838 research outputs found
ZAN 324
Tussen augustus en oktober 2013 heeft VUhbs archeologie een definitieve opgraving uitgevoerd langs de Spelverstraat, gelegen binnen de gemeente Bilzen in Belgisch Limburg. Bij het onderzoek zijn negentien gebouwen, zeventien spiekers, twee crematiegraven en vele kuilen ontdekt en onderzocht. Op basis van deze sporen en een groot aantal vondsten kan worden gereconstrueerd hoe het terrein gedurende meerdere perioden in de IJzertijd is bewoond en gebruikt. Deze ijzertijdnederzetting was gesitueerd aan de randen van een lössplateau, op de hellingen van het dal van de Wilderbeek en een daarop aansluitend droogdal.
Binnen de opgegraven nederzetting kunnen tenminste vijf erven worden onderscheiden die in verschillende periodes tussen de Vroege en Late IJzertijd bewoond zijn geweest. Of deze bewoning ook deels gelijktijdig heeft plaatsgevonden is niet goed te bepalen. De aangetroffen gebouwen vertonen een typologische variatie (zo werden onder meer de types Geleen-Echt, Oss-Ussen 2A, Haps/Oss-Ussen 4, Oss-Ussen 2A en Oss-Ussen 5 herkend). Op basis van de plattegronden kunnen parallellen worden gevonden op de Antwerpse Kempen, het Zuid-Nederlandse zandgebied en het Zuid-Limburgse lössgebied. Een aantal kuilen kan nader worden geïnterpreteerd op basis van vorm of inhoud. Met name een grote klokvormige silo, gelegen op het hoge, onbewoonde deel van het terrein, en een voorraadkuil met verlatingsdepositie zijn hierbij noemenswaardig.
Vuursteenvondsten tonen aan dat het terrein aan de Spelverstraat ook al in een verder verleden in gebruik is geweest. Zo zijn gereedschappen uit het Laat Paleolithicum en het Midden Neolithicum A gevonden. In deze laatstgenoemde periode was er waarschijnlijk sprake van een nederzetting, waarvan helaas geen grondsporen konden worden herkend
Change and continuity in managerialism: 100 years of administrative history at the International Museum of Ceramics in Faenza
This paper offers a long-term perspective on the debate on managerial transformations in the public sector: how public sector organisations actually arrived at such changes, what processes, discourses and practices are transformed and how. This is investigated through archival research and a longitudinal analysis of 100 years of the administrative history of an Italian museum. Taking a historical perspective allows us to account for organisational changes that occurred over time, including major reforms in the governance structure and the dynamics of some core managerial features. Such an approach enables a more in-depth, empirically grounded and historically aware discussion on the so-called rise of managerial issues in the public sector. © The Author(s), 2011
Some new results on reaction-diffusion equations and geometric flows
In this thesis we discuss the asymptotic behavior of the solutions of scaled reaction-diffusion equations in the unbounded domain Rn × (0 + ∞), in the cases when such a behavior is described in terms of moving interfaces.
As first class of asymptotic problems we consider the singular limit of bistable reaction-diffusion equations in the case when the velocity of the traveling wave equation depends on the space variable, i.e. cε = cε(x), and it satisfies, in some suitable sense, cε/ετ → α, as ε → 0+, where α is a discontinuous function and τ is an integer that can be equal to 0 or 1. The second part of the thesis concerns semilinear reaction-diffusion equations with diffusion term of type tr(Aε(x)D2uε), where tr denotes the trace operator, Aε = σεσtε for some matrix map σε : Rn → Rn×(m+n) and Aε converges to a degenerate matrix.
In order to establish such results rigorously, we modify and adapt to our problems the ”geometric approach” introduced by G. Barles and P. E. Souganidis for solving problems in Rn, and then partially revisited by G. Barles and F. Da Lio for reaction-diffusion equations in bounded domains. When it is possible we always consider the question of the well posedness of the Cauchy problems governing the motion of the fronts that describe the asymptotics we considerIn questa tesi discutiamo il comportamento asintotico delle soluzioni di equazioni di reazione-diffusione nel dominio illimitato Rn × (0,+∞) nei casi in cui tale comportamento sia descritto da un’interfaccia in movimento. Come primo tipo di problemi asintotici consideriamo il limite singolare di equazioni di reazione-diffusione bistabili nel caso in cui la velocità dell’onda viaggiante dipenda dalla variabile di stato, cioè cε = cε(x), e sia soddisfatto, al tendere di ε a zero e in qualche modo opportuno, cε/ετ → α, laddove α è una funzione discontinua e τ è un intero che può essere uguale a 0 o a 1.
La seconda parte della tesi riguarda equazioni di reazione-diffusione semilineari e aventi termini di diffusione del tipo tr(Aε(x)D2uε), laddove tr denota l’operatore traccia, Aε = σεσtε per qualche funzione σε : Rn → Rn×(m+n) e Aε converge ad una matrice degenere.
Al fine di provare tali risultati in modo rigoroso, abbiamo modificato e adattato "l’approccio geometrico" introdotto da G. Barles e P. E. Souganidis per risolvere problemi in Rn e in seguito parzialmente rivisto dallo stesso G. Barles assieme a F. Da Lio per equazioni di reazione-diffusione in domini limitati. Laddove possibile abbiamo sempre considerato la questione della buona posizione dei problemi di Cauchy che governano il moto dei fronti che descrivono le asintotiche da
noi considerat
ZAN 79
Conclusie
In september 2006 heeft ACVU-HBS een Zand-attentiekaart vervaardigd voor het plangebied Meteren - De Plantage, in opdracht van de gemeente Geldermalsen. Aanleiding hiertoe is de geplande ontwikkeling van de woningbouwlocatie 'Meteren De Plantage' in dezelfde gemeente. De gegevens van een eerder door ACVU-HBS uitgevoerd archeologisch Inventariserend Veldonderzoek in hetzelfde kader, leenden zich voor een analyse ervan om inzicht te krijgen in de mogelijkheden voor de exploitatie van zand binnen het plangebied.
Gebleken is dat zich in een groot deel van het plangebied zand bevindt in de ondergrond, met een gemiddelde laagdikte van 0 tot 1,0 m. Op slecht enkele plaatsen is sprake van meer dan 1,0 m zand. De variabiliteit van de drie gekarteerde variabelen, de dikte van de zandlaag, de diepte ervan en en de textuur, is hoog. Het gehanteerde boorgrid van 40 x 50 m geeft zicht op variatie over een minimale afstand van 20 m, maar op basis van de geomorfogenese van het plangebied moet rekening worden gehouden met een werkelijke variatie over een afstand van enkele meters (< 10 m)
ZAN 1
Conclusies en Aanbevelingen
Het is zeer waarschijnlijk dat het plangebied Kerkebogten archeologische resten bevat. Hierbij moet met name gedacht worden aan sporen van nederzettingen en mogelijk grafvelden uit de late prehistorie tot en met de Volle Middeleeuwen (ca. 800 voor Chr. - 1300 na Chr.).Verwacht kan worden dat de resten goed geconserveerd zijn. Aan de randen van het plangebied, zoals bijvoorbeeld bij de Koppenhoek aan de Schadewijkse straat, kunnen delen van nederzettingen door woonwijken overbouwd zijn. Op basis van het bureauonderzoek is geen duidehjkheid verkregen over de mate van verstoring van het lagere gebied ten noorden en oosten van de Hoogstraat door onder meer zandwinning.
De onderzoeksresultaten laten vooralsnog geen uitspraken toe met betrekking tot parameters als zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Zeker voor de Romeinse tijd en de Middeleeuwen kan de waarde voor de laatste twee parameters aanzienhjk zijn.
De graafwerkzaamheden die gepaard gaan met een realisatie van het bestemmingsplan hebben zonder twijfel een verstorende werking op het archeologisch bodemarchief ter plaatse. Om vertraging in de planvoorbereiding te voorkomen, dient de archeologie van het gebied in een zo vroeg mogelijk stadium te worden meegewogen. Indien behoud van de archeologische waarden in situ niet gegarandeerd kan worden, wordt geadviseerd eerst een nader onderzoek in te stellen naar de aard, omvang en locatie van de archeologische resten. Dit kan het beste gerealiseerd worden door middel van een uitgebalanceerde combinatie van grondboringen en proefsleuven. De grondboringen richten zich met name op de vragen of er terreindelen vanwege verstoring van de bodem kunnen worden uitgesloten van vervolgonderzoek en welke zones extra aandacht verdienen bij een vervolgonderzoek. De proefsleuven geven inzicht in de aard, locatie, omvang en kwaliteit van de archeologische resten. Een praktische voorwaarde echter is dat voor dit onderzoek alle percelen vrij toegankelijk zijn. Een inventariserend booronderzoek kan in de praktijk meestal in een vroeger stadium worden uitgevoerd dan een proefsleuvenonderzoek.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan op verantwoorde wijze worden afgewogen óf en in hoeverre de bouwplannen met het oog op behoud ter plaatse kunnen worden aangepast. Blijkt na afweging van belangen behoud in situ niet mogelijk, dan kan het opgraven van relevante archeologische zones gezien worden als een 'laatste redmiddel'
ZAN 64
De gemeente Geldermalsen ontwikkelt momenteel een 81 ha groot gebied bij het dorp Meteren, genaamd ‘De Plantage’ ten behoeve van woningbouw. In opdracht van de gemeente heeft ACVU-HBS hier een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) uitgevoerd.
Doel hiervan was het toetsen van een eerder opgesteld archeologisch verwachtingsmodel door het opsporen van archeologische vindplaatsen. Bovendien dienden gegevens verzameld te worden omtrent de aard, omvang, datering en kwaliteit, om de vindplaatsen te waarderen en het Bevoegd Gezag (eveneens de gemeente Geldermalsen) uiteindelijk te kunnen adviseren over de selectie. De gehanteerde methoden omvatten een veldkartering, een booronderzoek en een geofysisch onderzoek.
Het resultaat is dat 10 vindplaatsen ontdekt zijn. Twee hiervan, beide kastelen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (13de - 19de eeuw), blijken behoudenswaardig te zijn. Met name Huis Meteren heeft een boeiende bouwgeschiedenis en is bovengronds goed zichtbaar. Aanbevolen wordt om zowel Huis Meteren als Blanckenstijn, het andere kasteel, fysiek te behouden.
Onder de andere 8 vindplaatsen zijn onder meer een bewoningsterrein uit de Volle Middeleeuwen (11de - 12de eeuw) direct naast en deels onder Huis Meteren, en diverse huisplaatsen uit de Late Middeleeuwen. Van deze acht zijn echter nog onvoldoende gegevens beschikbaar voor een waardering en selectie-advies. Aanbevolen wordt om ze nader te onderzoeken door middel van proefsleuven.
In het onderzoek is vastgesteld dat met name in de zones met een lage en middelhoge verwachting weinig vindplaatsen aanwezig zijn, zodat grote delen van het plangebied qua archeologie reeds vrijgegeven kunnen worden voor de ontwikkeling. De uitkomst van 10 vindplaatsen is het resultaat van een zorgvuldige selectie, waarbij de interpretatie van geïsoleerde indicatoren als vindplaats verworpen is. Voortzetting van het IVO naar een proefsleuvenfase zal leiden tot een nadere selectie, waarna alleen de meest waardevolle vindplaatsen zullen worden aanbevolen voor een behoud in situ (fysieke bescherming) dan wel ex situ (opgraven). Geadviseerd wordt om met betrekking tot het huidige onderzoek overleg te plegen met de ROB en de provincie
ZAN 22
Conclusies en Aanbevelingen
Tijdens het onderzoek op de Vlasakkers zijn in totaal ca. 53 ha onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Tevens is de mate van intactheid van het bodemprofiel onderzocht. Binnen het plangebied als geheel moet onderscheid gemaakt worden tussen de terreinen die zich op de oude akkercomplexen bevinden (1 a en Ib) en de terreinen die op de voormalige heide liggen (2, 3, 4 en 5).
Tijdens het bureauonderzoek bleek dat de trefkans op archeologische vindplaatsen op de voormalige heide geringer is dan op de oude akkerscomplexen. Het gebied bestond uit natte heide met plaatselijk moerassen en is pas in de 20er jaren van de vorige eeuw ontgonnen. In de boorprofielen was te zien dat de oorspronkelijke bodemopbouw tijdens de ontginning tot op een diepte van 0.3-0.45 m verstoord is. Slechts op enkele plaatsen is nog een restant van de oude heidebodem aanwezig. Meestal zijn de restanten van de oorspronkelijke bodem bewaard gebleven op plaatsen waar zich dichtgeschoven laagten bevinden. Als gevolg van de vulling van de laagte is de oude bodem in dat geval buiten het bereik van de ploeg komen te liggen.
Gezien de matige diepte van de verstoring is niet uit te sluiten dat zich in het gebied nog niet ontdekte archeologische resten bevinden. Erg waarschijnlijk is dit echter niet, aangezien zowel bij de veldkarteringen als bij het booronderzoek geen archeologische indicatoren aan het licht zijn gekomen. Gezien de overeenkomstige ligging gelden deze conclusies mogelijk ook voor gebied 2. In gebied 2 is echter nog geen veldonderzoek uitgevoerd.
In het op de dekzandrug met oude akkers gelegen gebied la is de grond onlangs "bouwrijp" gemaakt. In de boorprofielen was te zien dat de grond er onlangs tot op een diepte van 0.6 tot 0.9 m uitgegraven en omgezet is. Tevens was aan de rand van het perceel herkenbaar dat de ondergrens van het plaggendek er oorspronkelijk op een diepte van 0.3 m onder de huidige oppervlakte lag. Dit betekent dat op dit terrein alleen nog bijzonder diepe archeologische grondsporen - zoals waterputten - bewaard gebleven kunnen zijn. Ook gebied Ib is deels door modern grondverzet verstoord. Hier hangen de verstoringen echter vermoedelijk samen met intensief agrarisch grondgebruik. De omvang van deze verstoringen is nog niet precies bekend. Verder bleek op enkele plaatsen in gebied Ib nog een deel van de onder het plaggendek liggende bodem bewaard gebleven te zijn, wat lokaal op een goede conservering van eventuele archeologische resten kan duiden. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren opgehoord zodat nog niets bekend is over de aard en omvang van eventueel onder de humeuse toplaag verborgen archeologische resten.
Gezien de resultaten van het bureau- en veldonderzoek is het naar onze mening niet nodig om in de gebieden la, 3, 4 en 5 verder archeologisch onderzoek uit te voeren. In gebied Ib zou echter, gezien de hoge verwachtingswaarde en de plaatselijk nog intacte bodemopbouw, een beperkt proefsleuvenonderzoek plaats moeten vinden. Pas na een dergelijk proefsleuvenonderzoek zal het mogelijk zijn om tot een definitief selectieadvies voor dit gebied te komen. Het proefsleuvenonderzoek dient inzicht te geven in de aanwezigheid, aard en omvang van eventuele archeologische resten en dient tevens inzicht te verschaffen in de mate van verstoring van het terrein
ZAN 52
Van 19 september tot 5 oktober 2005 heeft ACVU-HBS in opdracht van ProRail B.V. een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd in de gemeente Houten. De aanleiding vormde de geplande spooruitbreiding in het kader van het project “Verbreding spoorwegtraject Vleuten - Geldermalsen/Randstadspoor (VleuGel/RSS)”. Vooronderzoek door RAAP had immers uitgewezen dat spoorwegverbreding verschillende archeologische vindplaatsen zou aansnijden. Doel van het onderzoek was het bepalen van de aard, omvang, kwaliteit en datering van twee van deze vindplaatsen, namelijk de RAAP-vindplaatsen 17 en 18, gelegen in het tracédeel ACH. Hiertoe zijn in vindplaats 17 twee proefsleuven gegraven en één in vindplaats 18.
Aangetroffen zijn off-site fenomenen uit in ieder geval de Romeinse tijd (twee greppels in vindplaats 18) en waarschijnlijk het Laat Neolithicum/Vroege Bronstijd en de Midden Bronstijd in vindplaats 17-2 en 18 (loopvlakken en losse vondsten). In vindplaats 17-1 is een enkele greppel gevonden uit de Volle of Late Middeleeuwen, en een natuurlijke geul. Deze laatste bevatte enkele vondstlagen met een hoeveelheid nederzettingsafval uit de Late IJzertijd, maar uit de 14C-dateringen bleek dat de lagen pas gevormd zijn in de midden-Romeinse tijd.
Uit de waardering van de verschillende vindplaatsen is geconcludeerd dat geen van de onderzochte vindplaatsdelen, noch in vindplaats 17, noch in vindplaats 18, behoudenswaardig is. Toch blijkt uit het onderzoek dat in het gehele tracé verkavelingsgreppels uit de Romeinse tijd verwacht mogen worden. Deze kunnen een wezenlijke bijdrage leveren aan de kennis omtrent de inrichting van het cultuurlandschap rond de uitgebreide bewoning uit deze periode. De noordzijde van vindplaats 17-1, waar een deel van de geplande proefsleuf geen doorgang kon vinden, komt bovendien in aanmerking voor intensieve tracébegeleiding. Hier liggen mogelijk goed bewaarde bewoningssporen uit de Late IJzertijd.
Aanbevolen wordt om vindplaats 17 en 18 vrij te geven voor de verbreding van de spoorbaan, maar daarbij de werkzaamheden over het gehele deeltracé archeologisch te laten begeleiden
Degree of tapering of xylem conduits in stems and roots of small Pinus cembra and Larix decidua trees
Xylem conduits increase in size from the apex downwards. While conduit tapering in the stem has often been reported to converge towards a common pattern among all plants, information on conduit tapering in small plants and roots is extremely scarce. We selected 10 small trees (height < 3 m) of Pinus cembra L. and Larix decidua Miller along an altitudinal gradient and measured diameter and conduit dimensions along stems and roots in the last annual ring. Sections of 10 mm were cut from wooden disks taken at different heights in the stem and in the roots and then stained with safranine. Slides were observed under a microscope, the lumen areas of conduits were measured and mean hydraulic diameters (D-h) calculated. Dh increased from stem tip (Dh at 1 cm from the apex averaged 10.75 mu m; s = 2.33) to base (D-h from 20.70 to 30.54 mu m), following a power trajectory (i. e., D-h = a.L-b, with L being the distance from the tip). Such degrees of conduit tapering may have a considerable effect in minimizing the hydraulic constraints. Despite trees at the tree-line being older and smaller than in the subalpine forest (age: 28-70 years at the treeline; 18-39 years in the subalpine forest), conduit tapering did not differ significantly between sites, suggesting that tree height is the main factor controlling the basipetal increase in conduit lumens. In the roots, the increase in conduit dimensions continued towards their tips, even more steeply than in the stem. The widest conduits were measured around the root tips (around 40 mm). Conduit tapering resulted as a stable structural feature in small plants as well as in tall trees
- …
