1,721,101 research outputs found
Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen verlegging gasleiding N-502-40 nabij Arum, gemeente Súdwest-Fryslân: Antea Group Archeologie 2018/95
projectnummer Antea Group 434257
In juni 2018 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd op een locatie te Arum (gemeente Súdwest-Fryslân). Het plangebied betreft een te vervangen leiding over een afstand van circa 650 m. De vervangende leiding wordt in hetzelfde tracé gelegd, maar op grotere diepte zodat ook de leidingsleuf breder wordt dan de oorspronkelijke leidingsleuf. In overleg tussen de opdrachtgever en de gemeente is in eerste instantie overeengekomen dat archeologisch onderzoek niet nodig was vanwege het feit dat het verbreden van de leidingsleuf qua omvang binnen de vrijgestelde grens in de regelgeving bleef. In deze beoordeling was echter nog niet meegenomen dat er ook een tijdelijke werkstraat moet worden aangelegd. Hiervoor vinden ook bodemingrepen plaats zoals het afgraven van de bovengrond voorafgaand aan het werk of het cultuurtechnisch opleveren naderhand (het woelen). Deze werkzaamheden zijn over het algemeen vrij oppervlakkig (meestal niet dieper dan 0,7 m –mv.) maar hiermee worden wel de vrijgestelde oppervlakte en dieptegrenzen overschreden. Op grond van de regelgeving is archeologisch onderzoek dus alsnog noodzakelijk. Het bij deze gerapporteerde onderzoek dient in het kader van een ruimtelijke procedure.
Het plangebied ligt op de rand van Westergo en de Marneboezem. De lijn Kimswerd, Arum, Grauwe Kat markeert ruwweg deze scheiding. De Marneboezem is een zeearm die in een periode van versterkte zeeinvloed, rondom 800 en 900 na Chr., ontstond. De Marneboezem stond in verbinding stond met de Middelzee in het oosten en met het Vlie in het westen. Het plangebied ligt vermoedelijk op een zandige oeverwal van de Marneboezem, die ongeveer rond 800-900 na Chr. is ontstaan. Op deze oeverwal zijn enkele verhoogde terpdorpen ontstaan, zoals Arum. Het is niet geheel zeker of de oeverwal een oudere fase kent als kwelderwal of dat de kwelderafzettingen hieronder bewoonbaar zijn geweest. Daarom is er voor het plangebied een verwachting voor bewoningsresten uit late middeleeuwen op oeverwal van de Marne met eventueel op een dieper niveau oudere resten op kwelder of kwelderwal (overslibd).
De bodemopbouw toont een verloop van oost naar west. In het oostelijk deel is sprake van een oeverwal van zandige klei die richting het westen in dikte afneemt. In de top van de oeverwal zijn geen archeologische lagen of resten aangetroffen. Onder de oeverwal, en waar deze afwezig is, onder de ploegvoor is sprake van een tussenlaag van zware klei. Onder deze laag liggen kwelderafzettingen die echter matig gerijpt zijn en geen vegetatieniveau of cultuurlaag bevatten die zou kunnen wijzen op een archeologische vindplaats (terp/wierde of vlaknederzetting). Op grotere diepte is sprake van slappe zandige wadafzettingen en op een diepte van circa 4,7 m –mv ten slotte dekzand met een resterende podzol-B-horizont. De diepteligging van het dekzand is voor het plangebied niet heel relevant, aangezien er niet tot op deze diepte wordt verstoord.
In het gebied van de leiding en de tijdelijke werkstraat zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en ook in de bodemopbouw zijn geen aanwijzingen dat zich archeologische resten binnen de grenzen van het plangebied bevinden. Wij adviseren om over te gaan tot vrijgave van het plangebied voor het aspect archeologie.
Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Het advies dient ter beoordeling te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Súdwest-Fryslân. Zij neemt hierover een besluit. In dit geval betreft het besluit de werkstraat, aangezien voor het graven van de sleuf al vrijgave was verleend
Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Drinkwatertransportleiding Ellecom (gemeente Rheden): Antea Group Archeologie 2020/34
projectnummer Antea Group: 459110
BRL/KNA-protocol: 4003 (inventariserend veldonderzoek)
In maart 2020 heeft Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied langs de Ellecomsedijk te Ellecom, gemeente Rheden.
De ondergrond bestaat uit zandige rivierafzettingen, oude rivierkleiafzettingen en jonge rivierkleiafzettingen. In het beekdal is ook holoceen veen aangetroffen. Aangezien het een tracé betreft en daarmee een landschappelijke doorsnede varieert zowel de aanwezigheid als de verschijningsvorm van deze afzettingen enigszins. Hiervoor zijn ter beantwoording van de gestelde onderzoeksvragen per landschappelijke zone nadere details te vinden in paragraaf 3.3. Hieronder zal een algemene beantwoording van bovenstaande vragen volgen.
De oude rivierzandafzettingen aan de onderzijde van de profielen bestaan in de regel uit niet-grindig, matig tot zeer grof zand. De afzetting bevindt zich meestal binnen 1 of 1,5 m –mv in vrijwel het gehele plangebied. Alleen ter plaatse van de oeverwal in het oosten van het plangebied is een dik pakket jonge kleiafzettingen aanwezig, waardoor het zand hier dieper dan 1,5 m-mv is gelegen. De jonge rivierafzettingen hebben zich in dit deel van het plangebied gevormd tot een oeverwalachtige bult bestaande uit een zandig kleipakket dat omstreeks de bovenste 1 m van het profiel uitmaakt. Deze zandige klei is mogelijk na het ontstaan in de late middeleeuwen in gebruik genomen als akker. In de nieuwe tijd is deze akker aangerijkt met stadsdrek.
Het westelijk deel van het plangebied ligt in een holoceen beekdal. Langs de beek heeft zich veen gevormd in een mogelijk ouder smeltwaterdal evenwijdig aan de voet van de spoelwaaier. Het veenpakket ligt op een gevarieerd grondpakket bestaande uit klei met zandlagen en zand met kleilagen. Het veen is op de hogere delen van het landschap (circa 8,5 m +NAP) geoxideerd tot een laklaag of bijna-laklaag (stevige humeuze kleilaag). Alleen in boring 01, nabij de oorspronkelijke loop van de beek is het veen mineraalarm.
In het middendeel van het tracé is de bodemopbouw vrij enkelvoudig te typeren als een met rivierstrangen doorsneden overstromingspakket van deels verbruinde oude rivierklei (sterk siltig) met een zwak humeuze bovengrond
Antea Group Archeologie 2020/34
projectnummer Antea Group: 459110
BRL/KNA-protocol: 4003 (inventariserend veldonderzoek)
In maart 2020 heeft Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied langs de Ellecomsedijk te Ellecom, gemeente Rheden.
De ondergrond bestaat uit zandige rivierafzettingen, oude rivierkleiafzettingen en jonge rivierkleiafzettingen. In het beekdal is ook holoceen veen aangetroffen. Aangezien het een tracé betreft en daarmee een landschappelijke doorsnede varieert zowel de aanwezigheid als de verschijningsvorm van deze afzettingen enigszins. Hiervoor zijn ter beantwoording van de gestelde onderzoeksvragen per landschappelijke zone nadere details te vinden in paragraaf 3.3. Hieronder zal een algemene beantwoording van bovenstaande vragen volgen.
De oude rivierzandafzettingen aan de onderzijde van de profielen bestaan in de regel uit niet-grindig, matig tot zeer grof zand. De afzetting bevindt zich meestal binnen 1 of 1,5 m –mv in vrijwel het gehele plangebied. Alleen ter plaatse van de oeverwal in het oosten van het plangebied is een dik pakket jonge kleiafzettingen aanwezig, waardoor het zand hier dieper dan 1,5 m-mv is gelegen. De jonge rivierafzettingen hebben zich in dit deel van het plangebied gevormd tot een oeverwalachtige bult bestaande uit een zandig kleipakket dat omstreeks de bovenste 1 m van het profiel uitmaakt. Deze zandige klei is mogelijk na het ontstaan in de late middeleeuwen in gebruik genomen als akker. In de nieuwe tijd is deze akker aangerijkt met stadsdrek.
Het westelijk deel van het plangebied ligt in een holoceen beekdal. Langs de beek heeft zich veen gevormd in een mogelijk ouder smeltwaterdal evenwijdig aan de voet van de spoelwaaier. Het veenpakket ligt op een gevarieerd grondpakket bestaande uit klei met zandlagen en zand met kleilagen. Het veen is op de hogere delen van het landschap (circa 8,5 m +NAP) geoxideerd tot een laklaag of bijna-laklaag (stevige humeuze kleilaag). Alleen in boring 01, nabij de oorspronkelijke loop van de beek is het veen mineraalarm.
In het middendeel van het tracé is de bodemopbouw vrij enkelvoudig te typeren als een met rivierstrangen doorsneden overstromingspakket van deels verbruinde oude rivierklei (sterk siltig) met een zwak humeuze bovengrond
Antea Group Archeologie 2018/95
projectnummer Antea Group 434257
In juni 2018 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd op een locatie te Arum (gemeente Súdwest-Fryslân). Het plangebied betreft een te vervangen leiding over een afstand van circa 650 m. De vervangende leiding wordt in hetzelfde tracé gelegd, maar op grotere diepte zodat ook de leidingsleuf breder wordt dan de oorspronkelijke leidingsleuf. In overleg tussen de opdrachtgever en de gemeente is in eerste instantie overeengekomen dat archeologisch onderzoek niet nodig was vanwege het feit dat het verbreden van de leidingsleuf qua omvang binnen de vrijgestelde grens in de regelgeving bleef. In deze beoordeling was echter nog niet meegenomen dat er ook een tijdelijke werkstraat moet worden aangelegd. Hiervoor vinden ook bodemingrepen plaats zoals het afgraven van de bovengrond voorafgaand aan het werk of het cultuurtechnisch opleveren naderhand (het woelen). Deze werkzaamheden zijn over het algemeen vrij oppervlakkig (meestal niet dieper dan 0,7 m –mv.) maar hiermee worden wel de vrijgestelde oppervlakte en dieptegrenzen overschreden. Op grond van de regelgeving is archeologisch onderzoek dus alsnog noodzakelijk. Het bij deze gerapporteerde onderzoek dient in het kader van een ruimtelijke procedure.
Het plangebied ligt op de rand van Westergo en de Marneboezem. De lijn Kimswerd, Arum, Grauwe Kat markeert ruwweg deze scheiding. De Marneboezem is een zeearm die in een periode van versterkte zeeinvloed, rondom 800 en 900 na Chr., ontstond. De Marneboezem stond in verbinding stond met de Middelzee in het oosten en met het Vlie in het westen. Het plangebied ligt vermoedelijk op een zandige oeverwal van de Marneboezem, die ongeveer rond 800-900 na Chr. is ontstaan. Op deze oeverwal zijn enkele verhoogde terpdorpen ontstaan, zoals Arum. Het is niet geheel zeker of de oeverwal een oudere fase kent als kwelderwal of dat de kwelderafzettingen hieronder bewoonbaar zijn geweest. Daarom is er voor het plangebied een verwachting voor bewoningsresten uit late middeleeuwen op oeverwal van de Marne met eventueel op een dieper niveau oudere resten op kwelder of kwelderwal (overslibd).
De bodemopbouw toont een verloop van oost naar west. In het oostelijk deel is sprake van een oeverwal van zandige klei die richting het westen in dikte afneemt. In de top van de oeverwal zijn geen archeologische lagen of resten aangetroffen. Onder de oeverwal, en waar deze afwezig is, onder de ploegvoor is sprake van een tussenlaag van zware klei. Onder deze laag liggen kwelderafzettingen die echter matig gerijpt zijn en geen vegetatieniveau of cultuurlaag bevatten die zou kunnen wijzen op een archeologische vindplaats (terp/wierde of vlaknederzetting). Op grotere diepte is sprake van slappe zandige wadafzettingen en op een diepte van circa 4,7 m –mv ten slotte dekzand met een resterende podzol-B-horizont. De diepteligging van het dekzand is voor het plangebied niet heel relevant, aangezien er niet tot op deze diepte wordt verstoord.
In het gebied van de leiding en de tijdelijke werkstraat zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen en ook in de bodemopbouw zijn geen aanwijzingen dat zich archeologische resten binnen de grenzen van het plangebied bevinden. Wij adviseren om over te gaan tot vrijgave van het plangebied voor het aspect archeologie.
Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Het advies dient ter beoordeling te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Súdwest-Fryslân. Zij neemt hierover een besluit. In dit geval betreft het besluit de werkstraat, aangezien voor het graven van de sleuf al vrijgave was verleend
Bureauonderzoek archeologie gastransportleiding Paterswolde, gemeente Tynaarlo: Antea Group Archeologie 2015/167
Antea Projectnummer 406950
Antea Group heeft in december 2015 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de geplande aanpassing van het gasnet in Eelde-Paterswolde (gemeente Tynaarlo). Het plangebied is ongeveer 2800 m lang.
Op basis van het vigerend beleid moeten in de zones met een hoge tot middelhoge verwachting op grond van het landschap, bij natuurlijke laagten, en in het beekdal (beschreven in de Erfgoedverordening Tynaarlo 2011 en het Bestemmingsplan Buitengebied Tynaarlo 2013) eventueel aanwezige archeologische waarden worden veiliggesteld. Omdat de vrijstellingsgrens bij de voorgenomen ingreep wordt overschreden is archeologisch vervolgonderzoek in een groot deel van het plangebied noodzakelijk.
Geadviseerd is om in totaal 66 boringen te plaatsen (verkennende fase); deels 1 per 50 m en deels 1 per 25 m. Het gaat om locaties in de historische kern van Eelde, bij landgoed De Braak, twee natuurlijke laagten en het beekdal van het Eelderdiepje met o.a. kans op een voorde.
In een deel van het plangebied is op basis van de advieskaart geen vervolgonderzoek noodzakelijk
Opgraving - variant archeologische begeleiding. Aanleg leidingen diverse locaties Noordhornerweg en Frijtumerweg te Niehove: Antea Group Archeologie 2017/154
Antea projectnummer 419284
In september en oktober 2017 heeft Antea Group een archeologische begeleiding uitgevoerd ter plaate van een gasleidingtracé in de omgeving van Niehove (gemeente Zuidhorn): twee wierdeterreinen bij Frytum, één bij Enuma en een tracé langs de Noordhornerweg waar een 12e- en 15-eeuwse dijk ligt.
Te Frytum zijn (geroerde en verstoorde) wierdelagen uit de middeleeuwen aangesneden. In Frytum-Noord zijn ook enkele scherven (niet nader te dateren) terpaarde werk en een kuil met gruis van terpaardewerk gevonden. Te Enuma is zowel resten van terpaardewerk uit de ijzertijd-Romeinse tijd als middeleeuws aardewerk aangetroffen. Aan de Noordhornerweg zijn de middeleeuwse dijken niet aangesneden maar 20e-eeuwse uitbreidingen ervan wel. Ook zijn vegetatiehorizonten aanwezig
Antea Group Archeologie 2015/167
Antea Projectnummer 406950
Antea Group heeft in december 2015 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de geplande aanpassing van het gasnet in Eelde-Paterswolde (gemeente Tynaarlo). Het plangebied is ongeveer 2800 m lang.
Op basis van het vigerend beleid moeten in de zones met een hoge tot middelhoge verwachting op grond van het landschap, bij natuurlijke laagten, en in het beekdal (beschreven in de Erfgoedverordening Tynaarlo 2011 en het Bestemmingsplan Buitengebied Tynaarlo 2013) eventueel aanwezige archeologische waarden worden veiliggesteld. Omdat de vrijstellingsgrens bij de voorgenomen ingreep wordt overschreden is archeologisch vervolgonderzoek in een groot deel van het plangebied noodzakelijk.
Geadviseerd is om in totaal 66 boringen te plaatsen (verkennende fase); deels 1 per 50 m en deels 1 per 25 m. Het gaat om locaties in de historische kern van Eelde, bij landgoed De Braak, twee natuurlijke laagten en het beekdal van het Eelderdiepje met o.a. kans op een voorde.
In een deel van het plangebied is op basis van de advieskaart geen vervolgonderzoek noodzakelijk
Antea Group Archeologie 2017/154
Antea projectnummer 419284
In september en oktober 2017 heeft Antea Group een archeologische begeleiding uitgevoerd ter plaate van een gasleidingtracé in de omgeving van Niehove (gemeente Zuidhorn): twee wierdeterreinen bij Frytum, één bij Enuma en een tracé langs de Noordhornerweg waar een 12e- en 15-eeuwse dijk ligt.
Te Frytum zijn (geroerde en verstoorde) wierdelagen uit de middeleeuwen aangesneden. In Frytum-Noord zijn ook enkele scherven (niet nader te dateren) terpaarde werk en een kuil met gruis van terpaardewerk gevonden. Te Enuma is zowel resten van terpaardewerk uit de ijzertijd-Romeinse tijd als middeleeuws aardewerk aangetroffen. Aan de Noordhornerweg zijn de middeleeuwse dijken niet aangesneden maar 20e-eeuwse uitbreidingen ervan wel. Ook zijn vegetatiehorizonten aanwezig
Antea Group Archeologie 2018/188
In november 2018 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een warmteleiding in Leeuwarden-Zuid, gemeente Leeuwarden. Na afloop van dit onderzoek hebben twee tracéwijzigingen plaatsgevonden. Na de eerste tracéwijziging is in september 2019 revisie 0B opgesteld. Toen is geconcludeerd dat het nieuwe tracé geen gewijzigde impact had op eventuele archeologische waarden of verwachtingswaarden. Na de tweede tracéwijziging is de onderhavige revisie (OC) opgesteld in mei 2020. Bij deze tracéwijziging is opnieuw gekeken naar zowel het beleid aangaande de locatie van het tracé, de regelgeving als de archeologische verwachting op basis van bekende landschappelijke, bodemkundige en archeologische gegevens. Naar aanleiding van de afweging is opnieuw geconcludeerd dat de impact van het plangebied op het aspect archeologie ongewijzigd is gebleven en dat enkel ter plaatse van het meest zuidoostelijk gelegen gedeelte (hier genoemd Techum Noord) een archeologische verwachting gecombineerd met archeologische regelgeving aan de orde is.
Verreweg het grootste deel van het tracé bevindt zich in een gebied waarvoor geen dubbelbestemming archeologie is opgenomen. Het gaat hier voornamelijk om de gebieden die gelegen zijn in de voormalige Middelzee en in de 20e-eeuwse uitbreidingswijken van Leeuwarden.
Voor deze gebieden geldt een lage tot afwezige archeologische verwachting.
Een klein gedeelte van het tracé, circa 110 m, bevind zich in een gebied met een dubbelbestemming Waarde –Archeologie 3 (hier genoemd Techum Noord). Hiervoor geldt dat voor bouwwerken waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 500 m2 en die de bodem dieper verstoren dan 0,4 m – mv een omgevingsvergunning moet worden verleend. Uitgaande van een ingreep binnen deze zone met een oppervlakte van 770 m2 wordt de vrijstellingsgrens hier overschreden. Dit gebied bevindt zich net ten noorden van het terpdorp Techum en heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. De terp is een bekend AMK-terrein (nr 8005) en betreft een terp / wierde uit de Romeinse tijd en vroege tot late middeleeuwen. In het onbebouwde afgegraven deel van de terp zijn bij eerdere archeologische onderzoeken terplagen aangetroffen. Tevens zijn hier een terpsloot uit de Romeinse tijd, een geul/greppel en kwelderlagen aangetroffen.
Op historische kaarten (de atlas van Schotanus uit de 17eeeuw en de kadastrale minuut uit eerste helft 19eeeuw) is te zien dat aan de noordkant van het terpdorp Techum ten minste van de 17etot in de 19eeeuw bebouwing stond omstreeks de Lykwei (Chemin des mortes). Het is echter mogelijk dat de bewoning van het gebied nog langer teruggaat. Tevens kan het onderzoeksgebied in verbinding worden gebracht met de terp van Techum. Het onderzoeksgebied ligt weliswaar buiten de terp, maar kan nog wel onderdeel zijn geweest van de omringende activiteitenzone van de nederzetting (ijzertijd/Romeinse tijd/middeleeuwen).
Conform het archeologisch beleid en regelgeving adviseren we het volledige plangebied met uitzondering van Techum Noord vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van Techum Noord hebben wij in revisie 0A en 0B geadviseerd een booronderzoek uit te voeren. Het onderzoek is inmiddels uitgevoerd en gerapporteerd. Tijdens dat onderzoek zijn er geen indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats
en is gebleken dat de bodem ter plaatse reeds ernstig verstoord is. Het nadere selectieadvies is om ook voor die zone om deze vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling.
Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Leeuwarden. Wij verzoeken het onderhavig bureauonderzoek (revisie 0C) tezamen met het rapport van het uitgevoerde veldonderzoek (d.d. 6 maart 2020) voor te leggen aan de gemeentelijk archeoloog om deze formeel te laten beoordelen en zodoende de basis te leggen voor het gemeentelijk selectiebesluit.
Het is na herhaalde navraag onduidelijk gebleven of de onderhavige rapportage is voorgelegd aan het bevoegde gezag
Antea Group Archeologie 2021/36
Antea Group heeft In februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd in het kader van de aanleg van een gashogedruk- en een gaslagedrukleiding langs de oostzijde van de Hoofdweg tussen Oudemolen en Zeegse (gemeente Tynaarlo).
Conclusie bureauonderzoek
Over het algemeen geldt er een (middel)hoge archeologische verwachting en / of waarde voor het plangebied voor meerdere perioden. Deze verwachting is met name gebaseerd op de gunstige landschappelijke ligging aangrenzend aan een (deels niet ontgonnen) gebied voormalig heidegebied. De bewoningsgeschiedenis in de omgeving van het huidige plangebied gaat terug tot het midden paleolithicum. De prehistorische vindplaatsen zijn gelegen op de hogere gedeeltes van het landschap, in de buurt van lagere en nattere delen. In de (directe) omgeving van het plangebied zijn grafheuvels aangetroffen uit de periode neolithicum – ijzertijd. Verder laat de AHN in de zone ten oosten van het plangebied duidelijk de aanwezigheid van karresporen en een celtic field in het landschap zien. De grafheuvels komen aan beide zijden van de Hoofdweg voor. De parallel aan de Hoofdweg gelegen karresporen laten zien dat de huidige hoofdweg teruggaat op een veel oudere route.
Conclusie booronderzoek
Er werd in het bureauonderzoek rekening gehouden met een brede verwachting op zand, waarbij relatief intacte bodems werden verwacht vanwege de uitgebleven ontginning van het aangrenzende terrein. De boringen zijn geplaatst aan de buitenzijde van de bestaande kabel en leidingenstrook en de berm of in de rand van de bosstrook. De verwachting op intacte bodems wordt bevestigd door boringen 24 en 25 (een volledig intacte veldpodzol). Deze verwachting geldt echter voor het aangrenzende terrein en niet voor de daadwerkelijk berm van de Hoofdweg: waar in de berm is geboord zijn voornamelijk tot in de C-horizont verstoorde profielen aangetroffen.
De oorspronkelijke bodemopbouw zal voor het gehele plangebied echter ook een veldpodzol zijn geweest (natte heideprofiel), die in de berm vrijwel overal is verstoord tot in de C-horizont. De dikke eerdlaag in boring 01 duidt mogelijk op de aanwezigheid van een plaggendek. Geologisch bestaat de basis van het profiel in de meeste gevallen binnen 1,2 m -mv uit zand uit de Elster-ijstijd (Formatie van Peelo) met daarboven dekzand (Formatie van Boxtel).
In boring 01 is een vuilige laag aanwezig op een diepte van 0,85-0,95 m -mv met daarboven een dikke (omgewerkte) eerdlaag (mogelijk plaggendek). De vuilige laag is, vermoedelijk in verstoorde staat, ook aangetroffen in boring 10. Deze laag betreft mogelijk oude akkergrond, of de vulling van een oude bermgreppel of een karrenspoor. De laag heeft geen vondsten opgeleverd.
Selectieadvies
Er is geadviseerd om de aanleg te laten plaatsvinden binnen de bestaande kabel- en leidingstrook in de berm. Zolang de kabels vlak langs de weg wordt aangelegd bestaat er geen kans op het verstoren van intacte profielen; daarbuiten wel. Indien nieuwe grondroering niet kan worden uitgesloten en er bijvoorbeeld toch naar de buitenzijde van de bestaande kabel- en leidingstrook wordt uitgeweken dan adviseren wij om een archeologische begeleiding uit te voeren ter plaatse van boring 01 (circa 25 m bij Schapendrift tot maximaal aan de oprit naar de parkeerplaats van Staatsbosbeheer). Voor boring 10 geldt dit advies niet, omdat de laag daar verstoord lijkt te zijn
- …
