1,323 research outputs found

    [Mein lieber Freund].

    No full text
    Handwritten and signed letter from author Max Roden regarding a review of one of his books.Author, 1881-1968.The original German-language inventory is available in the folderProcessed for digitizatio

    Archeologisch onderzoek plangebied Wilhelminastraat te Roden, gemeente Noordenveld; archeologische begeleiding

    No full text
    In opdracht van de gemeente Noordenveld heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch inventariserend veldonderzoek (proefsleuven – variant archeologische begeleiding) uitgevoerd bij graafwerkzaamheden in de Wilhelminastraat en deel van de Albertsbaan te Roden in de gemeente Noordenveld. De aanleiding voor dit onderzoek is de geplande herinrichting van het centrum, waarbij onder meer de riolering (deels) vervangen wordt met een ondergrondse waterberging en boomplantgaten worden uitgegraven. Tijdens de uitvoering van de archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden voor de aanleg van boomplantgaten en een riolering/ondergrondse waterberging zijn geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen. De resultaten uit de onderzochte werkputten hebben geen informatie opgeleverd voor de bewoningsgeschiedenis van Roden, anders dan dat het onderzoeksgebied deel heeft uitgemaakt van de landbouwgronden rond de historische kern van Roden, voordat het werd bebouwd in tweede helft van de 19e en 20e eeuw. Verder was er een oudere riolering (eerste helft 20e eeuw) aanwezig

    A biphasic role for the voltage-gated sodium channel scn5Lab in cardiac development of zebrafish

    No full text
    A BIPHASIC ROLE FOR THE VOLTAGE-GATED SODIUM CHANNEL SCN5LAB IN CARDIAC DEVELOPMENT OF ZEBRAFISH JEFFREY S. BENNETT Dissertation under direction of Professor Dan M. Roden, M.D. Voltage-gated sodium channels (VGSCs) play an important role in generation and propagation of action potentials in nervous and cardiac tissues. Less is known of a possible role for them in development of the heart. Homozygous deletion of the voltage-gated sodium channel Scn5a results in embryonic lethality and developmental defects in the mouse heart. Morpholino knockdown of the two cardiac VGSC isoforms in zebrafish, scn5Laa and scn5Lab, results in small dysmorphic ventricles and death by four days post-fertilization. Here, I examine a role for scn5Lab in multiple phases of cardiac development. I find that loss of scn5Lab results in impaired specification of pre-cardiac mesoderm, with specific loss of the cardiac transcription nkx2.5. Differentiation of myocardium from the second heart field is determined to be intact, genetically and morphologically. Further I find that proliferation of differentiated cardiomyocytes is absent in morpholino-injected embryos, an effect that appears to be independent of impaired cardiac function. Electrophysiologic studies suggest voltage-gated sodium channels are present, but not required for action potentials at this time. I conclude that scn5Lab has a biphasic role in cardiac development of zebrafish, likely independent of its role in sodium ion permeatio

    The role of research in mentoring

    No full text
    Additional chapter by author from the same book deposited at: https://eresearch.qmu.ac.uk/handle/20.500.12289/10906In this chapter, the focus is on how mentors can make the best use of research in their work with beginning teachers. At the end of the chapter, the people should be able to: Explain why mentors should engage with research, Identify how mentors can engage with and make the best use of research and Select the kinds of research mentors and beginning teachers should engage with about the mentoring relationship as well as teaching and learning. There are convincing arguments for why mentors should engage with research. The mentor–mentee relationship can be better understood by engaging in research linked to theoretical frameworks derived from the literature. Earl and Timperley’s notion of evidence-informed learning conversations could provide a foundation for mentor–mentee relationships and discussions about teaching and learning. There is a considerable range of educational related research to choose from, and it is difficult to know which research is credible and reliable.https://www.routledge.com/Mentoring-Teachers-in-the-Primary-School-A-Practical-Guide/Howells-Lawrence-Roden/p/book/9781138389076pubpu

    Ekologie en landinrichting in Roden-Norg

    No full text
    De scriptie 'Landinrichting en ecologie in Roden-Norg' is geschreven door twee leden van de projectgroep 'Herinrichting Roden-Norg'. In de scriptie is getracht een antwoord te vinden op de vraag 'Hoe kan een ecoloog invloed hebben op de besluitvorming rond de herinrichting Roden-Norg?' Allereerst is beschreven welke factoren van belang zijn wanneer een ecoloog advies geeft over landinrichting in hat algemeen. We stellen dat het advies beïvloed wordt door de natuurvisie (dit is de visie op de wenselijke inrichting van het landschap), de werksituatie en de opleiding van de ecoloog, en door de politieke context. Hoewel een ecoloog niet per definitie een natuurbeschermer is, zal zij/hij wel een bepaalde natuurvisie hebben, omdat zij/hij werk doet in de natuur. We onderscheiden een aantal mogelijke natuurvisies (o.a. die van de traditionele en die van de nieuwe natuurbescherming), en koppelen deze visies aan mogelijkheden die aanhangers van een bepaalde visie zien voor de ecologie. Naar van de Zande hebben we onder de ecologen 'optimisten', 'pragmatisch pessimisten' en 'principieël pessimisten' onderscheiden. Terwiji de eerste groep de huidige ecologie geschikt vindt om te gebruiken in besluitvormingsprocedures, is de laatste hier principieel op tegen. De werksituatie kan bepalend zijn voor de houding die men heeft ten aanzien van de ecologie, en daarmee voor de manier waarop de ecologie wordt toegepast in het beleid. Het is duidelijk dat ook de politieke context een rol speelt bij bet geven van een advies. Politieke belangen spelen altijd op de achtergrond mee, en maken het geven van sen objectief advies vaak onmogelijk. Sommige ecologen zijn daarom van mening dat je als ecoloog ook andere belangen dan alleen de ecologische moet verdedigen. In hoofdstuk 2 komt aan de orde hoe het advies van een ecoloog kan doorwerken in een besluit. Hierbij maken we onderscheid tussen formele en informele wegen. De wettelijke regelingen waarmee je bij formele wegen te maken krijgt zijn: - ruilverkavelingswet 1954, binnenkort te vervangen door de nieuwe landinrichtingswet - relatienota 1975 Met de nieuwe landinrichtingswet, de relatienota en enkele andere nota's wordt geprobeerd een einde te maken aan de wrijving tussen landbouw en natuurbescherming. De doelstellingen zijn verschoven van 'primair op landbouw gericht', naar 'gericht op landbouw, natuur en recreatie'. Desondanks zijn zowel boeren als natuurbeschermers nog steeds niet tevreden over de wettelijke regelingen rond landinrichting. Binnen de genoemde wettelijke regelingen zijn er verschillende plaatsen waar gebruik gemaakt wordt van ecologische adviezen. In de eerste plaats zijn dat de rapporten van de Natuurwetenschappelijke Commissie(NWC) van de Natuurbeschermingsraad en Staatsbosbeheer(SBB), waarmee rekening gehouden moet worden bij de voorbereiding en uitvoering van de landinrichting. In de tweede plaats zijn dat de verplichte evaluatiemethodes, HELP (Herziening Evaluatie Landinrichtingsplannen) of MER (Milieu Effect Rapportage), Naast deze vaste plaatsen kunnen ecologen en/of natuurbeschermers via verschillende commissies of organisaties een rol spelen in landinrichtingszaken. Er is nauwelijks een garantie dat een ecologisch advies terug te vinden is in genomen besluiten. Ecologische adviezen kunnen ook via minder gebruikelijke wegen onder de aandacht komen, bijvoorbeeld in samenwerkingsgroepen tussen boeren en ecologen en/of natuurbeschermers. Uit de gelezen voorbeelden wordt duidelijk dat het niet zo is dat je altijd beter via informele wegen kunt werken, maar dat het zeker het proberen waard is als je voorstander bent van een principiële samenwerking met boeren. In hoofdstuk 3 is de situatie rond de landinrichting in Roden-Norg beschreven. Het gebied is in het rijksbeleid aangewezen als Grote Landschappelijke Eenheid(GLE), wat betekent dat er zowel ruimte is voor landinrichting ten behoeve van de landbouw, als aandacht voor het in stand houden van ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. De provincie heeft hierom besloten dat in het gebied niet een ouderwetse ruilverkaveling, maar een herinrichting plaats moest vinden, waarin ruimte is voor genoemde belangen. Hiertoe moest het Streekplan van Noord-Drenthe herzien worden. Op het voorontwerp van het streekplan is van het Landbouwschap fel commentaar gekomen. Toch zijn de meeste boeren in het gebied niet voor een uitgebreide ruilverkaveling. Kavelruil alleen zou al sen groot deel van de problemen laten verdwijnen. Het ziet er niet naar uit dat de boeren zich actief gaan bemoeien met hat herinrichtingsbeleid. De ecologen die betrokken zijn geweest bij de herinrichting hebben zich voornamelijk beziggehouden met inventarisatie en waardering van het gebied. Door de traditionele natuurbescherming zijn deze gegevens gebruikt om te verwerken in adviezen, zoals het NUC-advies, hat rapport van de Centrale Cultuurtechnische Commissie (CCC), en rapporten van de Milieuraad Drenthe en Natuurmonumenten, Het ziet ernaar uit dat met de uitvoering van de herinrichting rond 1990 kan worden begonnen. Ecologen kunnen een functie vervullen in de herinrichting door integrerend hydrologisch onderzoek te doen ten behoeve van een nader advies van de NWC, en verder in de evaluatiemethodes (HELP, MER) en door middel van inspraak in de procedures. Het laatste hoofdstuk van de scriptie gaat over de visie van de projectgroep over ecologische adviezen in besluitvorming, in het bijzonder in Roden-Norg. Wat natuurvisie betreft zijn we het voor een groot deel eens met de nieuwe natuurbescherming: natuur is mooi, maar het is in de eerste plaats van belang dat het landgebruik milieuvriendelijker wordt. Net als de pragmatisch pessimisten denken wij dat de ecologie toegepast kan worden in besluitvorming rond landinrichting, maar ze is geen objectieve wetenschap die kan bepalen hoe het land moet worden ingericht. Uit het bovenstaande volgt dat we principieel het liefst onderzoek willen doen waarmee verweving van landbouw en natuur gesteund kan worden. In de praktijk is dit moeilijk omdat we al een eind op weg zijn met ons hydrologisch onderzoek, en er binnen de afdeling Plantenoecologie van de RUG geen begeleiding is voor een verwevingsonderzoek. Wij willen echter niet dat onze gegevens ook in een herinrichting leiden tot een scheiding van landbouw en natuur. Daarom zullen we deze moeten presenteren zonder een waardering te geven die hiertoe kan leiden.

    Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Esweg, Roden

    No full text
    In mei 2023 heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen (verkennende fase) uitgevoerd voor een perceel dat bekend is onder (kadastrale) gemeente Roden, sectie P, blad 01 perceel 591, aan de Esweg in Roden, gemeente Noordenveld. Bureauonderzoek De aanleiding voor het uitvoeren van dit onderzoek is de geplande herinrichting van een perceel langs de Esweg, ter hoogte van de Hullenweg, te Roden, gemeente Noordenveld. Het plangebied is circa 3,5 ha groot. Bij de herinrichting kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient in het kader van een ruimtelijke procedure (omgevingsvergunning of bestemmingswijziging). Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Noordenveld. Het plangebied bevindt zich in een landschap waarin de effecten van de laatste ijstijden nog goed zichtbaar zijn. Het plangebied zelf ligt op een grondmorenerug, vlak naast een beekdal waarin vandaag de dag nog steeds een beekje stroomt. Op basis van de AHN en de geomorfologische kaart zijn geen aanwijzingen voor recente bodemophogingen binnen het plangebied. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in recente tijd (vanaf minimaal 1850) niet bebouwd is geweest. Het plangebied is sinds die tijd in gebruik als wei- of hooiland. Binnen 600 m van het plangebied liggen twee AMK-terreinen. Het betreffen twee grafheuvels uit het neolithicum en de bronstijd. Onderzoek in de buurt van het plangebied heeft ook aanwijzingen opgeleverd voor vindplaatsen uit het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd. Verwacht wordt daarom dat zich resten uit het neolithicum, de bronstijd en de ijzertijd in het plangebied kunnen bevinden. Archeologische resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd worden niet verwacht. Resultaten verkennend booronderzoek De bodem in het plangebied bestaat aan de basis uit potklei dat begint op een absolute diepte van 3,25-3,4 m +NAP, en enkel werd aangetroffen in boringen die dieper dan 1,2 m -mv zijn doorgezet (boringen 01 en 20). Op de potklei ligt keileem, een heterogeen pakket dat aan de top is verweerd en wordt afgedekt door keizand en/of fluvioperiglaciaal zand. Dit zand is lithologisch goed te scheiden van het matig tot zwak siltige, uiterst fijne dekzand dat in het grootste deel van het plangebied de top van het bodemprofiel beslaat. Het dekzanddek is het dikst ter plaatse van een depressie in de keileem (boringen 07 en 11). De depressie is gevuld met matig siltig, ‘lemig’ gelaagd dekzand met daarbovenop een gering duintje. In het dekzand, noch in de overige zandige afzettingen, is relevante bodemvorming aangetroffen (podzol of andere bodem). Overal ligt direct onder de bouwvoor een C-horizont. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen noch zijn er bodemkundige of landschappelijke aanwijzingen gevonden die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een intacte archeologische vindplaats. Naar aanleiding van de resultaten van de veldtoets (hoofdstuk 3) kan de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek (hoofdstuk 2) worden bijgesteld naar een lage verwachting. In het plangebied zijn geen relevante bodems aangetroffen die de eventuele aanwezigheid van intacte archeologische vindplaatsen ondersteunen. Geadviseerd wordt daarom om het plangebied voor het omgevingsaspect archeologie zonder nadere voorwaarden vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ingreep. Dit is een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Noordenveld

    Deciphering molecular and tissue mechanisms of Catecholaminergic Polymorphic Ventricular Tachycardia (CPVT)

    No full text
    Catecholaminergic polymorphic ventricular tachycardia (CPVT) is a lethal, stressed-induced cardiac channelopathy. CPVT is characterized by ventricular arrhythmias that are triggered by catecholamines released during exercise or stress in individuals with structurally normal hearts. Cardiac calsequestrin (Casq2)-associated CPVT, termed CPVT2 is the most severe and the second most common form of CPVT. Autosomal-recessive CPVT2 is a result of a decrease in Casq2 protein levels, altering the ability of the sarcoplasmic reticulum (SR) to buffer calcium. In 2016, the first autosomal-dominant mutation, K180R, was found in CASQ2. We have found that K180R causes CPVT by decreasing the dynamic buffering capabilities of the SR without affecting Casq2 protein levels. The decreased buffering causes a decrease in calcium release refractoriness, an increase in spontaneous calcium release events, and ultimately the development of CPVT. Even with a better understanding of the molecular mechanisms of CPVT, the anatomical origin remains unclear. Given that the arrhythmia results in the formation of ventricular tachycardia, it has been suggested that CPVT originates in the ventricular cardiomyocytes of the working myocardium or in the Purkinje cells. Currently, experimental and modeling studies suggest that the ventricular cardiomyocytes and Purkinje cells both have the potential to be responsible for arrhythmia generation, but no conclusion has been reached. Using transgenic mice with tissue specific Casq2 expression, we have found that CPVT originates in ventricular cardiomyocytes, specifically, the subendocardial cardiomyocytes juxtaposed to Purkinje cells. Having a better understanding of the molecular and tissue mechanisms of CPVT will help develop better treatments. Currently several therapeutic options exist, but many patients still experience symptoms. New models and methods are needed to uncover treatments for CPVT. One area that has shown promise is human induced pluripotent stem cells (hiPSC). Using CRISPR/Cas9, we generated a hiPSC line where Casq2 has been ablated and have found that cardiomyocytes generated from the hiPSCs have CPVT characteristics. The hiPSC line can advance our understanding of CPVT and serve as a tool for future drug screens

    Addressing Challenges to Genomic Medicine: Effects of Rare and Common Variation on Arrhythmia and Pharmacogenetic Phenotypes

    No full text
    The promise of genomic medicine has yet to be fully realized. In the realm of rare disease, one of the challenges faced by genomic medicine is that of variant interpretation. A majority of variants in clinically actionable genes either lack the data needed to ascertain their pathogenicity or have conflicting clinical interpretations, and thus are called variants of uncertain significance (VUS). Furthermore, variant discovery far outpaces functional assessment, one of the strongest criteria for variant classification. Another challenge faced by genomic medicine is in the realm of common disease: precise and reliable genome markers to predict phenotypes are lacking. In fact, even the utility of such predictors is unknown for some phenotypes. To assist with variant classification, we probed the function of variants in two cardiac ion-channel genes associated with cardiac arrhythmia disorders, SCN5A and KCNE1, using medium- and high-throughput approaches, respectively. We studied 179 SCN5A in-frame insertions/deletions and missense variants, including 94 VUS, by automated patch clamp. Functional data obtained from our studies assisted in the classification of 51/94 VUS to likely pathogenic or likely benign. We also used deep mutational scanning to assess cell surface expression of 1,886 KCNE1 variants, identifying 277 loss-of-trafficking and 183 gain-of-trafficking variants. Our data set the stage to classify hundreds of KCNE1 VUS and understand the structure/function relationship in the protein. To assess the benefit of using polygenic predictors to predict inter-individual variability in drug response, we calculated the heritability of 7 pharmacodynamic and 5 pharmacokinetic phenotypes across 8 different drugs using a Bayesian Hierarchical Mixed Model. We found 8/12 phenotypes to have a heritability >25%, indicating the feasibility for a polygenic predictor. Small-effect size variants had the largest contribution to phenotype heritability, indicating that current clinical approaches focusing on one, or a few, large effect alleles do not capitalize on the full potential of the genome to reduce adverse drug reactions and increase drug efficacy. Our work highlights the role of the genome in the delivery of safe, effective and efficient healthcare for both rare and common diseases
    corecore