1,721,042 research outputs found

    Voorrangsgedrag en veiligheid op fietsoversteekplaatsen op bypasses: De invloed van de voorrangsregeling

    No full text
    Bypasses bij verkeerslichtengeregelde kruispunten zijn een ingreep om de verkeersdoorstroming te verbeteren, aangezien rechts afslaand verkeer de verkeerslichten kan vermijden en enkel volledig dient te stoppen wanneer dit noodzakelijk is. Vaak zijn hierop oversteekvoorzieningen voor voetgangers en (brom)fietsers voorzien. De internationale literatuur toont aan dat bypasses de algehele veiligheid verhogen, maar suggereert dat er met betrekking tot kwetsbare weggebruikers verhoogde veiligheidsrisico’s bestaan: bestuurders van motorvoertuigen focussen voornamelijk op andere motorvoertuigen en letten minder op de eventuele aanwezigheid van (brom)fietsers en voetgangers. In Vlaanderen bestaan er geen harde richtlijnen voor het ontwerp van bypasses en de bijbehorende fietsoversteekplaatsen, wat geresulteerd heeft in een verscheidenheid aan toepassingen. De meest voorkomende vorm van bypass-ontwerp heeft een fietsoversteek voorziening centraal op de bypass, waarop fietsers in beide richtingen kunnen oversteken. Met betrekking tot de voorrangsregeling is er echter geen uniformiteit, wat kan leiden tot onduidelijke en verwarrende situaties. Daarom wordt in dit onderzoek getracht een beter inzicht te verkrijgen in de manier waarop het interactieproces tussen (brom)fietsers en bestuurders van motorvoertuigen op bypasses verloopt. Bijkomend wordt er een verkeersveiligheidsanalyse uitgevoerd, waarbij de invloed van de voorrangsregeling op de veiligheid van de fietsers wordt getoetst. Ook werd gekeken naar de invloed van de aanwezigheid van een zebrapad op de veiligheid van fietsers, maar geen significante effect kon gevonden worden. Vier locaties in de provincies Antwerpen en Limburg werden geselecteerd voor een week continue video observatie. Op twee locaties waren de fietsers in de voorrang, op de andere twee de bestuurders van motorvoertuigen. In totaal werden 1366 interacties geanalyseerd.This research was carried out within the framework of the Policy Research Centre on Traffic Safety with the support of the Flemish government and was partly supported by a grant from the Research Foundation Flanders

    Voorrangsgedrag en veiligheid op fietsoversteekplaatsen op bypasses: De invloed van de voorrangsregeling

    No full text
    Bypasses bij verkeerslichtengeregelde kruispunten zijn een ingreep om de verkeersdoorstroming te verbeteren, aangezien rechts afslaand verkeer de verkeerslichten kan vermijden en enkel volledig dient te stoppen wanneer dit noodzakelijk is. Vaak zijn hierop oversteekvoorzieningen voor voetgangers en (brom)fietsers voorzien. De internationale literatuur toont aan dat bypasses de algehele veiligheid verhogen, maar suggereert dat er met betrekking tot kwetsbare weggebruikers verhoogde veiligheidsrisico’s bestaan: bestuurders van motorvoertuigen focussen voornamelijk op andere motorvoertuigen en letten minder op de eventuele aanwezigheid van (brom)fietsers en voetgangers. In Vlaanderen bestaan er geen harde richtlijnen voor het ontwerp van bypasses en de bijbehorende fietsoversteekplaatsen, wat geresulteerd heeft in een verscheidenheid aan toepassingen. De meest voorkomende vorm van bypass-ontwerp heeft een fietsoversteek voorziening centraal op de bypass, waarop fietsers in beide richtingen kunnen oversteken. Met betrekking tot de voorrangsregeling is er echter geen uniformiteit, wat kan leiden tot onduidelijke en verwarrende situaties. Daarom wordt in dit onderzoek getracht een beter inzicht te verkrijgen in de manier waarop het interactieproces tussen (brom)fietsers en bestuurders van motorvoertuigen op bypasses verloopt. Bijkomend wordt er een verkeersveiligheidsanalyse uitgevoerd, waarbij de invloed van de voorrangsregeling op de veiligheid van de fietsers wordt getoetst. Ook werd gekeken naar de invloed van de aanwezigheid van een zebrapad op de veiligheid van fietsers, maar geen significante effect kon gevonden worden. Vier locaties in de provincies Antwerpen en Limburg werden geselecteerd voor een week continue video observatie. Op twee locaties waren de fietsers in de voorrang, op de andere twee de bestuurders van motorvoertuigen. In totaal werden 1366 interacties geanalyseerd.This research was carried out within the framework of the Policy Research Centre on Traffic Safety with the support of the Flemish government and was partly supported by a grant from the Research Foundation Flanders

    Gedragsaanpassingen van bestuurders aan snelheids- en roodlichtcamera's: vervolgonderzoek effectiviteit van roodlichtcamera's

    No full text
    not availableDit rapport kwam tot stand met de steun van de Vlaamse Overheid, programma ‘Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek’

    Verkeersongevallen in de media - Een analyse van de selectie en rapportering van verkeersongevallen in het Vlaamse nieuws

    No full text
    De media zijn een belangrijke bron van actuele informatie in de maatschappij en vervullen een belangrijke rol in hoe mensen de maatschappij percipiëren. Over welke gebeurtenissen de media rapporteren en op welke manier ze dit doen wordt echter in belangrijke mate gedreven vanuit economische belangen, waardoor de mediaberichtgeving niet noodzakelijk een representatieve weergave geeft van de realiteit. Wanneer er systematische vertekeningen zitten in de mediaberichtgeving rond verkeersongevallen, kan dat de publieke perceptie en de attitudes ten opzichte van de verkeersveiligheidsproblematiek beïnvloeden. In tegenstelling tot andere domeinen van mediarapportering, bestaat er over de mediarapportering van verkeersongevallen weinig onderzoek. We hebben dus weinig zicht op de manier waarop de media rapporteren over verkeersongevallen, en dus ook niet op de eventuele invloed ervan op de percepties en gedragingen van de mensen. De doelstelling van dit onderzoek is om beter zicht te krijgen op welke verkeersongevallen in de media gerapporteerd worden, en welke inhoudelijke elementen in de berichtgeving aan bod komen. Hiervoor werd een link gelegd tussen het Nieuwsarchief TV, dat alle nieuwsitems van het 19-uurjournaal van VRT en VTM bevat, en de letselongevallendatabase waarin alle verkeerongevallen met gewonden zijn opgenomen die plaatsvonden op de openbare weg in Vlaanderen. Het onderzoek focust op alle nieuwsitems van de periode 2006-2012. De inhoud van de mediaberichten werd verzameld aan de hand van een gestructureerd codeboek. Op basis van de inhoud van het nieuwsbericht werd het bijbehorende letselongeval in de ongevallendatabase geselecteerd. Op basis van de gekoppelde database analyseren we welke objectieve kenmerken van de verkeersongevallen een invloed hebben op de kans dat het ongeval in de media wordt gerapporteerd. Aan de hand van logistische regressiemodellen identificeert het onderzoek variabelen die de kans beïnvloeden dat het ongeval in de media komt. Beschrijvende statistieken geven de inhoud van de nieuwsberichtgeving weer. Er werden vijf soorten ongevalskenmerken geïdentificeerd die een invloed hebben op de kans dat een verkeersongeval in de media gerapporteerd wordt. Deze karakteristieken relateren aan de ernst van het ongeval, het tijdstip waarop het ongeval plaatsvindt, de plaats van het ongeval, de persoonskenmerken van slachtoffers en de betrokken types weggebruikers. Dit geeft aan dat het aantal en de aard van de gerapporteerde ongevallen in de media niet altijd een precieze afspiegeling is van de werkelijkheid. Hoe ernstiger het ongeval, hoe groter de kans dat het in de media komt: ongevallen met meerdere of dodelijke slachtoffers hebben een hogere kans om in de media te komen dan andere ongevallen. Significante variaties in de kans van een ongeval om in de media te komen worden waargenomen in termen van het jaar en de maand waarin het ongeval plaatsvindt. Ongevallen tijdens weekdagen komen over het algemeen minder in de media dan ongevallen tijdens het weekend. De provincie waarin het ongeval plaatsvindt heeft ook een invloed op de kans dat het gerapporteerd wordt in de media. Ongevallen op autosnelwegen worden significant vaker gerapporteerd in de media dan ongevallen buiten de autosnelwegen. Voor wat betreft de leeftijd van de slachtoffers, is er een duidelijke tendens dat ongevallen met jonge slachtoffers/verkeersdoden een significant hogere kans hebben om in de media te komen. Ongevallen waarbij vrouwelijke dodelijke slachtoffers vallen blijken ook een hogere kans te hebben om in de media gerapporteerd te worden. Voor wat betreft de betrokken weggebruikers, zien we dat ongevallen waarbij een bus betrokken is significant vaker in de mediaberichtgeving komen, terwijl ongevallen met motorfietsen significant minder aan bod komen. Sommige modellen duiden ook op een lagere kans op mediaberichtgeving voor ongevallen met bromfietsers, en een hogere kans om in de media te komen voor ongevallen met vrachtwagens. Uit de inhoudelijke analyses van de nieuwsitems blijkt dat VTM in de onderzoeksperiode systematisch meer aandacht aan verkeersongevallen besteedde dan VRT. VTM berichtte niet enkel vaker over verkeersongevallen, maar berichtte ook langer per nieuwsitem. De berichtgeving over verkeersongevallen is, ongeacht de zender, vaak heel feitelijk en eenduidig waardoor de meeste ongevallen slechts eenmalig aan bod komen in de media. Weinig ongevallen groeien dus uit tot ‘mediahypes’ met meerdere nieuwsberichten. Ook al is de duurtijd van een nieuwsitem over een verkeersongeval gemiddeld korter dan een gemiddeld nieuwsitem (ongeacht het thema), wel wordt er in drie vierde van de nieuwsitems ruimte gemaakt voor een quote van minstens één persoon. Ooggetuigen en voxpops kwamen het vaakst aan het woord in de berichtgeving over ongevallen. Die personen komen in het nieuws aan bod in hun hoedanigheid als getuige of geven hun mening, en geven vaak een emotionele dimensie aan het nieuwsitem. De tweede groep van personen die in items over verkeersongevallen het vaakst aan het woord komen zijn de officiële instanties die feitelijke informatie over het ongeval kunnen geven: politie, brandweer en medici. Eén op vijf nieuwsitems over ongevallen in het nieuws rapporteerde dat het ongeval een file of vertraging van het openbaar vervoer veroorzaakte. In één op de tien gerapporteerde ongevallen is er sprake van vluchtmisdrijf. Een heel aantal factoren kunnen een impact hebben op het voorvallen van een ongeval. VRT en VTM vermeldden in 54% van de nieuwsitems factoren die een rol speelden bij een ongeval. Het vaakst worden gedragsfactoren vermeld zoals een te hoge snelheid en dronkenschap achter het stuur. Het valt op dat het televisienieuws nauwelijks aandacht besteedt aan het gebruik (of niet gebruik) van veiligheidssystemen zoals het dragen van een veiligheidsgordel of valhelm. Wat de vermelding van de letselernst van de betrokkenen betreft, weten we op basis van de nieuwsselectieanalyse dat de media een vertekend beeld weergeven van de werkelijkheid. Welk beeld geven de media dan? Ook al zijn er in realiteit minder dodelijke verkeersslachtoffers dan zwaar- en lichtgewonden, toch rapporteerden de nieuwsmedia veel vaker verkeersongevallen met dodelijke slachtoffers. Eén op de zes nieuwsitems vermeldde minstens één dodelijk slachtoffer. Wat de privacy van de betrokkenen betreft, zien we dat 93% van de betrokkenen anoniem blijft: er wordt geen informatie over de naam meegegeven en ze komen niet in beeld. Deze bevindingen geven aan dat een aantal significante vertekeningen aanwezig zijn in de mediaberichtgeving van ongevallen. Dit kan een vertekende perceptie creëren rond het maatschappelijke probleem van verkeersveiligheid, hetgeen dan weer zou kunnen leiden tot ongunstige effecten op het gedrag van mensen

    Verkeersongevallen in de media - Een analyse van de selectie en rapportering van verkeersongevallen in het Vlaamse nieuws

    No full text
    De media zijn een belangrijke bron van actuele informatie in de maatschappij en vervullen een belangrijke rol in hoe mensen de maatschappij percipiëren. Over welke gebeurtenissen de media rapporteren en op welke manier ze dit doen wordt echter in belangrijke mate gedreven vanuit economische belangen, waardoor de mediaberichtgeving niet noodzakelijk een representatieve weergave geeft van de realiteit. Wanneer er systematische vertekeningen zitten in de mediaberichtgeving rond verkeersongevallen, kan dat de publieke perceptie en de attitudes ten opzichte van de verkeersveiligheidsproblematiek beïnvloeden. In tegenstelling tot andere domeinen van mediarapportering, bestaat er over de mediarapportering van verkeersongevallen weinig onderzoek. We hebben dus weinig zicht op de manier waarop de media rapporteren over verkeersongevallen, en dus ook niet op de eventuele invloed ervan op de percepties en gedragingen van de mensen. De doelstelling van dit onderzoek is om beter zicht te krijgen op welke verkeersongevallen in de media gerapporteerd worden, en welke inhoudelijke elementen in de berichtgeving aan bod komen. Hiervoor werd een link gelegd tussen het Nieuwsarchief TV, dat alle nieuwsitems van het 19-uurjournaal van VRT en VTM bevat, en de letselongevallendatabase waarin alle verkeerongevallen met gewonden zijn opgenomen die plaatsvonden op de openbare weg in Vlaanderen. Het onderzoek focust op alle nieuwsitems van de periode 2006-2012. De inhoud van de mediaberichten werd verzameld aan de hand van een gestructureerd codeboek. Op basis van de inhoud van het nieuwsbericht werd het bijbehorende letselongeval in de ongevallendatabase geselecteerd. Op basis van de gekoppelde database analyseren we welke objectieve kenmerken van de verkeersongevallen een invloed hebben op de kans dat het ongeval in de media wordt gerapporteerd. Aan de hand van logistische regressiemodellen identificeert het onderzoek variabelen die de kans beïnvloeden dat het ongeval in de media komt. Beschrijvende statistieken geven de inhoud van de nieuwsberichtgeving weer. Er werden vijf soorten ongevalskenmerken geïdentificeerd die een invloed hebben op de kans dat een verkeersongeval in de media gerapporteerd wordt. Deze karakteristieken relateren aan de ernst van het ongeval, het tijdstip waarop het ongeval plaatsvindt, de plaats van het ongeval, de persoonskenmerken van slachtoffers en de betrokken types weggebruikers. Dit geeft aan dat het aantal en de aard van de gerapporteerde ongevallen in de media niet altijd een precieze afspiegeling is van de werkelijkheid. Hoe ernstiger het ongeval, hoe groter de kans dat het in de media komt: ongevallen met meerdere of dodelijke slachtoffers hebben een hogere kans om in de media te komen dan andere ongevallen. Significante variaties in de kans van een ongeval om in de media te komen worden waargenomen in termen van het jaar en de maand waarin het ongeval plaatsvindt. Ongevallen tijdens weekdagen komen over het algemeen minder in de media dan ongevallen tijdens het weekend. De provincie waarin het ongeval plaatsvindt heeft ook een invloed op de kans dat het gerapporteerd wordt in de media. Ongevallen op autosnelwegen worden significant vaker gerapporteerd in de media dan ongevallen buiten de autosnelwegen. Voor wat betreft de leeftijd van de slachtoffers, is er een duidelijke tendens dat ongevallen met jonge slachtoffers/verkeersdoden een significant hogere kans hebben om in de media te komen. Ongevallen waarbij vrouwelijke dodelijke slachtoffers vallen blijken ook een hogere kans te hebben om in de media gerapporteerd te worden. Voor wat betreft de betrokken weggebruikers, zien we dat ongevallen waarbij een bus betrokken is significant vaker in de mediaberichtgeving komen, terwijl ongevallen met motorfietsen significant minder aan bod komen. Sommige modellen duiden ook op een lagere kans op mediaberichtgeving voor ongevallen met bromfietsers, en een hogere kans om in de media te komen voor ongevallen met vrachtwagens. Uit de inhoudelijke analyses van de nieuwsitems blijkt dat VTM in de onderzoeksperiode systematisch meer aandacht aan verkeersongevallen besteedde dan VRT. VTM berichtte niet enkel vaker over verkeersongevallen, maar berichtte ook langer per nieuwsitem. De berichtgeving over verkeersongevallen is, ongeacht de zender, vaak heel feitelijk en eenduidig waardoor de meeste ongevallen slechts eenmalig aan bod komen in de media. Weinig ongevallen groeien dus uit tot ‘mediahypes’ met meerdere nieuwsberichten. Ook al is de duurtijd van een nieuwsitem over een verkeersongeval gemiddeld korter dan een gemiddeld nieuwsitem (ongeacht het thema), wel wordt er in drie vierde van de nieuwsitems ruimte gemaakt voor een quote van minstens één persoon. Ooggetuigen en voxpops kwamen het vaakst aan het woord in de berichtgeving over ongevallen. Die personen komen in het nieuws aan bod in hun hoedanigheid als getuige of geven hun mening, en geven vaak een emotionele dimensie aan het nieuwsitem. De tweede groep van personen die in items over verkeersongevallen het vaakst aan het woord komen zijn de officiële instanties die feitelijke informatie over het ongeval kunnen geven: politie, brandweer en medici. Eén op vijf nieuwsitems over ongevallen in het nieuws rapporteerde dat het ongeval een file of vertraging van het openbaar vervoer veroorzaakte. In één op de tien gerapporteerde ongevallen is er sprake van vluchtmisdrijf. Een heel aantal factoren kunnen een impact hebben op het voorvallen van een ongeval. VRT en VTM vermeldden in 54% van de nieuwsitems factoren die een rol speelden bij een ongeval. Het vaakst worden gedragsfactoren vermeld zoals een te hoge snelheid en dronkenschap achter het stuur. Het valt op dat het televisienieuws nauwelijks aandacht besteedt aan het gebruik (of niet gebruik) van veiligheidssystemen zoals het dragen van een veiligheidsgordel of valhelm. Wat de vermelding van de letselernst van de betrokkenen betreft, weten we op basis van de nieuwsselectieanalyse dat de media een vertekend beeld weergeven van de werkelijkheid. Welk beeld geven de media dan? Ook al zijn er in realiteit minder dodelijke verkeersslachtoffers dan zwaar- en lichtgewonden, toch rapporteerden de nieuwsmedia veel vaker verkeersongevallen met dodelijke slachtoffers. Eén op de zes nieuwsitems vermeldde minstens één dodelijk slachtoffer. Wat de privacy van de betrokkenen betreft, zien we dat 93% van de betrokkenen anoniem blijft: er wordt geen informatie over de naam meegegeven en ze komen niet in beeld. Deze bevindingen geven aan dat een aantal significante vertekeningen aanwezig zijn in de mediaberichtgeving van ongevallen. Dit kan een vertekende perceptie creëren rond het maatschappelijke probleem van verkeersveiligheid, hetgeen dan weer zou kunnen leiden tot ongunstige effecten op het gedrag van mensen

    Gedragsaanpassingen van bestuurders aan snelheids- en roodlichtcamera's: vervolgonderzoek effectiviteit van roodlichtcamera's

    No full text
    not availableDit rapport kwam tot stand met de steun van de Vlaamse Overheid, programma ‘Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek’

    Behavioural Profiling of Cycling and Walking in Nine European Cities

    Full text link
    To ensure cities’ livability, a significant modal shift from car use towards more sustainable modes of transportation, such as walking and cycling, is required. To establish such a modal shift, a better understanding is needed of the psychological components that affect people’s likelihood of shifting to active transport modes. To this end, a behavioural survey was conducted among more than 2000 respondents across nine European cities in four countries. Using factor and cluster analysis, two groups of respondents are identified that have common determinants of their variations in intentions to shift to active transport modes, i.e., a “pro-cycling” cluster (55.6% of the respondents) and a “non-pro-cycling” cluster (44.4%). The findings highlight the intrinsically different nature of walking and cycling as transport modes, underlining the importance of distinguishing walking and cycling policies. The main obstacle to cycle more frequently is perceived traffic safety. Therefore, the main priority should be the improvement of traffic safety. The most important obstacle hindering more frequent walking is time. Hence, reducing travel time, for instance, by creating shortcuts for pedestrians and denser and more diversified urban areas will be an important strategy. Future research could extend this research to cities in other countries and regions. By repeating the survey periodically, changes in people’s motivations and perceived barriers can be analysed over time

    The description of individuals' cognitive subsets in fun shopping activities by making use of association rules algorithms : case study in Hasselt, Belgium

    No full text
    Because of the strong increase in the number of fun shopping trips, a shift towards more sustainable fun shopping behavior is desirable. In this thesis, people's reasoning in choosing a transport mode and shopping location for fun shopping trips is investigated. For this purpose, 221 respondents are questioned using the Computer-based Causal Network Elicitation Technique. It appears that the complexity of the mental representation of the decision problem is very stable over different socio-demographic groups. Concerning the content of the mental representation, clear differences appear between the different groups. Most remarkable is the limited importance of cost and environmental aspects. This finding has important policy and marketing implications. Parking restriction measures seem to have the largest potential to accomplish a shift towards a more sustainable modal split

    Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis

    Full text link
    The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
    corecore