34 research outputs found
Apparaat voor detectie van file op autowegen
Filevorming op autowegen kan leiden tot gevaarlijke situaties voor automobilisten die hierdoor onverwacht moeten remmen. Voor "bottlenecks” waar dit kan voorkomen, zoals onderaan de opgaande helling van een tunnel, wegversmallingen, onoverzichtelijke bochten e.d. is een apparaat ontwikkeld dat dit met behulp van inductielusdetectoren signaleert.Electrical Engineering, Mathematics and Computer ScienceAutomatische Verkeerssysteme
Bereiding van ureum volgens Toyo Koatsu
Document(en) uit de collectie Chemische ProcestechnologieDelftChemTechApplied Science
Alles anders in 1,6 seconden: Afleiding – Deel 2: de gevolgen van een afleiding
Stel, u rijdt op een drukke snelweg en het is behoorlijk druk. De signaalborden geven voortdurend aangepaste snelheden aan. U houdt het verkeer om u heen goed in de gaten. In uw achteruitkijkspiegel ziet u een auto slingeren en links en rechts tegen andere auto’s aanbotsen. Een spectaculair gezicht; uw aandacht is nu volledig op uw spiegel gericht. Zonder dat u er erg in heeft, gaat u langzamer rijden en verschuift uw auto richting de linkerrijstrook. Het verkeer voor u begint alweer te remmen…Safety and Security Scienc
Dijkdoorbraken in Nederland. Onstaan, voorkómen en bestrijden
Overstromingsrisicos worden groter doordat enerzijds als gevolg van klimaatveranderingen de kans op een doorbraak toeneemt en anderzijds de potenti schade als gevolg van de bevolkingsgroei en economische ontwikkelingen toeneemt. In het huidige ontwerpproces van dijken wordt geen rekening gehouden met de invloed van het dijkontwerp op het proces van bresgroei na een onverhoopte dijkdoorbraak. Er wordt enkel gekeken of de sterkte van de dijk groter is dan de belastingen. Veel aandacht gaat hierbij uit naar de belasting (het liefst wil men tot op de centimeter nauwkeurig de waterstanden kunnen voorspellen). Grote onzekerheid bestaat echter over de aanwezige reststerkte van de dijk nadat de eerste kenmerken van falen (primaire schade) worden waargenomen. Ook inzicht in de effecten van de opbouw en geometrie van de dijk op het proces van bresgroei ontbreekt. Doel van dit afstudeerwerk is dan ook geweest meer inzicht te verkrijgen in het ontstaan en de groei van een bres en zodoende tot haalbare oplossingen te komen (zowel in de preventieve als in de curatieve sfeer) om bresgroei te kunnen remmen dan wel te kunnen voorkomen. Op het moment dat meer inzicht is verkregen in het ontstaan van dijkdoorbraken kunnen effectieve preventieve maatregelen als ook noodmaatregelen worden aangedragen om de reststerkte van een dijk te vergroten dan wel bresgroei te doen remmen. Deze maatregelen zijn erg belangrijk omdat het terugdringen van de invloed van de overstroming (minder water, meer tijd) mensenlevens kan redden en de overstromingskosten aanzienlijk kan doen verminderen. In het voorkomen van schade (en slachtoffers) zijn de volgende maatregelen effectief gebleken: verdedigen van het binnentalud tegen erosie door het aanbrengen van doorgroeibetonblokken op een flauw talud. aanbrengen van een erosiebestendige drempel. het (verhoogd) aanleggen van een teenconstructie als ook het bekleden van de gehele benedenzijde van het talud vanaf de teen tot op het niveau van de buitenberm (indien aanwezig). Voor de situatie dat bresgroei onvermijdelijk is of zelfs al is begonnen, is gebleken dat het stoppen van de groei van de bres niet eenvoudig is. De inzet van helikopters lijkt zinvol tot het moment dat de kruin als gevolg van terugschreidende erosie geheel is verdwenen. De inzet van een splijtbak die dienst doet als tijdelijke waterkering kan in een later stadium van het bresgroeiproces onder bepaalde omstandigheden nog uitkomst biedenCivil Engineering and Geoscience
Vergelijkend onderzoek zetstenen voor dijken: Samenvattend rapport
In het kader van het “Vergelijkend onderzoek zetstenen voor dijken” is onderzocht of zetstenen slimmer ingezet kunnen worden bij dijkversterkingen. Doordat de thans leverbare typen zetstenen verschillen in vorm, hebben ze ieder specifieke kwaliteiten. Ze zijn bijvoorbeeld extra stabiel of remmen de golfoploop goed. Dit onderzoek is uitgevoerd omdat er nog te weinig kennis was over hun unieke eigenschappen om de stenen optimaal te benutten en te vergelijken. Het onderzoek richtte zich op twee eigenschappen van zetstenen: de stabiliteit bij hoge golven en de golfoploopremming (reductie golfoverslag). Deltares heeft deze kenmerken met behulp van proeven in de Scheldegoot en de Deltagoot onderzocht. De zetstenen zijn hiervoor op schaal getest. In dit onderzoek is het volgende bepaald op basis van experimenteel onderzoek: • de stabiliteitsfactor voor de volgende typen steenzettingen: Basalton, Hillblock, Ronaton, Verkalit en Cstar. • de ruwheidscoëfficiënt ten aanzien van de golfoploopremmende werking van 3 typen steenzettingen: Hillblock, Ronaton en Verkalit • de ruwheidscoëfficiënt ten aanzien van de golfoverslagreducerende werking van steen-zettingen die geplaatst zijn in een dambordpatroon of ribbenpatroon De stabiliteitsfactor gaat in het kader van dit project opgenomen worden in het rekenmodel Steentoets, waarmee steenzettingen getoetst en ontworpen worden. De introductie van de stabiliteitsfactor daarin zorgt ervoor dat de specifieke stabiliteit van elk type steenzetting goed wordt weergegeven door het rekenmodel, rekening houdend met een veiligheidsmarge. Het zorgt ervoor dat de steenzettingen die een hoge stabiliteit hebben volgens de proeven in de Deltagoot met een kleinere dikte kunnen worden ontworpen dan de steenzettingen met een lage stabiliteit. De ruwheidscoëfficiënten kunnen gebruikt worden voor het berekenen van de golfoverslag en golfoploop met de formules uit TAW (2002). Hiermee kan de kruinhoogte van dijken worden geoptimaliseerd.Steenzettinge
Hvordan kan sykepleieren identifisere og håndtere delirium hos den eldre sykehusinnlagte pasienten med underliggende demenssykdom?
Tittel: Hvordan kan sykepleieren identifisere og håndtere delirium hos den sykehusinnlagte eldre pasienten med demenssykdom i bunn?
Dato: 01.06.23
Nøkkelord: Delirium, demens, identifisering, behandling
Antall sider/ord: 38/7649 Antall vedlegg: 5
Bakgrunn
Forfatterne av oppgaven har erfart at det finnes lite kunnskap angående delirium hos pasienter som tidligere er rammet av demens. Identifisering av delirium hos disse pasientene kan være utfordrende, da symptomene ofte forveksles med demenssykdommen.
Hensikt
Finne ut hvordan delirium hos pasienter med underliggende demenssykdom kan identifiseres på en rask og effektiv måte, samt hvordan ikke-farmakologiske tiltak kan være med på å redusere varigheten og alvorlighetsgraden av deliriet.
Metode
Litteraturstudie som inkluderer både kvalitative og kvantitative studier
Resultat
Identifiseringen av delirium: grunnet lite kunnskap feiler mange sykepleiere i å identifisere og gjenkjenne symptomer på delirium hos pasienter med demens. Dette uavhengig av hvilket skåringsverktøy som blir brukt, og det er spesielt ved hypoaktivt eller blandet delirium at sykepleiere underkjenner tilstanden.
Ikke-farmakologiske tiltak og håndtering av tilstanden: studier viser at et sykepleierledet multikomponerte ikke-farmakologiske tiltak har resultert i redusering av forekomsten og alvorlighetsgraden av delirium hos sykehusinnlagte eldre.
Sykepleieres kunnskaper: Mange sykepleiere har for lite kunnskap om delirium, og ser på det som en vanlig reaksjon hos eldre som ble innlagt på sykehus. Studier anbefaler å sette inn undervisningstiltak for å øke kunnskapen og bevisstheten rundt aktuelle tema.
Konklusjon
Implementering av rutiner og opplæring i bruk av scoringsverktøy er viktig for korrekt identifisering av tilstanden. Flere studier støtter oppunder at scoringsverktøyet 4AT er et godt instrument å benytte hos pasientene. Iverksetting av et undervisningsprogram som fokuserer på aktuelle tema, vil kunne forbedre håndteringen av delirium hos pasienter med kognitiv svikt og demenssykdom. Økt kunnskap fører til økt bruk av ikke-farmakologiske tiltak.Title:
How can nurses identify and manage delirium in the hospitalized elderly patient with underlying dementia?
Date: 01.06.23
Keywords: Delirium, dementia, identifying, treatment
Number of pages/words: 38/7649 Number of attachments: 5
Background
The author of the thesis have experienced that there is little knowledge regarding delirium in patients who have previously been affected by dementia. Identifying delirium in these patients can be challenging, as the symptoms are often confused with dementia.
Purpose
Find out how delirium in patients with underlying dementia can be identified quickly and effectively, as well as how non-pharmacological measures can help reduce the duration and severity of the delirium.
Method
Literature study that includes both qualitative and quantitative studies
Results
Identification of delirium: due to little knowledge about this, nurses often fail to identify and recognize symptoms of delirium in patients with dementia. This is independent of which scoring tool is used, and it is especially in the case of hypoactive or mixed delirium that nurses do not recognize the condition.
Non-pharmacological measures and management of the condition: studies show that a nurse-led multi-component non-pharmacological measures has resulted in reducing the incidence and severity of delirium in hospitalized elderly.
Nurses’ knowledge: Many nurses have too little knowledge about delirium, and it is often seen as a common reaction in elderly who have been admitted to the hospital. Studies recommend introducing teaching measures to increase knowledge and awareness of currant topics.
Conclusion
Implementation of routines and training in the use of scoring tools is important for correct identification of the condition. Several studies support that the scoring tool 4AT is a good instrument to use when it comes to these patients. Implementation of a teaching program that focuses on current topics will be able to improve the management of delirium in patients with cognitive impairment and dementia. Increased knowledge leads to increased use of non-pharmacological measures
D4-05: Is survival after surgical resection of lung cancer influenced by the presence of atypical adenomatous hyperplasia (AAH)?
Wiskundig modelleren van celpolarisatie
Celmigratie wordt voornamelijk door twee eiwitten veroorzaakt, namelijk Rac en Rho van de Rho-GTPases familie. Deze eiwitten kunnen zowel in actieve als inactieve vorm voorkomen [2], [6], [7]. De actieve vorm is gebonden aan het celmembraan en de inactieve vorm zit los in de cel [7]. De eiwitten kunnen zich verplaatsen in de cel. Doordat de actieve vorm gebonden is en de inactieve vorm niet, is de diffusiesnelheid van de inactieve vorm van het eiwit hoger dan van de actieve vorm [6], [7]. De kant met de hoogste concentratie actieve Rac is de voorkant van de cel. Actieve Rac zorgt voor een uitstulping aan de voorkant van de cel en Rho zorgt voor samentrekking van de cel aan de achterkant [2], [7]. Cellen zijn omgeven door een heel netwerk aan eiwitvezels waarmee de cel continu in aanraking is tijdens de migratie. Dit netwerk aan eiwitvezels wordt ook wel het extracellulaire matrix (ECM) genoemd. Doordat actieve Rac de cel stimuleert om met een speciale receptor (integrin) een binding aan te gaan met bijvoorbeeld het eiwit fibronectine en Rho deze uiteindelijk weer verbreekt, kan de cel ’lopen’. Eiwitten Rac en Rho werken elkaar tegen en remmen ook elkaar . Het ECM stimuleert juist het eiwit Rho en soms ook Rac [2]. In een specifiek lab experiment konden melanoomcellen (huidkankercellen) drie verschillende fenotypes hebben, namelijk random, oscillerend en polair [2], [5], [7]. Het fenotype random betekent dat de cel nagenoeg stilstaat, oscillerend betekent dat de cel wisselt tussen naar voren en naar achter gaan, en bij polair gaat de cel blijvend één kant op. In hetzelfde lab experiment is er sprake van een gradiënt in de afstand tussen pilaren bedekt met fibronectine, wat zorgt voor meer contact van een cel met fibronectine [5]. Dit bootst de invloed van het ECM na [2]. Als de cel het fenotype polair heeft en de kant op gaat van het ECM waarbij de afstand van deze pilaren bedekt met fibronectine steeds groter wordt, spreken we van topotaxis [7]. Als de cel de andere kant hierbij op gaat, spreken we weer van tegengestelde topotaxis. Of er sprake is van topotaxis of van tegengestelde topotaxis hangt af van in hoeverre het ECM het eiwit Rac en/of Rho stimuleert. In experimenten is gevonden dat topotaxis een rol speelt in het verspreiden van kankercellen zoals melanoomcellen [4]. De soort bindingen die een cel met zijn integrinnen maakt met het fibronectine in het ECM kunnen worden gezien als ’catch-slipbindingen’. Catch-bindingen zijn bindingen die sterker worden als de kracht erop toeneemt tot een bepaald moment. Dan is de kracht zo groot dat de binding breekt. ’Slip’-bindingen daarentegen worden zwakker als de kracht toeneemt. Deze combinatie weergeeft volgen experimenten een goed beeld van de werkelijke binding tussen een integrin en fibronectine [3]. We modelleren aan de hand van een aantal verschillende wiskundige modellen celmigratie met behulp van de eiwitten Rac en Rho en het ECM. We doen dit voor een 2-compartimenten model zonder diffusie en alleen afhankelijk van de tijd, dat de koppeling tussen de voor- en achterkant van een cel beschrijft, en een model in 1D met diffusie. Deze modellen bestaan uit reactie-diffusie differentiaalvergelijkingen en we hebben ze met behulp van python 3.9 gemodelleerd. We onderzoeken de onderliggende verbanden tussen de parameters uit de modellen en experimentele bevindingen. Op deze manier willen we bereiken dat we het fenotype kunnen voorspellen en zo kanker vroeger kunnen constateren bij mensen en beter therapieën ertegen kunnen ontwikkelen.Applied Mathematic
Logistiek Kader OLT Den Haag
Het Ondergronds Logistiek Transportsysteem Den Haag moet in 2030 bovengronds goederenvervoer in de agglomeratie Den Haag overbodig maken. Tot de agglomeratie Den Haag behoren de gemeenten Den Haag, Rijswijk, Leidschendam en Voorburg. Goederen die bestemd zijn voor de agglomeratie worden afgezet bij het Logistiek Stadspark dat gelokaliseerd is nabij het huidige Forepark. Vanuit het Logistiek Stadspark zullen de goederen via een ondergronds systeem naar de plaats van bestemming worden gebracht. Per etmaal zal via dit systeem in totaal 100.000 kubieke meter aan goederen worden vervoerd. Waar systemen als Combiroad op nationaal niveau zorgdragen voor energiezuinig, milieuvriendelijk en veilig goederenvervoer zal OLT Den Haag dit op stedelijk niveau doen. In het Logistiek Stads Park komen goederenstromen van regionaal en nationaal niveau binnen. Op dit moment worden de goederen nog voornamelijk via vrachtwagens vervoerd maar in 2030 zullen dit ook geautomatiseerde systemen zijn zoals bijvoorbeeld Comiroad. De goederen die binnenkomen bij het Logistiek Stads Park zijn voornamelijk verpakt in containers. De containers zijn onderverdeeld in pallet-eenheden. Deze pallets hebben een afmeting van l,20x0,8m met een maximale hoogte van l,50m. Dit zijn ook de laadeenheden van OLT Den Haag. Hierdoor is het ondergrondse distributiesysteem inpasbaar in de goederenstromen van regionaal en nationaal niveau. Goederen die niet op pallets passen zullen in de nachtelijke uren met speciale zendingen worden vervoerd. De pallets worden per 5 stuks op een ladingdrager geladen. Deze ladingdrager is een onbemand voertuig dat volautomatisch zijn plaats van bestemming kan bereiken. Om dit te kunnen doen is het voertuig uitgerust met een aandrijving en een besturingssysteem. Het besturingssysteem meet de afstand tot voorliggende voertuigen en geeft signalen aan de aandrijving om te remmen en te versnellen. De aandrijving van het voertuig is zoveel mogelijk verplaatst naar de infrastructuur. Dit betekend dat het voertuig zelf geen accu's en volumineuze motoronderdelen heeft maar wordt aangedreven door een vorm van magnetische inductie. Gezien het grote aantal ladingdragers dat gebruik maakt van het systeem (625) is het economisch aantrekkelijk om ze zo eenvoudig mogelijk te houden. Als de ladingdrager geladen is met een aantal pallets zal hij met een gemiddelde snelheid van circa 40km/u en een topsnelheid van 50km/u via de ondergrondse infrastructuur op weg gaan naar de plaats van bestemming. Aangekomen bij de bestemming kan de ladingdrager worden gelost. Vervolgens kan de ladingdrager weer worden geladen met goederen die vanuit de agglomeratie naar een andere locatie in de agglomeratie of naar een totaal ander gebied in Nederland moeten worden getransporteerd. De infrastructuur waar de voertuigen gebruik van maken is aangelegd als een ring met een dubbele baan die de knooppunten (Distributie Centra) verbindt. De totale ring van OLT Den Haag is circa 40km lang. De 12 Distributie Centra liggen onder bovengrondse locaties die een grote transportbehoefte hebben en dus ook veel ladingen uit het systeem zullen ontvangen. De ladingdrager kan vanuit het Distributie Centrum ook via een eenvoudige enkele baan naar een zogenaamd Distributie Punt worden getransporteerd. Dit Distributie Punt kan bijvoorbeeld liggen in de kelder van een groot warenhuis of kantorencomplex. Het gaat hier om locaties die op termijn worden aangesloten op het systeem. In eerste instantie zal het systeem dus alleen bestaan uit de dubbele ringleiding met Distributiecentra die een grote transportbehoefte hebben. De aftakkingen naar de Distributie Punten worden later op aanvraag van de klant aangelegd.Transport & PlanningCivil Engineering and Geoscience
A Visual Analysis on Animal Model of Sarcopenia Based on VOSviewer
Objective Analyze the current situation, hotspots and development trends of sarcopenia animal model to provide research direction and basic information for sarcopenia animal model research.Methods English literature of research on animal models of sarcopenia was retrieved from the Web of Science core data (WOS) set from 1900-01-01 to 2022-12-31. Chinese literature related to animal models of sarcopenia was retrieved from CNKI database between 1915 and 2022. The bibliometric analysis software VOSviewer was used to explore the countries, orgonizations, authors, hotspots and frontier directions in these studies.Results A total of 2 819 articles on animal models of sarcopenia were retrieved from WOS core database. The first paper was published in 1995. The United States has the largest number of animal model studies of sarcopenia with 1 105 articles. The institution with the most published articles is the University of Florida in the United States, with 69 articles. The University of Hong Kong has the highest number of publications in China, with 20 articles. American author Van Remmen H, with 50 publications, is the author of the most articles. The journal with the largest number of articles published on animal models of sarcopenia is the American journal called FASEB Journal, with 196 articles. In total, 423 articles on animal models of sarcopenia were retrieved from the CNKI database. Author LI Zhuyi has published 19 articles, and is the author of the most articles in China. The keyword co-occurrence clustering analysis of WOS literature search found that the research focus on animal model of sarcopenia can be summarized as the correlation between sarcopenia and metabolism, cytology and regenerative medicine of sarcopenia animal models, the study of sarcopenia animal models in bone, muscle, nerve and exercise therapy. The retrieval results of CNKI database revealed that the most extensive research was about on the model of denervated sarcopenia, and researches on the effects of Chinese medicine on sarcopenia were also widely reported. Through reading the full articles or abstracts of the literature, the animal models of sacopenia mainly include natural aging model, genetic modification model, high-fat diet induction model, disuse model, hormone induction model and complex sarcopenia models of other diseases.Conclusion In recent years, the study on animal model of sarcopenia has become a hotspot at home and abroad.The bibliometric analysis provides a basis for the research of animal models of sarcopenia in terms of research direction, hotspots, model animal selection, animal model making, and domestic and international communication and cooperation
