44 research outputs found
Onderhogen: Van idee tot uitvoering
Dit rapport bevat een overzicht van de activiteiten uitgevoerd binnen het project onderhogen, in het kader van Si2, het stimuleringsprogramma in de infrastructuur. Het project werd opgestart einde 1999 en wordt nu afgerond met deze eindrapportage. Het rapport beschrijft tevens het proces dat is doorlopen om te komen van het idee onderhogen tot daadwerkelijke uitvoering op praktijkschaal. Beschreven wordt wat onderhogen is, namelijk door het injecteren in de ondergrond het maaiveld optillen, en wat de toepassingsmogelijkheden met de huidige stand van de techniek zijn. Tevens wordt gekeken naar toekomstige ontwikkelingen. Er is een literatuurlijst opgenomen van alle relevante rapporten en publicaties.Onderhoge
Opwaaiing van het IJsselmeer
Het onderzoek heeft de volgende resultaten opgeleverd: 1. Door ijking is gebleken, dat het model vrij betrouwbaar is, voor zover kon worden nagegaan uit de waterstanden. Er zijn ten tijde van de ijking geen snelheden in het prototype gemeten. 2. Bij snel (in enkele uren) tót een bepaalde waarde toenemende windsnelheid ontstaat op het meer een staande golf met een periode van ongeveer 4 uur en 20 minuten enigszins afhankelijk van het peil. Deze periode is de zgn. eigenfrequentie van het meer. 3. Door het 'flessehalskarakter' van het Ramsdiep vindt bovengenoemde slingering op het Zwarte Meer, Zwarte water en de Vecht niet of nauwelijks plaats. Daar is sprake van een geleidelijk oplopen tot een evenwichtsstand. 4. De maximum optredende waterstanden langs de oevers van bovengenoemde wateren zijn vrijwel konstant, dus er vindt geen demping of opslingering van de golf plaats. 5. Zelfs zeer extreme afvoeren van de Vecht en/of de IJssel hebben een te verwaarlozen invloed op de waterbeweging van het IJsselmeer, plaatselijk bij de litmonding is er wel invloed merkbaar.VloeistofmechanicaHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Het overstromingsgevaar langs de wateren tussen het IJsselmeer en de Overijsselse Vecht
De afsluiting van de Zuiderzee had als voornaamste doel het creeren van. een zoetwatermeer, waarin gemakkelijk nieuwe landbouwgronden te verkrijgen waren. De afsluiting had tevens een gunstig effect op de veiligheid tegen overstromingsgevaar van de omliggende gebieden. Deze werden nu niet meer bedreigd door hoog opgestuwd zeewater (vooral bij noordwesterstorm was dit.het geval). Sommige gebieden, zoals delen van het Kampereiland, kwamen voordien nogal eens onder water te staan. De na de afsluiting ingepolderde gebieden deden het IJsselmeer steeds kleiner worden. De opwaaiingen werden daardoor in het algemeen geringer; echter met uitzondering van het Ketelmeer en het Zwarte Heer, daar zijn ze zelfs groter geworden. De veiligheid tegen overstroming, welke door de afsluiting dus groter was geworden, is daar als gevolg van de verschillende inpolderingen weer iets teruggelopen, i.t.t. de andere delen van het IJsselmeer. Over deze problematiek zijn aan de minister van verkeer en waterstaat in 1974 dan ook vragen gesteld, naar aanleiding van de destijds bijna gereed gekomen dijk van Enkhuizen naar Lelystad. De grootste toevoer van water naar het IJsselmeer vindt ook juist plaats in deze zuidoosthoek van het meer, via de IJssel en via het Zwarte Water, en deze veroorzaakt ook de nodige vervallen. Aangezien men in Nederland bezig is voor vele gebieden de overstromingskansen te verkleinen, zowel voor kustgebieden als voor gebieden langs de grote rivieren, is een nadere beschouwing over de aanwezige veiligheid langs deze delen van het IJsselmeer wenselijk. Door de provincie Overijssel is een meerjarenplan voor dijkverhoging opgesteld, dat ook dijken langs Ketelmeer en Zwarte Meer omvatte. - Aanleiding en doel onderzoek: 1. De sluiting van de dijk Enkhuizen-Lelystad, welke tevens voorlopig de laatste grote ingreep zal zijn m.b.t. oppervlak van het IJsselmeer, is voor ons aanleiding geweest om onderzoek te plegen naar de overstromingskansen in deze zuid-oosthoek van het IJsselmeer. Wanneer na het bepalen van de huidige veiligheid deze laag blijkt te zijn willen we ook nog alternatieven geven om deze te verhogen. Het overstromingsgevaar van het op bijlage 2 aangegeven gebied zal nader worden beschouwd in dit verslag. Daartoe zullen de dijken worden onderzocht langs het Ketelmeer, het Zwarte Heer, het Zwarte Hater en het gedeelte van de Vecht beneden de stuw te Vechterweerd. 2. Alhoewel een deel van het genoemde gebied ook blootstaat aan overstromingsgevaar van de IJssel wordt deze rivier geheel buiten beschouwing gelaten i.v.m. de hoeveelheid werk. Alleen de invloed van de IJsselafvoer op het IJsselmeerpeil wordt in beschouwing genomen. Extreme waterstandssituaties worden enerzijds veroorzaakt door een hoog IJsselmeerpeil èn door grote opwaaiing (met name bij NW-stormen), en anderzijds door een grote afvoer (vooral van de Vecht), welke ook hoge waterstanden als gevolg heeft. De relaties tussen deze drie factoren wordt besproken in par. III. I. Wanneer we de huidige veiligheid vastgesteld hebben, willen we voor enkele grotere veiligheden alternatieven aangeven om die te bereiken. Eén ervan wordt nader uitgewerkt nl. een hoogwaterkering nabij Ramspol in de Ramsgeul.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Beweegbare hoogwaterkering nabij Ramspol
Ontwerp van een balgstuw bij Ramspol.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Rapport variabiliteitsanalyse: Orienterende berekeningen betreffende de invloed van configuratievariabiliteit op de maximale buigtrekvervorming van dijkbekledingen op zandondergrond
Het doel van deze orientatie-analyse met behulp van een 2-dimensionaal eindige-elementen rekencode is een gevoeligheidsafschatting ten aanzien van twee onderscheiden aspecten. 1. In hoeverre en op welke wijze is, in geval van plaatselijk significante variabiliteit, het Leidraad-dimensioneringsmodel op golfklappen (2 lagenmodel, geschematiseerd tot een plaat op veren alsmede een "statische" lijnbelasting) te hanteren. 2. De analyse kan uitzicht bieden op de mechanische betekenis van een bepaald type variabiliteit. Hierdoor is nadere uitspraak mogelijk over de vereiste resolutie die de meettechnieken voor een inspectiesysteem moeten opleverenTAW A
Eisen aan paalmatrassystemen: Palen en inventarisatie matras
Deze publicatie geeft een overzicht van eisen te stellen aan paalmatrassystemen. Deze veelbelovende techniek is in de afgelopen jaren een aantal malen in Nederland toegepast. Deze publicatie kan gezien worden als een aanvulling/uitbreiding van CUR-rapport 2002-7. Voor het rekenkundig ontwerp en de hierbij te beschouwen aspecten bestaan een aantal methoden die nogal uiteenlopende resultaten kunnen geven. Als eerste stap om te komen tot meer eenduidigheid zijn alle onderdelen en de ontwerpkeuzes systematisch beschreven en becommentarieerd. Hierbij ligt het accent op het ontwerp van de paalfundering. Een vervolgstudie samen met Delft Cluster moet leiden tot een eerste aanzet voor regelgeving voor het hele paalmatrassysteem in Nederland. Het huidige rapport moet gezien worden als een werkdocument dat, mogelijk met aanpassingen en verbeteringen, in het uiteindelijke document zal worden geïntegreerd. aanleg van terreinophogingen en aardebanen, waarbij met behulp van palen of kolommen het merendeel van de belasting op de draagkrachtige ondergrond wordt overgedragen. Deze constructies vertonen na ingebruikname weinig of geen restzetting. De krachtsoverdracht op de palen/kolommen geschiedt door middel van boogwerking. Bij een aardebaan is de boogwerking van nature meestal onvoldoende zodat onderin een overdrachtslaag met geokunststof wapening nodig is, zie figuur 1-1. Deze wapening ondersteunt tevens de grondmassa beneden de boog. Soms zijn enkele wapeningslagen boven elkaar aanwezig. In de overdrachtslaag wordt meestal grofkorrelig ophoogmateriaal gebruikt, bijvoorbeeld menggranulaat. De combinatie van paalfundering en gewapende overdrachtslaag wordt aangeduid met de term paalmatrassysteem. Ook wordt de term GMOP gebruikt, die staat voor Gewapende granulaat Matras Op Palen, of Gewapende grondMatras Op Palen
Verificatie van de Dimensioneringsmethode op golfklappen, als omschreven in de \u93Leidraad voor de Toepassing van Asfalt in de Waterbouw\u94 \u96 fase 1 \u96 Numerieke toetsing van enkele schematiseringen
In de twee inleidende hoofdstukken van het rapport worden respectievelijk een historische inleiding over het onderwerp en de probleemstelling gegeven - In hoofdstuk 3 is behalve de probleemformulering ook een overzicht gegeven van de diverse activiteiten in het kader van de probleemanalyse van 1983 - 1988. Vervolgens wordt de toetsings-strategie sinds 1988 in het kort weergegeven. - Hoofdstuk 4 levert aan de hand van inleidende rekenvoorbeelden een nadere motivering voor de in dit rapport gehanteerde aanpak. Diverse invloedsparameters op de buigtrek (spannings) maxima in de bekleding werden in samenhang onderzocht. Opvallende resultaten werden verkregen voor het effect van de belaste strookbreedte, de geschematiseerde belastingsverdeling en niet-lineair gedrag van de ondergrond. - In hoofdstuk 5 wordt de configuratie- afhankelijkheid van de beddingsconstante aangetoond. Vervolgens is deze complicatie uitgewerkt voor zowel homogene als driehoeksvormige strookbelasting en werd een equivalente vormfactor gedefinieerd voor toepassing in het Leidraad dimensioneringsmodel. Met beperkte iteratie ten aanzien van de bekledingsdikte voor de bepaling van de maatgevende "equivalente" beddingsconstante (via de equivalente vormfactor) is de leidraadmethode in principe toepasbaar, mits aangepast voor de wijze van implementatie van de regel van Miner. - Een beperkte analyse (voor 1 gekozen strookbreedte) toonde aan dat ook de bekledingsstijfheid hierbij een invloedsparameter is, terwijl de rol van de bekledingsdikte bij bepaalde combinaties van parameters veel minder invloedrijk bleek dan verwacht. Deze combinaties markeren ook trendomslagen in het verloop van de buigtrekmaxima met de dikte. Deze opmerkelijke karakteristieken weerspiegelen zich in de numerieke waarde van de te hanteren beddingsconstante (cq. equivalente vormfactor). - Als resultaat van een geschematiseerd voorbeeld voor 2 uiteenlopende golfhoogten en verschillende "ontwerpschematiseringen" voor de belastingverdeling werd gevonden dat door de leidraadschematisering van de belasting de buigtrekmaxima bij lage golfhoogte licht onderschat, maar bij hoge maatgevende golfhoogte beduidend overschat worden. Gezien onzekerheden met betrekking tot de te hanteren taludfactoren, belastingsspreiding en vermoeiingsfactor in het model leek het in dit stadium niet raadzaam om de netto "reserve", die volgens de berekeningen aanwezig is (inclusief de niet lineaire beddingskarakteristiek) te vertalen in een reductiefactor voor de ontwerpdikte. Een voorstel voor de tweede fase van de toetsings-analyse besluit het rapport.TAW A
Identification And Agreement Of First Turn Point By Mathematical Analysis Applied To Heart Rate, Carbon Dioxide Output And Electromyography
Background: The second heart rate (HR) turn point has been extensively studied, however there are few studies determining the first HR turn point. Also, the use of mathematical and statistical models for determining changes in dynamic characteristics of physiological variables during an incremental cardiopulmonary test has been suggested. Objectives: To determine the first turn point by analysis of HR, surface electromyography (sEMG), and carbon dioxide output (VCO2) using two mathematical models and to compare the results to those of the visual method. Method: Ten sedentary middle-aged men (53.9±3.2 years old) were submitted to cardiopulmonary exercise testing on an electromagnetic cycle ergometer until exhaustion. Ventilatory variables, HR, and sEMG of the vastus lateralis were obtained in real time. Three methods were used to determine the first turn point: 1) visual analysis based on loss of parallelism between VCO2 and oxygen uptake (VO2); 2) the linear-linear model, based on fitting the curves to the set of VCO2 data (Lin-LinVCO2); 3) a bi-segmental linear regression of Hinkley's algorithm applied to HR (HMM-HR), VCO2 (HMM-VCO2), and sEMG data (HMM-RMS). Results: There were no differences between workload, HR, and ventilatory variable values at the first ventilatory turn point as determined by the five studied parameters (p>0.05). The Bland-Altman plot showed an even distribution of the visual analysis method with Lin-LinVCO2, HMM-HR, HMM-VCO2, and HMM-RMS. Conclusion: The proposed mathematical models were effective in determining the first turn point since they detected the linear pattern change and the deflection point of VCO2, HR responses, and sEMG.176614622Wasserman, K., Hansen, J.E., Sue, D., Whipp, B.J., Casaburi, R., (1999) Principles of exercise testing and interpretation, , 3rd ed. Philadelphia: Williams & WilkinsSkinner, J.S., McLellan, T.H., The transition from aerobic to anaerobic metabolism (1980) Res Q Exerc Sport., 51, pp. 234-248. , http://dx.doi.org/10.1080/02701367.1980.10609285Binder, R.K., Wonisch, M., Corra, U., Cohen-Solal, A., Vanhees, L., Saner, H., Methodological approach to the first and second lactate threshold in incremental cardiopulmonary exercise testing (2008) Eur J Cardiovasc Prev Rehabil., 15, pp. 726-734. , http://dx.doi.org/10.1097/HJR.0b013e328304fed4, PMid:19050438Beaver, W.L., Wasserman, K., Whipp, B.J., A new method for detecting anaerobic threshold by gas exchange (1986) J Appl Physiol., 60 (6), pp. 2020-2027. , PMid:3087938Wasserman, K., The anaerobic threshold measurement to evaluate exercise performance (1984) Am Rev Respir Dis., 129, pp. S35-S40. , PMid:6421216Soler, A.M., Folledo, M., Martins, L.E.B., Lima-Filho, E.C., Gallo Jr., L., Anaerobic threshold estimation by statistical modelling (1989) Braz J Med Biol Res., 22, pp. 795-797. , PMid:2620195Crescêncio, J.C., Martins, L.E., Murta, L.O., Antloga, C.M., Kozuki, R.T., Santos, M.D., Measurement of anaerobic threshold during dynamic exercise in healthy subjects: Comparison among visual analysis and mathematical models (2003) Comput Cardiol., 30, pp. 801-804Higa, M.N., Silva, E., Neves, V.F., Catai, A.M., Gallo Jr., L., Silva de Sá, M.F., Comparison of anaerobic threshold determined by visual and mathematical methods in healthy women (2007) Braz J Med Biol Res., 40 (4), pp. 501-508. , http://dx.doi.org/10.1590/S0100-879X2007000400008, PMid:17401493Hopker, J.G., Jobson, S.A., Pandit, J.J., Controversies in the physiological basis of the 'anaerobic threshold' and their implications for clinical cardiopulmonary exercise testing (2011) Anaesthesia., 66, pp. 111-123. , http://dx.doi.org/10.1111/j.1365-2044.2010.06604.x, PMid:21254986Conconi, F., Ferrari, M., Ziglio, P.G., Droghetti, P., Codeca, L., Determination of the anaerobic threshold by a noninvasive field test in runners (1982) J Appl Physiol., 52, pp. 869-873. , PMid:7085420Hofmann, P., Bunc, V., Leitner, H., Pokan, R., Gaisl, G., Heart rate threshold related to lactate turn point and steady-state exercise on a cycle ergometer (1994) Eur J Appl Physiol Occup Physiol., 69, pp. 132-139. , http://dx.doi.org/10.1007/BF00609405, PMid:7805667Hofmann, P., Von Duvillard, S.P., Seibert, F.J., Pokan, R., Wonisch, M., Lemura, L.M., %HRmax target heart rate is dependent on heart rate performance curve deflection (2001) Med Sci Sports Exerc., 33 (10), pp. 1726-1731. , http://dx.doi.org/10.1097/00005768-200110000-00017, PMid:11581558Hofmann, P., Wonisch, M., Pokan, R., Schwaberger, G., Smekal, G., Von Duvillard, S.P., Beta1-Adrenoceptor Mediated Origin of the Heart Rate Performance Curve Deflection (2005) Med Sci Sports Exerc., 37 (10), pp. 1704-1709. , http://dx.doi.org/10.1249/01.mss.0000176308.70316.cc, PMid:16260969Jürimäe, J., Von Duvillard, S.P., Mäestu, J., Cicchella, A., Purge, P., Ruosi, S., Aerobic-anaerobic transition intensity measured via EMG signals in athletes with different physical activity patterns (2007) Eur J Appl Physiol Occup Physiol., 101, pp. 341-346. , http://dx.doi.org/10.1007/s00421-007-0509-5, PMid:17624542Candotti, C.T., Loss, J.F., Melo, M.O., La Torre, M., Pasini, M., Dutra, L.A., Comparing the lactate and EMG thresholds of recreational cyclists during incremental pedaling exercise (2008) Can J Physiol Pharmacol., 86 (5), pp. 272-278. , http://dx.doi.org/10.1139/Y08-020, PMid:18432288Graef, J.L., Smith, A.E., Kendall, K.L., Walter, A.A., Moon, J.R., Lockwood, C.M., The relationships among endurance performance measures as estimated from VO2PEAK, ventilatory threshold, and electromyographic fatigue threshold: A relationship design (2008) Dyn Med., 7 (15), pp. 1-5. , http://dx.doi.org/10.1186/1476-5918-7-15Karlsson, J., Jacobs, I., Onset of blood lactate accumulation during muscular exercise as a threshold concept (1982) Int J Sports Med., 3, pp. 190-201. , http://dx.doi.org/10.1055/s-2008-1026087, PMid:6759424Al-Mulla, M.R., Sepulveda, F., Colley, M., A review of non-invasive techniques to detect and predict localized muscle fatigue (2011) Sensors., 11 (4), pp. 3545-3594. , http://dx.doi.org/10.3390/s110403545, PMid:22163810 PMCid:PMC3231314Hinkley, D.V., Inference about the intersection in two-phase regression (1969) Biometrika., 56 (3), pp. 495-504. , http://dx.doi.org/10.1093/biomet/56.3.495Silva, E., Catai, A.M., Trevelin, L.C., Guimarães, J.O., Silva Jr., L.P., Silva, L.M.P., Design of a computerized system to evaluate the cardiac function during dynamic exercise (1994) Phys Med Biol., 33, p. 409Basmajian, J.V., De Luca, C.J., (1985) Muscles alive: Their functions revealed by electromyography, , Baltimore: Williams & WilkinsJammes, Y., Caquelard, F., Badier, M., Correlation between surface electromyogram, oxygen uptake and blood lactate concentration during dynamic leg exercises (1998) Respir Physiol., 112, pp. 167-174. , http://dx.doi.org/10.1016/S0034-5687(98)00023-1Bland, J.M., Altman, D.G., Statistical methods for assessing agreement between two methods of clinical measurement (1986) Lancet., 1, pp. 307-310. , http://dx.doi.org/10.1016/S0140-6736(86)90837-8Lamarra, N., Variables, constants, and parameters: Clarifying the system structure (1990) Med Sci Sports Exerc., 22, pp. 88-95. , http://dx.doi.org/10.1249/00005768-199002000-00014, PMid:2304410Rosic, G., Pantovic, S., Niciforovic, J., Colovic, V., Rankovic, V., Obradovic, Z., Mathematical analysis of the heart rate performance curve during incremental exercise testing (2011) Acta Physiol Hung., 98 (1), pp. 59-70. , http://dx.doi.org/10.1556/APhysiol.98.2011.1.8, PMid:21388932Bunc, V., Hofmann, P., Leitner, H., Gaisl, G., Verification of the heart rate threshold (1995) Eur J Appl Physiol., 70, pp. 263-269. , http://dx.doi.org/10.1007/BF00238574Lucía, A., Vaquero, A.F., Pérez, M., Sánchez, V., Gómez, M.A., Chicharro, J.L., Electromyographic response to exercise in cardiac transplant patients (1997) Chest., 111 (6), pp. 1571-1576. , http://dx.doi.org/10.1378/chest.111.6.1571, PMid:9187176Glass, S.C., Knowlton, R.G., Sanjabi, P.B., Sullivan, J.J., Identifying the integrated electromyographic threshold using different muscles during incremental cycling exercise (1998) J Sports Med Phys Fitness., 38 (1), pp. 47-52. , PMid:9638032Bearden, S.E., Moffatt, R.J., Leg electromyography and the VO2-power relationship during bycicle ergometry (2001) Med Sci Sports Exerc., 33 (7), pp. 1241-1245. , http://dx.doi.org/10.1097/00005768-200107000-00025, PMid:1144577
Ductile Failure Predictions Using Micromechanically-Based Computational Models
Three different micromechanically-based computational models for fracture in porous ductile solids are compared and assessed. Model A is a unit cell model of a porous ductile solid comprising a uniform periodic distribution of voids subjected to normal macroscopic loading. Models B and C, on the other hand, are unit-cell type models that represent an imperfection band governed by a doubly periodic array of voids separating two non-porous outer blocks. The outer blocks have a finite size in Model B and are semi-infinite in Model C. The non-porous material surrounding the voids, and the material of the outer blocks in Model B and Model C, are considered as an elasto-plastic isotropic material. Numerical simulations are performed for a wide range of macroscopic stress states. For each model, various criteria for determining the onset of ductile failure are evaluated to demonstrate their impact on the failure predictions. The results show that the failure loci strongly depend on the computational model and failure criterion employed. Thus, these three models cannot be used interchangeably – neither to investigate failure mechanisms nor to develop or calibrate fracture models – and an unambiguous failure criterion must be chosen. © 2022 The Author(s)The authors gratefully appreciate the financial support from NTNU and the Research Council of Norway through the FRIPRO programme , Project No. 250553 (FractAl).Norges Teknisk-Naturvitenskapelige Universitet, NTNU; Norges Forskningsråd: 25055
The Visual Acuity Variability During Physical Efforts In Low Vision Athletes From The Athletics Brazilian Team [a Variação Da Acuidade Visual Durante Esforços Físicos Em Atletas Com Baixa Visão, Participantes De Seleção Brasileira De Atletismo]
Introduction and objective: This study had as an objective to evaluate the visual acuity behavior in athletes with low vision, during a continuous effort protocol. Researches point out that visual acuity presents performance varieties when submitted to physical efforts in subjects without visual impairment. Method: The studied population was composed by six peoples, who practiced athletics and were part of the Brazilian team in track events. The progressive physical effort test was applied on the first day in a treadmill. On the second day the continuous effort test was applied, which was divided in three levels, each one had a 15 and 30 minutes break between them. To determine the intensities, the results obtained in the progressive physical effort test (60% of VE peak, limiar VE and 90% VE peak) were used. The visual acuity was measured before, during and after each level of intensity in the continuous effort protocol. The t Student test was used for statistics analysis (p < 0.05). Results: The visual acuity presented a decrease in the three levels of effort in its performance. The variety between the initial static visual acuity measure results and the measurement of the same variable in the end of the running phase was 44.5% in the first level, 52.5% in the second and 60% in the third level. The results presented higher degradation of the visual component during the dynamic measurements. The recuperation phases, which succeeded the most intense levels of effort, had the results of the visual acuity, after the deficit found during the exercise. Conclusion: It can be inferred that in this specific population there is a decrease in the visual acuity during the effort. This fact implies on the necessity of the visual sportive classification being directed to evaluate the visual functionality of each athlete with low vision during the physical effort, since these varieties can occur during it.134230e234e+254-25
