1,180,555 research outputs found
Antea Group Archeologie 2020/204
N.B.: Het onderzoek is voorgelegd aan en beoordeeld door de bevoegde overheid. Deze heeft het onderstaande advies overgenomen.
Antea Group heeft in oktober 2020 een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in voorbereiding op de aanleg van de kabelbundel van 20 kV spanning op het traject Doetinchem – Olde Kaste. Het tracé doorkruist twee gemeenten, namelijk de gemeente Doetinchem en de gemeente Bronckhorst. De onderhavige rapportage heeft betrekking op het gedeelte van het tracé dat zich in de gemeente Doetinchem bevindt. Het veldonderzoek volgt op een bureauonderzoek dat Antea Group in juli 2020 heeft opgesteld. Het bureauonderzoek is in onderstaand integraal overgenomen.
Bureauonderzoek Het plangebied is onderdeel van het rivierduinenlandschap, het dekzandlandschap en het oud rivierenlandschap IJsseldal-Rijn. In het plangebied kunnen in principe resten worden aangetroffen vanaf het laatpaleolithicum tot en met de nieuwe tijd, inclusief de Tweede Wereldoorlog. In het verleden concentreerde de bewoning zich met name op de hoger gelegen zones, zoals de rivierduinen, rivierterrassen en dekzandruggen.
Binnen de gemeente Doetinchem wordt een groot gedeelte van het tracé door middel van gestuurde boringen (HDD) aangelegd. Op een aantal punten zullen de werkzaamheden wél in open ontgraving worden uitgevoerd. Deze deelgebieden, genummerd 1 tot en met 5, vormen de focus van het onderhavige bureauonderzoek.
Voor deelgebieden 1 tot en met 4 vertalen de bovengenoemde fysisch-geografische eenheden zich naar een algemene (brede) middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Voor deeltracé 5 geldt deels een middelhoge en deels een lage archeologische verwachting. Echter in deelgebied 1 zijn vanwege bestaande ondergrondse situatie geen intacte resten meer te verwachten van eventuele vindplaatsen. Deelgebied 3 ligt aan de rand van AMK-terrein 13166. Het betreft een historische havezate en bekende vindplaats met een hoge archeologische verwachting voor de middeleeuwen en nieuwe tijd (inclusief de Tweede Wereldoorlog). Deze locatie heeft daarmee naast de brede verwachting ook een specifieke verwachting op vroege nieuwe tijd en Tweede Wereldoorlog.
Inventariserend veldonderzoek Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase voor deelgebieden 2 tot en met 5. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie.
De bodemopbouw verschilt sterk per locatie: • deelgebied 2: verstoorde grond op C-horizont in zand • deelgebied 3: humushoudend dek op C-horizont met vuile overgangslaag, mogelijk oud landbouwdek of vergraven bosbodem op een vlakvaaggrond van (rivier)duinzand. • deelgebied 4: verstoorde grond op C-horizont, boring 30 gelegen op een afgegraven deel van het duin (Kruisberg) • deelgebied 5: oude rivierkleigrond met dekzanddek en/of (her)verstoven rivierduinzand, bijzonder hierbij is de vegetatielaag op de overgang van oude klei naar zand.
De mate van verstoring is in bermsituaties (deelgebied 2, 3 en 4) en het weiland (deelgebied 5) in de meeste gevallen vrij aanzienlijk, tot 1 m –mv. De relevante bodems in de zandgronden zijn echter, ook bij de ondieper geconstateerde verstoringen, reeds verstoord geraakt.
In deelgebied 3 (boringen 33 en 34) is een intacte vlakvaaggrond met humushoudend dek aanwezig. Door de afwezigheid van een podzolprofiel worden geen resten van prehistorische bewoning verwacht. Het humushoudend dek kan hier echter wel afkomstig zijn van plaggenbemesting op de akkers rondom havezathe Hagen/De Kelder uit de periode late middeleeuwen/vroege nieuwe tijd. Resten van agrarische bewerking (waaronder een plaggendek) worden echter niet als een behoudenswaardige vindplaats beschouwd.
In deelgebied 5 is de top van de oude rivierklei een humushoudende laag gevormd, vermoedelijk door toedoen van enige veengroei. De laag bevat ook onverteerde plantenresten. De vegetatielaag vormt een vermoedelijk loopvlak uit het laat glaciaal. De onverteerde plantenresten duiden op een natte vorming en daarmee niet op een geschikte verblijfplaats: daarvoor zullen de rivierduinen waar deze door de oude rivierklei heen steken beter geschikt zijn geweest.
Met de gekozen aanlegwijze (als grootschalig gestuurde HDD boring) is al een minimale verstoring aan eventuele archeologische resten bewerkstelligd. Waar nog wel vergravingen plaatsvinden kan op grond van de bovenstaande gegevens de archeologische verwachting worden bijgesteld naar een lage verwachting. Dit geldt voor deelgebieden 2, 3, 4 en 5. De (middel)hoge verwachting voor deelgebied 1 vervalt door de hoge mate van bestaande verstoringen. Dit deel van de aanlegwerkzaamheden is geheel gelegen in een bestaand kabelbed op het trafostation. Voor gebieden zonder of met een lage (resterende) verwachting wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Het advies om het plangebied (deelgebieden 1, 2, 3, 4 en 5) vrij te geven ten aanzien van het aspect archeologie is ter beoordeling aan de bevoegde overheid (de gemeente Doetinchem). Zij zal, op voorspraak van haar adviseur, de resultaten en het advies in beoordeling nemen en overgaan tot een selectiebesluit. In het selectiebesluit kan zij ofwel meegaan met de in dit rapport gestelde adviezen ofwel op inhoudelijke gronden anders besluiten.
Het advies is overgenomen en omgezet in een selectiebesluit
Antea Group Archeologie 2018/153
In september 2018 heeft Antea Group in opdracht van CroonenBuro5 een archeologisch booronderzoek (verkennende fase) uitgevoerd voor een plangebied dat valt binnen het grotere bestemmingsplan Slotjes te Oosterhout. Het plangebied bestaat uit verschillende fasen waarvan nu fase 4 tot en met 7 worden onderzocht. De verschillende fasen komen daarbij overeen met verschillende deelgebieden (zie ook afbeelding 1).
In juni 2018 is reeds een bureauonderzoek uitgevoerd, waarin is geadviseerd een booronderzoek op de bestaande grasvelden uit te voeren. Het bureauonderzoek is ook opgenomen in dit rapport.
Een booronderzoek ter plaatse van de nog bestaande bebouwing lijkt vooralsnog niet zinvol en praktisch niet mogelijk.
Conclusie
Tijdens het archeologisch booronderzoek is gebleken dat er sprake is van een gehomogeniseerd, deels verrommeld antropogeen dek op het uitgangsmateriaal, met in enkele gevallen een BC-horizont of een mogelijk een ontginningslaag.
Er zijn geen aanwijzingen dat de oorspronkelijke top van de C-horizont, en daarmee het archeologisch relevante vlak, diep verstoord zijn geraakt. Dit maakt dat dit vlak nog steeds intact in de ondergrond aanwezig is en de archeologische verwachtingswaarde nog steeds als hoog tot middelhoog kan worden aangemerkt.
Selectieadvies
Het advies van Antea Group is dan ook om in het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren in het booronderzoek nu onderzocht zones. Daarbij kan ook besloten worden om, als bovengrondse sloop van de flats reeds heeft plaatsgevonden ten tijde van de uitvoering één of enkele sleuven door te trekken naar de flats om te controleren of de bodem daar te ver verstoord is geraakt door de bouw van de flats.
Dit betreft een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Oosterhout.
Het bevoegd ging akkoord met het selectieadvies, door middel van een selectiebesluit
Antea Group Archeologie 2019/200
In opdracht van J.A. Rodenburg B.V. heeft Antea Group in november 2019 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd op een perceel nabij de Denariusstraat 19 te Oosterhout. Vooraf is een breed verwachtingsmodel geformuleerd, mede op basis van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving.
Het uitgevoerde booronderzoek is uitgevoerd in de verkennende fase met gebruikmaking van een verspringend grid. Het booronderzoek heeft aangetoond dat de bodem reeds geroerd is tot voorbij de oorspronkelijke top van de C-Horizont. Wel leverde een analyse van de boorprofielen een verdeling op die overeen lijkt te komen met de percelering rond het midden van de twintigste eeuw (afbeelding 7, onderhavig rapport).
Op basis van het uitgevoerde archeologische booronderzoek adviseert Antea Group dat de kans dat binnen het plangebied nog een potentieel behoudenswaardige archeologische vindplaats aanwezig is, klein is. Antea Group adviseert de opdrachtgever en de bevoegde overheid het terrein vrij te geven zonder nader vervolg onderzoek. Zie hiervoor ook paragraaf 4.2
Antea Group Archeologie 2018/8
In november/december 2017 (Haven 8-West) en februari 2018 (Haven 8-Oost) is door Antea Group in opdracht van de gemeente Waalwijk een inventariserend veldonderzoek, met proefsleuven. Dit voor het plangebied Haven 8 te Waalwijk. Het onderzoek is omwille van beschikbaarheid van de gronden uitgevoerd in twee fases: eerst het westelijke deel van het plangebied, en vervolgens het oostelijke deel. Voor het gefaseerde onderzoek is één Programma van Eisen (PvE, BRL 4000, LS4001) opgesteld door Antea Group dat akkoord is bevonden door de gemeente Waalwijk in haar rol van bevoegde overheid inzake archeologie.
Bij het archeologisch proefsleuvenonderzoek in het westelijke gedeelte van het plangebied zijn enkele voormalige sloten aangetroffen, die deels recent met bouwzand en soms met een ander bijmenging aan materiaal zijn volgestort. Er zijn tijdens dit onderzoek acht spoornummers uitgedeeld voor archeologische sporen. Dit betreft paalkuilen, een greppel en een sloot. Vondsten zijn niet aangetroffen.
In het deelgebied oost zijn in totaal 35 spoornummers (9 t/m 44) uitgedeeld, het betreft hier diverse paalkuilen en sloten of greppels. De sporen aangetroffen in het gehele gebied lijken daarmee de resten te zijn van de nieuwe tijdse landinrichting als agrarisch cultuurlandschap. Sporen van daadwerkelijk bewoning binnen het plangebied zijn gedurende het proefsleuvenonderzoek niet aangetroffen. Zowel in de veldfase eind 2017 als in februari 2018 blijken er ook relatief veel (recente) verstoringen tot voorbij het archeologisch niveau aanwezig te zijn.
Op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek kan geconcludeerd worden dat er ter plaatse van Haven 8 sprake is van een in de ondergrond bewaard cultuurlandschap uit de nieuwe tijd. Op basis van de oversnijdingen van de afzonderlijke greppelsystemen (inclusief de nu nog bestaande sloten aan maaiveld) blijkt dat het terrein regelmatig opnieuw is ingedeeld waarbij de meeste van deze herinrichtingen vermoedelijk uit de twintigste eeuw dateren. Slechts enkele sporen konden op basis van hun ligging onder het Merwededek en door een venige vulling worden toegewezen aan het laatmiddeleeuws cultuurlandschap maar de sporen die bij deze fase horen zijn zo beperkt in aantal dat hier geen reconstructie van gemaakt kan worden. Er is geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats in het plangebied. Het advies luidt om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit door de dubbelbestemming van het onderzochte gebied te verwijderen
Antea Group Archeologie 2021/36
Antea Group heeft In februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd in het kader van de aanleg van een gashogedruk- en een gaslagedrukleiding langs de oostzijde van de Hoofdweg tussen Oudemolen en Zeegse (gemeente Tynaarlo).
Conclusie bureauonderzoek
Over het algemeen geldt er een (middel)hoge archeologische verwachting en / of waarde voor het plangebied voor meerdere perioden. Deze verwachting is met name gebaseerd op de gunstige landschappelijke ligging aangrenzend aan een (deels niet ontgonnen) gebied voormalig heidegebied. De bewoningsgeschiedenis in de omgeving van het huidige plangebied gaat terug tot het midden paleolithicum. De prehistorische vindplaatsen zijn gelegen op de hogere gedeeltes van het landschap, in de buurt van lagere en nattere delen. In de (directe) omgeving van het plangebied zijn grafheuvels aangetroffen uit de periode neolithicum – ijzertijd. Verder laat de AHN in de zone ten oosten van het plangebied duidelijk de aanwezigheid van karresporen en een celtic field in het landschap zien. De grafheuvels komen aan beide zijden van de Hoofdweg voor. De parallel aan de Hoofdweg gelegen karresporen laten zien dat de huidige hoofdweg teruggaat op een veel oudere route.
Conclusie booronderzoek
Er werd in het bureauonderzoek rekening gehouden met een brede verwachting op zand, waarbij relatief intacte bodems werden verwacht vanwege de uitgebleven ontginning van het aangrenzende terrein. De boringen zijn geplaatst aan de buitenzijde van de bestaande kabel en leidingenstrook en de berm of in de rand van de bosstrook. De verwachting op intacte bodems wordt bevestigd door boringen 24 en 25 (een volledig intacte veldpodzol). Deze verwachting geldt echter voor het aangrenzende terrein en niet voor de daadwerkelijk berm van de Hoofdweg: waar in de berm is geboord zijn voornamelijk tot in de C-horizont verstoorde profielen aangetroffen.
De oorspronkelijke bodemopbouw zal voor het gehele plangebied echter ook een veldpodzol zijn geweest (natte heideprofiel), die in de berm vrijwel overal is verstoord tot in de C-horizont. De dikke eerdlaag in boring 01 duidt mogelijk op de aanwezigheid van een plaggendek. Geologisch bestaat de basis van het profiel in de meeste gevallen binnen 1,2 m -mv uit zand uit de Elster-ijstijd (Formatie van Peelo) met daarboven dekzand (Formatie van Boxtel).
In boring 01 is een vuilige laag aanwezig op een diepte van 0,85-0,95 m -mv met daarboven een dikke (omgewerkte) eerdlaag (mogelijk plaggendek). De vuilige laag is, vermoedelijk in verstoorde staat, ook aangetroffen in boring 10. Deze laag betreft mogelijk oude akkergrond, of de vulling van een oude bermgreppel of een karrenspoor. De laag heeft geen vondsten opgeleverd.
Selectieadvies
Er is geadviseerd om de aanleg te laten plaatsvinden binnen de bestaande kabel- en leidingstrook in de berm. Zolang de kabels vlak langs de weg wordt aangelegd bestaat er geen kans op het verstoren van intacte profielen; daarbuiten wel. Indien nieuwe grondroering niet kan worden uitgesloten en er bijvoorbeeld toch naar de buitenzijde van de bestaande kabel- en leidingstrook wordt uitgeweken dan adviseren wij om een archeologische begeleiding uit te voeren ter plaatse van boring 01 (circa 25 m bij Schapendrift tot maximaal aan de oprit naar de parkeerplaats van Staatsbosbeheer). Voor boring 10 geldt dit advies niet, omdat de laag daar verstoord lijkt te zijn
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen: Uitbreiding loonwerkbedrijf Heistraat 18-20, Oosteind, gemeente Oosterhout
Bureauonderzoek:
Gezien de ligging in het dekzandlandschap van Brabant geldt er voor het plangebied een brede verwachting. In principe kunnen er vondsten aangetroffen worden vanaf het laat paleolithicum tot en met de middeleeuwen. Op basis van het ontbreken van bebouwing op de historische kaarten worden er geen bewoningsresten uit de nieuwe tijd verwacht. De resten kunnen vanaf het maaiveld aangetroffen worden; of onder het esdek in de intacte top van het pleistoceen zand. Binnen het plangebied wordt dit pleistoceen zand op circa 0,5 tot 1,0m –mv verwacht.
Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase):
In het plangebied is sprake van een AC-profiel in boring 1 en een A-AC-C profiel in de overige boringen. De bodemopbouw is bij boringen 2, 3, en 4 zeker tot voorbij het mogelijke archeologische vlak geroerd, bij boring 1 is dat niet zeker.
Tijdens het verkennend booronderzoek is in het plangebied in drie van de vier boringen een geroerde bodemopbouw aangetroffen. In geen geval is hier nog een deel van de oorspronkelijke top van de C-Horizont aanwezig. Dit beeld komt overeen met de inde in 2018 direct naast dit plangebied gegraven proefsleuf. Deze proefsleuf maakte onderdeel van meerdere proefsleuven behorend bij het onderzoek ten behoeve van een ontsluitingsweg van het industrieterrein Everdenberg. De proefsleuf aangrenzend aan het nu onderzochte plangebied liet daarbij alleen recente verstoringen in een archeologisch schoon vlak zien. De combinatie van de resultaten van het booronderzoek uit 2020 en het gravend onderzoek uit 2018 maakt dat Antea Group voor het nu onderzochte plangebied adviseert de verwachtingswaarde bij te stellen naar laag. Dit geldt tevens voor de zone rondom boring 1. Hoewel het AC-profiel van boring 1 bij uitzondering nog een deel van de oorspronkelijke top van de C-Horizont zou kunnen bevatten, ligt deze locatie te ver verwijderd van de bestaande Heistraat. Eerder is in het proefsleuvenonderzoek uit 2018 een behoudenswaardige archeologische vindplaats aangetroffen. Het betrof hier een deel van een laatmiddeleeuws Antea Group Archeologie 2020/125 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 456516 31 maart 2021 revisie 02 Loonbedrijf gebroeders Beenakkers Blad 3 van 29 (mogelijk doorlopend in de nieuwe tijd) erf dat georienteerd was op de Heistraat. Het gebied rondom zone 1 ligt te ver verwijderd om nog een soortgelijke vindplaats te kunnen bevatten. Het concrete advies is om binnen de te voeren ruimtelijke procedure voorliggend plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Zie ook hoofdstuk 5.
Advies:
Tijdens het verkennend booronderzoek is in het plangebied in drie van de vier boringen een geroerde bodemopbouw aangetroffen. In de in 2018 direct naast dit plangebied gelegen proefsleuf bleken alleen recente verstoringen aanwezig. De combinatie van deze gegevens leidt tot het advies de archeologische verwachting voor het plangebied bij te stellen naar laag. Tevens luidt het advies het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Bovenstaande betreft een selectieadvies; het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan bevoegde overheid, in deze de gemeente Oosterhout. De bevoegde overheid ging op 2 februari 2021 akkoord met het gegeven advies
Antea Group 2019/98
In juni 2019 heeft Antea Group in opdracht van HVBM een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning voor het plangebied Zevenheuvelenweg 27 (restkavel), gemeente Tilburg. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek en vervolgens uit een verkennend archeologisch booronderzoek.
De opdrachtgever is voornemens het plangebied te herontwikkelen.
Het plangebied valt binnen vigerend bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kraaiven 2008’ (d.d. 16-1-2010) waarvoor een dubbelbestemming: Waarde – Archeologie is opgenomen. Bij deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de bodemingrepen een oppervlakte groter dan 30m² beslaan en die de bodem dieper dan 0,5m –mv verstoren.
Conclusie
Uit het archeologisch bureauonderzoek komt naar voren dat voor het plangebied een hoge verwachting geldt op het aantreffen van resten uit het paleolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Er geldt een lage kans op het aantreffen van resten uit de volle en late middeleeuwen en uit de nieuwe tijd.
Booronderzoek
De bodemopbouw in het plangebied bestaat vanaf maaiveld uit een circa 30 tot 240 cm – mv verstoord laag, met daaronder de C-horizont. De C-horizont bestaat uit matig fijn, zwak siltig geelbeige zand.
Advies
Op basis van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd worden dat het bodemprofiel in het plangebied in het (recente) verleden verstoord is geraakt. Er zijn dan ook geen aanwijzingen voor een intact archeologisch sporenniveau.
Het advies van Antea Group is om het plangebied vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie. Dit betreft een selectieadvies. Het nemen van het selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Tilburg
Antea Group Archeologie 2019/170
Op 10 oktober 2019 heeft Antea Group in opdracht van Maas-Jacobs Vastgoed B.V. een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de Kastanjelaan in Made. Het onderzoek vond plaats in het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de bouw van nieuwbouwwoningen op de locatie. Maas-Jacobs is voornemens om in het plangebied dertien woningen te realiseren.
Het plangebied is gelegen aan de Kastanjelaan, in het zuidwesten van Made in de gemeente Drimmelen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2.900 m2. Tijdens het onderzoek zijn conform het PvE vier sleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van 300 m2.
De top van de C-horizont bevindt zich onder een laag opgebracht cunetzand en de bouwvoor. Op verschillende plaatsen zijn onder de bouwvoor nog menglagen aangetroffen met resten van B- /BC-horizont waargenomen. De aangetroffen bodemopbouw wordt bodemkundig vaak in relatie gebracht met heidegronden met een podzolbodem die minder dan 50 jaar agrarisch in gebruik zijn genomen.
De diepte van de hedendaagse top van de C-horizont varieert enigszins door het plangebied heen; in het midden/westen van het plangebied bevindt zich een klein dekzandkopje. Er zijn geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen. Wel zijn er enkele recente verstoringen aangetroffen, die vermoedelijk te maken hebben met de voormalige bebouwing ter plaatse. Deze was voorafgaand aan het archeologisch onderzoek in 2009 reeds bovengronds en ondergronds gesloopt.
Concluderend Uit het archeologisch proefsleuvenonderzoek is gebleken dat de verstoringen van de oorspronkelijke top van de C-Horizont binnen het plangebied relatief beperkt van aard zijn. Het potentiele niveau van de sporendragende top van de C-Horizont bleek nog redelijk intact te zijn. Er zijn echter in het vlak van de proefsleuven geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen. De kans dat er binnen het plangebied daarom een mogelijk behouden waardige archeologische vindplaats aanwezig is, is daarmee klein. Antea Group adviseert daarom om het plangebied vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen. Zie ook het advies in hoofdstuk 5.
Dit is een advies. Het nemen van het selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Drimmelen. Deze versie van het rapport is voorgelegd aan het bevoegd gezag. Op 21-11-2019 ging het bevoegd gezag akkoord met het rapport en het gegeven advies
Antea Group Archeologie 2020/65
In de periode 14 – 20 april 2020 heeft Antea Group, in opdracht van HBV B.V., een archeologisch Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven (BRL 4000, protocol 4003, KNA 4.1) uitgevoerd ter plaatse van het Centrumplan te Gilze.
De directe aanleiding tot het onderzoek is het voornemen van de opdrachtgever om het terrein te herontwikkelen in de nabije toekomst. Ten behoeve van de nieuwbouw binnen het project ‘Centrumplan Gilze’ te Gilze in de gemeente Gilze en Rijen zullen ter plaatse bedrijven, winkels, woningen en appartementen worden gerealiseerd. De diepte van de toekomstige bodemverstoring zal tot 80-90 cm – mv reiken. Conform het vigerende bestemmingsplan ‘Centrumplan Gilze – Centrumdeel (2016)’ en de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Het onderzoek is in principe uitgevoerd conform de eisen die in het reeds genoemde PvE en het daarop gebaseerde PvA uiteen zijn gezet. Voor afwijkingen op het PvE/PvA wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3.
Voor het veldwerk in april 2020 zijn in totaal 10 proefsleuven aangelegd; WP 1 – 4 en 6 – 11. Hiervan zijn negen proefsleuven (WP 1 – 3, 6 – 11) onder begeleiding van/met AVG (NGE-begeleiding) uitgevoerd. Het vlak is aangelegd op het eerste leesbare vlak; dit betrof veelal de top van de C-horizont. Met uitzondering van WP 6 is overal één vlak aangelegd. Alleen ter plaatse van WP 6 is een tweede vlak aangelegd. Dit omdat vlak 1 van WP6 niet in de top van de C-horizont is aangelegd, maar (naar later bleek) in de top van een (sub)recente/verstoorde ophogingslaag. Dit is door de senior-KNA-archeoloog gezien en is vervolgens het tweede vlak aangelegd.
Bodemopbouw algemeen Over het algemeen is van boven naar beneden sprake van een beton- en/of puinlaag, waaronder zich een (sub)recent ophogingspakket van zand aanwezig is. Hierin werden veelvuldig bakstenen en (betonnen) funderingen in aangetroffen. Onder dit opgebrachte zandpakket is plaatselijk nog een restant van de originele bouwvoor aanwezig (matig fijn, matig humeus, donkerbruin/grijsbruin zand). Deze bouwvoor (A-horizont) rust direct op de natuurlijke ondergrond, de C-horizont. Deze is veelal licht bruin tot geel grijs van kleur en bevat vaak enkele keien. Plaatselijk werd tussen de A- en C-horizont nog een verstoorde tussenlaag aangetroffen. Nergens binnen het nu onderzochte plangebied werd een (deels) intact podzolprofiel aan-getroffen.
Conclusie Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan worden geconcludeerd dat er binnen het thans onderzocht plangebied (Fase 1) geen sprake is van een archeologische vindplaats. Er zijn geen vondsten of archeologische sporen aangetroffen, en de kans dat deze zich wel in het gebied buiten de proefsleuven bevinden wordt gezien de mate van bodemverstoring en de afwezigheid van archeologische resten zeer laag ingeschat.
Advies Antea Group Op basis van de resultaten en conclusies van het onderzoek wordt geadviseerd om het plangebied (Fase 1) voor wat betreft archeologie vrij te geven ten gunste van de voorgenomen (her)ontwikkeling.
Tevens wordt, gezien de resultaten van het onderzoek in Fase 1, geadviseerd om de twee proefsleuven die tijdens Fase 2 zouden worden aangelegd niet aan te leggen en ook dat deel van het plangebied vrij te geven voor wat betreft archeologie. De kans op een potentieel behoudenswaardige vindplaats ter plaatse van deze twee proefsleuven wordt door Antea Group laag ingeschat. Dit op basis van het archeologisch inhoudelijk beeld dat is verkregen uit de proefsleuven uit april 2020.
Reactie RWB In mei 2020 is het rapport beoordeeld door het programmabureau RWB en heeft de gemeente Gilze en Rijen deze beoordeling overgenomen. Gedurende juni heeft er telefonisch overleg plaatsgevonden tussen mevrouw M. Kooi (RWB) en de heer H. Koopmanschap (Antea Group), beide in hun rol als senior KNA-archeoloog. Op basis van dit overleg is de rapportage aangevuld en is het advies aangepast. In samenspraak met de heer P. Teekens als senior archeoloog in de veldfase kon geconcludeerd worden dat de aangetroffen bodemopbouw geen gelaagd plaggendek betreft.
Kern van de aanpassing van het advies is dat vrijgave van fase 1 gehandhaafd blijft, fase 2 uitgevoerd dient te worden en dat voor het gebied waar fase 1 en fase 2 aan elkaar grenzen mogelijk nog gravend onderzoek noodzakelijk is. Dit afhankelijk van de resultaten van de proefsleuven in fase 2. Indien blijkt dat deze sporen en vondsten bevatten dient ook in het aangrenzende deel van fase 1 hier nog één proefsleuf te worden aangelegd. Dit ter begrenzing van een eventuele vindplaats in fase 2
Antea Group Archeologie 2016/46
Resultaten proefsleuvenonderzoek Het plangebied kenmerkt zich door een bodemopbouw bestaand uit een AC-profiel. Op een aantal plaatsen is er ook sprake van een mixlaag met materiaal uit de A- en C-horizont. Alleen ter plaatse van profiel 7-2 is sprake van een dun donkerbruin /zwart laagje met daaronder een uitspoeling. Dit is mogelijk een oude A-horizont. De A-horizont bestaat uit matig fijn, zwak tot matig humeus, zwak tot matig siltig zand; de C-horizont bestaat uit matig fijn, zwak tot matig siltig zand. Hieruit mag worden afgeleid dat het sporenniveau dat aanwezig is geweest in de oorspronkelijke top van de C-Horizont niet overal binnen de Everdenberg bewaard is gebleven. Op een aantal plaatsen mag verondersteld worden dat de sporen, indien aanwezig, in ieder geval beschadigd of al compleet opgenomen zijn in de bovenliggende A-Horizont. Dit kan echter alleen door middel van gravend onderzoek met zekerheid worden vastgesteld.
Tijdens de proefsleuffase zijn in totaal 61 grondsporen aangetroffen. Drieënveertig daarvan zijn aangetroffen in werkput 2. Het merendeel betreft kuilen, drie sporen zijn mogelijk te duiden als paalkuil. In de overige werkputten zijn 15 greppels, 2 sloten en een laagte aangetroffen.
Conclusie Uit het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er in het nu onderzochte plangebied sprake is van twee archeologische vindplaatsen. De eerste betreft een cluster kuilen die waarschijnlijk deel uitmaken van een achtererf van bewoning aan de Heistraat uit de 17e of 18e eeuw. Dit verklaart tegelijkertijd ook de verhoogde ligging in het landschap die al in de AHN-fase werd vastgesteld. Het gaat hier niet om een natuurlijke verhoging in het landschap maar om een lintbebouwing waarbij de erven langs de weg zijn opgehoogd door bouw en verbouwingen en waarbij de achtererven door ophoging uitsteken boven de gronden die een agrarisch grondgebruik hebben gekend. Deze vindplaats is als behoudenswaardig beoordeeld door Antea Group maar door wijziging in de ruimtelijke plannen wordt deze alsnog niet bedreigd en kan deze vooralsnog in situ bewaard blijven, mits de gemeente Oosterhout hiertoe in de planologische bescherming kan voorzien.
De tweede archeologische vindplaats bestaat uit de resten van landinrichting uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd en is als niet behoudenswaardig beoordeeld. Bij gebrek aan daterend vondstmateriaal kan deze datering helaas niet scherper.
De locatie voor een potentieel derde mogelijke vindplaats binnen de herontwikkeling van Everdenberg werd in het zuiden van het plangebied verondersteld. Dit deel van het plangebied bleek echter gedurende de proefsleuffase en enkele archeologische boringen reeds geroerd tot voorbij het archeologische niveau. Juist dit deel van het gebied rondom de Everdenberg kent de aanzet naar een verhoging van het natuurlijk landschap. Als daar echter archeologische sporen in de ondergrond aanwezig zouden zijn geweest dan is dat nu in ieder geval niet meer vast te stellen. Tijdens het archeologisch onderzoek in 2016 bleek namelijk dat de ondergrond van het zuidelijk deel ontgrond is geweest en dat er van een oorspronkelijke top van de C-Horizont geen sprake meer is. Dat op deze plaats tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw sprake is geweest van een aanzienlijke verhoging in het landschap werd gedurende het veldwerk van onderhavig onderzoek door diverse bewoners en gebruikers bevestigd
- …
