1,720,985 research outputs found

    RAAP-notitie 5325

    No full text
    Rond dijkring 74 Neer (figuur 1) zijn in het kader van het project Prioritaire Dijkversterkingen bodemingrepen gepland die mogelijk bedreigend zijn voor eventuele archeologische resten. Om de gespecificeerde archeologische verwachting uit een voorgaand bureauonderzoek te toetsen is een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het gebied is op te delen in laag gelegen beekdalgronden met relatief jonge sedimenten en hoger gelegen Pleistocene (interstadiale) terrasrestanten met relatief oude sedimenten. Omdat de hogere gronden al sinds het Pleistoceen aan het maaiveld liggen en naar verwachting niet door jongere sedimenten zijn afgedekt, kunnen hier de oudste archeologische resten al vanaf het maaiveld verwacht worden. Veelal is hier een intact brikgrond aangetroffen en verschillende archeologische indicatoren bewijzen dat de hogere terrasgronden al sinds de Steentijd door de mens zijn bezocht en bewoond. In het beekdal zijn echter dikke pakketten beeksediment (afwisseling van zand, leem en veen) aangetroffen en kunnen archeologische resten ook op grotere dieptes ingebed zijn, zoals ook uit een recent uitgevoerde archeologische begeleiding is gebleken. Een volledig intacte beekbodem is echter in geen enkele boringen aangetroffen. De bovengrond was ofwel verstoord of opgehoogd, als gevolg van de inrichtingswerkzaamheden aan de beek sinds de jaren 1960. Of archeologische resten bedreigd worden hangt enerzijds af van de bestaande verstoringen en anderzijds van de geplande ingrepen: 1. Maatregelen tegen “piping” reiken tot 2 m –Mv en zijn daarom zowel in het beekdal als op de terrassen verstorend. Vervolgonderzoek wordt hier nodig geacht. 2. Dijkverbreding en de aanleg van een nieuwe dijk gaan gepaard met bodemingrepen tot 40 cm –Mv. De impact hiervan op de beekdalgronden is beperkt, maar op de hogere terrasgronden betekent ontgraving van de bouwvoor dat het archeologisch intacte niveau min of meer wordt blootgelegd. In dat geval wordt vervolgonderzoek zinvol geacht. 3. Op de hogere gronden worden tot slot ook bestaande wegen aangepast, waaraan ingrepen tot circa 1 m –Mv gekoppeld zijn. Dat betekent dat de briklaag en daarin eventueel ingebedde archeologische resten verstoord worden, zodat vervolgonderzoek nodig is. Het vervolgonderzoek is op basis van de combinatie van verwachte archeologische resten versus de aard van de geplande ingrepen opgedeeld in extensieve begeleiding, intensieve begeleiding en karterend/waarderend onderzoek. Waar de bodem reeds verstoord is of ingrepen niet of niet diep plaatsvinden, wordt geen onderzoek nodig geacht

    Plangebied Walramplein en Molenstraat in Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul; archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek).

    No full text
    In augustus 2017 heeft RAAP in opdracht van de gemeente Valkenburg aan de Geul een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor de herinrichting van het Walramplein en de Molenstraat in Valkenburg. De gemeente heeft het voornemen de bestrating te vernieuwen, een nieuw riool te leggen, nieuwe beplanting te realiseren en een deel van de voormalige stadsmuur te reconstrueren. Deze bodemingrepen vormen mogelijk een bedreiging voor eventuele aanwezige archeologische resten. Het plangebied ligt midden in het Geuldal. Uit het booronderzoek is gebleken dat helemaal in het zuidelijke deel van het Walramplein relatief jonge beekafzettingen aanwezig zijn, terwijl in het noordelijke deel oude oeverafzettingen aanwezig zijn. De beekafzettingen in het zuiden lijken de hypothese te ondersteunen dat de Geul vóór de Late Middeleeuwen ten zuiden van het Walramplein lag, en voor de aanleg van de verdedigingswerken naar het noorden is omgelegd naar de plek waar ze nu ligt. De oeverafzettingen en jonge beekafzettingen worden integraal afgedekt met een dikke laag humeuze lemen die veel houtskool, verbrande leem en aardewerk uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd bevatten. Deze lemen worden als ophogingslaag gezien. Alleen te deelgebied Molenstraat ontbreken de lemen, en is schoon colluvium (of beekafzettingen?) op de oeverafzettingen aanwezig. Overal wordt de bovenste bodemlaag gevormd door een recente ophoging van stol, puin en leem, die een dikte tussen 70 en 110 cm heeft. Enkel de bestaande riolen en de herinrichting van de kade in 2008 zullen tot een beperkte verstoring van het bodemprofiel geleid hebben. Op de kaart van Jacob van Deventer uit circa 1560 staat bebouwing aangegeven op het Walramplein, waarvan mogelijk puinresten in boring 6 zijn aangetroffen. Op alle latere kaarten ontbreekt deze bebouwing, en tot het midden van de 20e eeuw is het Walramplein in gebruik als boomgaard. De bebouwing van de kaart van Jacob van Deventer is in het midden van de 18e eeuw verdwenen, aangezien ze niet op de kaart van de Oostenrijkse Nederlanden uit 1764-1771 staat aangegeven. De Molenstraat bestaat in de 16e eeuw nog niet, en wordt vermoedelijk pas in de loop van de 18e eeuw aangelegd. Langs de Geulkade op het Walramplein zijn in 2008 resten van een oude kademuur uit 1700 en van de stadsmuur uit de 14e eeuw aangetroffen. Verder is 40 m zuidwestelijk van het Walramplein in het midden van de 19e eeuw een Romeinse mozaïekvloer aangetroffen. Tijdens een archeologische begeleiding van de herinrichting van het centrum van Valkenburg is op diverse plaatsen het middeleeuwse wegdek aangetroffen. Ook in het plangebied wordt dit wegdek verwacht. Samenvattend kan gesteld worden dat in de top van de oeverafzettingen prehistorische vindplaatsen voor kunnen komen. In de beekafzettingen in het zuidelijke deel van het Walramplein worden “beekdal-gerelateerde” resten uit alle perioden verwacht. Hierbij valt te denken aan beekovergangen, afvaldumps, rituele deposities, sporen van jacht en visvangst e.d. In de onderkant van de humeuze lemen kunnen vindplaatsen uit de periode Late Prehistorie tot en met Volle Middeleeuwen verwacht worden, terwijl op hogere niveaus in de humeuze lemen vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht worden. Hierbij moet gedacht worden aan resten van bebouwing, het laat-middeleeuwse wegdek, de stadsmuur uit de 14e eeuw en de kademuur uit 1700. Het plangebied heeft dus een hoge verwachting heeft voor vindplaatsen uit diverse perioden. De ontgravingen voor het aanbrengen van de nieuwe bestrating tot een diepte van 60 cm onder het huidige maaiveld hebben echter geen gevolgen voor de verwachte archeologische resten. Enkel de ontgravingen dieper dan de recente ophogingslaag (70 cm tot 110 cm dik gemeten vanaf huidig maaiveld) zouden archeologische resten kunnen verstoren. Het wordt daarom aanbevolen alle werkzaamheden die dieper gaan dan de recente ophogingslaag te laten plaatsvinden onder archeologische begeleiding

    Plangebied Oudendijk 4 te Woudrichem, gemeente Altena; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek).

    No full text
    In opdracht van Van Diest Advies & Ontwikkeling heeft RAAP in april 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Oudendijk 4 te Woudrichem in de gemeente Altena. Dit onderzoek wordt uitgevoerd i.v.m. nieuwbouw. De geplande verstoringen zullen bestaan uit funderingen tot aan het maaiveld in een gebied met een omvang van circa 80 m2 . Er wordt verwacht dat de ondergrond tot circa 50 cm –mv verstoord kan raken. Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied in een komgebied met in het noorden de stroomgordel van de Waal welke vanaf de bronstijd actief was. Onder de komkleien zijn in eerdere boringen veenlagen aangetroffen met hieronder zand en grindlagen uit het vlechtende rivierensysteem van voorlopers van de Maas en Rijn. Tijdens de Sint-Elisabethsvloeden in de 15e eeuw zijn zandige overstromingsafzettingen afgezet in het plangebied en die liggen nu aan het maaiveld. Deze crevasseafzettingen strekken zich verder richting het westen uit. Het plangebied is op de rand van deze crevasse gesitueerd. Na de Sint-Elisabethsvloeden is er een dijk opgeworpen, waarlangs het dorp Oudendijk is ontstaan. De archeologische verwachting voor het plangebied is hoog vanaf de middeleeuwen. Doordat de archeologische laag uit deze periode aan het maaiveld ligt is de verwachte conservering slecht. Voor de onderliggende komafzettingen geldt een lage archeologische verwachting. Over de diep gelegen vlechtende rivierafzettingen kunnen geen uitspraken worden gedaan, omdat de morfologie van dit begraven landschap niet bekend is. Op basis van het veldwerk is aangetoond dat de bodem in het plangebied sterk door rivieractiviteit is beïnvloed. Komkleien uit een rustig overstromingsmilieu worden afgedekt door beddingzanden die duiden op sneller stromend water, hetzij een rivierbedding hetzij een crevasse (rivierdoorbraak). In de oostelijke helft van het plangebied is een restgeul aangetroffen, waarvan een deel lijkt omgewerkt, mogelijk als gevolg van een dijkdoorbraak. De bovengrond in het gebied is daardoor en vermoedelijk ook door bodemverstoring door de mens, sterk verstoord geraakt. Door vergelijkbare onderzoeken in de gemeente Altena is bekend, dat langdurig bewoonde plekken zich kenmerken door een oude woongrond. Ondanks dat de zandige afzettingen in het gebied een solide ondergrond voor bewoning vormen, is een oude woongrond niet aangetroffen. In combinatie met de verstoorde bovengrond is er daarom geen reden om het plangebied de aanwezigheid van (intacte) archeologische resten gerelateerd aan de bewoningskern van Oudendijk te verwachten. Daarnaast zullen de geplande werkzaamheden nauwelijks de bodem verstoren. Daarom ziet RAAP geen restricties ten aanzien van de planuitvoering

    Plangebied Andelsche Broek deelgebied A te Andel, gemeente Altena; archeologisch vooronderzoek: een karterend booronderzoek.

    No full text
    In opdracht van Waterschap Rivierenland heeft RAAP in januari 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Andelsche Broek deelgebied A te Andel in de gemeente Altena (voormalige gemeente Aalburg). In 2016 zijn in het Andelsche Broek reeds een bureauonderzoek uitgevoerd. Door wijzigingen in het ontwerp, was een aanvullend bureauonderzoek nodig voor deelgebied A, op basis waarvan karterend booronderzoek voor de zuidelijke helft van deelgebied A is aanbevolen. Bij het karterend booronderzoek zijn 25 boringen gezet in vier verspringende boorraaien. Er is geboord tot tenminste 1 m –mv. Om enig inzicht te krijgen in de diepere bodemopbouw, zijn sommige boringen dieper doorgezet. Het plangebied ligt duidelijk in een laaggelegen komgebied, met bijbehorende vegetatie. De bodemopbouw duidt hier ook op met zwak siltige klei, afgewisseld met humeuze en venige lagen. In de oostelijke helft van het onderzochte gebied zijn in enkele boringen op een diepte tussen 95 en 145 cm –mv zandige afzettingen aangetroffen, die corresponderen met stroomgordels zoals aangeduid op de paleogeografische kaart van zowel 2001 als 2012. Hoewel de stroomgordels niet gebiedsdekkend zijn onderzocht, is wel gebleken dat in de zandige sedimenten geen stilstandsfasen aanwezig zijn. Het zijn zandwiggen die als crevasses in het komgebied zijn afgezet. Van bewoonbare stroomgordels is geen sprake. Archeologische indicatoren zijn ook niet aangetroffen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied geen archeologische resten bedreigd worden door de geplande ingrepen

    Plangebied Bocholterweg 80 te Weert, gemeente Weert; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

    No full text
    In opdracht van Van den Schoor Bouwkundig Ontwerpburo heeft RAAP in december 2018 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Bocholterweg 80 te Weert. In het plangebied is de bouw van enkele stallen gepland die de vrijstellingsgrenzen overschrijden die gekoppeld zijn aan de dubbelbestemming waarde - archeologie middelhoog. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied ligt in een zone met pleistocene dekzandwelvingen, waar gooreerdgronden in zijn ontstaan. Het noordelijk deel van het plangebied grenst aan het grote akkercomplex ten zuiden van Weert, waardoor hier een 'esdek' voorkomt. Gezien de ligging aan de rand, is dit vermoedelijk echter ontstaan door snelle, bewuste ophoging om het akkerareaal uit te breiden. Ten noorden en zuiden van het plangebied liggen laagtes, waardoor in het plangebied sprake is van een gradiëntzone, op basis waarvan in het plangebied vindplaatsen van jager-verzamelaars voor kunnen komen. Vanwege de relatief hogere ligging zijn ook vindplaatsen van landbouwers niet uit te sluiten. In de omgeving van het plangebied zijn geen vindplaatsen bekend, met uitzondering van een vuurstenen bijl op de rand van het dekzandeiland van Weert. Niet gemeld, maar wel herkend op de kadastrale minuutplan (en mogelijk op het AHN) is een voormalige schans in een geïsoleerde laagte ten noorden van het plangebied. Het plangebied zelf blijkt op basis van historische bronnen op de grens te liggen van de verkavelde gronden op het dekzandeiland van Weert naar een zuidelijker gelegen natte heide gebied. Momenteel is het plangebied agrarisch in gebruik, wat een verstorende invloed heeft gehad op de bovengrond. Op basis van de bodemkaart valt te verwachten dat het esdek in het noorden van het plangebied enige bescherming tegen de bodemverstoring heeft geboden. Uit het veldonderzoek is echter gebleken dat de bodem tot diep is de C-horizont verstoord is. In de vijf boringen werd onder de bouwvoor telkens een sterk gevlekte laag aangetroffen die abrupt overging in een licht (groen)grijze C-horizont. Uit een profielput bleek dat de gevlekte laag het gevolg was van ploegen en diepspitten. De bodem bleek bovendien nat, aangezien de C-horizont vanaf 60 cm -mv al reductiekenmerken vertoonde. Dat duidt op permanent hoge grondwaterstanden in het verleden, want tegenwoordig is drainage aangelegd om de bodem voldoende te ontwateren voor landbouwkundig gebruik. Vanwege deze natte omstandigheden en de afwezigheid van een uitgesproken gradiënt worden in het plangebied geen vindplaatsen meer verwacht. Bovendien is de bodemgaafheid sterk aangetast. RAAP ziet zodoende geen archeologische restricties ten aanzien van de verdere planuitvoering binnen het onderzochte plangebie

    Archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden

    No full text
    In het voorjaar en de zomermaanden van 2016 heeft aannemingsbedrijf van Uijtert in opdracht van Waterschap Brabantse Delta diverse werkzaamheden uitgevoerd in plangebied Lange Maten ten behoeve van natuurherstel. De bodemverstorende werkzaamheden zijn in de periode februari t/m juni 2016 archeologisch begeleid door RAAP. In delen van het plangebied gold voor aanvang van de werken een hoge verwachting voor afvaldumps en beekovergangen. Tijdens de archeologische begeleiding bleek echter dat grote zones van het plangebied waren verstoord. Op basis van deze argumenten werd het weinig zinvol geacht om in de zones met een hoge verwachting een verdere intensieve archeologische begeleiding uit te voeren. RAAP heeft daarom voorgesteld in deze zones de begeleiding terug te schalen tot een extensieve vorm, waarbij de graafvlakken regelmatig werden gecontroleerd. Dit voorstel is afgestemd met het bevoegd gezag en de opdrachtgever. In totaal zijn tijdens de archeologische begeleiding 4 vindplaatsen aangetroffen. Het betreft allemaal resten die wijzen op de vroegere aanwezigheid van rondtrekkende jager-verzamelaars (Steentijd) in het gebied. Met uitzondering van vindplaats 4 betreft het bovendien allemaal losse vondsten. De vondstconcentratie van vindplaats 4 bevindt zich echter op de hoge oostoever van het voormalige ven; een klassieke locatie waar je jachtkampementen uit de Steentijd doorgaans aantreft. Gezien de grootte van de artefacten en de gebruikte vuursteensoort dateert het kampement wellicht uit het Mesolithicum. De gaafheid van de vindplaats bleek echter twijfelachtig. Om de verstoringsgraad van de vindplaats vast te stellen is in overleg met het bevoegd gezag besloten een kleine kuil te graven in het hart van de vuursteenconcentratie om de bodemopbouw en vondstverspreiding in kaart te brengen. Dit waardestellend onderzoek heeft geen bijkomende vondsten opgeleverd. De bouwvoor bleek hier nog 30 cm dik te zijn en direct daaronder bevond zich ongestoord dekzand waarin geen sporen van bodemvorming zijn waargenomen. Dit betekent dat de vondsthoudende laag geheel is opgenomen in de bouwvoor. De interne structuur van de vindplaats is met andere woorden verdwenen. Alle vindplaatsen zijn aangetroffen in verstoorde context. Dit betekent dat de vindplaatsen weinig wetenschappelijke informatiewaarde kennen en om deze reden niet behoudenswaardig zijn. In het verleden hebben ingrijpende ontginnings- en landbouwwerkzaamheden plaatsgevonden waardoor de ondergrond is verstoord; diverse spitsporen zijn aangetroffen binnen het plangebied. Dit betekent dat er in het plangebied geen intacte vindplaatsen meer worden verwacht. Uitzondering hierop vormen de zones waar geen graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden of slechts 10 cm is verlaagd. Door de geringe ontgravingsdiepte kon het onderliggende bodemprofiel niet worden vastgesteld. Om deze reden blijft voor de genoemde zones de hoge verwachtingswaarde voor kampementen van jager-verzamelaars gehandhaafd. Het wordt aangeraden om toekomstige bodemverstorende ingrepen in dit gebied archeologisch te laten begeleiden conform het reeds eerder goedgekeurde en vastgestelde PvE (Rondags, 2016). Aanvullingen hierop worden niet noodzakelijk geacht

    Plangebied Laarderweg 84 te Laar, gemeente Weert; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

    No full text
    In opdracht van dhr. Tetteroo heeft RAAP in februari 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Laarderweg 84 te Laar in de gemeente Weert. Volgens de gemeentelijk beleidskaart ligt het gebied in een gebied van archeologische waarde (historische dorpskern van Laar), zodat een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden verplicht is. Uit het bureauonderzoek is gebleken, dat het plangebied ligt op een dekzandvlakte waar volgens de bodemkaart hoge zwarte enkeerdgronden voorkomen. Wanneer de ligging van de vindplaatsen en onderzoeken in de omgeving worden bekeken, dan blijkt dat deze vooral liggen op de omringende hogere dekzandruggen, al komen op de hogere delen van de dekzandvlaktes ook archeologische vindplaatsen voor. Het onderzoeksgebied zelf ligt binnen een AMK-terrein van hoge archeologische waarde, namelijk de historische kern van Laar. Dit blijkt ook uit historische kaarten, waarop begin 19e eeuw in de westhoek van het plangebied een klein gebouwtje staat weergegeven, behorend tot het erf van een naastgelegen boerderij. Het grootste deel van het plangebied heeft op de historische kaarten altijd een agrarisch gebruik gekend. Alleen in de noordhoek heeft sinds de jaren 1970 een stal gestaan, die inmiddels weer is gesloopt. Tegenwoordig ligt het terrein braak. Op basis van de verzamelde gegevens is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen vanaf de eerste landbouwers (late prehistorie) tot en met de nieuwe tijd Uit het veldonderzoek is gebleken, dat de bodem tot 50 cm -mv volledig is verstoord en in banen zelfs tot 110 cm diepte is verstoord. Dat betekent dat ondiepe archeologische resten (tot 50 cm) volledig zijn verstoord en dat in banen ook diepere grondsporen verstoord zijn. Daartussen kunnen eventuele diepere sporen nog intact zijn, maar gezien de overige verstoring, wordt de archeologische waarde daarvan zeer beperkt geacht. Omdat bovendien de invloed van de toekomstige verstoring beperkt is, wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de toekomstige nieuwbouw

    Plangebied Brouwketel te Hooge Mierde, gemeente Reusel - De Mierden; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek).

    No full text
    In opdracht van Brabants Landschap heeft RAAP eind februari 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Brouwketel te Hooge Mierde in de gemeente Reusel - De Mierden. In het plangebied zijn bodemingrepen gepland ten behoeve van natuurherstel. De doelstelling van het bureauonderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein en de invloed van de toekomstige ingrepen hierop. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied behoort tot een gebied waar terrasafzettingswelvingen (formatie van Sterksel) worden afgedekt door landduinen (formatie van Boxtel) met bijbehorende vlakten en laagten. Het plangebied zelf ligt grotendeels in een uitblazingslaagte, omringd door kamduinen. Volgens de bodemkaart komen humuspodzolgronden voor, wat pleit voor een hoge ouderdom van de duinen. In het duingebied zijn twee archeologische monumenten bekend, betreffende een mesolithische vuursteenvindplaats en een grafheuvel uit de bronstijd. Op basis van deze gegevens is aan de hoge randen van de laagte een hoge verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars toegekend. Bewoningsresten uit de landbouwers periode worden niet verwacht, maar resten van begraving zijn niet uit te sluiten. Deze komen vaker voor op de woeste gronden, waartoe het plangebied volgens historische kaarten behoorde. Pas omstreeks 1958 is de Brouwketel ontgonnen, waarbij delen van de hoge randen zijn afgeschoven om de laagte op te vullen. Daarbij zijn hoge steilranden ontstaan, terwijl de laagte zelf juist zeer vlak is. Op de hoge delen zijn in het microreliëf nog karrensporen herkenbaar. De resultaten van het veldonderzoek bevestigen die van het bureauonderzoek. In de laagte is sprake van een sterk verrommelde bovengrond, die het gevolg is van de ontginning en daarmee gepaard gaande egalisatie. Onder de verstoring is telkens de C-horizont of een restant van een natte veldpodzolgrond aangetroffen. In de laagte zijn geen organische lagen aangetroffen die duiden op permantent natte omstandigheden, zodat de Brouwketel eerder een periodiek natte laagte is geweest dan een ven. Hier worden geen archeologische resten meer verwacht. Op de hogere randen is de bodemopbouw daarentegen volledig intact, getuige de volledig ontwikkelde, droge haarpodzolgrond. Vanwege de gradiëntsituatie naar de laagte, moet al onder de strooisellaag rekening worden gehouden met vuursteenvindplaatsen van jager-verzamelaars. Aangezien de bodem onverstoord is, zouden eventuele grafheuvels uit de landbouwers periode nog aan het maaiveld herkenbaar moeten zijn. Hiervan is echter geen sprake, zodat die niet meer worden verwacht. Op basis van de resultaten van het onderzoek ziet RAAP geen restricties ten aanzien van de werkzaamheden die in de laagte gepland zijn (aanleg van venachtige laagte, vochtige heide en morfologisch herstel). Op de hoge randen wordt geadviseerd de geplande (plag)werkzaamheden te beperken tot de strooisellaag. Na de plagwerken wordt een inspectie van de geplagde vlakken aanbevolen om eventuele vindplaatsen in kaart brengen, zodat deze aansluitend middels een aan te brengen zanddek duurzaam kunnen worden behouden. Indien toch diepere werkzaamheden nodig zijn, dan wordt een karterend booronderzoek nodig geacht om eventuele vindplaatsen te begrenzen. Geadviseerd wordt deze dan met een 3 meter brede bufferzone buiten de werken te houden

    Plangebied Zwartbroekweg 420 te 's-Hertogenbosch, gemeente 's-Hertogenbosch; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek).

    No full text
    In opdracht van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft RAAP in december 2018 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Zwartbroekweg 420 te 's -Hertogenbosch. In het plangebied zal de bestaande bebouwing gesloopt worden en grofweg op dezelfde plek zullen appartementen gebouwd worden. Ook is een wadi voorzien, waar regenwater kan infiltreren. Het plangebied ligt op een oeverwal die richting het noorden wordt afgedekt door overslaggronden. Direct ten noorden van het plangebied is een fossiele geul aanwezig, terwijl circa 150 meter ten zu iden van het plangebied een dekzandkop opduikt. Op basis van verschillende in het bureauonderzoek verzamelde gegevens werd verwacht dat in het plangebied sprake is van een circa 1,5 m dik zanddek, met daaronder een pakket met klei en veen dat op circa 4 m diepte overgaat in (dek)zand Op de dekzandopduiking circa 150 tot 500 meter ten zuiden van het plangebied zijn meerdere archeologische vindplaatsen bekend, hoofdzakelijk nederzettingen uit de periode neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Iets verder van het plangebied zijn ook vindplaatsen uit de middeleeuwen bekend. Vindplaatsen uit de nieuwe tijd ontbreken, waarschijnlijk omdat het gebied in die tijd een agrarisch gebruik kende in de polders aangeduid met het toponiem “Schans hoek”. Dit gebruik bleef nagenoeg ongewijzigd, totdat omstreeks 1995 de woonwijk werd aangelegd waar het plangebied tegenwoordig deel van uitmaakt. Op basis van de verzamelde gegevens is een lage verwachting toegekend voor vindplaatsen van jager-verzamelaars ingebed in het dekzand. Aan de oeverafzettingen is een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen van landbouwers uit de periode neolithicum t/m middeleeuwen. Het verkennend booronderzoek diende om de verwachting te toetsen. Hieruit is gebleken dat in het plangebied sprake is van beddingafzettingen die wegduiken richting de fossiele geul ten noorden van het plangebied. Naar boven toe gaan de beddingafzettingen via een dunne laag oeverachtige afzettingen over in een pakket komklei. Er zijn geen stilstandsfasen herkend in de afzettingen, behalve in de top van de komklei. De donkere kleur, roestvlekken en plantenresten duiden echter op een milieu dat als te nat wordt beschouwd voor bewoning. Bovendien heeft als gevolg van het opgebrachte zanddek sterke verblauwing van de onderliggende klei plaatsgevonden, een proces dat de leesbaarheid van grondsporen sterk aantast. Op basis van de resultaten van dit onderzoek worden in het plangebied geen archeologische resten meer verwacht

    Plangebied Klokkenlaan 2 te ‘s -Hertogenbosch, gemeente ‘s-Hertogenbosch archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek).

    No full text
    In opdracht van de gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft RAAP in november 2018 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Klokkenlaan 2 te ‘s-Hertogenbosch Het plangebied heeft een omvang van circa 1 hectare en er is woningbouw gepland, waarvan de diepte van de ingrepen afgestemd kan worden op de archeologische waarde. Daarom is archeologisch onderzoek nodig Het plangebied ligt op een plek waar kleiige afzettingen uit het riviergebied oudere dekzandwelvingen afdekken. Op basis van de verzamelde gegevens werd verwacht dat het kleidek circa 1,5 meter dik is. In een vergelijkbare landschappelijke context in de ruimere omgeving is op twee plekken vondstmateriaal uit de ijzertijd / Romeinse tijd aangetroffen. In tenminste één geval betreft het een oeversituatie. Uit de analyse van historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw behoorde tot de zogenaamde Ortense slagen. Deze slagen bestonden uit een dicht net van sloten, duidend op natte omstandigheden, wat de ligging in een komgebied bevestigd. Eind jaren 1970 werd de huidige woonwijk aangelegd en eind jaren 1980 verscheen de huidige bebouwing in het plangebied. Wat opvalt is dat het huidige maaiveld circa 1 meter hoger ligt dan voorafgaand aan de aanleg van de wijk, wat duidt op ophoging. Omdat de bodemkundige en historische situatie duiden op een natte ligging, is voor de komklei een lage archeologische verwachting uitgesproken. In de morfologie van het afdekte dekzand bestond geen inzicht. Zodoende is voor jager-verzamelaars geen concrete verwachting uitgesproken. Voor (prehistorische) landbouwers kan niet worden uitgesloten dat deze het dekzand voorafgaand aan de afdekking bewoond hebben. Daarom wordt vastgehouden aan de middelhoge verwachting, zoals die op de gemeentelijke verwachtingskaart aan het plangebied is toegekend. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de bodem in het grootste deel van het plangebied tot in het vaste dekzand is afgegraven en met ophoogzand weer is aangevuld. Alleen in het zuidwesten van de plangebied bleek de bodem nog intact en is de oorspronkelijke komklei met daaronder een veldpodzolgrond in dekzand intact bewaard gebleven. Archeologische resten zijn hier niet uit te sluiten. Indien behoud van de intacte bodem in deze zone niet kan worden gerealiseerd, dan wordt geadviseerd hier verder onderzoek uit te voeren. Daarbij wordt aangeraden aandacht te schenken aan de landschappelijke opbouw van het gebied en de datering van de komklei
    corecore