrichting van de Oostelijke Willemspolder : achtergronden, analyses en kansen

    No full text
    Onderzoek uitgevoerd door RAAP in opdracht van Dekker van de Kamp, Landschapsontwikkelin

    Plangebied Centrum Geldermalsen, gemeente Geldermalsen

    No full text
    In opdracht van de gemeente Geldermalsen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in maart 2007 een bureaustudie met visuele inspectie uitgevoerd in het kader van de Centrumvisie Geldermalsen. De Centrumvisie gaat als leidraad dienen voor toekom- stige, ingrijpende (ruimtelijke) ontwikkelingen in het centrum van Geldermalsen. Het plangebied maakt deel uit van een zone met een rijke bewoningsgeschiedenis en een hieraan gerelateerde hoge dichtheid aan (verwachte) archeologische resten. Voor het centrum van Geldermalsen is aan de hand van de resultaten van het bureau- onderzoek en de veldinspectie een archeologische verwachtingskaart opgesteld. De belangrijkste verschillen ten opzichte van de gemeentelijke kaart (Heunks, 2006) zijn dat de grenzen van de geologische eenheden binnen het plangebied preciezer zijn vastgelegd; dat het oude verloop van de Linge-geul is toegevoegd; en dat er binnen de fossiele meandergordel een morfologisch onderscheid is gemaakt tussen de meandergordel en ‘het dal van de Linge’. Er is onderscheid gemaakt tussen zones met een lage archeologische verwachting en zones met een hoge archeologische verwachting. In de zones met een lage Archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van nederzettingen klein geacht. Wel dient in deze zones rekening gehouden te worden op het voorkomen van specifiek watergerelateerde archeologische objecten en structuren (zoals vaar- tuigen, beschoeiingen, fuiken, etc.) en resten van specifieke activiteiten zoals bak- steenfabricage (veldovens) en oude afwateringspatronen. Bij graafwerkzaamheden in deze zones wordt, afhankelijk van de diepte en omvang van werkzaamheden, een archeologische begeleiding aanbevolen. Een archeologische begeleiding houdt in dat tijdens de werkzaamheden een archeoloog eventueel archeologische resten documenteert. Bij het begeleiden van graafwerkzaamheden geldt de voorwaarde dat indien tijdens graafwerk belangrijke archeologische resten worden aangetroffen, de begeleiding kan resulteren in een archeologische opgraving, waarbij de werkzaam- heden stilgelegd worden. Na het uitvoeren van de opgraving kunnen de werkzaam- heden zonder verdere restricties hervat worden. Voor zowel een archeologische begeleiding als een opgraving dient een Programma van eisen (PvE) opgesteld te worden. Bij bodemingrepen in de zones met een hoge archeologische verwachting is Archeologisch onderzoek verplicht (zie de archeologische beleidskaart van de gemeente Geldermalsen). Het soort archeologisch onderzoek is afhankelijk van de aard van de zone

    RAAPRAPPORT 102

    No full text
    onderzoeksrappor

    Een archeologische opgraving van enkele middeleeuwse erven

    No full text
    In opdracht van Dorps Wonen heeft RAAP in januari 2016 een archeologisch proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving uitgevoerd aan de Streepstraat in Berkel-Enschot, gemeente Tilburg. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met bouwplannen aldaar. Nadat uit het proefsleuvenonderzoek was gebleken dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig waren, is door de gemeente Tilburg besloten dat een gebied met een oppervlakte van 2.850 m² diende te worden opgegraven. Het primaire doel van deze opgraving was het veilig stellen van de wetenschappelijke informatie van deze vindplaats (behoud ex situ). Tijdens de opgraving zijn de resten van een middeleeuwse nederzetting gedocumenteerd, die op een dekzandrug is gelegen. Het gaat daarbij om diverse hoofd- en bijgebouwen, alsook andere structuren. Deze kunnen worden toegekend aan drie bewoningsfasen: - fase I: de Merovingische periode: 650-750 na Chr.; - fase II: de Karolingische periode: 750-900 na Chr.; - fase III: de Ottoonse periode: 900-1000 na Chr. De bewoning van fase I bestaat uit een hoofdgebouw en een bijgebouw, waarvan onduidelijk is of deze bij elkaar horen en één erf vormen. Er zijn aanwijzingen voor voedselbereiding in het hoofdgebouw, dus dat dit een woonhuis is, maar aanwijzingen voor ambachten ontbreken. Zeven hoofdgebouwen en twee tot zes, bijgebouwen kunnen worden gerekend tot fase II. De bewoning bestaat uit woonhuizen, waar in enkele gevallen aanwijzingen bestaan voor het voeren van een (gemengd) boerenbedrijf, alsook het beoefenen van ambachten, zoals een smederij en het spinnen van wol. De vondst van een fragment van een glazen trechterbeker uit de smederij is mogelijk een aanwijzing voor een zekere welstand. De hoofd- en bijgebouwen kunnen tot zes erven worden gereconstrueerd. In het laatste kwart van de 8e eeuw werd een waterput gebouwd, die in de watervoorziening van de gehele gemeenschap voorzag. De bewoning van fase III bestaat uit vier hoofdgebouwen en minstens twee bijgebouwen. Het gaat ook nu om woonhuizen, waar aanwijzingen bestaan voor het voeren van een (gemengd) boerenbedrijf, alsook het beoefenen van ambachten zoals weven. De hoofd- en bijgebouwen kunnen tot drie erven worden gereconstrueerd. In deze bewoningsfase raakte de waterput in onbruik. Noordelijker werd een waterkuil uitgegraven. Het lijkt het erop dat ook deze kuil in de watervoorziening van de gehele gemeenschap voorzag. De bewoning lijkt tot een einde te zijn gekomen op het einde van de Ottoonse periode. Door de activiteiten en ambachten die werden ontplooid, was men als gemeenschap in hoge mate zelfvoorzienend. Toch moesten bepaalde zaken worden aangevoerd. Keramiek werd voornamelijk vanuit het Rijnland geïmporteerd, maar ook uit de Midden-Maasvallei. Daarnaast werd ook op (supra-) lokaal niveau aardewerk geproduceerd. Het import-aardewerk betreft vaatwerk met een functie als kookpot, opslag- en transport en wellicht ook voor het presenteren van voedsel ofdrank. De glazen beker werd vermoedelijk uit het Rijnland geïmporteerd. Bij deze nederzetting hoorde ook een veestapel, waaronder varken, rund en wellicht ook paard. Er zijn geen resten van paden of wegen aangetroffen uit de bewoningsperioden, maar het valt op dat de hoofdgebouwen haaks op of parallel aan de huidige Streepstraat zijn georiënteerd. Dit is een indirecte aanwijzing voor een hoge ouderdom van deze weg, die wellicht teruggaat tot de 7e eeuw. Helaas heeft het onderzoek nauwelijks resten opgeleverd waarmee een reconstructie van de voedseleconomie en de begroeiing van het landschap kan worden gemaakt. Gezien de hoeveelheid woonhuizen en de mate van zelfvoorzienendheid van de nederzetting, zullen in de directe omgeving van de bewoning akkers hebben gelegen, en op grotere afstand wellicht weilanden of - in het dal van de Voorste stroom - een broekbos. Met deze opgraving is het onderzoek in het onderzoeksgebied en daarmee ook in het plangebied afgesloten. De initiatiefnemer heeft voldaan aan zijn erfgoedplicht. De resultaten wijzen erop dat in aangrenzende gebieden buiten het plangebied met behoudenswaardige resten rekening gehouden moet worden. Daarom wordt aan het bevoegd gezag (de gemeente Tilburg) aanbevolen archeologisch (voor-) onderzoek uit te laten voeren indien ontwikkelingsplannen voor aangrenzende gebieden worden voorgenomen

    RAAPRAPPORT 161

    No full text
    onderzoeksrappor

    RAAPRAPPORT 242

    No full text
    onderzoeksrappor

    RAAPNOTITIE 126

    No full text
    onderzoeksrappor
    corecore