1,720,967 research outputs found

    T0-Berekening: Status Quo van UNIBEST-TC

    No full text
    Dit rapport gaat in op de ontwikkelingen bij het UNIBETS-TC model. Met dit model wordt het cross-shore en longshore sediment transport berekend. Om inzicht te krijgen in de verbeteringen in het model wordt er in dit rapport een T0-berekening (een berekening op tijdstip T=0) gemaakt. Dit maakt het mogelijk de ontwikkelingen te evalueren door het te vergelijken met een dergelijke exercitie op het moment T1. Met de berekening wordt er antwoord gegeven op de vragen of het UNIBEST-TC model één heel jaar de ontwikkeling van het kustprofiel kan doorrekenen en in hoeverre het model de werkelijkheid beschrijft. Geconcludeerd wordt dat het (nieuwe) UNIBEST-TC model het dwarstransport in de goede orde van grootte bepaald, maar dat het model geen rekening houdt met het ontstaan van banken. Verder onderzoek is nodig. Het model houdt verder goed rekening met de interactie tussen langs- en dwarstransport en biedt daarnaast een goede mogelijkheid om het lot van een zandsuppletie te bestuderen

    Dwars op de kust: Een beschrijving van dwarstransportprocessen en een overzicht van berekeningsmethoden

    No full text
    Kusterosie kan veroorzaakt worden door een zeewaarts transport van zand (kust-afwaarts dwarstransport) of door een gradiënt in transport langs de kust, waardoor er in een kustvak meer zand afgevoerd dan aangevoerd wordt. Het verschil in aard van langs- en dwarstransport is hiermee aangegeven; grote langstransporten hoeven niet te resulteren in kusterosie, terwijl dwarstransporten, hoe klein ook, zich op den duur zullen manifesteren in een verandering van de kustlijnligging. Voor de kustnota van 1989 werd het dwarstransport over de 8 m dieptelijn grofweg berekend. Het resultaat was een kustgericht dwarstransport van 10 tot 12 m3 per jaar. De kwaliteit van de voorspelling van de kustlijn ligging wordt in hoge mate beïnvloed door de nauwkeurigheid van deze berekening. Een goede beschrijving van dwarstransport is tevens van belang voor kustbeheerders; dwarstransport kan de effectiviteit van een zandsuppletie sterk beïnvloeden. In het project Kustgenese neemt het onderzoek naar dwarstransport een belangrijke plaats in. Inmiddels zijn veel mechanismen wel geïdentificeerd, maar kunnen ze met de huidige stand van kennis nog niet nauwkeurig genoeg gekwantificeerd worden. In dit rapport is de aandacht gericht op dwarstransport: het geeft een overzicht van de mechanismen die dwarstransport veroorzaken en het beschrijft enkele methoden die nu beschikbaar zijn om dwarstransport te berekenen. Hiermee wordt de kennis van dwarstransport toegankelijk en toepasbaar gemaakt voor het beheer van de kust en het beleid ten aanzien van de kustverdediging. Het rapport is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat enkele definities en afspraken. Het rapport confronteert enkele praktijkervaringen (hoofdstuk 3) met theoretische kennis (hoofdstuk 4). De hoofdstukken 5 en 6 presenteren een aantal berekeningsmethoden en modellen voor kustbeheerders, voor de adviespraktijk en voor onderzoekers om dwarstransport te berekenen. De belangrijkste middelen die nu voor de praktijk beschikbaar zijn voor de berekening van dwarstransport zijn: - empirische methode voor de evaluatie en analyse van opgetreden gemiddelde transporten (6.1) uit twee successievelijke lodingen van een kustprofiel (tijdschaal: wordt bepaald door datum van de lodingen); I - semi-empirische modellen voor berekeningen van kustprofielontwikkelingen (tijdschaal: van jaren tot decennia), voor het berekenen van het effect van suppleties (tijdschaal: van maanden tot een jaar) en voor het berekenen van duinafslag tijdens stormen (tijdschaal: stormperiode); - mathematisch-fysische modellen voor duinafslag berekeningen (tijdschaal: stormperiode), om de sedimenttransporten te berekenen voor het hele profiel (tijdschaal: enkele dagen tot maanden), om morfodynamisch te rekenen (tijdschaal:enkele maanden tot jaren) en om een evenwichtsprofiel te berekenen(tijdschaal:decennia) Uit de verschillende berekeningen blijkt dat het transport over de 8 m diepte lijn met de huidige stand van kennis niet nauwkeurig genoeg voorspeld kan worden. De berekendetransporten ten gevolge van de verschillende mechanismen veroorzaken onzekerheden in het uiteindelijke transport die groter zijn dan de netto transporten zelf. Voor onderzoekers en beheerders wordt naast de bestaande mathematisch-fysische modellen een eenvoudige methode aangereikt om in geval van uniformiteit in langskustrichting het dwarstransport te berekenen uit twee gedateerde lodingen van een kustprofiel.Deze methode wordt, ondanks z'n eenvoud, te weinig toegepast.Tot. besluit wordt in hoofdstuk 7 de stand van zaken van kustprofiel-modellen in Europaverslagen en wordt aangegeven welke toekomstige ontwikkelingen op het gebied van (dwars)transportmodellering nog te verwachten zijn

    Verticale structuur van de wind- en dichtheidsgedreven reststroom in de Nederlandse kustzone

    No full text
    kan de verticale structuur van de reststroomcirculatie in de kustzone van de Noordzee verklaard worden uit effecten teweeggebracht door de wind en door horizontale dichtheidsverschillen (veroorzaakt door de toevoer van Rijn-water). Informatie over de verticale structuur van de reststroom is van groot belang voor kennis omtrent verspreiding van verontreinigde stoffen in verschillende hoogten van de waterkolom en voor de informatie omtrent transport van sediment. Voor het onderzoek naar de reststroomcirculatie is een uitgebreide reeks gegevens beschikbaar, afkomstig van stroommeters die in een raai van 30 km lengte loodrecht op de kust bij Noordwijk, op verschillende horizontale en verticale posities gedurende een periode van een jaar met een frequentie van tien minuten snelheden en richtingen hebben geregistreerd. Gedurende deze uitvoerige meetcampagne heeft zich een scala aan hydrologische en meteorologische omstandigheden voorgedaan. Ten behoeve van dit onderzoek zijn vooral perioden van 1 á 2 weken geldentificeerd waarin de wind, als belangrijke be1nvloedingsfactor, in eerste benadering als constante forcering kan worden beschouwd. Reststroomsnelheden zijn uit de waarnemingen afgeleid door middeling van de oorsronkelijke meetgegevens overeen dergelijke periode. Zo'n periode is lang genoeg om, op korte tijdschaal fluctuerende be1nvloedingsfactoren (zoals het getij) in eerste aanleg uit temiddelen, zodat de reststroomcirculatie een scort stationair evenwicht kan bereiken. De forcering tengevolge van tijdsgemiddelde niet-lineaire getij-effecten (Tidal Stress) wordt beschouwd als een in de tijd constante en voornamelijk plaatsgebonden bijdrage aan zo'n evenwicht. Teneinde de dynamische processen van dergelijke (tijdsgemiddelde) evenwichten te analyseren is zo'n balans tussen windforcering, corioliskracht, krachten tengevolge van horizontale dichtheidsgradiänten en krachten tengevolge van tijdsgemiddelde oppervlakte hellingen met een drie-dimensionaal analytisch model nagebootst. In dit model is verticale wrijving gemodelleerd met een verticaal constante eddy-viscositeit. In eerste instantie gaat het model uit van niet gastratificeerde omstandigheden (hoofdstuk 5);later (hoofdstuk 7)wordt aandacht besteedt aan de verfijning van het model door een dichtheid te introduceren die lineair met de verticale coordinaat toeneemt, én nog steeds variaties in de horizontale richting kan bevatten. Reststroomsnelheden, die met het model voor verticaal doorgemengde situaties berekend worden, blijken in grote lijnen de resultaten van de waarnemingen, onder uiteenlopende persistente externe omstandigheden, goed te kunnen reproduceren, mits er aan de oppervlakte helling evenwijdig aan de kust niet te stringente voorwaarden opgelegd wordt. Het blijkt dat enige variatie in de longshare hellingshoek (enkele centimeters per 100 km) gerelateerd aan de wind (snelheid én richting) noodzakelijk is voor het verkrijgen van fysisch realistische snelheden. De windopzet loodrecht op de kust wordt door het model berekend uit de aanname dat er geen transport door de kust plaats kan vinden. Deze windopzet in cross-shore richting is van de orde van enkele centimeters per tien kilometer. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat zowel de wind en windopzet als de toevoer van Rijnwater bepalende factoren zijn bij de verklaring van de variabiliteit van de reststroomcirculatie en de verticale structuur hiervan in de 20 m diepe kustzone bij Noordwijk

    Werken aan Deltanatuur

    No full text
    De Deltacommissie heeft IMARES om een expert opinie gevraagd omtrent mogelijkheden om in de buitendelta van de Wester- en Oosterschelde ecologische waarden te versterken of te cren als antwoord op verlies van ecologische waarden binnen die estuaria. Met name is gevraagd een ecologische beoordeling te geven van de creatie van een eiland op de Vlakte van de Raan. IMARES heeft zich over de vraagstelling gebogen met een aantal experts. Daarbij is de vraag breder getrokken dan alleen een eiland. Het antwoord luidt dat een eiland als compensatie voor estuariene natuurwaarden niet logisch is; er wordt andere natuur gecred dan er verloren gaat. Een natuur van type A kan nu eenmaal niet zomaar gecompenseerd worden door natuur van type B. De natuur die onder druk staat is ondermeer brak, laagdynamisch inter3 getijdengebied in de Westerschelde en droogvallend plaatareaal in de Oosterschelde. Een eiland in zee draagt niet bij aan de ontwikkeling van brakke laagdynamische inter3getijdengebied. Met enige moeite zou droogvallend plaatareaal gecred kunnen worden op of in de directe nabijheid van een eiland. Door de aanleg van een eiland gaat er echter ook andere natuur van de buitendelta verloren. Gezien de bestaande regelgeving is er momenteel weinig ruimte voor een ingreep in het beoogde gebied. Het gebied valt ten dele al onder beschermingsregime van NATURA 2000 middels de natuurbeschermingswet. Andere delen zullen in 2009 aangewezen worden als NATURA 2000 gebied. Aanleg zou pas toegestaan kunnen worden als er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. Al is er weinig legitimatie voor een eiland als natuurcompensatie, toch is het niet onmogelijk dat er andere natuurwaarden mee gecred kunnen worden. Deze positieve effecten wegen echter niet op tegen de ecologische risicos die een eiland op de Vlakte van de Raan met zich meebrengt, zowel voor het ecosysteem van de buitendelta, als voor het daaraan gekoppelde ecosysteem van de estuaria. De specifieke natuurwaarden die verloren gaan in de Wester- en Oosterschelde kunnen alleen gecompenseerd worden in de betreffende gebieden zelf. Daarmee is de specifieke vraag beantwoord, maar niet de bredere achterliggen vraag over mogelijkheden om in de buitendelta natuurwaarden te cren of te versterken. Zoals gezegd; de buitendelta is onlosmakelijk onderdeel van het morfologische systeem bestaande uit kom, monding en buitendelta. En daarmee is de buitendelta van belang voor het ecologisch functioneren van het estuarium. De estuariene dynamiek functioneert als een motor voor de ecologie van de Zuidwestelijke Delta. Het zorgt voor aanvoer van nutrien, goede doorstroming en tijdige afvoer van afvalstoffen. Hierdoor is er in veel gebieden een grote rijkdom aan bodemleven en kent de delta goede omstandigheden voor een hoge productiviteit. De Vlakte van de Raan, als buitendelta behorend bij de Westerschelde, is zon gebied dat zich kenmerkt door een potenti hoge productiviteit vanwege voldoende nutrien die door de Westerschelde worden aangevoerd naar een plaats (de Vlakte van de Raan) waar het water relatief helder is. Deze productieve potentie inspireert wel tot het benutten van die natuurlijke kracht. Een mogelijkheid zou zijn om een luwte te cren zodat een gebied ontstaat met een hoge natuurlijke productiviteit. Dit zou gunstig zijn voor de natuurwaarden, maar het zou ook kansen bieden voor vormen van aquacultuurCivil Engineering and Geoscience

    Toepassing van evenwichtsrelaties op de Haringvlietmond

    No full text
    Tijdens deze studie zijn de lange termijn ontwikkelingen onderzocht die zullen plaatsvinden in de monding van het Haringvliet als gevolg van verschillende ingrepen, t.w. het doorsteken van de Brielse Gatdam, een uitbreiding van de Maasvlakte en een ander spuibeheer van de Haringvlietsluizen. Daarvoor is eerst een analyse gemaakt van de ingrepen die in het gebied gepleegd zijn en de gevolgen daarvan voor de hydraulica en de morfologie. Als gevolg van het afsluiten van de getijgeulen, de Brielse Maas en het Haringvliet is het getijprisma voor alle geulen sterk afgenomen met als resultaat sterke sedimentatie van alle geulen. Door de afsluiting van de Brielse Maas vormden alle kleinere platen samen de Westplaat. Hierop werd later een gedeelte van de Maasvlakte aangelegd. Als gevolg van de afsluiting van het Brielse Gat verzandde het gebied voor de dam. De afsluiting van het Haringvliet heeft met name invloed gehad op het Slijkgat en het Rak van Scheelhoek. Als gevolg van de vermindering van het getijvolume is het min of meer oost-west georienteerde vul- en ledigingssysteem meer invloed gaan ondervinden van de optredende noordzuid georienteerde getijstroming. Hierdoor is de orientatie van de geulen veranderd. Het Rak van Scheelhoek heeft zijn stroomvoerende functie vrijwel verloren. Het meeste spuiwater wordt door het Slijkgat afgevoerd. De vooroever van de Hinderplaat erodeert als gevolg van een golfgedreven dwarstransport. De hoogte van de plaat neemt langzaam toe en de zuidwestpunt verplaatst in landwaartse richting. De Garnalenplaat groeit in zuidelijke richting ten koste van het Slijkgat. Voor alle geulen geldt dat ze 70% of meer van hun evenwichtsvolume bereikt hebben. Het getijprisma is een belangrijke grootheid voor de omvang van geulen en platen. Veel onderzoekers hebben relaties afgeleid tussen het getijvolume en de grootte van een getijgeul. In Nederland hebben vooral Haring, van de Kreeke, Eysink, Gerritsen en de Jong onderzoek gedaan naar deze relaties. Haring heeft een relatie afgeleid voor het Haringvliet toen die geul nog niet afgesloten was. Gerritsen heeft de invloed van golven en de invloed van de hydraulische straal onderzocht. Eysink heeft een relatie afgeleid voor de inhoud van een geul en het getijprisma. Voor de monding van het Haringvliet bleek de relatie van Haring goed te voldoen. Eysink gebruikt de relatie tussen het geulvolume en het getijprisma in plaats van de geuldoorsnede. Ook deze relatie blijkt goed te voldoen. De relatie van Gerritsen, waarin de invloed van de hydraulische straal is meegenomen, levert betere resultaten dan de relatie van Haring. Deze laatste relatie is niet geschikt om te gebruiken voor toekomstige ontwikkelingen omdat door een ingreep het getijvolume verandert waardoor de geuldoorsnede verandert en daarmee de hydraulische straal. De relatie heeft daardoor naast de doorsnede een tweede onbekende, nl. de hydraulische straal. Over de relatie tussen de doorsnede en de hydraulische straal is nog te weinig bekend zodat de vergelijking niet oplosbaar is. Eysink heeft als enige in Nederland onderzoek gedaan naar platen. Daarbij vond hij dat de grootte van de platen vooral afhankelijk is van de grootte van het bassin en minder van de grootte van het getijprisma. Om de geplande ingrepen te modelleren is gebruik gemaakt van het empirisch-dynamisch model ASMITA. Dit model berekent de ontwikkeling van het volume van de elementen uitgaande van empirische evenwichtsrelaties. Het Haringvliet-estuarium is voor de modellering opgedeeld in twee gebieden, een noordeJijk deel bestaande uit het Brielse Gat en een zuidelijk deel bestaande uit het Slijkgat en het Rak van Scheelhoek. Beide gebieden zijn gemodelleerd als een systeem van geulen en platen. Na een calibratie van de verschillende modellen zijn ze gebruikt voor de toekomstige ontwikkelingen. Bij het voortzetten van de huidige situatie zullen de geulen verder sedimenteren omdat de evenwichtssituatie nog niet bereikt is. Als gevolg van een doorsteek in de Brielse Gatdam neemt de omvang van het Brielse Gat toe. Vanwege de grate dieptes van het Oostvoornse Meer duurt het zeker honderd jaar voordat het meer geheel gevuld is met sediment. Door de aanleg van Maasvlakte 2 wordt de bekkenvorm van het estuarium versterkt waardoor de getijslag in het gebied toeneemt. De versterkte bekkenvorm heeft meer invloed op het noordelijk dan het zuidelijk deel van het estuarium. Door de hogere getijslag is de afname van het geulvolume minder dan de afname bij voortzetting van de huidige situatie. Een vergroting van het geulvolume treedt op bij het veranderen van het spuiregime van de Haringvlietsluizen. Dit heeft voornamelijk invloed op het zuidelijk deel en nauwelijks op het noordelijk deel van het bekken. Het spuialternatief met een gebroken getij levert een groter evenwichtsvolume dan onder voortzetting van de huidige omstandigheden, maar dat volume is kleiner dan het huidige volume, dus de geulen zullen nog steeds aanzanden. Bij het alternatief met getemd getij en het gebruik als stormvloedkering zullen de geulen eroderen. Bij het alternatief stormvloedkering zal een situatie ontstaan die vergelijkbaar is met de situatie van voor de afsluiting. Alleen zal het Slijkgat vanwege de ligging van de sluizen in de zuidkant van de dam meer water afvoeren dan het Rak van Scheelhoek en dus relatief meer eroderen.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Long term pressure gradients along the Belgian and Dutch coast

    No full text
    The aim of the investigation is to quantify the long shore and cross shore Sea Surface Slope (SSS) along the Dutch and Belgian coast. We have to pay particular attention to the influence of the river Rhine, the windeffect, the seasonal influence and finally the effect of Dover Strait on the Mean Sea Level. Furthermore, these investigations provide an improved view of the Sea Surface Slope and can be important for the calibration of models. The Mean Sea Level and Sea Surface Slope can be derived from waterlevel recordings. CONCLUSIONS 1. A clear relation between the longshore SSS and the windvector is found. The longshore SSS reaches its maximum positive value during north-easterly winds and its maximum negative value during a westerly wind. In case of a strong northeasterly wind, a state of equilibrium between the SSS and the wind stress is almost established. 2. In the absence of any wind, only a small positive (increasing sea level towards the north) longshore SSS remains (2.10^-8 - 8.10^-8 m/m) if the water level recordings of all coastal stations are taken into account. The influence of the river Rhine on this longshore SSS can be neglected. 3. The longshore SSS is always negative along the Belgian coast except for strong north-easterly winds. This SSS is generated by a structural difference in MSL between the southern North Sea and the English Channel. This negative SSS amounts up to 1.10^-6 m/m. 4. The cross shore SSS between Meetpost Noordwijk and the coast reaches at high windspeeds its maximum during an on-shore directed wind. At a lower windspeed, on the other hand, the cross shore SSS reaches its maximum during a south-southwesterly wind. In general, the cross shore SSS becomes increasingly more positive with an increasing Rhine discharge.MaST*G8

    Morfologische effecten van de aanleg van de Kustlocatie

    No full text
    In deze studie zijn de effecten van de aanleg van de Kustlocatie op de waterbeweging en de morfologie bestudeerd. De studie is verkennend van aard omdat voor de Kustlocatie nog weinig onderzoek is verricht op het gebied van de morfologie. Om de effecten te bestuderen wordt gebruik gemaakt van het DELFT3D-systeem van het Waterloopkundig Laboratorium. Hiermee zijn een tweetal berekeningen uitgevoerd: - Initiele berekeningen, waarbij een keer een golf-, stromings- en transportberekening is uitgevoerd over de lengte van een getij. De berekening heeft plaatsgevonden voor de initiele bodem en levert resultaten van de bovengenoemde processen. - Morfodynamische berekeningen, waarbij de bovenbeschreven reeks meerdere malen wordt doorlopen tot een jaar is bereikt. Het resultaat van deze berekeningen is de bodemverandering na een jaar. De volgende drie gebiedsconfiguraties zijn bestudeerd: -TO Huidige situatie. Deze situatie dient als controle van de waterbeweging en het zandtransportmodel. -T1 MV2 inclusief verlengde Noorderdam + bijbehorende zandwinningen. Deze gebiedsconfiguratie dient als referentiesituatie. De MV2 wordt verondersteld aanwezig te zijn bij de aanleg van de Kustlocatie. -B MV2 + Kustlocatie met evenwichtsprofiel + bijbehorende zandwinningen. Er zijn verschillende randvoorwaarden toegepast: bij de TO-, T1 en T3-situatie gemiddeld getij, golven en wind uit 5 richtingen. Bij de B-situatie zijn tevens berekeningen uitgevoerd met springtij, extreme golven behorende bij ZW-storm en NW-storm met een windsnelheid van 15 m/s. Voor de jaargemiddelde conditie is bij de wind- en golfschematisatie een vijftal sectoren toegepast met voor iedere sector een representatieve golf en wind. De wind is hierbij geschematiseerd tot alleen kustlangse windsnelheden met een aangepaste windschuifspanning. De schematisatie van de golven is gebaseerd op het jaarlijks zandtransport bij de kust van Delfland, waarbij de vijf golfcondities tezamen een vergelijkbaar jaarlijks sedimenttransport geven als wanneer alle voorkomende golfcondities worden beschouwd. Het getij is voor de jaargemiddelde conditie geschematiseerd tot een morfologisch getij. Hierbij is het jaargemiddelde getij verhoogd met 10%. De getij-randvoorwaarden zijn omgezet van een tijdreeks naar harmonische componenten. De belangrijkste conclusies uit de studie zijn: De effecten van de Kustlocatie (met evenwichtsprofiel) op de morfologie en de waterbeweging beperken zich over een termijn van een jaar in langsrichting tot de directe omgeving van de Kustlocatie. Bij Wassenaar zijn de effecten nauwelijks meer merkbaar. Ter hoogte van de Kustlocatie treden buiten de NAP -10 m dieptelijn grotere sedimenttransporten op ten opzichte van de referentiesituatie. Uit de berekeningen is niet op te maken tot hoever deze effecten in zeewaartse richting reiken. In het kustvak tussen de kopdam en binnendam in het zuiden van de Kustlocatie treden grote zuidwaarts gerichte transporten op. Hierdoor treedt in dit kustvak herverdeling van het zand op. Bij Loswal Noord vindt in het zuidwesten jaarlijks over een groot gebied erosie (0,1 m) plaats, door de getijstroming die meer uit de kust wordt geduwd. Ten noorden van de noorddam treedt grote aanzanding op, buiten de vaargeul naar Scheveningen. Het zand dat hier bezinkt is voor een deel afkomstig van de vooroever van de Kustlocatie (buiten de NAP -10 m). Een ander deel is afkomstig van het brandingstransport van het centrale gedeelte van de Kustlocatie-kust. In de zone tot NAP -6 m wordt 50% van het brandingstransport door de noorddam effectief tegengehouden. Doordat aanzanding op diepere delen plaatsvindt is er ten noorden van Scheveningen een beperkte aanvoer van zand. Hierdoor treedt in dit gebied sterke erosie op ten opzichte van de referentiesituatie.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    Get PDF
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed

    Variations on the Author

    Get PDF
    “Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship
    corecore