172 research outputs found

    Dissertatio inauguralis juridica de publiciana in rem actione ...

    No full text
    Europeana-GoogleBook

    Outsider status: stigma and discrimination experienced by gay men and African people with HIV

    No full text
    In recent years there has been an increasing amount of international-level policy and research about the negative impact that HIV-related stigma and discrimination have on the well-being of people with HIV and on prevention (Aggleton & Parker 2002, DeBruyn 2002, Nyblade 2003, UNAIDS/WHO 2003, United Nations 2001). It is clear that stigma and discrimination relating to HIV infection are persistent problems for those who have been diagnosed. Evidence gathered in the UK demonstrates that the majority of people living with HIV report the effects of stigma and discrimination in a range of settings (see Scott 2001 for a detailed review). Sigma’s own work investigating the experiences of people living with HIV in the UK has found that just under a quarter experienced discrimination within the previous year while accessing services, social settings, and in public (Weatherburn et al. 2002). Moreover, a study focussing on African people living with HIV in the UK (Weatherburn et al. 2003) revealed that over one third had experienced problems with discrimination in the previous year. This same study revealed that just under half of African people with HIV had not revealed their diagnosis to anyone they lived with, two thirds had not told their employers and a quarter had not told their GP. There is little question that people’s concern about disclosure of their diagnosis bears a direct relationship to their concern that doing so will bring about damaging consequences. Although the prevalence and impact of stigma and discrimination relating to HIV in the UK is clear, there is little qualitative research that explores the operation of stigma and discrimination as processes and seeks to describe the nature of the relationship between stigma, discrimination and reduced health outcomes (although see Elam, 2004). Case studies and policy reports point to the role of government policy, political leadership and social environments in either worsening or ameliorating the negative effects of stigma and discrimination (Atrill et al. 2001, Kinniburgh et al. 2001, Fortier 2003). This report presents the findings of a study which explores how stigma and discrimination contribute to reduced health and well-being for the two largest groups of people living with HIV in the UK: African migrants and Gay and Bisexual men. In order to do so, it is necessary to critically consider the ways in which stigma and discrimination are theorised and described

    Sip1 (Zfhx1b) en de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel: één eiwit, verschillende functies

    No full text
    Smad-Interagerend eiwit-1 (Sip1) werd in ons laboratorium geïdentificeer d als een DNA-bindende, zinkvinger-bevattende transcriptiefactor die kan interageren met receptor-geactiveerde Smads. Ondertussen is aangetoond dat Sip1 ook kan binden met verschillende andere eiwitten, waaronder de CtBP co-repressors en het NuRD chromatine remodelling/co-repressor compl ex. Muizen die geen Sip1 eiwit meer kunnen produceren (Sip1 knockout muizen) , vertonen defecten in de specificatie van de neurale plaat; dit is embr yonale structuur waaruit het complete centrale zenuwstelsel (CZS) ontwik kelt. Bovendien leiden mutaties in ZFHX1B -het gen dat codeert voor SIP1 - in de mens tot het Mowat-Wilson syndroom (MWS). MWS patiënten hebben v erschillende symptomen die geklasseerd kunnen worden in 2 verschillende groepen. De eerste groep van symptomen wordt veroorzaakt door problemen in de ontwikkeling van het CZS, de tweede door problemen in de ontwikkel ing van de neurale lijst cellen. Alle MWS patiënten zijn mentaal geretar deerd en ze vertonen zeer karakteristieke gelaatskenmerken. Naast deze s ymptomen -die aanwezig zijn in alle MWS patiënten- is er een wijd spectr um van variabele symptomen die slechts in een gedeelte van de MWS patiën ten voorkomen zoals epilepsie, onderontwikkeling van de hersenbalk en va n de hippocampus, congenitale hartafwijkingen en de ziekte van Hirschspr ung. Deze gegevens -zowel in muis als in mens- wijzen erop dat Sip1 een essentiële rol speelt in de ontwikkeling van het CZS. Het is dan ook van groot belang om deze rol van Sip1 meer in detail te bestuderen, niet al leen om inzicht te krijgen in de etiologie van het MWS, maar ook breder, om de ontwikkeling van het CZS in het algemeen beter te kunnen bevatten . Dit doctoraatsonderzoek omvat de studie van het Sip1-deficiënte CZS en d it op verschillende tijdstippen, gaande van het neurale plaat-stadium in het vroege embryo tot het volwassen organisme, gebruik makende van de m uis als modelorganisme. Sip1 knockout muizen sterven reeds vroeg in de e mbryonale ontwikkeling en kunnen dus enkel gebruikt worden om de rol van Sip1 in de eerste stappen van de neurogenese te bestuderen. Daarom hebb en we gebruik gemaakt van een conditionele Sip1 muismutant om de rol van Sip1 op latere stadia, en meer specifiek in de ontwikkeling van de neoc ortex, te kunnen bestuderen. Bovendien hebben we het leervermogen en geh eugen van volwassen Sip1 heterozygote muizen onderzocht. Mijn doctoraats project omsluit dus 3 verschillende onderdelen. In elk van deze onderdel en wordt een bepaald aspect van de rol van Sip1 in de ontwikkeling van h et CZS bestudeerd. In een eerste luik hebben we gebruik gemaakt van Sip1 knockout embryo’s om de rol van Sip1 in de vroege neurogenese te bestuderen. We hebben aan getoond dat Sip1 een belangrijke niet-cel-autonome rol speelt in de vroe ge ontwikkeling van de hersenen, en dit doordat het de expressie van Dkk 1, een algemene inhibitor van de Wnt/beta-catenine signaaltransductiecas cade, reguleert in het anterieure deel van de neurale plaat. In een tweede luik hebben we gebruik gemaakt van conditionele Sip1½Brn4 embryo’s (verkregen door middel van kruising met de Brn4-Cre deleter mui slijn), waarin Sip1 specifiek verwijderd wordt uit het CZS -maar niet ui t de rest van het embryo- vanaf embryonale dag 8.5. In dit deel van het doctoraatsproject hebben we de rol van Sip1 op een specifiek stadium in de ontwikkeling van de neocortex bestudeerd, namelijk in de ontwikkeling van de preplaat, die gevormd wordt door de eerste postmitotische neuron en van de neocortex. We hebben aangetoond dat Sip1 essentieel is voor de correcte ontwikkeling van de preplaat. Dit deel van het doctoraatsproje ct is een onderdeel van een bredere studie waarin de rol van Sip1 in de ontwikkeling van de neocortex bestudeerd wordt. In een derde luik hebben we het gedrag van Sip1 heterozygote muizen best udeerd, specifiek gericht op leervermogen en geheugen van deze muizen, o m te bepalen of Sip1 heterozygote muizen een goed model zijn voor h et MWS, of, meer algemeen, voor mentale retardatie in de mens. We hebben echter geen opvallende leer- of geheugenproblemen kunnen aantonen in de Sip1 heterozygote muizen. Wel is gebleken dat deze muizen hypo-actief z ijn en dat ze significant lichter wegen dan wild-type muizen. Deze combi natie kan verschillende onderliggende oorzaken hebben waaronder een teko rt aan dopamine of hypotonie. Additionele experimenten zijn noodzakelijk om de oorzaak van deze defecten te achterhalen. In zijn geheel draagt dit doctoraatsonderzoek draagt bij tot de toenemen de hoeveelheid data die aantoont dat Sip1 verschillende en diverse funct ies en actiemechanismes heeft in de ontwikkeling van het CZS en dat deze functies kunnen verschillen naargelang het stadium van ontwikkeling en naargelang de specifieke locatie in het CZS zelf. De onderliggende verkl aring voor deze context-afhankelijke en cel-type specifieke functies van Sip1 ligt waarschijnlijk in het feit dat Sip1 een complex proteïne is d at kan interageren met verschillende interactiepartners, wat resulteert in de regulatie van uiteenlopende doelwitgenen.status: Publishe

    Corrosion Resistance of Candidate Overpack Materials in Deep Argillaceous Disposal Environments

    No full text
    ABSTRACTIn situ corrosion testing and in situ monitoring of the near field chemistry are performed as part of the Belgian experimental program for the qualification of an overpack material for long term HLW containment in deep clay formations. Several test facilities are now in operation and some of the first experimental data are presented and discussed in terms of the program objectives.</jats:p

    Microbial Community Structure and Biodegradation Activity of Particle-Associated Bacteria in a Coal Tar Contaminated Creek

    No full text
    The Chattanooga Creek Superfund site (Chattanooga, TN) is one of the most polluted waterways in the southeastern U.S. with high polycyclic aromatic hydrocarbon (PAH) concentrations in the sediments. PAHs associate with suspended solids in the water column, and may be redeposited onto the floodplain. These suspended particles represent an interesting but understudied environment for PAH-degrading microbial communities. This study tested the hypotheses that particle-associated bacterial (PAB) communities have genotypic potential (PAH-dioxygenase genes) and activity (naphthalene and pyrene mineralization), and can contribute to natural attenuation of PAHs in Chattanooga Creek. Upstream of the Superfund site, mineralization ranged from 0.2 to 2.0% of added 14C-naphthalene and 0 to 0.1% 14C-pyrene (after 40 h), with first order biodegradation rate constants (k1) ranging from 1.09 to 9.18 × 10−5 h−1 and 0 to 1.13 × 10−6 h−1, respectively. Mineralization was significantly greater in PAB communities within the contaminated zone, with 11.8 to 31.2% 14C-naphthalene (k1 5.34 to 14.2 × 10−4 h−1) and 1.3 to 6.6% 14C-pyrene mineralized (k1 2.89 to 15.0 × 10−5 h−1). Abundances of nagAc (naphthalene dioxygenase) and nidA (pyrene dioxygenase) genes indicated that PAB communities harbored populations with genetic potential for both low- and high-molecular weight PAH degradation, and quantification of Mycobacterium 16S rDNA genes indicated that PAH-degrading mycobacteria are also prevalent in this environment. Phylogenetic comparisons (T-RFLPs) between PAB and sediments indicated these microbial communities were taxonomically distinct, but shared some functional similarities, namely PAH catabolic genotypes, mineralization capabilities, and community structuring along a contamination gradient
    corecore