1,720,979 research outputs found

    Plangebied Walramplein en Molenstraat in Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul; archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek).

    No full text
    In augustus 2017 heeft RAAP in opdracht van de gemeente Valkenburg aan de Geul een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor de herinrichting van het Walramplein en de Molenstraat in Valkenburg. De gemeente heeft het voornemen de bestrating te vernieuwen, een nieuw riool te leggen, nieuwe beplanting te realiseren en een deel van de voormalige stadsmuur te reconstrueren. Deze bodemingrepen vormen mogelijk een bedreiging voor eventuele aanwezige archeologische resten. Het plangebied ligt midden in het Geuldal. Uit het booronderzoek is gebleken dat helemaal in het zuidelijke deel van het Walramplein relatief jonge beekafzettingen aanwezig zijn, terwijl in het noordelijke deel oude oeverafzettingen aanwezig zijn. De beekafzettingen in het zuiden lijken de hypothese te ondersteunen dat de Geul vóór de Late Middeleeuwen ten zuiden van het Walramplein lag, en voor de aanleg van de verdedigingswerken naar het noorden is omgelegd naar de plek waar ze nu ligt. De oeverafzettingen en jonge beekafzettingen worden integraal afgedekt met een dikke laag humeuze lemen die veel houtskool, verbrande leem en aardewerk uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd bevatten. Deze lemen worden als ophogingslaag gezien. Alleen te deelgebied Molenstraat ontbreken de lemen, en is schoon colluvium (of beekafzettingen?) op de oeverafzettingen aanwezig. Overal wordt de bovenste bodemlaag gevormd door een recente ophoging van stol, puin en leem, die een dikte tussen 70 en 110 cm heeft. Enkel de bestaande riolen en de herinrichting van de kade in 2008 zullen tot een beperkte verstoring van het bodemprofiel geleid hebben. Op de kaart van Jacob van Deventer uit circa 1560 staat bebouwing aangegeven op het Walramplein, waarvan mogelijk puinresten in boring 6 zijn aangetroffen. Op alle latere kaarten ontbreekt deze bebouwing, en tot het midden van de 20e eeuw is het Walramplein in gebruik als boomgaard. De bebouwing van de kaart van Jacob van Deventer is in het midden van de 18e eeuw verdwenen, aangezien ze niet op de kaart van de Oostenrijkse Nederlanden uit 1764-1771 staat aangegeven. De Molenstraat bestaat in de 16e eeuw nog niet, en wordt vermoedelijk pas in de loop van de 18e eeuw aangelegd. Langs de Geulkade op het Walramplein zijn in 2008 resten van een oude kademuur uit 1700 en van de stadsmuur uit de 14e eeuw aangetroffen. Verder is 40 m zuidwestelijk van het Walramplein in het midden van de 19e eeuw een Romeinse mozaïekvloer aangetroffen. Tijdens een archeologische begeleiding van de herinrichting van het centrum van Valkenburg is op diverse plaatsen het middeleeuwse wegdek aangetroffen. Ook in het plangebied wordt dit wegdek verwacht. Samenvattend kan gesteld worden dat in de top van de oeverafzettingen prehistorische vindplaatsen voor kunnen komen. In de beekafzettingen in het zuidelijke deel van het Walramplein worden “beekdal-gerelateerde” resten uit alle perioden verwacht. Hierbij valt te denken aan beekovergangen, afvaldumps, rituele deposities, sporen van jacht en visvangst e.d. In de onderkant van de humeuze lemen kunnen vindplaatsen uit de periode Late Prehistorie tot en met Volle Middeleeuwen verwacht worden, terwijl op hogere niveaus in de humeuze lemen vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht worden. Hierbij moet gedacht worden aan resten van bebouwing, het laat-middeleeuwse wegdek, de stadsmuur uit de 14e eeuw en de kademuur uit 1700. Het plangebied heeft dus een hoge verwachting heeft voor vindplaatsen uit diverse perioden. De ontgravingen voor het aanbrengen van de nieuwe bestrating tot een diepte van 60 cm onder het huidige maaiveld hebben echter geen gevolgen voor de verwachte archeologische resten. Enkel de ontgravingen dieper dan de recente ophogingslaag (70 cm tot 110 cm dik gemeten vanaf huidig maaiveld) zouden archeologische resten kunnen verstoren. Het wordt daarom aanbevolen alle werkzaamheden die dieper gaan dan de recente ophogingslaag te laten plaatsvinden onder archeologische begeleiding

    RAAP-notitie 5325

    No full text
    Rond dijkring 74 Neer (figuur 1) zijn in het kader van het project Prioritaire Dijkversterkingen bodemingrepen gepland die mogelijk bedreigend zijn voor eventuele archeologische resten. Om de gespecificeerde archeologische verwachting uit een voorgaand bureauonderzoek te toetsen is een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het gebied is op te delen in laag gelegen beekdalgronden met relatief jonge sedimenten en hoger gelegen Pleistocene (interstadiale) terrasrestanten met relatief oude sedimenten. Omdat de hogere gronden al sinds het Pleistoceen aan het maaiveld liggen en naar verwachting niet door jongere sedimenten zijn afgedekt, kunnen hier de oudste archeologische resten al vanaf het maaiveld verwacht worden. Veelal is hier een intact brikgrond aangetroffen en verschillende archeologische indicatoren bewijzen dat de hogere terrasgronden al sinds de Steentijd door de mens zijn bezocht en bewoond. In het beekdal zijn echter dikke pakketten beeksediment (afwisseling van zand, leem en veen) aangetroffen en kunnen archeologische resten ook op grotere dieptes ingebed zijn, zoals ook uit een recent uitgevoerde archeologische begeleiding is gebleken. Een volledig intacte beekbodem is echter in geen enkele boringen aangetroffen. De bovengrond was ofwel verstoord of opgehoogd, als gevolg van de inrichtingswerkzaamheden aan de beek sinds de jaren 1960. Of archeologische resten bedreigd worden hangt enerzijds af van de bestaande verstoringen en anderzijds van de geplande ingrepen: 1. Maatregelen tegen “piping” reiken tot 2 m –Mv en zijn daarom zowel in het beekdal als op de terrassen verstorend. Vervolgonderzoek wordt hier nodig geacht. 2. Dijkverbreding en de aanleg van een nieuwe dijk gaan gepaard met bodemingrepen tot 40 cm –Mv. De impact hiervan op de beekdalgronden is beperkt, maar op de hogere terrasgronden betekent ontgraving van de bouwvoor dat het archeologisch intacte niveau min of meer wordt blootgelegd. In dat geval wordt vervolgonderzoek zinvol geacht. 3. Op de hogere gronden worden tot slot ook bestaande wegen aangepast, waaraan ingrepen tot circa 1 m –Mv gekoppeld zijn. Dat betekent dat de briklaag en daarin eventueel ingebedde archeologische resten verstoord worden, zodat vervolgonderzoek nodig is. Het vervolgonderzoek is op basis van de combinatie van verwachte archeologische resten versus de aard van de geplande ingrepen opgedeeld in extensieve begeleiding, intensieve begeleiding en karterend/waarderend onderzoek. Waar de bodem reeds verstoord is of ingrepen niet of niet diep plaatsvinden, wordt geen onderzoek nodig geacht

    Plangebied Oudendijk 4 te Woudrichem, gemeente Altena; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek).

    No full text
    In opdracht van Van Diest Advies & Ontwikkeling heeft RAAP in april 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Oudendijk 4 te Woudrichem in de gemeente Altena. Dit onderzoek wordt uitgevoerd i.v.m. nieuwbouw. De geplande verstoringen zullen bestaan uit funderingen tot aan het maaiveld in een gebied met een omvang van circa 80 m2 . Er wordt verwacht dat de ondergrond tot circa 50 cm –mv verstoord kan raken. Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied in een komgebied met in het noorden de stroomgordel van de Waal welke vanaf de bronstijd actief was. Onder de komkleien zijn in eerdere boringen veenlagen aangetroffen met hieronder zand en grindlagen uit het vlechtende rivierensysteem van voorlopers van de Maas en Rijn. Tijdens de Sint-Elisabethsvloeden in de 15e eeuw zijn zandige overstromingsafzettingen afgezet in het plangebied en die liggen nu aan het maaiveld. Deze crevasseafzettingen strekken zich verder richting het westen uit. Het plangebied is op de rand van deze crevasse gesitueerd. Na de Sint-Elisabethsvloeden is er een dijk opgeworpen, waarlangs het dorp Oudendijk is ontstaan. De archeologische verwachting voor het plangebied is hoog vanaf de middeleeuwen. Doordat de archeologische laag uit deze periode aan het maaiveld ligt is de verwachte conservering slecht. Voor de onderliggende komafzettingen geldt een lage archeologische verwachting. Over de diep gelegen vlechtende rivierafzettingen kunnen geen uitspraken worden gedaan, omdat de morfologie van dit begraven landschap niet bekend is. Op basis van het veldwerk is aangetoond dat de bodem in het plangebied sterk door rivieractiviteit is beïnvloed. Komkleien uit een rustig overstromingsmilieu worden afgedekt door beddingzanden die duiden op sneller stromend water, hetzij een rivierbedding hetzij een crevasse (rivierdoorbraak). In de oostelijke helft van het plangebied is een restgeul aangetroffen, waarvan een deel lijkt omgewerkt, mogelijk als gevolg van een dijkdoorbraak. De bovengrond in het gebied is daardoor en vermoedelijk ook door bodemverstoring door de mens, sterk verstoord geraakt. Door vergelijkbare onderzoeken in de gemeente Altena is bekend, dat langdurig bewoonde plekken zich kenmerken door een oude woongrond. Ondanks dat de zandige afzettingen in het gebied een solide ondergrond voor bewoning vormen, is een oude woongrond niet aangetroffen. In combinatie met de verstoorde bovengrond is er daarom geen reden om het plangebied de aanwezigheid van (intacte) archeologische resten gerelateerd aan de bewoningskern van Oudendijk te verwachten. Daarnaast zullen de geplande werkzaamheden nauwelijks de bodem verstoren. Daarom ziet RAAP geen restricties ten aanzien van de planuitvoering

    Plangebied Andelsche Broek deelgebied A te Andel, gemeente Altena; archeologisch vooronderzoek: een karterend booronderzoek.

    No full text
    In opdracht van Waterschap Rivierenland heeft RAAP in januari 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Andelsche Broek deelgebied A te Andel in de gemeente Altena (voormalige gemeente Aalburg). In 2016 zijn in het Andelsche Broek reeds een bureauonderzoek uitgevoerd. Door wijzigingen in het ontwerp, was een aanvullend bureauonderzoek nodig voor deelgebied A, op basis waarvan karterend booronderzoek voor de zuidelijke helft van deelgebied A is aanbevolen. Bij het karterend booronderzoek zijn 25 boringen gezet in vier verspringende boorraaien. Er is geboord tot tenminste 1 m –mv. Om enig inzicht te krijgen in de diepere bodemopbouw, zijn sommige boringen dieper doorgezet. Het plangebied ligt duidelijk in een laaggelegen komgebied, met bijbehorende vegetatie. De bodemopbouw duidt hier ook op met zwak siltige klei, afgewisseld met humeuze en venige lagen. In de oostelijke helft van het onderzochte gebied zijn in enkele boringen op een diepte tussen 95 en 145 cm –mv zandige afzettingen aangetroffen, die corresponderen met stroomgordels zoals aangeduid op de paleogeografische kaart van zowel 2001 als 2012. Hoewel de stroomgordels niet gebiedsdekkend zijn onderzocht, is wel gebleken dat in de zandige sedimenten geen stilstandsfasen aanwezig zijn. Het zijn zandwiggen die als crevasses in het komgebied zijn afgezet. Van bewoonbare stroomgordels is geen sprake. Archeologische indicatoren zijn ook niet aangetroffen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied geen archeologische resten bedreigd worden door de geplande ingrepen

    Archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden

    No full text
    In het voorjaar en de zomermaanden van 2016 heeft aannemingsbedrijf van Uijtert in opdracht van Waterschap Brabantse Delta diverse werkzaamheden uitgevoerd in plangebied Lange Maten ten behoeve van natuurherstel. De bodemverstorende werkzaamheden zijn in de periode februari t/m juni 2016 archeologisch begeleid door RAAP. In delen van het plangebied gold voor aanvang van de werken een hoge verwachting voor afvaldumps en beekovergangen. Tijdens de archeologische begeleiding bleek echter dat grote zones van het plangebied waren verstoord. Op basis van deze argumenten werd het weinig zinvol geacht om in de zones met een hoge verwachting een verdere intensieve archeologische begeleiding uit te voeren. RAAP heeft daarom voorgesteld in deze zones de begeleiding terug te schalen tot een extensieve vorm, waarbij de graafvlakken regelmatig werden gecontroleerd. Dit voorstel is afgestemd met het bevoegd gezag en de opdrachtgever. In totaal zijn tijdens de archeologische begeleiding 4 vindplaatsen aangetroffen. Het betreft allemaal resten die wijzen op de vroegere aanwezigheid van rondtrekkende jager-verzamelaars (Steentijd) in het gebied. Met uitzondering van vindplaats 4 betreft het bovendien allemaal losse vondsten. De vondstconcentratie van vindplaats 4 bevindt zich echter op de hoge oostoever van het voormalige ven; een klassieke locatie waar je jachtkampementen uit de Steentijd doorgaans aantreft. Gezien de grootte van de artefacten en de gebruikte vuursteensoort dateert het kampement wellicht uit het Mesolithicum. De gaafheid van de vindplaats bleek echter twijfelachtig. Om de verstoringsgraad van de vindplaats vast te stellen is in overleg met het bevoegd gezag besloten een kleine kuil te graven in het hart van de vuursteenconcentratie om de bodemopbouw en vondstverspreiding in kaart te brengen. Dit waardestellend onderzoek heeft geen bijkomende vondsten opgeleverd. De bouwvoor bleek hier nog 30 cm dik te zijn en direct daaronder bevond zich ongestoord dekzand waarin geen sporen van bodemvorming zijn waargenomen. Dit betekent dat de vondsthoudende laag geheel is opgenomen in de bouwvoor. De interne structuur van de vindplaats is met andere woorden verdwenen. Alle vindplaatsen zijn aangetroffen in verstoorde context. Dit betekent dat de vindplaatsen weinig wetenschappelijke informatiewaarde kennen en om deze reden niet behoudenswaardig zijn. In het verleden hebben ingrijpende ontginnings- en landbouwwerkzaamheden plaatsgevonden waardoor de ondergrond is verstoord; diverse spitsporen zijn aangetroffen binnen het plangebied. Dit betekent dat er in het plangebied geen intacte vindplaatsen meer worden verwacht. Uitzondering hierop vormen de zones waar geen graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden of slechts 10 cm is verlaagd. Door de geringe ontgravingsdiepte kon het onderliggende bodemprofiel niet worden vastgesteld. Om deze reden blijft voor de genoemde zones de hoge verwachtingswaarde voor kampementen van jager-verzamelaars gehandhaafd. Het wordt aangeraden om toekomstige bodemverstorende ingrepen in dit gebied archeologisch te laten begeleiden conform het reeds eerder goedgekeurde en vastgestelde PvE (Rondags, 2016). Aanvullingen hierop worden niet noodzakelijk geacht

    Plangebied Bocholterweg 80 te Weert, gemeente Weert; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

    No full text
    In opdracht van Van den Schoor Bouwkundig Ontwerpburo heeft RAAP in december 2018 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Bocholterweg 80 te Weert. In het plangebied is de bouw van enkele stallen gepland die de vrijstellingsgrenzen overschrijden die gekoppeld zijn aan de dubbelbestemming waarde - archeologie middelhoog. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied ligt in een zone met pleistocene dekzandwelvingen, waar gooreerdgronden in zijn ontstaan. Het noordelijk deel van het plangebied grenst aan het grote akkercomplex ten zuiden van Weert, waardoor hier een 'esdek' voorkomt. Gezien de ligging aan de rand, is dit vermoedelijk echter ontstaan door snelle, bewuste ophoging om het akkerareaal uit te breiden. Ten noorden en zuiden van het plangebied liggen laagtes, waardoor in het plangebied sprake is van een gradiëntzone, op basis waarvan in het plangebied vindplaatsen van jager-verzamelaars voor kunnen komen. Vanwege de relatief hogere ligging zijn ook vindplaatsen van landbouwers niet uit te sluiten. In de omgeving van het plangebied zijn geen vindplaatsen bekend, met uitzondering van een vuurstenen bijl op de rand van het dekzandeiland van Weert. Niet gemeld, maar wel herkend op de kadastrale minuutplan (en mogelijk op het AHN) is een voormalige schans in een geïsoleerde laagte ten noorden van het plangebied. Het plangebied zelf blijkt op basis van historische bronnen op de grens te liggen van de verkavelde gronden op het dekzandeiland van Weert naar een zuidelijker gelegen natte heide gebied. Momenteel is het plangebied agrarisch in gebruik, wat een verstorende invloed heeft gehad op de bovengrond. Op basis van de bodemkaart valt te verwachten dat het esdek in het noorden van het plangebied enige bescherming tegen de bodemverstoring heeft geboden. Uit het veldonderzoek is echter gebleken dat de bodem tot diep is de C-horizont verstoord is. In de vijf boringen werd onder de bouwvoor telkens een sterk gevlekte laag aangetroffen die abrupt overging in een licht (groen)grijze C-horizont. Uit een profielput bleek dat de gevlekte laag het gevolg was van ploegen en diepspitten. De bodem bleek bovendien nat, aangezien de C-horizont vanaf 60 cm -mv al reductiekenmerken vertoonde. Dat duidt op permanent hoge grondwaterstanden in het verleden, want tegenwoordig is drainage aangelegd om de bodem voldoende te ontwateren voor landbouwkundig gebruik. Vanwege deze natte omstandigheden en de afwezigheid van een uitgesproken gradiënt worden in het plangebied geen vindplaatsen meer verwacht. Bovendien is de bodemgaafheid sterk aangetast. RAAP ziet zodoende geen archeologische restricties ten aanzien van de verdere planuitvoering binnen het onderzochte plangebie

    Dijkring 54 vakken A, C, D en E, gemeente Gennep, archeologisch onderzoek: proefsleuvenonderzoek en archeologische begeleiding

    No full text
    In opdracht van Waterschap Limburg heeft RAAP in maart 2018 en in juni 2019 een archeologisch proefsleuvenonderzoek en in juli, augustus en september 2019 een archeologische begeleiding uitgevoerd in het kader van het project ?Dijkversterking dijkring 54 Ven-Zelderheide? in de gemeente Gennep. Het doel van het proefsleuvenonderzoek en de archeologische begeleiding was het vaststellen of er archeologische resten in het onderzoeksgebied aanwezig zijn, en zo ja, wat de aard, omvang en datering daarvan is. Aan de hand daarvan diende bepaald te worden of er van een behoudenswaardige vindplaats sprake is of niet. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Is de archeologische vindplaats behoudenswaardig, en, zo ja, kan deze behouden blijven of dient deze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn in eerste instantie acht proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van 400 m2. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 9,5 % van het plangebied. Het gaat om vier sleuven in dijkvak A, twee sleuven in dijkvak C en twee sleuven in dijkvak E. Negen andere sleuven (??n in dijkvak C, zeven in dijkvak D en ??n in dijkvak E) konden vanwege praktische omstandigheden niet worden aangelegd. Als aanvulling op deze acht sleuven, werden in juni 2019 in dijkvak E nog twee profielsleuven over een oude weg aangelegd. In dijkvakken D en E werden daar waar geen proefsleuven konden worden aangelegd archeologische begeleidingen van de graafwerkzaamheden uitgevoerd. Alleen in dijkvak E heeft het onderzoek archeologische resten opgeleverd. Het gaat om karrensporen die verband houden met een voorganger van de naastgelegen Bloemenstraat (voorheen Bloemenweg) . Deze weg was v??r de aanleg van de N271 de doorgaande route van Venlo naar Nijmegen. In het wegpakket werden daarnaast enkele paalkuilen uit de 20e eeuw aangetroffen, die ontstaan moeten zijn nadat de weg buiten gebruik is geraakt. De vondsten die in de wegpakketten werden aangetroffen dateren hoofdzakelijk in de nieuwe tijd, maar mogelijk gaat de weg al terug tot de (late) middeleeuwen. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat het gaat om een nietbehoudenswaardige vindplaats. Dijkvakken A, D en E kunnen geheel worden vrijgegeven. Hier is het archeologische onderzoek afgerond. Het oostelijke deel van dijkvak C heeft evenmin archeologische resten opgeleverd en kan worden vrijgegeven. In het westelijke deel van dijkvak C is geen proefsleuf gegraven en ook geen archeologische begeleiding uitgevoerd omdat hier (nog) geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Hier is het archeologische onderzoek dan ook nog niet afgerond. Indien hier in de toekomst werkzaamheden plaatsvinden, dan kan gezien de praktische omstandigheden het beste voor een archeologische begeleiding gekozen worden

    Plangebied Laarderweg 84 te Laar, gemeente Weert; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

    No full text
    In opdracht van dhr. Tetteroo heeft RAAP in februari 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Laarderweg 84 te Laar in de gemeente Weert. Volgens de gemeentelijk beleidskaart ligt het gebied in een gebied van archeologische waarde (historische dorpskern van Laar), zodat een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden verplicht is. Uit het bureauonderzoek is gebleken, dat het plangebied ligt op een dekzandvlakte waar volgens de bodemkaart hoge zwarte enkeerdgronden voorkomen. Wanneer de ligging van de vindplaatsen en onderzoeken in de omgeving worden bekeken, dan blijkt dat deze vooral liggen op de omringende hogere dekzandruggen, al komen op de hogere delen van de dekzandvlaktes ook archeologische vindplaatsen voor. Het onderzoeksgebied zelf ligt binnen een AMK-terrein van hoge archeologische waarde, namelijk de historische kern van Laar. Dit blijkt ook uit historische kaarten, waarop begin 19e eeuw in de westhoek van het plangebied een klein gebouwtje staat weergegeven, behorend tot het erf van een naastgelegen boerderij. Het grootste deel van het plangebied heeft op de historische kaarten altijd een agrarisch gebruik gekend. Alleen in de noordhoek heeft sinds de jaren 1970 een stal gestaan, die inmiddels weer is gesloopt. Tegenwoordig ligt het terrein braak. Op basis van de verzamelde gegevens is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen vanaf de eerste landbouwers (late prehistorie) tot en met de nieuwe tijd Uit het veldonderzoek is gebleken, dat de bodem tot 50 cm -mv volledig is verstoord en in banen zelfs tot 110 cm diepte is verstoord. Dat betekent dat ondiepe archeologische resten (tot 50 cm) volledig zijn verstoord en dat in banen ook diepere grondsporen verstoord zijn. Daartussen kunnen eventuele diepere sporen nog intact zijn, maar gezien de overige verstoring, wordt de archeologische waarde daarvan zeer beperkt geacht. Omdat bovendien de invloed van de toekomstige verstoring beperkt is, wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de toekomstige nieuwbouw

    Kasteel Etzenrade & Hoeve De Tombe te Jabeek; IBA-kandidaatproject ‘Beleefbaar maken van het Verwoeste Kasteel Etzenrade’, gemeente Onderbanken; archeologisch onderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

    No full text
    Het onderzoeksgebied Verwoeste Kasteel Etzenrade is onderdeel van een grotere gebiedsontwikkeling, waar renaturatie van de Rode Beek samen moet gaan met het verbeteren van de toeristisch recreatieve en educatieve kwaliteiten van het gebied. Om het Verwoeste Kasteel Etzenrade weer beleefbaar te maken, is het onderzoeksgebied geselecteerd als kandidaat IBA-project. In opdracht van de gemeente Onderbanken heeft RAAP in de loop van 2016 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, met als doel voldoende informatie te verzamelen over de cultuurhistorische en archeologische waarde van het gebied, om concreet invulling te kunnen geven aan een inrichtingsplan voor het Verwoeste Kasteel Etzenrade. Aanpak Het archeologisch onderzoek bestond uit een gefaseerd onderzoek. Allereerst is een bureauonderzoek uitgevoerd, waarin aan de hand van bestaande bronnen informatie is verzameld over de aard en omvang van de in het gebied verwachte cultuurhistorische relicten. Vervolgens is een stapsgewijs veldonderzoek uitgevoerd, bestaande uit een landschappelijk booronderzoek, een karterend booronderzoek gericht op hoeve de Thombe en een geofysisch onderzoek in combinatie met een verkennend booronderzoek naar de grachten en het binnenterrein van het kasteel en de veronderstelde Romeinse weg. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied ligt op de noordrand van het lössplateau van Doenrade, op de overgang naar het dal van de Rode Beek, waarlangs de oudste middeleeuwse ontginningen in deze omgeving liggen. Op het plateau komen met name plaatsnamen eindigend op -rade voor, die verwijzen naar het rooien van bos toen in de volle middeleeuwen het plateau voor agrarisch gebruik geschikt werd gemaakt. Etzenrade zelf wordt voor het eerst in 1135 in de bronnen vermeld. Op een kaart uit 1573 staat Etzenrade met een kasteelsymbool afgebeeld. Het goed was een zogenaamd ‘groot leen’ van Valkenburg. De aanwezigheid van een kapel wijst op een zekere status van het gebouw en zijn gebruiker, evenals de koppeling met de Etzenrader Mühle. De hier gelegen beekpassage van de Rode is waarschijnlijk een oude. Nabij de beekovergang is in 1956 een houtconstructie aangetroffen, mogelijk met een Romeinse datering. Dit in combinatie met enkele waarnemingen op het AHN2 (langgerekte terreinverhogingen) en het vermoeden dat de route Aken–Xanten ergens tussen Heerlen en Tüddern de grens passeerde, doet vermoeden dat in het plangebied mogelijk een Romeinse weg aanwezig kan zijn. Op de Ferrariskaart uit de periode 1771-1777 is geen kasteel meer te herkennen. Wel staat hierop afgebeeld het ‘Huijsken’, met daarachter een rechthoekig grachtcomplex met twee eilanden. Het is uit de historische bronnen niet eenduidig op te maken op welk eiland het kasteel heeft gestaan. Het verdween vermoedelijk al voor de 18e eeuw grotendeels, doch in ieder geval voor 1719, het jaar waarin wordt geschreven over de verwoesting van de kapel van kasteel/huis Etzenrade. Op de Ferrariskaart staat ten oosten van het Etzenrader Huuske, op de voormalige gemeentegrens van Jabeek en Schinveld, een hoeve ‘De Tombe’ aangeduid. De hoeve zou in de Franse tijd zijn afgebrand. Op basis van het bureauonderzoek is er noch voor grachten, noch voor een kasteel als voorganger van De Tombe enig bewijs te vinden. Het was waarschijnlijk een grote hoeve, waarvan er in de omgeving wel meer lagen. Veldonderzoek Uit het landschappelijk booronderzoek is gebleken dat het zuidoostelijke deel van het plangebied zich kenmerkt door bergbrikgrond in zandige leem (löss). De bodem is hier vanwege de ligging op de steile helling geërodeerd. Verder onderaan de helling is als gevolg van de erosie zelfs sprake van vaaggronden. Aan de voet van de helling is het afgespoelde materiaal als colluvium aangetroffen. Vanaf de voet van de helling strekt zich vervolgens een 200 meter brede, met veen en beekafzettingen gevulde vlakte uit tot aan de huidige loop van de Rode Beek. Het (plaatselijk meters dikke pakket) veen kenmerkt zich door duidelijke planten- en houtresten en is daarom geïnterpreteerd als bosveen, ontstaan door de ophoping van afgestorven planten en bomen in een broekbos dat ooit het gehele beekdal begroeid moet hebben. De metingen van het geofysisch onderzoek laten op het kasteelterrein een afwisseling zien van een hoge weerstand op het binnenterrein en een lagere weerstand waar zich de grachten bevinden. Middels het booronderzoek zijn deze resultaten verder verfijnd. Ondanks de complexe en zeer variabele bodemopbouw is op hoofdlijnen goed inzicht verkregen in het onderscheid tussen de natuurlijke afzettingen, grachtvullingen en binnenterreinen. Op kaartbijlage 2 is in enkele dwarsraaien inzicht gegeven in (1) de landschappelijke basis met natuurlijke afzettingen (beekleem en veen) en colluvium, (2) de grachten die daarin zijn uitgegraven en de verschillende pakketten waarmee die vervolgens zijn opgevuld en (3) de opbouw van de binnenterreinen die door de grachten worden omsloten. In tegenstelling tot op het noordelijke eiland zijn op het zuidelijke eiland puinresten aangetroffen, zodat vermoedelijk hier het kasteel heeft gestaan. Om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van een Romeinse weg op twee tijdens het bureauonderzoek vastgestelde kansrijke locaties, is ook een combinatie van geofysisch en booronderzoek uitgevoerd. Dit heeft echter geen inzicht opgeleverd in de aanwezigheid van een eventueel weglichaam. Vanwege het aanwezige veen was na het landschappelijk booronderzoek al onwaarschijnlijk dat de weg zou bestaan uit een oppervlakkige grindlens. Het zou dan eerder om ‘dammen’ (grondlichamen) gaan, gefundeerd op de vaste ondergrond. Bij het booronderzoek zijn echter alleen oppervlakkige leemdekken aangetroff en. Op de oostelijke locatie kan deze in verband gebracht worden met een recent weglichaam, aangebracht om de hooilanden in het dal van de Rode Beek te ontsluiten. Op de westelijke locatie betreft het waarschijnlijk echter een pakket colluvium. Om hoeve de Tombe op te sporen, zijn 18 karterende boringen gezet, op basis waarvan de aanwezigheid van de hoeve niet kon worden bevestigd, noch ontkracht. Puinlagen of baksteenconcentraties die duiden op de aanwezigheid van muur- of funderingsresten zijn niet aangetroffen, zodat mag worden aangenomen dat deze op de onderzochte locatie niet aanwezig was. Tegelijkertijd zijn wel voldoende indicatoren (verbrande leem, houtkool, aardewerk, etc.) aangetroffen, die duiden op menselijke activiteit in deze zone. Op basis van een luchtfoto van kort na de Tweede Wereldoorlog, waarop een vierkante verkleuring in het veld is te zien, is gebleken dat de hoeve waarschijnlijk fractioneel zuidelijker lag, onder de huidige Kneikuilerweg/Parallelweg. De resten van de hoeve zijn bij de aanleg van het wegtalud waarschijnlijk vergraven. Conclusies In het algemeen is geconcludeerd dat de logische opeenvolging van bureauonderzoek, landschappelijk booronderzoek, geofysisch onderzoek en karterend booronderzoek veel informatie heeft opgeleverd over de omvang en verschijningsvorm van het verdwenen kasteel Etzenrade. Het onderzoek heeft veel vragen opgelost. Zo zijn de grenzen van de grachten beter in kaart gebracht en is gebleken dat het kasteel waarschijnlijk het zuidelijke eiland stond. Maar er zijn ook nieuwe vragen opgeworpen, bijvoorbeeld over de fasering van de grachtopbouw. Voorts is gebleken dat resten van hoeve de Tombe niet meer in het gebied hoeven te worden verwacht. Deze zijn vergraven met de aanleg van de Kneikuilerweg en Parallelweg. Wat betreft de Romeinse weg is geconcludeerd dat deze niet ligt op de plekken waar op het AHN een lineaire verhoging te zien was. Dat wil echter niet zeggen dat de weg niet elders in het plangebied kan liggen, bijvoorbeeld afgedekt onder een pakket colluvium, of ingebed in het veen, zodat de weg niet aan het maaiveld traceerbaar is. Het onderzoek heeft voldoende gegevens opgeleverd om het verloop van de grachten aan het maaiveld te visualiseren. Bovengronds is er weinig dat aan het voormalige kasteel Etzenrade doet herinneren. Het geoefende oog herkent in de lichte golvingen de binnenterreinen, omzoomd door de voormalige grachten. Onder de meest recente opvullingslagen (waarmee het maaiveld is genivelleerd ten behoeve van de landbouw) is het reliëf echter al een stuk uitgesprokener. Op basis van het uitgevoerde onderzoek lijken de grachten goed bewaard en is het onderscheid met de hogere binnenterreinen goed te maken. Minimale ontgraving en accentuering aan het maaiveld maken het al mogelijk om de bezoekers aan het gebied een hint te geven om het verhaal van de plek te achterhalen. Om waterberging te realiseren, zal echter dieper moeten worden ontgraven. Daarbij bestaat er echter een grotere kans op het verstoren van de archeologisch waardevolle grachtvulling

    Sporen van (pre)historische ruimtelijke ordening op de Lieropsche heide, gemeente Someren. Cultuurhistorisch en archeologisch bureauonderzoek voor een landschappelijke en ecologisch systeem analyse

    No full text
    Deze cultuurhistorische en archeologische bureaustudie van de Lieropsche heide heeft duidelijk gemaakt dat wat nu een laag dynamisch landschap lijkt, in het verleden op veel verschillende wijzen door de mens is gebruikt. De weerslag daarvan is in het landschap terug te vinden in de vorm van verschillende patronen, structuren en archeologische vindplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied in de basis een laat glaciaal landschap is, met vele gradiënten die interessant waren voor jager-verzamelaars. Ook is gebleken dat het gebied geleidelijk vernat is, waardoor sommige van de delen die vroeger droog lagen nu onder water staan. Tegelijkertijd is het gebied ooit ook natter geweest dan het nu is, getuige het feit dat het Beuven in de 19e eeuw ongeveer dubbel zo groot is geweest als nu. De weerslag van de aanwezigheid van jager-verzamelaars uit de steentijd in het gebied is maar beperkt en uit zich in concentraties van vuurstenen artefacten. Deze locaties zijn vanwege de oppervlakkige ligging echter wel zeer kwetsbaar. Vanaf het neolithicum deed de landbouw zijn intrede en nam de impact van de mens op het landschap geleidelijk toe. Het huidige schrale heidegebied doet het tegendeel vermoeden, maar het Celtic Field bewijst dat in de late prehistorie het gebied intensief voor de landbouw werd gebruikt. Voor beakkering waren grotere aaneengesloten goed ontwaterde gebieden nodig. De dekzandrug op de westgrens van het plangebied voldeed aan die voorwaarde en de daar beschikbare ruimte is dan ook tot aan de randen gebruikt. De combinatie met begraving (en wellicht ook bewoning) op dezelfde plek geeft de vindplaats een toegevoegde ensemblewaarde en geeft inzicht in de prehistorische ruimtelijke ordening (combinatie van beakkering, begraving en mogelijke prehistorische route). Zeker wanneer de combinatie met de oude wegen in het gebied wordt bekeken, waaruit blijkt dat de oriëntatie van het Celtic Field is afgestemd op de oriëntatie van de belangrijke noord-zuid-route die vermoedelijk dus al terug gaat tot in de prehistorie. In het Celtic Field is ook een fasering herkenbaar en de percelering lijkt afgestemd op het ‘rond venneke’. Deze natte laagte (of het nu een pingo-ruïne is of niet) vormde de watervoorziening en bevat mogelijk organische lagen die belangrijke paleo-ecologische informatie kunnen bevatten. Hier kan zodoende met recht worden gesproken van een ‘Siedlungskammer’; een landschappelijke eenheid waarbinnen in het verleden werd gewoond, gewerkt, begraven en rituele handelingen hebben plaatsgevonden, zowel gelijktijdig (synchroon) als door de tijd heen (diachroon). Deze activiteiten hebben hun sporen nagelaten, waardoor het mogelijk wordt een inkijk te krijgen hoe mensen in het verleden het landschap hebben benut, ruimtelijk hebben ingedeeld en in de loop van de tijd hebben veranderd. Dit biedt kansen voor de doorontwikkeling van de landschapsarcheologie en kan antwoord geven op grotere landschapsvragen (niet alleen doorheen de tijd, maar ook ruimtelijk in de tijd). Belangrijk is te realiseren dat de grenzen van de ‘Siedlungskammer’ niet ophouden bij de grenzen van het plangebied. Het Celtic Field kan niet los worden gezien van de landschappelijke inbedding, noch van de grafheuvels die verder ten westen van het gebied gelegen zijn. De routes die het gebied doorkruisen krijgen pas betekenis, wanneer ze op regionale schaal worden bekeken. Tegelijkertijd is de exacte ligging van de wegen en paden bepaald door de lokale verschillen in het landschap en de mogelijkheden dat dit in verschillende jaargetijden bood. Ook het mentale aspect speelde hierbij, zoals is gebleken een belangrijke rol. Landmarks gaven richting aan routes en verantwoordelijkheidsgevoel droeg er aan bij of men al dan niet buiten de gebaande paden ging. Op de gemeenschappelijke gronden werden met name in recentere tijden ook ontginningsintiatieven ontplooid. Het kanaliseren van de Peelrijt, aanplant van productie bossen en (hernieuwde) pogingen tot landbouw hebben ook hun sporen in het landschap achter gelaten en deze dragen evengoed bij aan het verhaal van de ruimtelijke ordening op de Lieropsche heide. Na dit bureauonderzoek staan er echter ook nog veel vragen open. Niet alleen over de aard van bepaalde relicten in het gebied, maar ook concreet over de werkelijke impact van eventuele toekomstige beheermaatregelen. Gericht veldonderzoek kan hier antwoord op geven
    corecore