1,234 research outputs found
NAR 25
Contents:
1. Introduction to the Voorne-Putten Project (R.M. van Heeringen & E.M. Theunissen)
2. Archaeological Background of the Project Area (E.J. van Ginkel)
3. Assessment of the Voorne-Putten Sites (R.M. van Heeringen & E.M. Theunissen)
4. Geoarchaeological Survey 2000-2001 (J.M. Moree)
5. The Preservation Potential of the Burial Environment (A. Smit)
6. Micromorphological Research on Site Formation Processes (M.J. Kooistra & B. Makaske)
7. The Preservation of Botanical Remains in Archaeological Sites on Voorne-Putten (T.J.J. Vernimmen)
8. Evaluation of the Physical Quality of Bone Material from Voorne-Putten (M.M.E. Jans)
9. Spatial Planning Perspective (W. van der Zijpp & B. van der Veken)
10. Results of the Quality Assessment (R.M. van Heeringen & E.M. Theunissen)
11. Lessons Learned (R.M. van Heeringen & E.M. Theunissen
Goud van Oud. Apeldoornse bouwstenen voor de Veluwse archeologie (SAGA-RAPPORT 2).
In 'Goud van Oud' (SAGA-RAPPORT 2, door R.M. van Heeringen, R. Schrijvers en W. Weerheijm, N.F.H.H. Vossen (red.), 2014) heeft de gemeente Apeldoorn tien oude archeologische onderzoeksprojecten uitgewerkt die plaats hebben gevonden in de gemeente Apeldoorn. Zo ook project Uddel-Hunneschans. In het gemeentelijk depot van Apeldoorn voor bodemvondsten was nog vondstmateriaal aanwezig van project Uddel-Hunneschans. Het vondstmateriaal is gedeponeerd (Gelders Archeologisch Centrum, 4-2-2015) met bijbehorende veldtekeningen, dia's en documentatie
A Pilot Study on the Monitoring of the Physical Quality of Three Archaeological Sites at the UNESCO World Heritage Site at Schokland, Province of Flevoland, the Netherlands
A Pilot Study on the Monitoring of the Physical Quality of Three Archaeological Sites at the UNESCO World Heritage Site at Schokland, Province of Flevoland, the Netherland
Inventariserend Veldonderzoek (IVO), d.m.v. proefsleuven
In opdracht van de gemeente Culemborg is van 28 september tot en met 1 oktober 2009 een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan de Prijsseweg, Goilberdingen, gemeente Culemborg. In het noordelijk deel van het plangebied is een vindplaats aangetroffen uit de Midden-IJzertijd. Op basis van het aardewerk kan mogelijk zelfs een oudere datering gegeven worden. Enkele scherven dateren uit de Romeinse tijd. De aangetroffen sporen betreffen met name kuilen, afvalkuilen en greppels. De kwaliteit van de sporen en vondsten is zeer goed. De vindplaats is gelegen ter hoogte van een kronkelwaard. Deze van oudsher relatief hoge locatie was aantrekkelijk voor bewoning en beakkering. In het zuiden ligt een komgebied dat feitelijk alleen geschikt is geweest voor beweiding. Sporen van huizen ontbreken, vandaar dat er waarschijnlijk sprake is van een off-site locatie
Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
ADC ArcheoProjecten heeft in april 2016 een bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Achterweg 28 te Lisse. Aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de opsplitsing van het terrein in 5 kavels en de hierop volgende nieuwbouw van enkele woningen. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt in een gebied van strand(wal)afzettingen waarin in de top van het strandzand en eventuele bovenliggende duinafzettingen archeologische resten vanaf het Neolithicum aanwezig kunnen zijn. Tevens zijn in directe nabijheid van het plangebied archeologische resten bekend uit de Late Middeleeuwen (Huis ter Specke) en Nieuwe Tijd (hoeve Dubbelhoven). De kans bestaat dat ook in het plangebied (bewonings-)activiteiten hebben plaatsgevonden dan wel archeologische resten aanwezig zijn, die hieraan te relateren zijn. Uit het bureauonderzoek is naar voren gekomen dat de bodem mogelijk door driesteekdelven in het verleden omgewerkt is en daarbij eventuele ondiep gelegen archeologische resten vernietigd zullen zijn. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen werd in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het plangebied maakt onderdeel uit van een strandvlakte al dan niet met vervlakte duinen. Daarop is in het verleden een kalkhoudende enkeerdgrond gevormd. Tijdens het verkennend booronderzoek is deze bodemopbouw ook aangetroffen en is duidelijk geworden dat er in het plangebied inderdaad een humeuze enkeerdgrond op strandzand aanwezig is. De top van de enkeerdgrond is tussen 0,4 en 0,8 m –mv aanwezig. In boring 001 en 005 zijn in het humeuze zand recente baskteenspikkels waargenomen. Het intacte strandzand is op een diepte van 0,8 tot 1,45 m –mv aangeboord. Door het driesteekdelven is de top van de oorspronkelijke strandwal vanaf 0,4 m -mv tot een maximale diepte van 1,45 m -mv verstoord geraakt. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek kan de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies
In Situ Preservation of submerged prehistoric settlements in Lakes of the Alpine Region. Anti-Erosion measures at sites in Lake Bienne, Switzerland
Ruimtelijk advies op basis van archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
Vestigia BV Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd aan het kerkplein 5a te Kockengen, gemeente Stichtse Vecht. Op het perceel aan het Kerkplein 5a (thans het achtererf van Voorstraat 10) wordt een woonhuis gerealiseerd. Daartoe zal de bestaande kas worden gesloopt en de betonvloer met een dikte van 20cm worden verwijderd. De bovengrond wordt tot een diepte van 60 cm –mv verwijderd ten behoeve van de fundering van de nieuwbouw. De nieuw te bouwen woning wordt gefundeerd met heipalen en een funderingsbalken rooster.
Het doel van het archeologisch vooronderzoek is vast te stellen of er in het plangebied sprake is van archeologische resten die door de bouwwerkzaamheden verstoord dreigen te worden en, zo ja, wat de waarde daarvan is in termen van beleving, fysieke en inhoudelijke kwaliteit. Vervolgens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld, op basis waarvan een advies gegeven is over een eventueel archeologisch vervolgtraject. Hiertoe is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 3.2). De boringen zijn gezet in een driehoeksgrid van 10 x 15 m. Dat wil zeggen dat de afstand tussen de boorraaien 10 m bedroeg en de afstand tussen de tussen de boringen binnen een raai 15 m. In het plangebied zijn 3 boringen gezet, wat voor het circa 300 m2 grote plangebied 100 boringen per hectare betekent. De boringen zijn uitgevoerd met een edelman boor (7/12 cm) en onder het grondwaterniveau doorgezet met een guts (3 cm). De maximale boordiepte bedroeg 60-270 cm –mv.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor wat betreft het aantreffen van bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen (1050-1500 na Chr.) en de Nieuwe tijd (1500-1950) omdat het plangebied gelegen is in de historische kern van Kockengen. De parochie Kockengen is reeds in de 12e eeuw gesticht en de historie van het dorp hangt samen met de middeleeuwse ontginningsgeschiedenis van de regio. Tevens gold voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor wat betreft het aantreffen van bewoningssporen uit de periode IJzertijd (800-12 voor Chr.) tot en met de Vroege Middeleeuwen (450-1050 na Chr.) vanwege de aanwezigheid in de ondergrond van de fossiele stroomgordel van het riviertje de Spengen. Het riviertje is vermoedelijk verland in de Romeinse tijd (12 voor Chr.-450 na Chr.). Vroegmiddeleeuwse bewoningssporen konden verwacht worden op deze fossiele stroomgordel. IJzertijdbewoning zal plaats hebben gevonden op goed ontwaterde veenafzettingen in de nabijheid van veenriviertjes als de Spengen.
Bij het booronderzoek is een antropogene laag aangetroffen met een dikte van ten minste 60 cm tot meer dan 200 cm. Deze laag is geïnterpreteerd als een ophogingslaag die in de loop van de Nieuwe tijd is ontstaan. Slechts in 1 boring was het mogelijk om tot in de natuurlijke bodem te boren. De aangetroffen afzettingen (sterk kleiig veen tot sterk humeuze klei) duiden erop dat het plangebied gelegen is naast de Spengen stroomgordel. Op basis van het karakter van het landschap in het verleden zoals dat uit het resultaat van het booronderzoek wordt afgeleid, wordt de kans op het aantreffen van bewoningssporen uit de periode IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen klein geacht. De hoge verwachting voor wat betreft bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, daterend van vóór de ophogingslaag, blijft bestaan. Dergelijke sporen kunnen onder het ophogingspakket nog intact aanwezig zijn.
Gezien de beperkte diepte van de bodemroerende ingrepen (60 cm –mv) vormen de bouwplannen echter geen bedreiging voor eventueel onder de ophogingslaag aanwezige archeologische resten. Alleen de heipalen zullen tot een grotere diepte reiken. Maar de verstoring door de heipalen is beperkt en doet geen onevenredige afbreuk aan de leesbaarheid van eventuele laatmiddeleeuwse of nieuwetijdse sporen.
Op basis van de onderzoeksresultaten adviseert Vestigia BV Archeologie & Cultuurhistorie daarom geen nader archeologisch onderzoek en ziet geen bezwaar in de voortgang van de bouwplannen
Archeologisch vooronderzoek in het kader van sloop en nieuwbouw van een woning aan de Regentesselaan 12 te Hilversum, gemeente Hilversum
In opdracht van Dhr. J.G. Bos heeft Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van karterende boringen verricht in het kader van de herinrichting van een plangebied aan de Regentesselaan 12 te Hilversum in de gemeente Hilversum (afbeelding 1, kaart 1). De ingrepen hebben betrekking op de sloop en de nieuwbouw van een woonhuis en een bijgebouw. Het plangebied is deels bebouwd met een huidige woning die zal worden gesloopt. De nieuwe woning krijgt een kelder onder het hele vloeroppervlak, aangelegd op ca. 3 m beneden maaiveld. Voorafgaand aan de ingrepen dient in kaart gebracht te worden welke archeologische waarden mogelijk in het geding zijn. In een eerdere versie van dit rapport betrof het plangebied nog alleen het te verstoren deelgebied rondom het hoofdgebouw (850 m2). Er zijn toen 6 boringen rondom die locatie gezet. De conclusies en het advies voortkomend uit dit onderzoek zijn aan de gemeente voorgelegd. Het conceptrapport is door uitblijven van een reactie na een jaar definitief gemaakt. De plannen zijn inmiddels aangepast. Aan de oostzijde van het perceel is nu ook een bijgebouw gepland. Het plangebied is daarom uitgebreid met 150m2. In het kader van deze uitbreiding zijn er ter plaats van het geplande bijgebouw twee extra boringen gezet plangebied. Dit heeft de conclusies uit de eerdere versie van het rapport niet doen wijzigen:
Op basis van het bureauonderzoek had het plangebied een hoge archeologische verwachting vanaf het Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Dit vanwege de positie op relatief onverstoorde sandr afzettingen. Deze archeologische verwachting is vervolgens in het veld getoetst door middel van karterende booronderzoek dat op 27 februari 2018 en in november 2019 is uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat de ondergrond van het plangebied tot in de natuurlijke ondergrond is verstoord. Er zijn in de boormonsters geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Advies
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor sporen en resten vanaf het Paleolithicum tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Op basis van het booronderzoek kan de hoge verwachting uit het bureauonderzoek worden teruggebracht naar een lage verwachting. Dit vanwege de hoge mate van verstoring en de afwezigheid van archeologische indicatoren in de gezeefde monsters. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) dan ook niet noodzakelijk geacht.
Het bevoegd gezag, de gemeente Hilversum, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Hilversum, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Een Bureauonderzoek
ADC ArcheoProjecten heeft in april 2016 een bureauonderzoek uitgevoerd naar de archeologische waarde voor een plangebied aan de Klinkenberg te Rothem, gemeente Meerssen (afb. 1 en 2). Het plangebied ligt ingesloten tussen de Maastrichterweg, Emmaweg en de Klinkenberg. Aanleiding voor het uitvoeren van het bureauonderzoek is de voorgenomen realisatie van een bergbezinkbassin. Hierbij zal de bodem over een oppervlakte van ruim 725 m2 tot een diepte van 6 m worden uitgegraven. Rondom het bergbezinkbassin zal ondergrondse infra worden aangelegd. Tevens wordt een rioolsleuf gegraven vanaf het bergbezinkbassin naar de westzijde van de A2. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een terrasrand van het Terras van Mechelen aan de Maas ligt, welke gedurende het vroeg en midden-Wechselien is gevormd. In het holoceen zijn hierop kalkloze ooivaaggronden afgezet waarbij tussen 0,4 m -mv en 1,2 m -mv de kalkoze jonge rivierklei overgaat in oude rivierklei. In het verleden zijn op het Terras van Mechelen aan de Maas meerdere vindplaatsen zijn aangetroffen uit de bronstijd, ijzertijd, Romeinse Tijd en Middeleeuwen. De vindplaatsen liggen, stratigrafisch gezien, op de overgang van de jonge naar de oude rivierklei. Eén van de archeologische nederzettingsterreinen uit de Romeinse Tijd omvat meerdere crematiegraven alsook een Romeinse weg. Deze weg maakte als secundaire weg deel uit van de Via Belgica, een Romeinse hoofdweg van de Franse zeekust naar het Duitse Rijnland. Ten oosten van Meersen is deze Via Belgica tot aan Voerendaal als provinciaal archeologisch aandachtsgebied aangemerkt. Op de diverse archeologische verwachtingskaarten van het Maasdal is er in het plangebied sprake van een kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten. Ook op de archeologische beleidskaart van de gemeente Meerssen ligt het plangebied in een zone met zeer hoge trefkans en middelhoge trefkans. Volgens de Archeologische Monumenten Kaart maakt een gedeelte van het plangebied deel uit van een archeologisch monument van hoge waarde (historische kern Rothem). Op het beschikbare kaartmateriaal lijkt de historische bebouwing van Rothem zich niet in het plangebied uit te strekken. Binnen het onderzoeksgebied zijn enkele kabels en leidingen aanwezig, waardoor er vanuit kan worden gedaan dat de bodem plaatselijk (deels) verstoord zal zijn. Uit bodemloket is gebleken dat de bodem in het plangebied ernstig verontreinigd is (geweest). Navraag bij de provincie Limburg leert dat er nog geen sanering is uitgevoerd. Eventuele archeologische vindplaatsen / lagen zouden dan ook nog in de bodem aanwezig zouden kunnen zijn. Al met al kan geconcludeerd worden dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de bronstijd tot en met de Middeleeuwen. Of er in het plangebied ook daadwerkelijk archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn is van uit het bureauonderzoek niet expliciet duidelijk geworden. Om de kans op aanwezigheid van archeologische resten te bepalen is vooral het verwerven van inzicht in de bodemopbouw en de mate van intactheid van belang. ADC ArcheoProjecten adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. De boringen dienen in een verspringen grid met een dichtheid van 6 boringen per hectare te worden geplaatst, met een minimale hoeveelheid van 5 boringen per plangebied. Voor het terrein ter plaatse van en rondom het bergbezinkbassin komt dit neer op 5 boringen en voor de te graven rioolsleuf met een lengte van 220 m dienen 5 verkennende boringen met een tussenafstand van 50 m te worden geplaatst. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA)
Handreiking prospectief onderzoek in Flevoland voor het opsporen en waarderen van vindplaatsen uit de vroege prehistorie
De voorliggende handreiking prospectief onderzoek in Flevoland voor het opsporen en waarderen van vindplaatsen uit de vroege steentijd vormt de uitwerking van thema 1C zoals benoemd in het Programma Kennisontwikkeling Archeologie Hanzelijn (PKAH). Het doel van de handreiking is om conform de onderzoeks- en waarderingssystematiek in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) een hulpmiddel te verschaffen bij het voorbereiden van – het opstellen van een plan van aanpak voor - het opsporen en waarderen van archeologische vindplaatsen uit de vroege prehistorie in de provincie Flevoland
- …
