8,381,519 research outputs found
Antea Group Archeologie 2020/137
In juli en september 2020 heeft Antea Group in opdracht van BNVB Projects B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Grutterij 7-9’ te Amstelveen, gemeente Amstelveen. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek.
BNVB Projects B.V. is voornemens om het perceel gelegen aan de Grutterij 7-9 te Amstelveen, dat nu in gebruik is als autogarage, te herontwikkelen tot een perceel met 198 appartementen.
Het plangebied valt binnen de vigerende bestemmingsplannen ‘Paraplusbestemming Archeologie en Cultuurhistorie’, waarvoor een dubbelbestemming waarde – archeologie 5 is opgenomen. Bij deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 10.000m² en dieper dan 0,30m -mv.
In theorie is het mogelijk dat in het plangebied archeologische resten uit het laat-paleolithicum en mesolithicum aanwezig zijn in de top van het dekzand. Dit dekzand ligt op basis van bekende boringen uit het DINO-loket op circa 8m –mv. De verwachtingswaarde voor resten uit deze perioden is onbekend.
In de perioden daarna, vanaf het neolithicum tot de late middeleeuwen bestond het gebied uit veen. Hierdoor was het niet aantrekkelijk voor menselijke bewoning. Enkel op een eventueel in het plangebied aanwezige kreekrug kunnen bewoningsresten uit het midden en laat neolithicum verwacht worden. Hoe diep de kreekruggen zich in dit gebied bevinden is onbekend. Mogelijk kunnen deze nog bedekt zijn door een laag restveen. De verwachting kan als middelhoog worden ingeschat.
Vanaf de late middeleeuwen werd het veen in het gebied afgegraven voor de turfwinning. Hierdoor ontstonden de Legmeerplassen, die eind 19e eeuw werd drooggelegd. Bewoningsresten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd zijn niet te verwachten. Wel kunnen eventuele resten verwacht worden die verband houden met de turfontginning. Deze kunnen vanaf het maaiveld worden aangetroffen. De verwachting op het aantreffen van resten uit deze perioden is laag.
Omdat er een middelhoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, adviseert Antea Group om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, uit te voeren. Zo kan bepaald worden of er binnen het plangebied sprake is van een (intacte) kreekrug, en zo ja, op welke diepte deze afzettingen liggen.
De methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit 6 boringen per hectare - is er niet primair op gericht om archeologische resten aan te treffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en –intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschikt om 1) de aard van bodemopbouw en 2) de mate van intactheid van de oorspronkelijke bodemopbouw inclusief de archeologische sporendragende niveaus te bepalen. De te onderzoeken zones hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 0,5 hectare hetgeen neer komt op een archeologisch booronderzoek met een intensiteit van 3 boringen.
Vanuit de dubbelbestemming waarde - archeologie 5 is archeologisch onderzoek voor dit plangebied niet verplicht aangezien de oppervlakte van het plangebied onder de vrijstellingsgrens, behorende tot deze dubbelbestemming, ligt. Het verkennende booronderzoek is in september uitgevoerd omdat de informatie die hieruit verzameld wordt, kan worden gebruikt in de verdere planvorming van de herontwikkeling van het plangebied. De resultaten van het veldonderzoek hebben echter geen aanwijzingen opgeleverd van archeologische vindplaatsen of voor de aanwezigheid van een kreekrug. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek wordt de kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats binnen het plangebied als laag ingeschat. Het advies luidt dan ook om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren.
Bovenstaande is een selectieadvies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Amstelveen.
Antea Group Oosterhout, september 202
Antea Group Archeologie 2020/204
N.B.: Het onderzoek is voorgelegd aan en beoordeeld door de bevoegde overheid. Deze heeft het onderstaande advies overgenomen.
Antea Group heeft in oktober 2020 een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in voorbereiding op de aanleg van de kabelbundel van 20 kV spanning op het traject Doetinchem – Olde Kaste. Het tracé doorkruist twee gemeenten, namelijk de gemeente Doetinchem en de gemeente Bronckhorst. De onderhavige rapportage heeft betrekking op het gedeelte van het tracé dat zich in de gemeente Doetinchem bevindt. Het veldonderzoek volgt op een bureauonderzoek dat Antea Group in juli 2020 heeft opgesteld. Het bureauonderzoek is in onderstaand integraal overgenomen.
Bureauonderzoek Het plangebied is onderdeel van het rivierduinenlandschap, het dekzandlandschap en het oud rivierenlandschap IJsseldal-Rijn. In het plangebied kunnen in principe resten worden aangetroffen vanaf het laatpaleolithicum tot en met de nieuwe tijd, inclusief de Tweede Wereldoorlog. In het verleden concentreerde de bewoning zich met name op de hoger gelegen zones, zoals de rivierduinen, rivierterrassen en dekzandruggen.
Binnen de gemeente Doetinchem wordt een groot gedeelte van het tracé door middel van gestuurde boringen (HDD) aangelegd. Op een aantal punten zullen de werkzaamheden wél in open ontgraving worden uitgevoerd. Deze deelgebieden, genummerd 1 tot en met 5, vormen de focus van het onderhavige bureauonderzoek.
Voor deelgebieden 1 tot en met 4 vertalen de bovengenoemde fysisch-geografische eenheden zich naar een algemene (brede) middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Voor deeltracé 5 geldt deels een middelhoge en deels een lage archeologische verwachting. Echter in deelgebied 1 zijn vanwege bestaande ondergrondse situatie geen intacte resten meer te verwachten van eventuele vindplaatsen. Deelgebied 3 ligt aan de rand van AMK-terrein 13166. Het betreft een historische havezate en bekende vindplaats met een hoge archeologische verwachting voor de middeleeuwen en nieuwe tijd (inclusief de Tweede Wereldoorlog). Deze locatie heeft daarmee naast de brede verwachting ook een specifieke verwachting op vroege nieuwe tijd en Tweede Wereldoorlog.
Inventariserend veldonderzoek Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase voor deelgebieden 2 tot en met 5. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie.
De bodemopbouw verschilt sterk per locatie: • deelgebied 2: verstoorde grond op C-horizont in zand • deelgebied 3: humushoudend dek op C-horizont met vuile overgangslaag, mogelijk oud landbouwdek of vergraven bosbodem op een vlakvaaggrond van (rivier)duinzand. • deelgebied 4: verstoorde grond op C-horizont, boring 30 gelegen op een afgegraven deel van het duin (Kruisberg) • deelgebied 5: oude rivierkleigrond met dekzanddek en/of (her)verstoven rivierduinzand, bijzonder hierbij is de vegetatielaag op de overgang van oude klei naar zand.
De mate van verstoring is in bermsituaties (deelgebied 2, 3 en 4) en het weiland (deelgebied 5) in de meeste gevallen vrij aanzienlijk, tot 1 m –mv. De relevante bodems in de zandgronden zijn echter, ook bij de ondieper geconstateerde verstoringen, reeds verstoord geraakt.
In deelgebied 3 (boringen 33 en 34) is een intacte vlakvaaggrond met humushoudend dek aanwezig. Door de afwezigheid van een podzolprofiel worden geen resten van prehistorische bewoning verwacht. Het humushoudend dek kan hier echter wel afkomstig zijn van plaggenbemesting op de akkers rondom havezathe Hagen/De Kelder uit de periode late middeleeuwen/vroege nieuwe tijd. Resten van agrarische bewerking (waaronder een plaggendek) worden echter niet als een behoudenswaardige vindplaats beschouwd.
In deelgebied 5 is de top van de oude rivierklei een humushoudende laag gevormd, vermoedelijk door toedoen van enige veengroei. De laag bevat ook onverteerde plantenresten. De vegetatielaag vormt een vermoedelijk loopvlak uit het laat glaciaal. De onverteerde plantenresten duiden op een natte vorming en daarmee niet op een geschikte verblijfplaats: daarvoor zullen de rivierduinen waar deze door de oude rivierklei heen steken beter geschikt zijn geweest.
Met de gekozen aanlegwijze (als grootschalig gestuurde HDD boring) is al een minimale verstoring aan eventuele archeologische resten bewerkstelligd. Waar nog wel vergravingen plaatsvinden kan op grond van de bovenstaande gegevens de archeologische verwachting worden bijgesteld naar een lage verwachting. Dit geldt voor deelgebieden 2, 3, 4 en 5. De (middel)hoge verwachting voor deelgebied 1 vervalt door de hoge mate van bestaande verstoringen. Dit deel van de aanlegwerkzaamheden is geheel gelegen in een bestaand kabelbed op het trafostation. Voor gebieden zonder of met een lage (resterende) verwachting wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Het advies om het plangebied (deelgebieden 1, 2, 3, 4 en 5) vrij te geven ten aanzien van het aspect archeologie is ter beoordeling aan de bevoegde overheid (de gemeente Doetinchem). Zij zal, op voorspraak van haar adviseur, de resultaten en het advies in beoordeling nemen en overgaan tot een selectiebesluit. In het selectiebesluit kan zij ofwel meegaan met de in dit rapport gestelde adviezen ofwel op inhoudelijke gronden anders besluiten.
Het advies is overgenomen en omgezet in een selectiebesluit
Antea Group Archeologie 2020/72
Auteurs: R. Fens & I. Fleuren
rapportvolgnummer: 2020/72
Antea Group projectnummer 271507
ARCHIS-nr 4856764100
Het plangebied ligt langs de voormalige Zuiderzeekust. De vestingstad Muiden, een van oorsprong middeleeuwse stad, bevindt zich aan de monding van de Vecht aan de vroegere Zuiderzee. Muiderberg is een middeleeuwse bewoningskern die gesitueerd is op een stuwwal met een dekzanddek. Op de stuwwal van Muiderberg zijn archeologische resten uit de steentijd (laat-paleolithicum tot mesolithicum) te verwachten. Er zijn vooralsnog echter geen resten uit deze periode bekend. Bij Muiderberg ligt het pleistoceen zand aan het oppervlak en bij Hakkelaarsbrug vlakbij het oppervlak, maar ook ten westen van Hakkelaarsbrug zijn dieper in de ondergrond (vanaf circa 2 m –mv) dekzandruggen of dekzandkoppen gevonden bij eerder archeologisch onderzoek.
Op de oeverwallen van de Vecht zijn archeologische bewoningssporen mogelijk uit de ijzertijd, de Romeinse tijd en middeleeuwen (tot en met de nieuwe tijd). Buiten de oeverwallen bij Muiden en de stuwwal van Muiderberg betreft het plangebied een veenvlakte die in de middeleeuwen is ontgonnen, maar die vanaf de ijzertijd al kan zijn bewoond. In de nieuwe tijd is dit gebied relatief onbebouwd gebleven omdat het behoorde tot de structuur van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam.
De ondergrond bestaat deels uit een onder jongere afzettingen (veen, klei en overslaggrond) begraven flank van een stuwwal met eventueel dekzanddek en deels een veengebied dat door inbraken van de Zuiderzee mede is gevormd. Er zijn grofweg twee gebieden waarvoor een hoge verwachting aanwezig is voor archeologische resten: de oevers van de Vecht en het pleistoceen zand ten zuidoosten van de stuwwal van Muiderberg.
Uit het veldonderzoek volgen twee locaties die mogelijk interessant zijn met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van vindplaatsen binnen de verwachte verstoringsdiepte: boring 055 (crevasse-achtige, zandige en roestige kleilaag in systeem van de Vecht) en boring 112-115 (relatieve hoogte in pleistoceen reliëf).
In het zandige kleipakket van boring 055 is geen intacte top of loopvlak aanwezig. Mogelijk betreft dit een crevasse-afzetting uit de Romeinse tijd. Gezien de ligging naast een asfaltweg kan ook een oorsprong van deze laag met recent grondverzet niet geheel worden uitgesloten. De kans dat bij vervolgonderzoek op deze plaats een intacte archeologische vindplaats wordt aangetroffen is gering. Wij adviseren daarom tot vrijgave.
Voor de lierlocatie van mast 030 en de bouwweg van mast 031 (boringen 112-115) geldt dat er binnen de voorgenomen woeldiepte (0,7 m –mv) een intacte begraven podzolbodem aanwezig is die bovendien een relatieve hoogte in het prehistorische landschap betrof, voordat de veengroei hier een aanvang nam. Deze relatieve verhoging in het reliëf kan bewoond zijn geweest tijdens het laat paleolithicum of in het mesolithicum
Antea Group Archeologie 2020/135
In juli 2020 heeft Antea Group in opdracht van Panattoni een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘DD Panattoni’ te Moerdijk, gemeente Moerdijk. De aanleiding voor het bureauonderzoek is de door Panattoni voorgenomen ontwikkeling van de planlocatie tot een logistiek centrum bestaande uit een bedrijfshal met 18 docks met schelters en levellers.
Het plangebied valt binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk’ d.d. 18-01-2018, Volgens het bestemmingsplan geldt er geen dubbelbestemming archeologie.1 Op de gemeentelijke beleidskaart, die uit 2013 dateert, valt het plangebied in een zone met een lage verwachting. Het bijbehorende beleid is ‘archeologisch beleidsgebied 8’, wat voorschrijft dat bij bodemverstorende activiteiten vanaf 10.000 m2 en een diepte vanaf 0,5 m – mv een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De voorgenomen werkzaamheden overschrijden deze grenzen en zijn daarom onderzoeksplichtig.
Uit het archeologisch bureauonderzoek komt naar voren dat er in het plangebied een lage archeologische verwachting geldt voor archeologische resten uit het laat paleolithicum en mesolithicum. Eventuele archeologische resten uit deze perioden kunnen worden verwacht in de top van de pleistocene zanden, welke zich op 6 à 8 m –NAP (circa 7 à 9 m –mv) bevinden. De verwachting op archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd in het plangebied is laag. Eventuele archeologische resten uit deze periode kunnen verwacht worden in de top van de klei net onder de recent opgebrachte zandlagen. Bij ontgraving tot maximaal 4 m – mv (3,65 m –NAP) zullen archeologische resten niet worden verstoord.
Advies:
Gezien de lage verwachting op archeologische resten uit het paleolithicum, het mesolithicum en de late middeleeuwen en nieuwe tijd, in combinatie met een bodemopbouw welke door recente ophogingen tot circa 4,0 m-mv verstoord is, adviseert Antea Group om binnen het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren. Bij het zetten van heipalen zal de ondergrond en eventuele archeologische resten op grotere diepte naar verwachting minimaal verstoord worden. Samen met het feit dat het hier een gebied betreft met een lage archeologische verwachting zijn deze werkzaamheden tevens geen reden om aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Bovenstaande is een selectieadvies; het hierop nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in dezen de gemeente Moerdijk.
Reactie gemeente Moerdijk:
Antea Group heeft het voorliggende bureauonderzoek archeologie aan de gemeente Moerdijk voorgelegd op 18 augustus 2020. De gemeente Moerdijk heeft tot twee maal toe (7 september 2020 en 10 september 2020) aangeven dat een archeologisch onderzoek op deze locatie geen indieningsvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning ’bouwen’ is
Antea Group Archeologie 2019/164
projectnummer 456639
rapportvolgnummer 2019/164
De aanleiding tot het uitvoeren van dit bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen is de voorgenomen sanering c.q. het voorgenomen bouwplan voor onderkelderde nieuwbouwcomplexen aan de Zaanoever Westzijde 270-276 te Zaanstad.
Op de locatie is reeds een sanering uitgevoerd ten behoeve van de herontwikkeling. Omdat de voorziene nieuwbouw afwijkt van de gehanteerde uitgangspunten voor de herontwikkeling (half verdiept parkeren waar bouwen op het maaiveld was voorzien) zullen lokaal nog aanvullende saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd.
Archeologische verwachting
Enige jaren terug hebben op het terrein saneringen plaatsgevonden waarbij de bodem op veel plaatsen tot meer dan een meter diepte is verstoord. De verwachting is dat op deze plekken geen archeologische vondsten meer zijn te verwachten. Langs de randen van het terrein en in het noordelijk deel zijn echter verschillende terreindelen waar niet is gegraven of waar de bodem maar tot 50 cm of 100 cm diepte is verstoord. In deze gebieden kunnen nog archeologische belangrijke resten liggen.
In het gebied worden vooral resten van zaagmolens, scheepswerven en rederijen verwacht. Langs de Zaan, vanaf de monding van de Zaan tot Koog aan de Zaan op zowel de Westzijde als de Oostzijde, hebben in de late 16e-eeuw en de 17e - eeuw scheepswerven gelegen. Deze zijn in de boringen herkenbaar aan lagen zaagsel en houtsnippers. Eventueel zijn ook resten van teer te verwachten. Ook kan het plankier van de helling waarop de schepen werden gebouwd, nog in de bodem aanwezig zijn. Dergelijke scheepshellingen lagen aan de oever, tegen de Zaan aan. Dichter bij de straatzijde zijn resten van funderingen (steen of hout) van huizen en resten van nijverheid te verwachten.
Conclusies en advies
• Wat is de bodemopbouw van het gebied? Is er (plaatselijk) sprake van een intacte bodem? Wat is de diepte van de (eventuele) verstoringen? Wat is de dikte van een eventuele ophogingslaag? Is de bodem onder de ophooglaag intact?
De natuurlijke bodem bestaat uit een schakeling van wadzandlagen, al dan niet humeuze klei en kleiig veen. Op veel plaatsen is de bodem tot 3 of 4 m –mv verstoord door de uitgevoerde saneringswerken, ook binnen de contouren die op de bestemmingsplankaart zijn voorzien van Waarde Archeologie 1 of 2. De verstoorde lagen bestaan over het algemeen uit matig fijn tot grof en grindig opgebracht schoon zand. In sommige boringen komen echter ook verstoorde restanten van lokaaleigen grondlagen voor. Eventuele archeologische resten kunnen daarin aanwezig zijn, maar vermoedelijk niet meer in context of oorspronkelijke positie. Tussen het natuurlijke pakket en de gesaneerde leeflaag zijn slechts in boringen 01, 02 en 04a archeologisch relevante lagen aangetroffen. Aan de Westzijde-kant (straatzijde) betreft dit een leefniveau van vermoedelijk tuingrond met huishoudelijk afval uit de 17-19e eeuw op een diepte vanaf 0,95 m –mv en in boring 02 en vooral boring 04 betrof de archeologische laag een zaagsellaag.
• Zijn er binnen het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja, welke en op welke diepte? Zijn er resten aangetroffen die zijn te relateren aan de vroegere nijverheid in het gebied, zoals scheepswerven en molens?
Het leefniveau langs de Westzijde ligt op een diepte van 0,95 m-mv tot een diepte van 1,25 m –mv (boring 01). De zaagsellaag is aangetroffen op een diepte vanaf 1,35 m-mv (boring 02) tot een diepte van 3,45 m-mv (boring 04a). De zaagsellaag houdt verband met lokale nijverheid tussen de 17e en 19e eeuw, maar nog onduidelijk is of dit ter plaatse van het kavel en houtzagerij of scheepwerf betrof
Antea Group Archeologie 2018/156
N.B.: Dit onderzoek is voorgelegd aan de opdrachtgever, maar niet aan de bevoegde overheid.
In oktober 2018 heeft Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied van de gasleiding te Waalwijk, gemeente Waalwijk. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek.
Aanleiding tot het onderzoek vormt de voorgenomen plaatsing van een gasleiding. Een deel van het plangebied ligt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Waalwijk in een gebied met een gematigde archeologische verwachting. Voor dit gedeelte van het plangebied is een dubbelbestemming waarde archeologie opgenomen. Bij deze dubbelbestemming wordt archeologisch onderzoek verplicht gesteld indien de bodemingrepen een oppervlakte groter dan 100 m2 beslaan en dieper reiken dan 0, 7 m –mv. Het plangebied overschrijdt de vrijstellingsgrenzen waardoor een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is conform het gemeentelijk beleid.
Gezien de landschappelijke ontwikkeling van het gebied is het niet uit te sluiten dat zich archeologische indicatoren of sporen in het dekzand bevinden. Er zijn echter geen archeologische bevindingen aangetroffen in de eerdere onderzoeken. In de booronderzoeken aan de Valkenvoortweg1en Visbankweg / Hazardweg2zijn geen aanwijzingen van een vondstenspreiding of mogelijke leeflaag aangetroffen. Het proefsleuven onderzoek in Haven 8 West en Oost heeft ook geen nederzettings- of andere sporen opgeleverd, anders dan de resten van laatmiddeleeuwse verkavelingen of latere vormen van agrarische terreininrichting, met name van sloten / greppels. Deze eerdere onderzoeken hebben ook uitgewezen dat een aanzienlijk deel van het ooit aanwezige veen is verdwenen. De afzetting van klei is erosief geweest voor de veenlaag waarin de laatmiddeleeuwse bewoningssporen aanwezig zijn geweest. Daarmee is ook het potentieel aanwezige laatmiddeleeuwse sporenniveau verloren gegaan.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek luidt het advies om de verwachting voor het plangebied bij te stellen naar laag en de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit is een selectieadvies; het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Waalwijk.
Het onderzoek is (nog) niet voorgelegd aan de bevoegde overheid
Antea Group Archeologie 2018/188
In november 2018 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een warmteleiding in Leeuwarden-Zuid, gemeente Leeuwarden. Na afloop van dit onderzoek hebben twee tracéwijzigingen plaatsgevonden. Na de eerste tracéwijziging is in september 2019 revisie 0B opgesteld. Toen is geconcludeerd dat het nieuwe tracé geen gewijzigde impact had op eventuele archeologische waarden of verwachtingswaarden. Na de tweede tracéwijziging is de onderhavige revisie (OC) opgesteld in mei 2020. Bij deze tracéwijziging is opnieuw gekeken naar zowel het beleid aangaande de locatie van het tracé, de regelgeving als de archeologische verwachting op basis van bekende landschappelijke, bodemkundige en archeologische gegevens. Naar aanleiding van de afweging is opnieuw geconcludeerd dat de impact van het plangebied op het aspect archeologie ongewijzigd is gebleven en dat enkel ter plaatse van het meest zuidoostelijk gelegen gedeelte (hier genoemd Techum Noord) een archeologische verwachting gecombineerd met archeologische regelgeving aan de orde is.
Verreweg het grootste deel van het tracé bevindt zich in een gebied waarvoor geen dubbelbestemming archeologie is opgenomen. Het gaat hier voornamelijk om de gebieden die gelegen zijn in de voormalige Middelzee en in de 20e-eeuwse uitbreidingswijken van Leeuwarden.
Voor deze gebieden geldt een lage tot afwezige archeologische verwachting.
Een klein gedeelte van het tracé, circa 110 m, bevind zich in een gebied met een dubbelbestemming Waarde –Archeologie 3 (hier genoemd Techum Noord). Hiervoor geldt dat voor bouwwerken waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 500 m2 en die de bodem dieper verstoren dan 0,4 m – mv een omgevingsvergunning moet worden verleend. Uitgaande van een ingreep binnen deze zone met een oppervlakte van 770 m2 wordt de vrijstellingsgrens hier overschreden. Dit gebied bevindt zich net ten noorden van het terpdorp Techum en heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. De terp is een bekend AMK-terrein (nr 8005) en betreft een terp / wierde uit de Romeinse tijd en vroege tot late middeleeuwen. In het onbebouwde afgegraven deel van de terp zijn bij eerdere archeologische onderzoeken terplagen aangetroffen. Tevens zijn hier een terpsloot uit de Romeinse tijd, een geul/greppel en kwelderlagen aangetroffen.
Op historische kaarten (de atlas van Schotanus uit de 17eeeuw en de kadastrale minuut uit eerste helft 19eeeuw) is te zien dat aan de noordkant van het terpdorp Techum ten minste van de 17etot in de 19eeeuw bebouwing stond omstreeks de Lykwei (Chemin des mortes). Het is echter mogelijk dat de bewoning van het gebied nog langer teruggaat. Tevens kan het onderzoeksgebied in verbinding worden gebracht met de terp van Techum. Het onderzoeksgebied ligt weliswaar buiten de terp, maar kan nog wel onderdeel zijn geweest van de omringende activiteitenzone van de nederzetting (ijzertijd/Romeinse tijd/middeleeuwen).
Conform het archeologisch beleid en regelgeving adviseren we het volledige plangebied met uitzondering van Techum Noord vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van Techum Noord hebben wij in revisie 0A en 0B geadviseerd een booronderzoek uit te voeren. Het onderzoek is inmiddels uitgevoerd en gerapporteerd. Tijdens dat onderzoek zijn er geen indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats
en is gebleken dat de bodem ter plaatse reeds ernstig verstoord is. Het nadere selectieadvies is om ook voor die zone om deze vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling.
Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Leeuwarden. Wij verzoeken het onderhavig bureauonderzoek (revisie 0C) tezamen met het rapport van het uitgevoerde veldonderzoek (d.d. 6 maart 2020) voor te leggen aan de gemeentelijk archeoloog om deze formeel te laten beoordelen en zodoende de basis te leggen voor het gemeentelijk selectiebesluit.
Het is na herhaalde navraag onduidelijk gebleven of de onderhavige rapportage is voorgelegd aan het bevoegde gezag
Antea Group Archeologie 2020/30
OM-nummer: 4769202100
Projectnummer: 452535
Auteurs: R. Fens & I. Fleuren
Antea Group heeft in de periode februari-april 2020 een archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de geplande aanleg van een 110 kV kabeltracé tussen station Hengelo Weideweg en Hengelo Oele (HGLW-HGLO).
Het geplande tracé is in twee gemeentes gelegen, namelijk gemeente Hengelo en gemeente Hof van Twente. De totale geplande lengte van dit tracé is circa 5.900 m, waarvan circa 2.800 m in open ontgraving plaatsvindt (zie afbeelding 1). Het onderhavige rapport heeft als zwaartepunt het gedeelte van het tracé dat zich bevindt in de gemeente Hof van Twente. De opgetelde lengte van dit tracé is circa 2.270 m. Circa 715 m van dit tracé vindt plaats in open ontgraving. Deze zones zijn onderverdeeld in meerdere deeltracés (afbeelding 2). Deeltracé 4 en 5 bevinden zich in de gemeente Hof van Twente. In een eerder stadium heeft Antea Group een bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het grootste gedeelte van het tracé gebieden doorkruist waarvoor een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt. Deze gebieden zijn gelegen op relatief hoog gelegen gronden in het landschap (al dan niet beschermd door een esdek). Vanaf de prehistorie vormden dergelijke hoger gelegen gebieden geliefde woon en verblijfplaatsen. Tevens geldt er een hoge verwachting voor gebieden in de directe omgeving van een historisch object. Binnen het plangebied kunnen met name resten van oude boerderijerven worden aangetroffen. De oorsprong van veel van deze boerderijen gaat terug tot in de late middeleeuwen.
Om het in het archeologisch bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn de tracégedeeltes die conform beleid en regelgeving onderzoeksplichting zijn en tevens in open ontgraving worden aangelegd archeologisch onderzocht.
Resultaten De bodemopbouw bestaat uit een ondergrond van leem en fluvioperiglaciale afzettingen die slechts zeer plaatselijk een dun dekzanddek vertoont (enkel in boringen 040A, deels 039A in deeltracé 4 en boringen 047A-050A in deeltracé 5). Bodemvorming in deeltracé 4 is verder niet aangetroffen, in deeltracé 5 zijn restanten van een beekeerdgrond en/of gooreerdgrond aangetroffen. Deze restanten bestaan uit een eerdlaag en uit sterke accumulatie van roest. Indicatoren voor vroegere bewoning, zoals een eenmanses of een dekzandkop of –rug met tekenen van podzolidatie zijn niet aangetroffen. De bodemvorming is over het algemeen gering, en beperkt tot de bouw- en ploegvoor (0,2-0,6 m –mv). In boring 045A is een slootdemping aangetroffen (verstoring tot 1,4 m-mv).
Landschappelijk komt de ingeschatte situatie zeer overeen met de inschatting uit de bureaustudie: het plangebied ligt in de morenevlakte (consequent ondiep gelegen leemlagen), bedekt met fluvioperiglaciale afzettingen, maar slechts zeer plaatselijk met een dekzanddek, die zeer dun is en dan ook slechts als onderdeel van de bouwvoor kon worden herkend. Resten van verwachte (natte dan wel droge) podzolbodems werden wel verwacht, maar zijn niet (meer) aanwezig. Wel is een beekeerdbodem herkend in deeltracé 5.
Conclusie en advies Om het feit dat er geen bodem of landschappelijke situatie is aangetroffen die de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in het plangebied ondersteunt (morenevlakte veelal zonder dekzanddek, geploegde/ontgonnen AC-profielen en geen esdek) adviseren wij tot vrijgave van het tracé.
Het bovenstaande advies is voorgelegd en overgenomen door de adviseur van het bevoegd gezag
Antea Group Archeologie 2020/159
In augustus 2020 – maart 2021 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ter voorbereiding op het verleggen van een DN400 drinkwaterleiding in Ewijk, gemeente Beuningen. Hierbij werden vier mogelijke tracévarianten bekeken. In november/ december 2020 is tot de aanleg van een vijfde variant besloten. Het onderhavige archeologisch bureauonderzoek is hierop aangevuld, waarbij de focus ligt op deze nieuwe tracévariant. Na oplevering van revisie 0A van dit rapport (d.d. 1 maart 2021) zijn in het ontwerp van het tracé de aangetroffen vindplaatsen (met indicatoren) ontzien door middel van HDD-boringen.
Bureauonderzoek
Voor het plangebied geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Het tracé doorsnijdt daarnaast meerdere AMK-terreinen en ook zijn er meerdere Rijks-beschermde archeologische monumenten in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig. Het plangebied is onderdeel van het rivierengebied net ten zuiden van de Waal. Het noordoostelijke gedeelte van het gebied is gelegen op de Winssense stroomgordel. Het zuidwestelijke gedeelte bevindt zich binnen het afzettingsbereik van deze stroomgordel.
Booronderzoek
Het plangebied ligt in een kronkelwaard van de Winssense stroomgordel met een prominente zuidelijke oeverwal die dit systeem begrensd. Deze zuidelijke oeverwal is in het neolithicum en de Romeinse tijd bewoond geweest: dit is in het huidige onderzoek bevestigd met zowel oppervlaktevondsten als vondsten uit boringen. Ten zuiden van deze oeverwal is een complex aanwezig aan gerijpte komafzettingen met vegetatielagen en sporadische crevasseafzettingen. Naast één van deze crevasses is ook houtskool aangetroffen. Aan de noordzijde van de genoemde oeverwal richting de (huidige) Waal komen een reeks van beddingen, komafzettingen, restgeulen en oeverwallen voor. Eerdere waarnemingen bevestigen dat zich ook op die delen van het systeem (vermoedelijk vooral de oeverwallen daarvan) archeologische vindplaatsen hebben bevonden, maar die zijn niet in het onderhavige onderzoek aangetroffen.
Advies revisie 0A
In revisie 0A van dit rapport is geadviseerd om ter plaatse van de aangetroffen vindplaatsen (boring 30, 70-73 en 82) een planaanpassing uit te voeren om deze vindplaatsen te ontzien en in situ te sparen. Dit advies is door de opdrachtgever vertaald naar een aangepast ontwerp, waarbij deze zones worden ontzien door middel van een diepe HDD-boring. Voor de overige delen van het plangebied werd vrijgave geadviseerd. Nadrukkelijk is er verwezen naar artikel 5:10 van de Erfgoedwet 2016, die ook voor vrijgegeven gebieden onverminderd van toepassing is (Meldingsplicht toevalsvondsten).
Selectiebesluit
De vorige versie van dit rapport (revisie 0A) is namens de bevoegde overheid, gemeente Beuningen, beoordeeld door haar adviseur, mevr. E. Mietes. Na deze beoordeling is een selectiebesluit opgesteld waarbij de keuze tot het in situ veiligstellen van de aangetroffen vindplaatsen door middel van diepe gestuurde HDD-boringen is overgenomen. Voor het gebied waar geen indicatoren zijn aangetroffen, maar wel vegetatielagen of laklagen in het komkleigebied is het advies voor vrijgave niet overgenomen. Het selectiebesluit luidt om ook in die zones archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Uit het veldonderzoek is immers gebleken dat de bodemopbouw in de komgebieden intact is en dat de in dat gebied voorkomende laklagen en vegetatiehorizonten vermoedelijk mogen worden opgevat als loopvlakken uit het neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Hoewel in deze periode de hoger gelegen oeverwallen zullen zijn gebruikt voor het merendeel van de activiteiten (zoals de nederzetting, de doorgaande weg, de begraafplaats, etc.) bestaat er in het komkleigebied (ondanks het ontbreken van indicatoren in de boringen) kans op off site archeologische resten. Off site-resten kunnen in verband staan met het vroegere agrarisch-economische gebruik van de grond en kunnen bijvoorbeeld bestaan uit veekralen, afrasteringen of perceelsloten, ontwateringsloten en drenkkuilen. De verwachting betreft een complex met lage dichtheid aan sporen en vondsten. Deze verwachting geldt in principe voor vrijwel het gehele plangebied, waar dit althans in het huidige plan (april 2021) in open ontgraving wordt aangelegd. Een archeologische begeleiding, als variant van proefsleuvenonderzoek of opgraving, is voor deze verwachting een passende methode om eventuele archeologische resten in dit gebied te herkennen en te documenteren. Voor een archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat vooraf aan de werkzaamheden door opdrachtgever en de bevoegde overheid akkoord moet zijn bevonden
Antea Group Archeologie 2018/153
In september 2018 heeft Antea Group in opdracht van CroonenBuro5 een archeologisch booronderzoek (verkennende fase) uitgevoerd voor een plangebied dat valt binnen het grotere bestemmingsplan Slotjes te Oosterhout. Het plangebied bestaat uit verschillende fasen waarvan nu fase 4 tot en met 7 worden onderzocht. De verschillende fasen komen daarbij overeen met verschillende deelgebieden (zie ook afbeelding 1).
In juni 2018 is reeds een bureauonderzoek uitgevoerd, waarin is geadviseerd een booronderzoek op de bestaande grasvelden uit te voeren. Het bureauonderzoek is ook opgenomen in dit rapport.
Een booronderzoek ter plaatse van de nog bestaande bebouwing lijkt vooralsnog niet zinvol en praktisch niet mogelijk.
Conclusie
Tijdens het archeologisch booronderzoek is gebleken dat er sprake is van een gehomogeniseerd, deels verrommeld antropogeen dek op het uitgangsmateriaal, met in enkele gevallen een BC-horizont of een mogelijk een ontginningslaag.
Er zijn geen aanwijzingen dat de oorspronkelijke top van de C-horizont, en daarmee het archeologisch relevante vlak, diep verstoord zijn geraakt. Dit maakt dat dit vlak nog steeds intact in de ondergrond aanwezig is en de archeologische verwachtingswaarde nog steeds als hoog tot middelhoog kan worden aangemerkt.
Selectieadvies
Het advies van Antea Group is dan ook om in het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren in het booronderzoek nu onderzocht zones. Daarbij kan ook besloten worden om, als bovengrondse sloop van de flats reeds heeft plaatsgevonden ten tijde van de uitvoering één of enkele sleuven door te trekken naar de flats om te controleren of de bodem daar te ver verstoord is geraakt door de bouw van de flats.
Dit betreft een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Oosterhout.
Het bevoegd ging akkoord met het selectieadvies, door middel van een selectiebesluit
- …
