55 research outputs found

    Amersfoort Onder Ons 12

    No full text
    In juli 2002 werd het bouwplan Van Beeklaan door het OBV (Ontwikkelingsbedrijf Vathorst) aan de Gemeente Amersfoort gepresenteerd; op een aantal percelen aan de zuidkant van de bebouwde kom van Hooglanderveen zou een aantal woningen gebouwd gaan worden. Bij de bouwwerkzaamheden zal de bodem ontgraven worden en daarmee gaan eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem ook op de schop. Op basis van de bodemgesteldheid en de historische en archeologische omgeving is de verwachting dat er inderdaad archeologische sporen aangetroffen kunnen worden. Dit geldt met name voor de dekzandrug aan de oostzijde van het onderzoeksterrein; op vergelijkbare dekzandruggen zijn in de omgeving vondsten uit de Prehistorie én Middeleeuwen gedaan. Archeologische resten zijn niet aangetroffen, wel enkel enkele recente greppeltjes in deel 1. Het bodemarchief binnen het gehele onderzoeksgebied is ernstig verstoord. Door de ontgraving van zand zijn eventueel eens aanwezige archeologische sporen op de schop gegaan. Het plangebied is in het verleden ernstig verstoord en vlak voor het onderzoek grotendeels ontgraven ten behoeve van asbestsanering, waarbij eventueel aanwezige archeologische sporen en vondsten op de schop zijn gegaan. Er zullen enkele recente sporen aanwezig zijn, maar deze worden laag gewaardeerd. Archeologische waarden worden binnen het plangebied derhalve niet verwacht

    CAR 3

    No full text
    Onderzoekscode gem. A'foort: LUW'09 Door de Gemeente Leusden wordt de komende jaren het plangebied de ‘t Spieghel ontwikkeld. Onderdeel hiervan vormt de bouw van een woonhuis met vrijstaande garage op een perceel tegenover Ursulineweg 12. Naar aanleiding van een eerder uitgevoerd bureauonderzoek (2003) is voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt in een gebied met natuurlijke hoogtes (dekzandruggen), met lagere delen hier tussenin. Uit archeologisch onderzoek in de directe omgeving is gebleken dat de hogere delen in het landschap al in de prehistorie bewoond werden. Realisatie van het bouwplan vormt een ernstige bedreiging voor mogelijk aanwezige archeologische resten. Deze zouden door de geplande werkzaamheden ernstig verstoord of zelfs helemaal vernietigd kunnen worden. Archeologisch onderzoek De Gemeente Leusden derhalve besloten om voorafgaand aan de nieuwbouw een inventariserend veldonderzoek te laten uitvoeren om de aan- of afwezigheid van archeologische resten vast te stellen om tot een besluit te kunnen komen hoe hier verder mee om te gaan: behoud door bescherming (planaanpassing), behoud door opgraving, of afzien van verder archeologisch onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd op 23 juni 2009 door het Centrum voor Archeologie van de Gemeente Amersfoort. De bodemopbouw bestaat uit een ondergrond van grijzig dekzand met direct daar bovenop een pakket verspoeld dekzand. In het westelijk deel van het terrein is het verspoelde dekzand afgedekt door een vermoedelijk opgebrachte humeuze laag. Deze laag is op zijn beurt weer afgedekt door verspoeld zand, waarop de recente bouwvoor ligt. Het oostelijk deel van het terrein heeft een dikke homogene bouwvoor die direct op het verspoelde dekzand ligt. De hoogte van het zand varieert op het terrein. Op circa 80 cm onder maaiveld kwam grondwater op. In werkput 1 – de meest zuidelijke werkput - ligt een recente oost-west georiënteerde greppel, die een oude perceelsscheiding aangeeft. De vulling bevat industrieel wit aardewerk. In de westzijde van de sleuf is een naar het noorden gerichte dwarsgreppel aangetroffen, die ook in wp 2 is gezien. Ook deze greppel is recent. In werkput 2 – de middelste werkput - ligt in de oostelijk helft een aantal paalsporen, die nogal scherp hoekig van vorm zijn. Ze bevatten recent glas en zijn derhalve niet nader gedocumenteerd (na 1950). Werkput 3 is de meest noordelijke werkput. Hier is één recent paalspoor aangetroffen en een kunststof drainage buis. Op basis van de bodemgesteldheid van het onderzoeksgebied kan verondersteld worden dat het terrein in de prehistorie en middeleeuwen te nat was voor bewoning. Archeologische sporen van voor 1950 zijn niet aangetroffen. De variatie in de hoogte van het dekzand geeft aan dat het niet uitgesloten is dat op omliggende percelen de kans op het aantreffen van archeologische sporen groter is. Er zijn bij dit onderzoek geen archeologische resten aangetroffen. De resultaten van het onderzoek geven geen reden om aan te nemen dat er wel archeologische resten aanwezig zijn geweest

    Plangebied Urmonderbaan in Geleen, gemeente Sittard-Geleen: een archeologische begeleiding.

    No full text
    In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft RAAP van 5 tot 21 maart 2018 een archeologische begeleiding uitgevoerd aan de Urmonderbaan/Bergerweg/Oude Postbaan in Geleen, gemeente Sittard-Geleen. Het onderzoek is onderdeel van een pilot-studie om de differentiële bodembeweging ter plaatse van de Heerlerheidebreuk te monitoren. Deze pilot is uitgevoerd in het kader van een onderzoek naar de na-ijlende effecten van de steenkolenwinning in de omgeving. In het kader van de pilot werd in het plangebied een 4 meter diepe (geologische) proefsleuf gegraven. De bodemingrepen gaan dermate diep, dat eventueel aanwezige archeologische resten worden bedreigd. Gezien de hoge tot zeer hoge archeologische verwachting voor het gebied én de omvang van de verstoring, werd een archeologische begeleiding van de werkzaamheden (protocol opgraven) in het gebied noodzakelijk geacht. Hierbij werd aangesloten bij het geologische onderzoek. In totaal is een oppervlakte van 1.000 m² onderzocht. Het primaire doel van het archeologisch onderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische grondsporen en paleolithische vondsten, specifiek in de zogenaamde Patina Discordantie en de Nagelbeek-horizont (circa 30.000- 20.000 jaar oud: laat paleolithicum). Voorts diende het onderzoek zich te richten op de aard, omvang, datering, kwaliteit en diepteligging van eventueel aanwezige archeologische resten. Verspreid over het onderzoeksgebied zijn archeologische resten aangetroffen. Het gaat om los verspreide archeologische resten uit de Romeinse tijd en de nieuwe tijd direct onder de bouwvoor en om een mogelijk laat paleolithische vondst uit de genoemde lagen. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten wordt geconcludeerd dat: - er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats direct onder de bouwvoor; en - dat op het potentiële laat-paleolithische niveau geen archeologische vindplaats is vastgesteld, maar dat de archeologische waarde van dit deel van het terrein niet goed kon worden bepaald. Op basis van het onderzoek en de waardestelling wordt het volgende selectieadvies gegeven: - vrijgave van het potentiële archeologisch niveau nabij het maaiveld; - behoud van het potentiële archeologisch niveau van de Patina Discordantie en de Nagelbeekhorizont. De gemeente Sittard-Geleen neem een selectiebesluit op basis van de bevindingen van dit onderzoek

    Plangebied Urmonderbaan in Geleen, gemeente Sittard-Geleen: een archeologische begeleiding.

    No full text
    In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft RAAP van 5 tot 21 maart 2018 een archeologische begeleiding uitgevoerd aan de Urmonderbaan/Bergerweg/Oude Postbaan in Geleen, gemeente Sittard-Geleen. Het onderzoek is onderdeel van een pilot-studie om de differentiële bodembeweging ter plaatse van de Heerlerheidebreuk te monitoren. Deze pilot is uitgevoerd in het kader van een onderzoek naar de na-ijlende effecten van de steenkolenwinning in de omgeving. In het kader van de pilot werd in het plangebied een 4 meter diepe (geologische) proefsleuf gegraven. De bodemingrepen gaan dermate diep, dat eventueel aanwezige archeologische resten worden bedreigd. Gezien de hoge tot zeer hoge archeologische verwachting voor het gebied én de omvang van de verstoring, werd een archeologische begeleiding van de werkzaamheden (protocol opgraven) in het gebied noodzakelijk geacht. Hierbij werd aangesloten bij het geologische onderzoek. In totaal is een oppervlakte van 1.000 m² onderzocht. Het primaire doel van het archeologisch onderzoek was het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied, waarbij het in eerste instantie ging om het (al dan niet) vaststellen van de aanwezigheid van archeologische grondsporen en paleolithische vondsten, specifiek in de zogenaamde Patina Discordantie en de Nagelbeek-horizont (circa 30.000- 20.000 jaar oud: laat paleolithicum). Voorts diende het onderzoek zich te richten op de aard, omvang, datering, kwaliteit en diepteligging van eventueel aanwezige archeologische resten. Verspreid over het onderzoeksgebied zijn archeologische resten aangetroffen. Het gaat om los verspreide archeologische resten uit de Romeinse tijd en de nieuwe tijd direct onder de bouwvoor en om een mogelijk laat paleolithische vondst uit de genoemde lagen. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten wordt geconcludeerd dat: - er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats direct onder de bouwvoor; en - dat op het potentiële laat-paleolithische niveau geen archeologische vindplaats is vastgesteld, maar dat de archeologische waarde van dit deel van het terrein niet goed kon worden bepaald. Op basis van het onderzoek en de waardestelling wordt het volgende selectieadvies gegeven: - vrijgave van het potentiële archeologisch niveau nabij het maaiveld; - behoud van het potentiële archeologisch niveau van de Patina Discordantie en de Nagelbeekhorizont. De gemeente Sittard-Geleen neem een selectiebesluit op basis van de bevindingen van dit onderzoek

    Amersfoort onder ons 4

    No full text
    De sectie Archeologie van de gemeente Amersfoort heeft op 2 en 3 maart 2004 een opgraving verricht op het perceel gelegen Achter de Kamp 32. Aanleiding van het onderzoek was de nieuwbouw die op deze locatie in de toekomst zal komen. Het terrein ligt net ten noorden van de eerste stadsmuur. De straat Achter de Kamp loopt parallel aan de Kamp. Sinds de middeleeuwen was deze straat al een belangrijke uitvalsweg naar buiten de stad. In 2001 heeft in de nabije omgeving een opgraving plaatsgevonden op de hoek van de Kreupelstraat en Achter de Kamp. De opgraving Achter de kamp 32 leverde aanvullende informatie op over de geschiedenis van dit deel van de binnenstad. Op het terrein zijn ophogingslagen en sporen aangetroffen die uit de 14de eeuw dateren. Achteraan het perceel is een beerput blootgelegd. Deze bleek echter in het verleden reeds te zijn leeggehaald. De beerput dateert uit de 18de-19de eeuw. Tot slot zijn uitbraaksleuven en puinlagen gevonden, die bij een pand dat op deze locatie heeft gestaan, behoren. Afvalmateriaal, waaronder een wielas afkomstig van de wagenmakerij die hier was gevestigd, is aan de achterzijde van het terrein gevonden. Kaartblad: 32B Coordinaten: 155.506/463.226 Toponiem: Achter de Kamp 32 Gemeente: Amersfoort Provincie: Utrecht Type onderzoek: opgraving Aanvang: 02-03-2004 Beeindiging: Geschatte duur: 2 weken Onderzoeker(s): T. d'Hollosy en L. de Leeuw Motief: infrastructurele werken Complextype(n): Datering: XME-NT Diversen: Site Identificatie Code ADK 32

    Aardgastransportleidingtrace Odiliapeel-Melick (A-665) gemeenten Sint Anthonis Venray Horst aan de Maas Peel en Maas Kessel Venlo Beesel Roermond en Roerdalen archeologisch vooronderzoek

    No full text
    RAAP Archeologisch Adviesbureau heeft een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een aardgastransportleiding tussen Odiliapeel (Gemeente Sint Anthonis) en Melick (Gemeente Roerdalen; A-665). De lengte van het tracé bedraagt circa 65 km. Aanvankelijk zou de aardgas transportleiding tussen Odiliapeel (Gemeente Sint Anthonis) en Hommelhof (Gemeente Schinnen) worden aangelegd, maar gedurende het onderzoek is door de Gasunie besloten om onderhavig tracé aan de zuidkant in te korten tot het gasstation bij Melick. Een deel van het verkennend onderzoek had echter inmiddels al plaatsgevonden ten zuiden van het gasstation bij Melick. Daarom valt een deel van de verkennende boringen (boringen 630 t/m 779) buiten dit rapport. Het leidingtracé Melick-Hommelhof wordt apart gerapporteerd. De basis voor het archeo logische onderzoek is een eerder uitgevoerd bureauonderzoek (Van Dijk, 2007) en de goedkeuring van de hierin gegeven adviezen door de provincie Limburg. In on der havig rapport wordt het verkennend en deels karterend onderzoek (oppervlaktekartering en karterend boor onder zoek) behandeld in de tracédelen met een middelhoge en hoge archeologische verwachting in de gemeenten Sint Anthonis, Venray, Horst aan de Maas, Peel en Maas, Kessel, Venlo, Beesel, Roermond en Roerdalen. De vraag van het onderzoek was of er binnen de te onderzoeken delen van het aardgastransportleidingtracé aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Het doel van het onderzoek was dan ook te bepalen in welke delen van het aardgastransportleidingtracé archeologisch vervolgonderzoek zinvol is. Uit het onderzoek blijkt dat op 55 locaties vermoede lijk archeologische waarden worden aangesneden door het aan te leggen leidingtracé. Het betreft locaties met reeds bekende archeologische vindplaatsen uit de Prehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen of Nieuwe tijd of plekken waar het onderzoek indicatoren voor archeologische vindplaatsen heeft opgeleverd. Deze locaties zijn gegroepeerd tot 30 vindplaatsen, die bestaan uit kampementen/nederzettingsresten, begravingen, wegen, etc. De vindplaatsen zijn doorgenummerd op de 39 vindplaatsen van het aardgastransportleidingtracé Hommelhof-Schinnen (Moonen, 2009). De vindplaatsen zijn nummers 40 t/m 69. Om de behoudenswaardigheid van archeologische vindplaatsen nader te bepalen, wordt geadviseerd om op 25 vindplaatsen vervolgonderzoek uit te voeren (vindplaatsen 41 t/m 44, 48 en 50 t/m 69); de andere vindplaatsen zijn niet behoudenswaardig. Aanbevolen wordt om het vervolgonderzoek zodanig in te vullen, dat op de meest efficiënte methode de (op dit moment) meest relevante informatie wordt verzameld. Daarom wordt geadviseerd om het vervolgonderzoek de invulling te geven van een (alsnog) karterend booronderzoek, waarderend booronderzoek, onderzoek middels controleboringen, een gedetailleerde oppervlaktekartering en een proefsleuvenonderzoek. De booronderzoeken hebben als doel beter inzicht te krijgen in de bodemopbouw, de begrenzing van vondstspreidingen (beter) vast te stellen of vindplaatsen in kaart te brengen waar dit nog onvoldoende is gebeurd. De proefsleufonderzoeken hebben tot doel de behoudenswaardigheid van een aantal archeologische vindplaatsen vast te stellen. Indien behoudenswaardige resten worden aangetroffen, dient in overleg met het bevoegd gezag (de betreffende gemeente) en de Gasunie te worden besloten hoe met de archeologische resten dient te worden omgegaan. Voorafgaand aan de vervolgonderzoeken dienen Programma’s van Eisen (PvE) te worden opgesteld waarin de precieze aard en locatie van de proefsleuven wordt omschreven. De PvE’s dienen te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag: de gemeenten en/of de RCE (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). vondst vindplaats omvang type en datering 1 40 punt losse vondst (Steentijd) 3 41 5x5 m concentratie (Mesolithicum - Neolithicum) 4 41 5x5 m concentratie (Laat Paleolithicum - Mesolithicum) 8 41 punt losse vondst (Steentijd) 11 41 punt losse vondst (Mesolithicum - Neolithicum) 42 41 punt concentratie (Mesolithicum) 5, 7 41 5x5 m concentratie (Steentijd) 9, 10 41 punt losse vondst (Mesolithicum) 12 42 punt losse vondst (Mesolithicum) 13 42 5x5 m concentratie (Mesolithicum) 14 43 5x5 m concentratie (Steentijd) 15 43 punt losse vondst (Neolithicum?) 16 43 punt losse vondst (Steentijd) 53 44 onbekend onbekend (Mesolithicum) 30 45 5x5 m concentratie (Steentijd) 44 46 punt concentratie (Steentijd) 43, 45 46 punt losse vondst (Steentijd) 2 47 punt losse vondst (Steentijd) 32 48 boring losse vondst (Mesolithicum) 33 49 boring onbekend (Nieuwe tijd A-B) 31 50 360x20 m onbekend (Volle Middeleeuwen-Nieuwe tijd B) 17 53 10x10 m concentratie (Neolithicum?) 23 54 boring onbekend (Neolithicum-IJzertijd) 18 55 punt onbekend (Romeinse tijd) 19 55 punt onbekend (Volle/Late Middeleeuwen) 20, 21 56 boring onbekend (Volle/Late Middeleeuwen) 22 57 boring onbekend (Volle/Late Middeleeuwen), graf (ongedateerd) 46 57 punt onbekend (Laat Paleolithicum/Mesolithicum, Bronstijd en Romeinse tijd) 47 58 lijn weg (Romeinse tijd) 54 60 onbekend nederzetting (kampontginning; Nieuwe tijd B) 48 61 punt graf (Laat Neolithicum-Midden Bronstijd) 49 61 lijn weg (Romeinse tijd) 50 61 punt graf (Laat Neolithicum) 52 62 onbekend onbekend (Midden en Laat Paleolithicum, Mesolithicum en/of Neolithicum) 51 63 5x5 m concentratie (Mesolithicum/Neolithicum) 41 64 boring onbekend (Prehistorie) 34, 35 65 boring onbekend (Neolithicum-IJzertijd) 38 66 boring onbekend (Steentijd en Vroege Middeleeuwen B) 36, 37 66 boring onbekend (Neolithicum-IJzertijd) 39, 40 66 boring onbekend (Steentijd) 24 67 boring onbekend (Volle/Late Middeleeuwen

    Archeologie 1

    No full text
    Dit rapport bevat de gecombineerde resultaten van het voor- en hoofd- onderzoek. Deze worden voorafgegaan door de resultaten van het historisch onderzoek. Tussen november 2005 en januari 2006 heeft de sectie archeologie van de Gemeente Amersfoort aan het Smallepad, op het terrein van de voormalige Meursing- fabriek te Amersfoort, een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek volgde op een vooronderzoek dat in oktober 2005 had plaatsgevonden. Aanleiding voor het onderzoek was de bouw van het nieuwe R.A.C.M. gebouw (Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten). Gezien de omgeving was er een redelijke kans op het aantreffen van archeologische resten; het terrein ligt immers tegen het middeleeuwse centrum van Amersfoort aan. Ondanks de bouw van de Meursingfabriek bleek de ondergrond in minder sterke mate te zijn verstoord dan was verwacht; tussen en onder de verstoringen waren diverse archeologische sporen en vondsten bewaard gebleven. Het Meursingterrein is in de tweede helft van de 12de eeuw voor bewoning in gebruik genomen. Er hebben minimaal drie bootvormige boerderijen (type Gasselte B(’)) en een vijf-palige structuur gestaan. De boerderijen hadden een ZW-NO oriëntatie en waren alle minimaal 6,5 meter breed. De lengte kon bij geen van de boerderijen worden achterhaald. Aan de noordzijde van één van de boerderij en is een deel van een erfgreppel gevonden. De vijf-palige structuur is uit dezelfde periode als de boerderijen. Tot welk erf deze spieker/hooiberg heeft behoord is niet duidelijk. De bewoningsfase was van korte duur; uit de aardewerkvondsten blijkt dat de boerderijen rond 1200 zijn gesloopt. In het westelijk deel van het terrein is, evenwijdig aan het huidige Smallepad, een deel van een weg gevonden. Op een smalle strook grond tussen een tweetal sloten, zijn karrensporen aangetroffen, zichtbaar als lichtgrijze, langwerpige banen. Ze lagen op een onderlinge afstand van ongeveer 1,35 meter. Uit de karrensporen zelf komen geen vondsten, uit de sloten kwam 12de- tot 14de-eeuws materiaal . Het is zeer verleidelijk in deze weg een middeleeuwse voorganger van het Smallepad te zien. Na de bewoningsfase werd het terrein voor agrarische doeleinden gebruikt. Over het gehele terrein zijn langgerekte stroken omgespitte grond (grondverbeterings sporen) aangetroffen. Het omspitten gebeurde om de grond te bemesten en dus vruchtbaarder te maken. Verschillende sloten zorgden in deze periode voor de ontwatering van het terrein. Het oostelijk deel van het terrein, aan de kant van de Eem, was laag en nat. Hier is een aantal waterlopen aangetroffen (enkele van natuurlijke oorsprong) die een belangrijke functie hebben gehad bij de ontwatering van Amersfoort en met name het gebied ten NW van de stad. Aan het begin van de 15de eeuw is de laatste waterloop gedempt waarna het terrein aan deze kant meerdere malen is opgehoogd. Uit de periode daarna resteren weinig archeologische sporen, van de uit de historische bronnen bekende bleek en lakenindustrie is niets aangetroffen. In 1866 werd op het terrein de stoomweverij van Bonnike gebouwd. Deze ging vrij snel failliet en in 1885 kocht de Amsterdamse scheepsbouwer Meursing het gebouw om er een moderne broodfabriek op stoomkracht in te richten. Van de fabriek zijn over het gehele terrein sporen aangetroffen, deze zijn tijdens het onderzoek grotendeels (op een beerput en een houten afvoer na) buiten beschouwing gelaten

    Transformatie van het voormalig Eneco kantoor; geeft Zuidwijk nieuwe energie.

    No full text
    Probleemveld: Leegstand van gebouwen Leegstand van kantoorgebouwen is een onderdeel van het totale proces van verhuur en huur in de vastgoedmarkt. Deze leegstand, waardoor verhuizingen kunnen plaatsvinden, wordt frictieleegstand genoemd. Bij een te groot verschil tussen vraag en aanbod kan echter structurele leegstand ontstaan. Structurele leegstand houdt in dat een vloeroppervlakte gedurende drie opeenvolgende jaren leegstaat. Nederland heeft in het begin van 2014 een leegstandspercentage van 15,7% van de totale kantoorvoorraad. Nederland heeft hiermee het hoogste leegstandspercentage van heel Europa, welke een gemiddelde leegstandspercentage van 10% heeft. Rotterdam stijgt boven deze twee percentages uit, met een leegstandspercentage van 18,7 % van zijn totale kantorenvoorraad in 2013. Een gezonde kantoren markt kent een frictieleegstand van 4 tot 8 %, waardoor we de huidige leegstandspercentages als problematisch mogen beschouwen. De kwantitatieve oorzaak van deze structurele leegstand is het blijven bouwen van kantoren, terwijl hier al een hele tijd geen vraag meer naar is. Dat de vraag naar kantoorruimte minder is geworden komt onder andere door de crisis en het nieuwe werken. Ook hebben bedrijven andere kwalitatieve eisen aan kantoorruimtes en hun omgeving . Zo moet het gebouw voldoen aan de nieuwste eisen omtrent duurzaamheid en moet de ruimte in een omgeving met verschillende voorzieningen zijn gelegen. Probleemstelling: Waarom leegstand een probleem is De eigenaar van een leegstaand kantoorpand ondervindt als eerst de problemen van de structurele leegstand. Het gebouw genereert geen inkomsten meer en zal uiteindelijk in zijn marktwaarde dalen. Als het gebouw geen inkomsten levert is er weinig tot geen geld voor het onderhoud van het gebouw. Dit zorgt voor verloedering van het gebouw en kan vervolgens ongewenst bezoek trekken zoals krakers of drugsverslaafden. De problemen van het leegstaande kantoorgebouw zorgen voor een slecht imago van het gebouw en zijn omgeving. Mensen zullen zich, zeker in de avonduren, niet meer veilig voelen in de buurt van het leegstaande kantoorgebouw. Onderzoeksvraag en onderzoek Aangezien leegstand niet alleen problemen op gebouwniveau, maar ook op wijkniveau meebrengt is de volgende onderzoeksvraag opgesteld: Hoe kan door middel van transformatie van een leegstaand kantoorpand in een woonwijk, de kwaliteit van de hele buurt verbeterd worden? Deze onderzoeksvraag is beantwoord aan de hand van een casus, het voormalig Eneco kantoor in Zuidwijk, Rotterdam Zuid. Er is onderzoek gedaan naar het gebouw en zijn omgeving, wat heeft geleid naar een programma van eisen voor een transformatieontwerp van dit leegstaande kantoorgebouw. Elk kantoorgebouw heeft zijn eigen verhaal, een eigen omgeving en daarmee een eigen opdracht. In dit onderzoek is er dan ook niet vanuit gegaan dat de casus spreekt voor alle leegstand in Nederland of Rotterdam. Het onderzoek in de omgeving van het gebouw is een belangrijk onderdeel van het proces dat bij elke opgave opnieuw uitgevoerd zal moeten worden. De methode van onderzoek kan bij soortgelijke opgaven wel gebruikt worden. In dit onderzoek is een wijkanalyse gemaakt, zijn interviews afgenomen en zijn de resultaten getoetst aan de hand van scenario’s, met elke een eigen functie en bijbehorend ontwerp. Literatuuronderzoek Mogelijkheden Leegstand Met een leegstaand kantoorpand zijn verschillende acties mogelijk, welke door de eigenaar uitgevoerd kunnen worden: afwachten, slopen, herstructureren, renoveren en restaureren of herbestemming en transformatie. Elke oplossing heeft voor-, maar ook nadelen. Dit zal per gebouw en omgeving verschillen. Het voormalig Eneco kantoor staat al enkele jaren leeg en zal niet meer verhuurd worden als kantoorfunctie. De omgeving is echter erg geschikt voor andere functies. Ook het gebouw zal hier goed voor te gebruiken zijn en daarom is er voor gekozen het gebouw niet te slopen, maar te transformeren. Betrokken partijen Bij een leegstaand gebouw zijn meestal veel partijen betrokken, zeker in een transformatie proces is het belangrijk dat alle partijen goed kunnen samenwerken. In dit onderzoeksrapport zijn de verschillende partijen benoemd en is aangegeven vanaf wanneer zij in het proces betrokken zullen zijn. De overheid is de laatste jaren druk bezig geweest met het vereenvoudigen van transformatieprocessen. Omdat de pandeigenaar vaak niet veel ervaring heeft met leegstand van zijn kantoorgebouw kan hij gebruik maken van een kennisorganisatie op het gebied van transformatieprocessen. Bij een transformatie komen een architect, een aannemer en eventueel een financier hem bijstaan. Een partij welke vaak wordt vergeten, maar heel belangrijk is in dit proces, is de buurtbewoner. Deze partij heeft kennis van de vraag uit de omgeving. Daarnaast zal deze partij met de nieuwe invulling van het gebouw moeten kunnen leven. De transformatie zal goed geslaagd zijn als deze financieel haalbaar is, maar ook in zijn omgeving past en gebruikt zal worden door onder andere de buurtbewoners. Mogelijke functies Bij een transformatie van een kantoorgebouw kan het gebouw naar veel verschillende nieuwe functies getransformeerd worden. In dit onderzoeksrapport zullen enkele veel voorkomende functies besproken worden. Voorbeelden hiervan zijn woningen, een zorginstelling, urban farming, kantoorruimte of onderwijs. Een voormalig kantoorgebouw kan vaak ook tot meerdere functies samen getransformeerd worden. In tijden van (economische) krimp kunnen groeiende functies het overschot aan ruimte opvullen. Casus Eneco kantoor Om de hoofdvraag in dit onderzoek te kunnen beantwoorden is het voormalig Eneco kantoor in Zuidwijk als casus gekozen. Locatie Zuidwijk Samen met Pendrecht en Lombardijen is Zuidwijk vlak na de tweede wereldoorlog ontwikkeld. De wijken zijn bedoeld als rustige woonplek voor de arbeiders, afgesloten van de drukke werkstad door middel van het Zuiderpark. Zuidwijk is ontworpen naar het oorspronkelijke concept van een tuinstad, gebaseerd op de ideale stad. In de wijk is veel groen te vinden en alle voorzieningen liggen langs de centrale wijkas, de Slinge, die doorloopt in Pendrecht. Tegenwoordig ligt tussen Zuidwijk en Pendrecht metrostation Slinge, welke de bereikbaarheid van de wijken vanuit de stad heeft bevorderd. De woningen in de tuinsteden zijn inmiddels verouderd en voldoen niet meer aan de huidige normen. Zowel in Pendrecht als in Zuidwijk zijn de woningcorporaties om deze reden de huizen aan het renoveren. De woningen in Zuidwijk vallen onder het beheer van Vestia. Door de financiële problemen waar Vestia sinds 2012 onder leidt, ligt in Zuidwijk de renovatie van de woningen al enkele jaren stil. Dit bevorderd het imago van de wijk niet. Gebouw Zuiderparkweg 300 Het voormalige Eneco kantoor is gelegen tegenover het metrostation Slinge, op de grens van Zuidwijk. Het gebouw is in 1968 in opdracht van de confectiefabrikant Hertzberger ontworpen door architecten bureau Kraaijvanger. Deze schone industrie zorgde voor werkgelegenheid in de wijk en bevatte ook een sociale werkplaats. In 1992 is het pand getransformeerd tot kantoorgebouw voor GJB, later Eneco. Het gebouw kreeg een nieuwe gevel en een extra verdieping. Tegenwoordig staat het gebouw al weer enige tijd leeg en is het toe aan een nieuwe transformatie. Het lijkt er in ieder geval op dat een bedrijf met kantoorfunctie niet meer geïnteresseerd is in dit gebouw op deze locatie. Gebiedsonderzoek Wijkanalyse Aan de hand van kaarten is een objectieve wijkanalyse gemaakt. Op deze kaarten zijn de verschillende voorzieningen aangegeven en is duidelijk gemaakt wat op dit moment aanwezig is in Zuidwijk. Zuidwijk kent vanuit het ontwerp veel ruimte, groen en water, wat nog steeds aanwezig is. Dit wordt in het beleid van de gemeente bewaakt. De wijk is goed bereikbaar, met de auto vanaf de Zuiderparkweg of met het openbaar vervoer. Het voormalig Eneco kantoor is tegenover metrostation Slinge gesitueerd. Zuidwijk en Pendrecht worden met elkaar verbonden door de Slinge. Langs deze weg zijn veel winkels gesitueerd. Ook de Larenkamp, het cultureel centrum van Zuidwijk ligt aan de Slinge. In Pendrecht en Zuidwijk zijn veel scholen gesitueerd, zowel basis- als middelbaar onderwijs. Ten slotte is er onderzoek gedaan naar het gebouw zelf met zijn knelpunten en potenties. Interviews betrokken partijen en buurtbewoners Partijen welke bij het gebouw, zijn omgeving, Zuidwijk of Pendrecht betrokken zijn, zijn geïnterviewd. Een belangrijke partij hierbij waren bijvoorbeeld ook de bewoners van Zuidwijk. Aan elke partij is gevraagd hoe Zuidwijk in het algemeen ervaren wordt, wat er positief en negatief aan de buurt is. Vervolgens werd ingezoomd op het probleem van het leegstaande kantoorgebouw. Ten slotte is gevraagd wat gedaan zou moeten worden aan dit probleem en wat er in het gebouw zou kunnen komen. Scenario vergelijking en keuze De onderzoeken zijn samengevat in drie verschillende, mogelijke scenario’s voor het voormalig Eneco kantoor. \u95 Een short stay facility \u95 Starterswoningen \u95 Leer- werkbedrijf voor verschillende ambachten Deze verschillende scenario’s zijn vergeleken op basis van de financiële haalbaarheid en de gecreëerde maatschappelijke waarde. Ten slotte zijn de scenario’s als conclusie teruggekoppeld naar de buurtbewoners. Er is gediscussieerd over de functies en de ontwerpen. Zo kon gecontroleerd worden of het onderzoek goed geïnterpreteerd is en de mogelijke scenario’s konden worden aangescherpt. Er is uiteindelijk gekozen de starterswoningen en het leer- werkbedrijf te combineren. Dit heeft geresulteerd in een programma van eisen voor het transformatieontwerp van het voormalige Eneco kantoor in Zuidwijk. Programma van eisen Autokievit, een autogarage welke op het moment aan het leegstaande kantoorgebouw vastzit, zal losgekoppeld worden. Dit betekent dat de garage gesloopt zal worden en er een nieuw gebouw aan de Slinge voor de garage gebouwd zal worden. De Entree van Autokievit zal aan de Slinge worden gesitueerd, zodat de bewoners en gebruikers van het getransformeerde gebouw geen hinder zullen ondervinden van deze garage. Het kantoorgebouw zal op de verdiepingen getransformeerd worden naar starterswoningen. Hierbij zal onderscheid gemaakt worden tussen woningen voor de starter die vanuit zijn ouderlijk huis op zichzelf gaat wonen en woningen voor de starter met een partner en kind. De starter in Zuidwijk is erg jong, tussen de 18 en 24 jaar oud en heeft weinig te besteden. Belangrijk is dat de huur niet hoger dan \u80 700 per maand zal zijn, zodat de bewoners huurtoeslag voor hun woning kunnen krijgen. De woningen zullen dus betaalbaar moeten zijn en daarom zal gelet worden op de kosten van de ingrepen en materialisatie van de transformatie. Het gebouw heeft nu een industrieel- zakelijke uitstraling, welke behouden wordt aangezien deze (emotionele) waarde heeft voor de buurt. De gevel heeft nu een neutrale kantooruitstraling. Deze geveluitstraling past niet bij de nieuwe functie van het gebouw en zal daarom wel veranderd worden. De bewoners van het pand willen zich namelijk kunnen identificeren met hun woning en zich hier thuis voelen. De bewoners willen vanaf buiten kunnen zien waar hun woning in het gebouw is gesitueerd. Ook de gevel zal daarom differentiatie kennen. Het gebouw heeft op het moment een energielabel F. Om aan de energie-eisen te voldoen zal het gebouw verbeterd worden voor minimaal een energielabel B. De woningcorporaties, welke opdrachtgever zullen zijn voor de woningen, zijn hiertoe verplicht bij renovatieprojecten. Dit kan gedaan worden door onder andere de gevel beter te isoleren. Ook kan apparatuur gebruikt worden om duurzame energie op te wekken. Dit zal ook de maandelijkse kosten voor de bewoners naar beneden brengen. Op de begane grond zullen voorzieningen geplaatst worden die gerelateerd zijn aan de starter. Op het moment zit op de hoek van het gebouw ‘de Slinger’. Dit is een bedrijfsverzamelgebouw, waar door middel van cursussen en het begeleiden naar een gezonde levensstijl mensen de arbeidsmarkt op gebracht worden. De Slinger verwijst zijn klanten door naar een fitnesscentrum, een gezond restaurant en ruimte voor startende ondernemers. Deze functies zullen allemaal op de begane grond van het gebouw gevestigd worden. Zo zal het gebouw een geheel blijven, met meerdere functies. Het gebouw zal weer energie genereren, in en rond het gebouw. De nieuwe functies in het voormalige kantoorgebouw zijn niet alleen rendabel, maar passen ook goed in het gebouw. Ten slotte zijn ook de buurtbewoners blij met de nieuwe functies in hun omgeving.VeldacademieArchitectureArchitecture and The Built Environmen

    Borelsommeerbaarheid en een toepassing op een oneindig lineair systeem

    No full text
    Stel dat we eindig veel mieren in het complexe vlak plaatsen, waarbij we de mieren nummeren. Elke mier loopt in de richting van de volgende en de laatste mier beweegt zich in de richting van de eerste. Wanneer de snelheid waarmee de mieren zich verplaatsen evenredig is met de afstand tot hun voorganger, zullen de mieren naar het gemiddelde van de startposities convergeren. Wanneer we in plaats van een eindig aantal, oneindig veel mieren toelaten, ontstaat er een oneindig lineair systeem. Wanneer de startposities van de mieren een begrensde rij vormen, is convergentie van de mieren naar één punt equivalent met Borelsommeerbaarheid van de begrensde rij die als beginvoorwaarde fungeert. In het geval dat de beginvoorwaarde een convergente rij is, zullen de mieren uniform naar dezelfde limiet convergeren. In het algemeen, dus ook in het geval dat de mieren onder een begrensde beginvoorwaarde niet convergeren, zal de snelheid van de mieren uniform naar nul convergeren. De sommatiemethode van Borel is regulier en er bestaan reeksen die niet Cesàrosommeerbaar zijn maar wel Borelsommeerbaar. Slechts onder een voorwaarde op de convergentiesnelheid van de Cesàrogemiddelden zal Cesàrosommeerbaarheid Borelsommeerbaarheid impliceren. Wanneer een reeks Borelsommeerbaar is en voor de termen van de reeks geldt a_n = o(n^-½), dan is de reeks convergent.Applied mathematicsElectrical Engineering, Mathematics and Computer Scienc
    corecore