23,169 research outputs found

    De Sint Servaasabdij.Archeologische begeleiding van de aanleg van de stadsverwarming op het Servaasbolwerk in Utrecht.

    No full text
    Van 13 mei t/m 16 juni 2003 heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden aan het Servaasbolwerk in Utrecht. Het onderzoek, in de vorm van een Archeologische Begeleiding, is uitgevoerd door archeologen van de Afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht in opdracht van de Regionale Energie Maatschappij Utrecht (REMU). De aanleiding voor het onderzoek betrof de aanleg van een sleuf voor een leiding van de stadsverwarming waarvan het tracé dwars door het terrein was geprojecteerd waar ooit de Sint Servaasabdij heeft gestaan. Dit klooster voor adellijke vrouwen werd gesticht vóór 1225 en behoorde oorspronkelijk tot de orde der benedictijnen en was eerst waarschijnlijk buiten de middeleeuwse stad, in Abstede gevestigd. Vermoedelijk enkele jaren na de stichting ging het convent over naar de orde van de cisterciënzers en verhuisde naar Oudelle. Als één van de weinige kloosters werd het na de Reformatie niet gesloten, noch gesloopt, maar kwam in handen van de Utrechtse Ridderschap. Uiteindelijk werd het complex aan het eind van de zeventiende eeuw verkocht. Pas in de negentiende eeuw zijn de laatste gebouwen gesloopt. Van de abdij zijn diverse afbeeldingen bewaard gebleven en hij wordt op diverse historische kaarten weergegeven. Al in 1952 zijn er resten van het klooster ontdekt bij de aanleg van kabelsleuven en dat was ook het geval bij het voorafgaand klein proefsleuvenonderzoek in april 2003. De geplande bodemingrepen zouden een bedreiging vormen voor het archeologische bodemarchief, daarom is in mei 2003 de leidingsleuf tot op de diepte van de verstoring archeologisch onderzocht. Over een lengte van bijna 180 m kwamen sporen te voorschijn die dateren vanaf de dertiende tot en met de zeventiende eeuw. Het gaat om restanten van bouwwerken in de vorm van muren, waterputten, een beerput en waterkanalen en/of riolen. Verder zijn delen van de stadsmuur uit de dertiende tot en met de zestiende eeuw en restanten van twee torens die onderdeel uitmaakten van de middeleeuwse stadsverdediging aangetroffen. Voor de interpretatie van de bij de verschillende archeologische waarnemingen en onderzoeken ontdekte sporen is onder meer gebruik gemaakt van de grondtekening van de abdij van Sint Servaas uit 1676, vastgelegd door Melchior van den Bosch. Op deze tekening staat ook het gebruik en bestemming van de dan bestaande gebouwen. Verder zijn de weinige historische bronnen bestudeerd, die overigens meer informatie bevatten dan tot nu toe werd aangenomen. Zo blijken er minstens twee kerken te zijn geweest, en de kerk die op de plattegrond van Van den Bosch staat aangeven kan nu meer nauwkeurig worden gedateerd. De combinatie met historische gegevens maakte het tevens mogelijk de plattegrond beter te duiden, zodoende kunnen de archeologisch gegevens beter worden geïnterpreteerd en blijkt het mogelijk diverse bouwfasen te onderscheiden. Naar aanleiding van de resultaten van het archeologisch onderzoek in combinatie met de historische bronnen en het kaartmateriaal is in 2014 bovendien een grondradaronderzoek uitgevoerd met als doel de ligging van mogelijk nog aanwezige archeologische structuren te bepalen. Het uiterste bereik van de grondradar viel echter samen met de hoogte waarop muurresten voor het eerst verwacht mogen worden. Verder viel het grootste deel van het onderzoeksgrid binnen de pandhof, juist daar waar niet zoveel sporen te verwachten waren. Toch lijkt het onderzoek aanwijzingen op te leveren voor de aanwezigheid van ondergrondse archeologische sporen ter hoogte van de westelijke pandhofgang. Hoewel de radardata dus wel veel informatie bevatten, is meer (non-destructief) archeologisch onderzoek nodig

    Een archeologische kartering en waardering van de vindplaatsen drs. M. van Dinter Archeologisch Diensten

    No full text
    Het terrein bevindt zich op de stroomrug van de Waal. Op het onderzochte terrein zijn geen indicatoren aangetroffen die duiden op de aanwezigheili van een nederzettingsterrein. Het is daarom niet waarschijnlijk dat archeologische resten door geplande bodemingrepen worden bedreigd. Een AAI kan echter nooit antwoord geven op de vraag of bijvoorbeeld grafmonumenten op het terrein aanwezig zijn. Op basis van dit onderzoek kan niet worden uitgesloten dat de vondsten die in het verleden op het aangrenzende perceel, nr. F 2363, zijn aangetroffen, behoren tot een nederzettingsterrein. Dit terrein strekte zich in elk geval niet uit tot het onderzochte perceel

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

    No full text
    In opdracht van Olco Advies en Management BV heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Het Rond - Vierde Kwadrant te Zeist. Dit archeologisch onderzoek vond plaats in het kader van de uitbreiding van het gemeentehuis, de aanleg van een parkeergarage, en de bouw van enkele woonblokken. Op basis van het vooronderzoek (bureauonderzoek) werden op deze locatie archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht, aangezien het plangebied deel uitmaakt van de oude dorpskern van Zeist. Tevens bestond de mogelijkheid dat zich hier resten uit oudere perioden zouden bevinden. De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek worden bevestigd. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn inderdaad archeologische resten uit zowel de Middeleeuwen als de Nieuwe tijd aangetroffen. Het aardewerk dateert grotendeels uit de 17e t/m 18e eeuw, maar ook zijn scherven uit de Late Middeleeuwen en de 16e eeuw gevonden. In het noorden van het plangebied is een spoor aangetroffen dat op menselijke activiteit in de prehistorie lijkt te duiden. Het spoor doet sterk denken aan een haardkuil en bevindt zich op de dekzandrug die in dit deel van het plangebied is waargenomen. De bodemopbouw in het plangebied is zeer complex. Alleen in het noordelijke deel van het terrein is het bodemprofiel in de top van het dekzand intact. Ter plaatse van de dekzandrug is een podzol gevormd, terwijl in het lagere deel een veenpakket is gevormd. Daarnaast is in het zuidelijk deel van het plangebied een esdek aangetroffen. Een fasering is niet zichtbaar binnen het esdek. In het noordelijke deel van het plangebied is een pakket grijs zand aangetroffen dat eveneens een esdek zou kunnen zijn. Het zou echter ook om een stuifzandpakket kunnen gaan. Dit pakket grijs zand is afgedekt door een wit overstuivingspakket met daarin dunne humeuze laagjes. ADC ArcheoProjecten heeft op basis van het proefsleuvenonderzoek twee vindplaatsen met behoudenswaardige archeologische resten onderscheiden, één in het zuidelijk deel van het plangebied (vindplaats 1) en één in het noordelijk deel (vindplaats 2). Daarnaast wordt op grond van landschappelijk onderzoek geadviseerd om de zones in het noordelijk deel van het plangebied die op de bovengenoemde dekzandrug zijn gelegen, eveneens als behoudenswaardig te kenmerken. Dit betekent dat hier moet worden uitgegaan van behoud in situ, of indien dit niet mogelijk is, van behoud ex situ in de vorm van een opgraving

    Geological-geomorphological study Dom square 2011 and 2013

    No full text
    Aanleiding: Tussen 1 juli en 14 september 2011 is in opdracht van Initiatief Domplein een proefonderzoek uitgevoerd op het Domplein te Utrecht. Het onderzoek vond plaats in het noordelijke deel van de voormalige werkput XIX die in 1949 aangelegd was onder leiding van prof. A.E. van Giffen van het Biologisch en Archeologisch Instituut (BAI) te Groningen. De put lag ter plaatse van het in 1674ingestorte schip van de Dom.De hoofddoelstelling van het onderzoek was informatie verkrijgen over de mogelijkheden tot het duurzaam behoud van de archeologische waarden van het rijksmonument Domplein bij de realisatie van het bezoekerscentrum Schatkamer II (het huidige DOMunder). Om daarnaast ook informatie te verkrijgen die nodig was voor de mogelijke inrichting van de ondergrondse ruimte en het beleefbaar maken van de archeologische resten en bodemprofielen, is er ook inhoudelijk naar de profielen gekeken. Bijdrage M van Dinter & K.M. Cohen: In 2011 en in 2013 is bij gelegenheid op de bodem van de archeologische opgraving een vanderStaay-boring gezet, tot een diepte van c. 8 meter onder onderzijde diepste werkvlak (is c. 13 meter onder maaiveld). Tevens zijn de in wanden ontsloten rivierafzettingen beschreven. Uit het onderzoek is gebleken dat de top van de oever waar het eerste castellum op werd gebouwd slechts gedeeltelijk ontkalkt is en dat een duidelijke vegetatiehorizont ontbreekt. In de top heeft een zeer beperkte mate van bodemvorming plaatsgevonden. De rivier is ter plaatse van het Domplein ca. 5 m diep geweest

    Van Oude Rijn naar Hollandsche IJssel. MD003: Archeologische begeleiding Meerndijk, De Meern (Utrecht). Archeologische Basisrapportage 148: Basisrapportage Archeologie 148

    No full text
    In oktober en november 2017 zijn in De Meern (gemeente Utrecht) twee delen van de Oudenrijnsche Wetering met elkaar verbonden met behulp van een duiker. Daarvoor werd een 68 meter lange en 3 tot 4 meter diepe sleuf gegraven. Deze sneed haaks door de van oorsprong middeleeuwse Meerndijk en door afzettingen van de Mare. Met dit laatmiddeleeuwse toponiem wordt aangeduid het restant van een noord-zuid georiënteerde watergang uit de Romeinse tijd die gedeeltelijk onder het asfalt van de Meerndijk schuilgaat. De ca. 4 kilometer lange Mare verbond een zijrivier van de Rijn, die in de Romeinse tijd tussen De Meern en de Harmelerwaard stroomde en daar de Heldam stroomgordel heeft opgebouwd, met de zuidelijker gelegen Hollandsche IJssel. Gezien het feit dat de Mare de verbinding tussen twee belangrijke rivieren vormde, mag worden verondersteld dat deze een belangrijke rol heeft gespeeld in de waterhuishouding en het scheepvaartverkeer in de Romeinse tijd. Reeds tientallen jaren woedt er onder archeologen, historici en fysisch geografen discussie over de ontstaanswijze van de Mare. Kende deze een natuurlijke oorsprong, was het een gegraven kanaal of was er sprake van een combinatie hiervan? Over het algemeen wordt er thans van uitgegaan dat de Mare in de Romeinse periode is ontstaan door het verbinden van twee crevassegeulen. Eén hiervan kwam vanuit de Hollandsche IJssel en stroomde in noordelijke richting, een tweede was ontstaan vanuit de Heldam rivier en stroomde naar het zuiden. De twee crevassegeulen lijken met elkaar te zijn verbonden door middel van een vermoedelijk 900 tot 1100 meter lang gegraven kanaal. Daarmee zou deze watergang grote overeenkomsten vertonen met het Kanaal van Corbulo in Zuid-Holland, dat de mondingen van de Maas en de Rijn in de Hollandse delta met elkaar verbond. Niet alleen de ontstaansgeschiedenis van de Mare roept vragen op, ook de relatie van deze watergang met de van oorsprong middeleeuwse Meerndijk vraagt om opheldering. Het vermoeden bestond dat de Mare reeds in de Romeinse tijd was dichtgeslibd en in de late middeleeuwen niet meer zichtbaar was. De vreemde oriëntatie van de dijk schuin door de laatmiddeleeuwse verkaveling lijkt hiervoor een aanwijzing. Toch moeten de afzettingen van de Mare nog (of weer?) zichtbaar zijn geweest toen de laatmiddeleeuwse Meerndijk ontstond, net zoals het Kanaal van Corbulo ook eeuwen later nog zichtbaar was. Mogelijk kon tijdens de aanleg van de duiker in het najaar van 2017 een antwoord worden gevonden op de vele vragen waarover inmiddels decennia wordt gediscussieerd. Tijdens de archeologische begeleiding (projectcode MD003), uitgevoerd door medewerkers van afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, werd van de 68 meter lange sleuf het noordprofiel gedocumenteerd door middel van elf profielsecties. In dit profiel waren diverse vullingslagen van de Mare te zien, evenals de bodemopbouw (crevasse- en komafzettingen) aan weerszijden daarvan. De watergang was op dit punt minstens 26 meter breed en meer dan 3 meter diep. Uit enkele vullingslagen van de Mare zijn in totaal vier grondmonsters genomen ten behoeve van een 14C-datering, waarvan er uiteindelijk twee zijn gedateerd. Verder leverde de vulling van de Mare slechts twee fragmenten dierlijk bot op, waarvan er één is gedateerd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat de Mare ter hoogte van het plangebied is gegraven. Het lijkt dan ook te gaan om de vulling van een crevasse, die rond het begin van de jaartelling moet zijn ontstaan vanuit de Heldam rivier. Bovenin de crevasse-afzettingen bevindt zich een pakket kleiig veen, dat gezien de 14C-dateringen is ontstaan in de dertiende eeuw. De bedding was op dat moment nog maximaal 1,5 meter diep en zo’n 25 meter breed. Kortom, het noordelijke deel van de Mare moet, althans op deze plek, een belangrijk landschappelijk element hebben gevormd in de periode van de laatmiddeleeuwse ontginningen. Dit doet vermoeden dat de Meerndijk op z’n vroegst uit de veertiende eeuw dateert. Toch is het niet erg waarschijnlijk dat de Mare over zijn gehele lengte van zo’n 4 kilometer nog watervoerend was in de dertiende eeuw. Het is aannemelijk dat het middelste en zuidelijke deel ervan niet meer te zien waren in de tijd waarin de polders ten zuiden van de Oude Rijn werden ontgonnen, omdat de verkaveling er geen rekening mee houdt. Grote delen van de bedding zijn mogelijk in de vroege middeleeuwen vanuit de Hollandsche IJssel langzaamaan opgevuld vanuit het zuiden. Het noordelijke uiteinde van de Mare daarentegen bleef tot in de dertiende eeuw kennelijk watervoerend. Aan het einde van deze eeuw was ook dit deel dichtgeslibd. Tegelijkertijd was ter hoogte van het middelste en zuidelijke segment van de Mare reliëfinversie opgetreden als gevolg van het inklinken van het omringende veen, waardoor de zandige en kleiige afzettingen van de Mare door differentiële klink als een rug in het landschap zichtbaar waren geworden. Bij de aanleg van de Meerndijk (mogelijk in de veertiende eeuw) diende deze rug als ondergrond. Het tracé van de dijk werd in noordelijke richting doorgetrokken, exact over de watergang die op dit punt kort daarvoor geheel was dichtgeslibd. Er werden echter geen resten van een middeleeuws dijklichaam aangetroffen

    Aanvullend Archeologisch Onderzoek in het trace van de Hogesnelheidslijn, vindplaats 38, Heerjansdam-Develweg

    No full text
    In het kader van de aanleg van de Hogesnelheidslijn heeft een Aanvullend Archeologisch Onderzoek op deze locatie plaatsgevonden. Naast dit gravend onderzoek, waarbij ook een aantal boringen zijn gezet, is er ook een AAO-Booronderzoek verricht door RAAP. Het AAO heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor het voorkomen van een vindplaats binnen de grenzen van het trace. Wel werden 107 fragmenten aardewerk gevonden. Het merendeel van de fragmenten is afkomstig uit een kleipakket en betreft waarschijnlijk verspoeld materiaal. In de nabijheid van het onderzochte terrein kan een vindplaats liggen; vermoedelijk een nederzettingsterrein of boerderij uit de Volle en Late Middeleeuwen (11e tot 14e eeuw). Ook moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van een Romeinse vindplaats buiten het trace. Op grond van het fysisch-geografisch onderzoek mogen we verwachten dat een deel van de buiten het trace gelegen vindplaatsen is geerodeerd of afgetopt. Het is goed mogelijk dat daardoor een eventueel aanwezige vondstlaag ontbreekt

    Nieuwe Langendijk Delft: Bouwhistorisch en archeologisch onderzoek van de panden 22 t/m 28, deel I, beschrijving van de onderzoeksresultaten

    No full text
    Het voor u liggende in drie deeltjes gebundelde pak papier is het verslag van een bouwhistorisch en archeologisch onderzoeK op de locatie Nieuwe Langendijk 22 t/m 28 - Trompetstraat 31 te Delft. Het onderzochte terrein is eigendom van de Delftse Katholieke Stichting voor Bejaardenzorg (DKSB). Het veldwerk van het onderzoek betrof de periode 10 februari t/m 6 augustus 1982, met uitzondering van de eerste weken van juliArchitectureArchitectur

    Het effect van kribverlaging op de afvoercapaciteit van de Waal ten tijde van hoogwater

    No full text
    Om in de toekomst de veiligheid rondom de Nederlandse rivieren tegen overstromen te waarborgen heeft het kabinet het standpunt "Ruimte voor de Rivier" ingenomen. Hierin staat beschreven dat in 2015 een pakket aan maatregelen ervoor moet zorgen dat een maatgevende Rijnafvoer van 16.000 m³/s binnen de gestelde veiligheidsnormen moet kunnen worden afgevoerd. Deze maatregelen betreffen naast extra dijkverbeteringen projecten die ervoor moeten zorgen dat de ruimte wordt teruggegeven aan de natuur. Een van deze maatregelen is het verlagen van de kribben in de Waal. Door het verlagen van de kribben zal de hydraulische weerstand van de rivier afnemen. Hierdoor wordt de afvoercapaciteit van de rivier vergroot. Het is echter onduidelijk hoeveel de afvoercapaciteit zal toenemen en of kribverlaging een effectieve maatregel tegen de hoogwaterproblematiek is. Doel van dit onderzoek is het bepalen van de toename van de afvoercapaciteit als gevolg van kribverlaging. Om deze doelstelling te verwezenlijken moet de bijdrage die de weerstand van de krib levert aan de hydraulische weerstand van de rivier worden geanalyseerd en gekwantificeerd. De bijdrage die de weerstand van de krib levert aan de hydraulische weerstand van de rivier is onderzocht met behulp van twee eenvoudige eendimensionale modellen. De onzekerheden in deze modellen zijn verkleind met behulp van een 2DV numeriek model. Naar aanleiding van de resultaten van het 2DV model kan geconcludeerd worden dat de beste benadering voor het beschrijven van de stroming over een krib is om te weerstand van de krib te beschouwen als een sleepweerstand. Omdat de stroming bij overstroomde kribben driedimensionaal is, is ook gebruik gemaakt van een numeriek 3D model. Hiermee is bepaald hoe de hydraulische weerstand van de gehele rivier verandert als de kribben worden verlaagd. Uit de modelresultaten kan een goede schatting worden gegeven van de toename van de afvoercapaciteit gerealiseerd door het verlagen van de kribben. Op grond van de resultaten van het model kan worden geconcludeerd dat wanneer de kribben aan weerszijde van de rivier worden verlaagd met 1 meter de afvoercapaciteit kan toenemen met 200-250 m³/s. Een verlaging van 2 meter levert een toename op van 350-400 m³/s. Dit komt overeen met een waterstandsdaling van respectievelijk 7 en 13 cm voor een maatgevende Rijnafvoer van 15.000 m³/s.Civil Engineering and Geoscience

    Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

    No full text
    ADC ArcheoProjecten heeft een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in verband met de voorgenomen herinrichting van de Garenmarkt in Leiden. De nieuwbouw van een ondergrondse parkeergarage zal alle archeologische waarden in de bodem vernietigen. Momenteel is het plangebied in gebruik als parkeerterrein. Tijdens vooronderzoek is gebleken dat er archeologische resten aanwezig kunnen zijn uit de Romeinse tijd, de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het proefsleuven onderzoek was erop gericht de aard, omvang, kwaliteit (gaafheid en conservering) en complexiteit vast te stellen van de vindplaats(en) in het gebied om te komen tot een definitief oordeel over de behoudenswaardigheid ervan. Daaruit kan een inschatting gemaakt worden van de eventuele kosten en tijd die nodig zijn voor het behoud ex situ van de archeologische resten (opgraving). De ondergrond op de locatie bestaat uit afzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk, afgedekt door oeverafzettingen, Formatie van Echteld. Hier bovenop bevinden zich laat- en postmiddeleeuwse ophogingspakketten In de Middeleeuwen behoorde het gebied tot de Pietershoeve. De ontginning daarvan dateert van voor de stadsuitleg van 1386. Na 1475 werd het deel ten noorden van de Raamsteeg, langs het hier besproken onderzoeksgebied, gedempt en de aangrenzende grond als bouwland uitgegeven. De bebouwing die hier verrees bestond uit woonhuizen en kleine bedrijfjes. Bij de ontploffing van het kruitschip aan de Steenschuur in 1807 werden de huizen aan de Garenmarkt waarschijnlijk wel beschadigd, maar bleven niettemin overeind. Omstreeks 1840 vestigde er zich een fabriek voor wolbewerking en wolspinnerij, die enkele van de huizen in gebruik nam als bedrijfsruimte. In 1969 werden de huizen op het huidige plein dat is aangeduid als „Garenmarkt‟ gesloopt. Kort daarvoor, in 1965 was ook al de aan de noordzijde van het plangebied gelegen „Levendaalsgracht‟ gedempt. Op de Indicatieve kaart van Archeologische Waarden (IKAW) maakt het plangebied dan ook deel uit van een zone waar een hoge verwachting aan is toegekend. Tijdens het onderzoek zijn er in werkput 1 bebouwingsresten aangetroffen in de vorm van funderingen, muren, vloeren en beerputten, die kunnen worden toegeschreven aan bewoning vanaf mogelijk de late Middeleeuwen maar in ieder geval de Nieuwe tijd. Tevens werden er muurwerken aangetroffen die de ingebruikname van het terrein voor industriële doeleinden ondersteunen. Ook werden op een dieper niveau (afval-) kuilen aangetroffen die te dateren zijn in de 14e eeuw. In werkput 2 zijn vergelijkbare sporen en structuren aangetroffen. Het vondstmateriaal in de vorm van aardewerk en bakstenen is goed geconserveerd. De bodemopbouw bestaat uit een oeverafzetting van de Oude Rijn (0,4m – 0,6m – NAP), met daarop een vegetatief pakket van 20 tot 30cm dik, dat mogelijk het loopniveau in de Romeinse tijden Vroege Middeleeuwen representeert. Deze is afgedekt met een ophogingslaag uit de late Middeleeuwen, Nieuwe tijd en een bouwvoor van recent zand. Het vondstmateriaal uit de (ophogings-) lagen geeft aan dat er vanaf de Romeinse tijd bewoning geweest is op de vegetatieve pakketten. Op basis van zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische vindplaats is er sprake van een behoudenswaardige vindplaats. De archeologische waarden die in de werkputten zijn aangetroffen, worden bedreigd door de geplande nieuwbouw en kunnen daardoor niet in situ (in de bodem) bewaard blijven. ADC ArcheoProjecten adviseert de gemeente Leiden om de door nieuwbouw bedreigde delen van de behoudenswaardige archeologische vindplaats ex situ te behouden door middel van een vlakdekkende opgraving. Dit om informatie te behouden die van belang is voor onze kennisvorming van het verleden

    Verslag van de Staatscommissie met de opdracht een onderzoek in te stellen van de buitengewoon hooge waterstanden, tijdens den stormvloed van 13/14 januari 1916: voorgekomen op de in Zuidholland gelegen benedenrivieren, meer bepaaldelijk op den Rotterdamschen Waterweg

    No full text
    Rapport met een analyse van het extreme hoogwater in Rotterdam op 13 januari 1916 waardoor een dijk bij het Mallegat was doorgebroken terwijl de waterhoogte op zee bij Hoek van Holland net zo hoog was als bij de stormvloed tien jaar daarvoor. De concrete vraag was wat de oorzaak was, en of dit vaker kon voorkomen. De leden van de commissie waren deskundigen van Rijkswaterstaat en van het KNMI, maar het ministerie (minister Lely) wilde een ter zake deskundige buitenstaander als voorzitter. De commissie concludeerde dat dit specifieke hoogwater werd veroorzaakt door hoge rivierafvoer en een samenloop van diverse factoren, waaronder de lange duur van de storm. En dat er in principe geen bovengrens aan de waterstand is, maar dat bij geometrie van de waterlopen van dat moment een maximale ontwerpwaterstand van 3,55 m boven N.A.P. te adviseren was. De commissie heeft zeer uitgebreid gerapporteerd, en daarbij onderzoek gedaan naar de wiskunde van de doordringing van stormvloeden in de benedenrivieren. Het rapport bevat tevens een bijlage van 62 blz met een Historisch Overzicht van de hoge vloeden en overstromingen tot en met 1868
    corecore