2,813 research outputs found

    Opgraving - variant archeologische begeleiding Statendamweg 3 te Oosterhout (gemeente Oosterhout): Antea Group Archeologie 2020/150

    No full text
    Opgraving - variant archeologische begeleiding Er is binnen het plangebied geen sprake van een archeologische vindplaats. Er zijn tijdens het onderzoek namelijk geen archeologische sporen of resten aangetroffen. Er is sprake van een sterk verstoorde bodemopbouw. Dit is veroorzaakt door de bouw en sloop van verschillende gebouwen in het plangebied vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw

    Bureauonderzoek Nieuwe Insteekhaven te Werkendam: Antea Group Archeologie 2019/13

    No full text
    In februari 2019 heeft Antea Group in opdracht van de gemeente Altena een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘nieuwe insteekhaven’ in Werkendam. Het onderzoek heeft voor nu bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek. De opdrachtgever is voornemens een nieuwe insteekhaven aan te leggen in de Biesboschhaven in Werkendam. Hiervoor is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Hiervoor dienen een aantal gebiedsonderzoeken uitgevoerd te worden, waarvan archeologie er één is. Bij de aanleg van de insteekhaven kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Conclusie Uit het archeologisch bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied zich niet op (de oeverwallen van) een oude, afgedekte, stroomgordel bevindt. Het gebied is eerder gelegen in het aangrenzende natte komgebied, waar de omstandigheden voor bewoning tussen het neolithicum en de late middeleeuwen ongunstig waren. Ook intacte resten uit de steentijd worden niet verwacht, omdat deze resten hoogstwaarschijnlijk reeds geërodeerd zijn geraakt door de invloed van de nabijgelegen waterstromen. Uit het historisch kaartmateriaal is gebleken dat het plangebied tot in de 19e eeuw nog deel uitmaakte van het actieve rivierbed en pas ver in de 20e eeuw bebouwd kon worden. Resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd worden hierdoor niet verwacht, mede gezien door de grootschalige ontwikkelingen en wijzigingen van bebouwing binnen het plangebied. Advies Op basis van de resultaten van dit archeologisch bureauonderzoek is het advies van Antea Group om het plangebied vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie. Dit betreft een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Altena. De gemeente Altena ging akkoord met dit gegeven advies

    Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase. Hoge Maasdijk 51 te Andel, gemeente Woudrichem

    No full text
    Bureauonderzoek Volgens de stroomgordelkaart bevindt het plangebied zich ter hoogte van de stroomgordel Biesheuvel-Hamer. Omstreeks 4495 jaar geleden (laat neolithicum) verlegde de loop van de noord-zuid georiënteerde stroomgordel van Zaltbommel-Nederhemert zich, waarna de stroomgordel van Biesheuvel-Hamer actief werd. Deze stroomgordel volgt in eerste instantie een noord-zuid verloop om vervolgens in noordwestelijke richting af te buigen, ongeveer ter hoogte van het huidige plangebied. Deze rivierloop werd omstreeks 3430 jaar geleden (vroege bronstijd) verlaten en afgedekt met jongere sedimenten. De top van deze stroomgordel bevindt zich op een diepte van 0,9 à -0,3 m +NAP, oftewel circa 1 à 1,5 m – mv. Omstreeks 2345 jaar geleden (midden ijzertijd) werd ten noorden van het plangebied de stroomgordel van de Alm actief. In de elfde of twaalfde eeuw brak de rivier ter hoogte van Rijswijk door haar oeverwal/dijk heen en vormde zich een nieuwe waterloop, de huidige Afgedamde Maas. Als gevolg van de doorbraak moesten Giessen en Andel worden ontruimd en kwamen de kerken na de bedijking buitendijks te liggen. Ditzelfde geldt voor het plangebied. Voor het plangebied geldt een middelhoge verwachting op het aantreffen van resten uit het laat neolithicum tot en met de volle middeleeuwen, gebaseerd op de aanwezigheid van de Biesheuvel-Hamer stroomgordel. Daarbij wordt deze verwachting door Hendriks genuanceerd. De afzettingen van de genoemde stroomgordel kunnen later deels afgedekt zijn geraakt met oeverwal- of doorbraakafzettingen van de Afgedamde Maas. Hierdoor kunnen de sedimenten uit deze perioden geërodeerd zijn geraakt. Ook geldt er een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dit is gebaseerd op de aanwezigheid van een laatmiddeleeuwse kerk ten zuiden van het plangebied en de aanwezigheid van historische bebouwing binnen het plangebied. Booronderzoek In het plangebied is sprake van oeverafzettingen, met in één boring in ieder geval aanwijzingen voor een restgeul of dijkdoorbraak. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een potentieel behoudenswaardige archeologische vindplaats in het plangebied, anders dan de bestaande schuur. De bestaande bebouwing binnen het plangebied zal echter worden gehandhaafd, omdat uit het cultuurhistorisch/bouwhistorisch onderzoek is gebleken dat de schuur hoge cultuurhistorische waarde heeft. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek buiten de bestaande bebouwing adviseert Antea Group dan ook het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Daarnaast zijn uit het bouwhistorisch onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat er oudere voorgangers vooraf zijn gegaan aan de bestaande schuur, waardoor een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is

    Archeologische opgraving Stadsmuur Zevenbergen: Antea Group Archeologie 2018/9

    No full text
    In opdracht van de gemeente Moerdijk heeft Antea Group in oktober 2015 een archeologische opgraving uitgevoerd naar resten van een deel van de laatmiddeleeuwse stadsmuur van Zevenbergen. Het archeologisch onderzoek werd uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het gebied. Voor de herinrichting is een nieuw bestemmingsplan nodig, waarvan het archeologisch onderzoek deel uitmaakt. Mede als gevolg van de uitwerking van diverse vondstmaterialen en de conservering daarvan heeft de rapportage enige tijd op zich laten wachten. In het onderzoek werden twee verschillende vindplaatsen aangetroffen. De eerste betreft een duiker dat is aangetroffen aan het einde van werkput 2. Het betreft twee lage muren die loodrecht op het muurwerk van de stadsmuur staan. Deze duiker verbond hoogstwaarschijnlijk de (voormalige) kasteelgracht met de (voormalige) stadsgracht buiten de stadsmuren na de sloop van de stadsmuur. Daarmee is vindplaats 1 jonger dan vindplaats 2. Vindplaats 2 betreft de tijdens de archeologische opgraving aangetroffen laatmiddeleeuwse Zevenbergse stadsmuur aan de Neerhofstraat. Het gaat hier om de vermoedelijk vroeg veertiende eeuwse stadsmuur (start bouw) die in 1427 wordt neergehaald. De fysieke kwaliteit van de stadsmuur was matig tot goed: sommige delen lagen plat op de grachtvullingen en elders stond de fundering met vleilaag nog recht in de grond. Het hoogste nog resterende deel dat werd aangetroffen mat nog zo’n 2 meter vanaf de vleilaag. Op andere delen van de opgraving bleek de stadsmuur compleet te zijn verdwenen. Een robbertrench doet vermoeden dat op deze plaats de bakstenen van de stadsmuur zijn teruggewonnen voor hergebruik elders. Vanaf de oostzijde van het plangebied bleek het dekzand in westelijke richting steeds dieper weg te duiken. Analyse van de uitgenomen delen van de stadsmuur leerde dat men bij de bouw van de stadsmuur in de veertiende eeuw telkens dezelfde zandlaag heeft opgezocht om de fundering van de stadsmuur op te plaatsen. Dit verklaart het verschil in de aanlegdiepte van de stadsmuur die oploopt van oost naar west. Aan het einde van de opgraving zijn de muurdelen zonder uitzondering uitgenomen om woningbouw in het gebied mogelijk te maken. Er mag verwacht worden dat de stadsmuur buiten het plangebied nog steeds aanwezig is. De opgraving van een gedeelte van de laatmiddeleeuwse stadsmuur van Zevenbergen heeft ons een aantal nieuwe inzichten verschaft. Zo kon voor het eerst de laatmiddeleeuwse stadsmuur daadwerkelijk worden onderzocht. Dit is van belang zodat de gemeente Moerdijk op basis hiervan concrete beschermingsmaatregelen kan nemen voor het overige deel van het tracé van de laatmiddeleeuwse ommuring. De constructiewijze bestond uit een getrapte fundering, bestaande uit een aantal versnijdingen. Uit het eerder uitgevoerde proefsleuvenonderzoek bleek dat de basis van de fundering tenminste in twee fasen is uitgevoerd. Er werden geen spaarbogen aangetroffen in het muurwerk zelf, maar wel steunberen aan de stadskant. Deze lagen op een vrij regelmatige afstand van elkaar en hebben op een hoger niveau (niet bewaard gebleven) mogelijk ook de weergang gedragen. In het verspringen van het muurwerk is een duidelijke fasering van het metselwerk te zien. Gelet op het veelvuldig voorkomen van dezelfde baksteenformaten en volumes mag verondersteld worden dat tussen de afzonderlijke fasen geen jaren tijdsduur hebben gezeten. Mogelijk werden de afzonderlijke campagnes ingegeven door het uitharden van de mortel of de beschikbaarheid van bouwmaterialen of bouwmeester. Ook is vastgesteld dat de stadsmuur waarschijnlijk niet zo snel gesloopt is als werd gedacht. Als we de historische bronnen volgen dan zal zeker aan de landzijde (zuidzijde) van Zevenbergen nog onder de Hertog van Bourgondië een deel van de stadsmuur publiek zijn neergehaald. Mogelijk is dit ook gebeurt in het nu onderzochte plangebied. Het neerhalen van het overige deel van de stadsmuur zal daarna eerder enkele jaren hebben geduurd voordat het beeld is ontstaan wat we bij Van Deventer terug zien: een stedelijke nederzetting met stadspoorten maar geen tussenliggende muurdelen. Gelet op de in de gracht aangetroffen platliggende delen en het feit dat de duiker over een deel stadsmuur heen gebouwd was doet vermoeden dat men zeker in de vijftiende eeuw nog niet actief materiaal teruggewonnen heeft uit de gracht. Het is verleidelijk maar helaas niet te staven dat er geen noodzaak was om deze lastiger te bereiken delen te recupereren omdat er door de afbraak van de rest van de muur voldoende bakstenen beschikbaar waren die met minder moeite konden worden teruggewonnen. Uit de uitgevoerde 14C datering blijkt dat in de zeventiende eeuw een nieuw vraag naar bouwmateriaal ontstond. In de al genoemde robbertrench werd een deel van een runderkadaver weggegooid in de kuil die was gegraven om de fundering van de stadsmuur op deze plaats omwille van de bouwmaterialen te winnen. Op basis van berekeningen in het programma ArcGis, die gebaseerd zijn op de tekeningen van Jacob van Deventer zou er in het middeleeuwen circa 2,2 kilometer aan stadsmuur geweest moeten zijn rondom Zevenbergen. Tijdens de archeologische opgraving is hiervan zo’n 50 m gedocumenteerd. In totaal is er dus 2,5% van de Zevenbergse stadsmuur opgegraven. Dit deel van de muur is ex situ bewaard gebleven. De overige 97,5% zou potentieel dus nog in de bodem van Zevenbergen aanwezig kunnen zijn. Het is niet met mogelijkheid te zeggen hoeveel delen hiervan volledig gesloopt zijn, maar gezien het feit dat hier over zo’n korte afstand zo’n relatief goed bewaard deel van de stadsmuur is aangetroffen schept verwachtingen voor de rest van Zevenbergen. Op basis van de waardestelling in de AMZ scoort de vindplaats op alleen fysieke kwaliteit al als behoudenswaardig. Daarnaast scoren ook de informatiewaarde en zeldzaamheid hoog. Hierbij wordt namelijk de 2,2 kilometer potentieel tracé van de stadsmuur afgezet tegen de oppervlakte van de stedelijke kern die omringd werd juist door deze stadsmuur. Het is dan ook van belang dat overige restanten van de stadsmuur van Zevenbergen zo veel mogelijk in situ bewaard blijven. Dit zou bereikt moeten worden door planaanpassingen en bestemmingsplannen in de toekomst. Op basis van de kaart van Jacob van Deventer moet het redelijk goed te construeren zijn waar de stadsmuur in het verleden gelegen moet hebben zodat deze planologische bescherming eenvoudig kan worden voorzien. Mocht blijken dat een behoud in situ bij nieuwe initiatieven niet mogelijk is adviseren we hier een archeologisch onderzoek ten einde een behoud ex situ te realiseren. Het in 2015 (onderhavig) onderzochte muurdeel informeert ons over het muurwerk aan de landzijde van Zevenbergen over het deel tussen het kasteel (stadszijde) en één van de stadspoorten aan de zuidelijke landroute. Binnen dit bereik werden geen muurtorens of stadspoorten aangetroffen. Verondersteld mag worden dat de stadsmuur op andere locaties binnen Zevenbergen een andere verschijningsvorm heeft die ons beeld van de laatmiddeleeuwse stad Zevenbergen nadrukkelijk kan aanvullen

    Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Tussen de Leijen te Gilze en Rijen: Antea Group Archeologie 2019/10

    No full text
    In januari 2019 heeft Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied ‘Tussen de Leijen’ in Rijen, gemeente Gilze en Rijen. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureau- en booronderzoek (verkennende fase). Bureauonderzoek Het plangebied ligt in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 2013. De voorgenomen ontwikkelingen passen niet binnen dit bestemmingsplan. Om de voorgenomen herontwikkeling mogelijk te maken is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan vereist. Archeologie is hiervoor één van de deelonderzoeken. In het vigerende bestemmingsplan is voor het zuidelijke deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’ opgenomen. Voor gebieden met deze aanduiding geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen die dieper reiken dan 0,4 m – mv en/of een oppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan. Deze dubbelbestemming volgt uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen (zie paragraaf 2.3.1). Op de genoemde beleidskaart is het noordelijk deel van onderhavig plangebied opgenomen als een gebied met een lage verwachtingswaarde. De archeologische dubbelbestemming ontbreekt hier dan ook in het vigerend bestemmingsplan. Het plangebied heeft voor het grootste gedeelte een lage archeologische verwachting op resten vanaf het paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Deze lage verwachting hangt samen met de aanwezigheid van veldpoldzolgronden, die vooral voorkomen in lage en natte gebieden. Deze gebieden waren in het verleden niet aantrekkelijk voor bewoning. In het zuiden van het plangebied was een dalvormige laagte aanwezig. Rondom deze dalvormige laagte geldt een middelhoge verwachting op archeologische resten vanaf het paleolithicum tot en met de middeleeuwen. Deze locaties werden juist gezien als voorkeurslocatie voor bewoning, vanwege de grote diversiteit in de biotoop. Veldonderzoek In het plangebied is sprake van een moerige eerdgrond met zanddek in een twaalftal boringen. In twee boringen is een A-C profiel waargenomen en in alle overige boringen is tussen de A en C-horizont sprake van een geroerde AC horizont. De bodem is daarmee in het grootste deel van het plangebied verstoord tot voorbij het potentieel archeologisch vlak. De moerige eerdgrond bevestigt de aanwezigheid van de dalvormige laagte. Verondersteld mag worden dat het hier gaat om een laagte tussen twee welvingen waarbij mogelijk maar niet noodzakelijkerwijs de laagte ook als een ooit actief beekdal moet worden geïnterpreteerd. Puntvondsten als kano’s en voordes zijn hiermee niet waarschijnlijk. Een aanwijzing hiervoor is het vlekkerige karakter van de aangetroffen moerige laag. Advies Op grond van de aangetroffen bodemopbouw acht Antea Group de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen in het plangebied zeer klein. Het advies luidt dan ook om het plangebied vrij te geven zonder nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit betreft een selectieadvies; het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Gilze en Rijen. Dit rapport is voorgelegd aan de bevoegde overheid. Op 26-9-2019 is het rapport beoordeeld. In deze versie van de rapportage zijn deze opmerkingen verwerkt

    Antea Group Archeologie 2020/150

    No full text
    Opgraving - variant archeologische begeleiding Er is binnen het plangebied geen sprake van een archeologische vindplaats. Er zijn tijdens het onderzoek namelijk geen archeologische sporen of resten aangetroffen. Er is sprake van een sterk verstoorde bodemopbouw. Dit is veroorzaakt door de bouw en sloop van verschillende gebouwen in het plangebied vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw

    Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase. Hoge Maasdijk 51 te Andel, gemeente Woudrichem

    No full text
    Bureauonderzoek Volgens de stroomgordelkaart bevindt het plangebied zich ter hoogte van de stroomgordel Biesheuvel-Hamer. Omstreeks 4495 jaar geleden (laat neolithicum) verlegde de loop van de noord-zuid georiënteerde stroomgordel van Zaltbommel-Nederhemert zich, waarna de stroomgordel van Biesheuvel-Hamer actief werd. Deze stroomgordel volgt in eerste instantie een noord-zuid verloop om vervolgens in noordwestelijke richting af te buigen, ongeveer ter hoogte van het huidige plangebied. Deze rivierloop werd omstreeks 3430 jaar geleden (vroege bronstijd) verlaten en afgedekt met jongere sedimenten. De top van deze stroomgordel bevindt zich op een diepte van 0,9 à -0,3 m +NAP, oftewel circa 1 à 1,5 m – mv. Omstreeks 2345 jaar geleden (midden ijzertijd) werd ten noorden van het plangebied de stroomgordel van de Alm actief. In de elfde of twaalfde eeuw brak de rivier ter hoogte van Rijswijk door haar oeverwal/dijk heen en vormde zich een nieuwe waterloop, de huidige Afgedamde Maas. Als gevolg van de doorbraak moesten Giessen en Andel worden ontruimd en kwamen de kerken na de bedijking buitendijks te liggen. Ditzelfde geldt voor het plangebied. Voor het plangebied geldt een middelhoge verwachting op het aantreffen van resten uit het laat neolithicum tot en met de volle middeleeuwen, gebaseerd op de aanwezigheid van de Biesheuvel-Hamer stroomgordel. Daarbij wordt deze verwachting door Hendriks genuanceerd. De afzettingen van de genoemde stroomgordel kunnen later deels afgedekt zijn geraakt met oeverwal- of doorbraakafzettingen van de Afgedamde Maas. Hierdoor kunnen de sedimenten uit deze perioden geërodeerd zijn geraakt. Ook geldt er een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dit is gebaseerd op de aanwezigheid van een laatmiddeleeuwse kerk ten zuiden van het plangebied en de aanwezigheid van historische bebouwing binnen het plangebied. Booronderzoek In het plangebied is sprake van oeverafzettingen, met in één boring in ieder geval aanwijzingen voor een restgeul of dijkdoorbraak. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een potentieel behoudenswaardige archeologische vindplaats in het plangebied, anders dan de bestaande schuur. De bestaande bebouwing binnen het plangebied zal echter worden gehandhaafd, omdat uit het cultuurhistorisch/bouwhistorisch onderzoek is gebleken dat de schuur hoge cultuurhistorische waarde heeft. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek buiten de bestaande bebouwing adviseert Antea Group dan ook het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren. Daarnaast zijn uit het bouwhistorisch onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat er oudere voorgangers vooraf zijn gegaan aan de bestaande schuur, waardoor een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is

    Antea Group Archeologie 2019/10

    No full text
    In januari 2019 heeft Antea Group een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied ‘Tussen de Leijen’ in Rijen, gemeente Gilze en Rijen. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureau- en booronderzoek (verkennende fase). Bureauonderzoek Het plangebied ligt in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 2013. De voorgenomen ontwikkelingen passen niet binnen dit bestemmingsplan. Om de voorgenomen herontwikkeling mogelijk te maken is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan vereist. Archeologie is hiervoor één van de deelonderzoeken. In het vigerende bestemmingsplan is voor het zuidelijke deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’ opgenomen. Voor gebieden met deze aanduiding geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen die dieper reiken dan 0,4 m – mv en/of een oppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan. Deze dubbelbestemming volgt uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen (zie paragraaf 2.3.1). Op de genoemde beleidskaart is het noordelijk deel van onderhavig plangebied opgenomen als een gebied met een lage verwachtingswaarde. De archeologische dubbelbestemming ontbreekt hier dan ook in het vigerend bestemmingsplan. Het plangebied heeft voor het grootste gedeelte een lage archeologische verwachting op resten vanaf het paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Deze lage verwachting hangt samen met de aanwezigheid van veldpoldzolgronden, die vooral voorkomen in lage en natte gebieden. Deze gebieden waren in het verleden niet aantrekkelijk voor bewoning. In het zuiden van het plangebied was een dalvormige laagte aanwezig. Rondom deze dalvormige laagte geldt een middelhoge verwachting op archeologische resten vanaf het paleolithicum tot en met de middeleeuwen. Deze locaties werden juist gezien als voorkeurslocatie voor bewoning, vanwege de grote diversiteit in de biotoop. Veldonderzoek In het plangebied is sprake van een moerige eerdgrond met zanddek in een twaalftal boringen. In twee boringen is een A-C profiel waargenomen en in alle overige boringen is tussen de A en C-horizont sprake van een geroerde AC horizont. De bodem is daarmee in het grootste deel van het plangebied verstoord tot voorbij het potentieel archeologisch vlak. De moerige eerdgrond bevestigt de aanwezigheid van de dalvormige laagte. Verondersteld mag worden dat het hier gaat om een laagte tussen twee welvingen waarbij mogelijk maar niet noodzakelijkerwijs de laagte ook als een ooit actief beekdal moet worden geïnterpreteerd. Puntvondsten als kano’s en voordes zijn hiermee niet waarschijnlijk. Een aanwijzing hiervoor is het vlekkerige karakter van de aangetroffen moerige laag. Advies Op grond van de aangetroffen bodemopbouw acht Antea Group de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen in het plangebied zeer klein. Het advies luidt dan ook om het plangebied vrij te geven zonder nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit betreft een selectieadvies; het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Gilze en Rijen. Dit rapport is voorgelegd aan de bevoegde overheid. Op 26-9-2019 is het rapport beoordeeld. In deze versie van de rapportage zijn deze opmerkingen verwerkt

    Antea Group Archeologie 2018/142

    No full text
    In september 2018 heeft Antea Group in opdracht van Hoveniersbedrijf van Mook een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied aan het Eindsepad 14 te Den Hout. Het onderzoek heeft bestaan uit een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, door middel van boringen (verkennende fase). Aanleiding tot het onderzoek vormt de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De opdrachtgever is voornemens de bestaande opslag in het plangebied te slopen om vervolgens een nieuwe opslag/stallingsruimte te realiseren. De sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van de nieuwe opslag zal gepaard gaan met bodemverstorende werkzaamheden, waarvan voorzien wordt dat deze dieper zullen gaan dan 0,5 m – mv. Het plangebied ligt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oosterhout in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Hierbij geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is indien de bodemingrepen een oppervlakte groter dan 100 m2 beslaan en/of de bodem dieper dan 0,5 m – mv verstoren. Tevens is voor het plangebied in het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie opgenomen. Deze dubbelbestemming is gebaseerd op de archeologische beleidskaart. Bureauonderzoek Voor het plangebied geldt een bede archeologische verwachting. Er kunnen in theorie resten en sporen worden aangetroffen uit het paleolithicum tot en met de nieuwe tijd, afhankelijk van de bodemopbouw van het plangebied. De verwachting voor sporen uit het paleolithicum en het mesolithicum is laag, omdat de jager-verzamelaars zich in deze perioden bij voorkeur vestigden op de flanken van beekdalen of op de dekzandruggen. Het hoogteverschil binnen de benedenloop van de Donge waarbij het plangebied gesitueerd is kent de hiervoor benodigde hoogteverschillen niet om als gradiëntzone te worden aangemerkt. Voor de periode vanaf het neolithicum tot en met de nieuwe tijd is de archeologische verwachting middelhoog. Resten uit deze perioden kunnen in theorie worden aangetroffen in het plangebied. Booronderzoek Tijdens het booronderzoek is een verstoorde bodem aangetroffen, met een AC of A-A/C-C- profiel. De verstoring reikt dieper dan het mogelijke archeologische vlak op de overgang van de A-Horizont naar de oorspronkelijke top van de C-Horizont. Advies Op basis van het resultaat van het booronderzoek luidt het advies de archeologische verwachting bij te stellen naar laag en de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken zonder verder archeologisch onderzoek uit te voeren

    Antea Group Archeologie 2020/178

    No full text
    Op 21 september 2020 heeft Antea Group, in opdracht van Bouwbedrijf Horevoorts B.V., een archeologisch proefsleuvenonderzoek (BRL 4000, protocol 4003, KNA 4.1) uitgevoerd ter plaatse van een plangebied aan de Looiersweg 2 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam. De directe aanleiding tot het onderzoek is het voornemen om de bestaande loods in het plangebied uit te breiden. De herinrichting van het perceel zal bodemverstorende werkzaamheden met zich mee brengen, waarbij mogelijk aanwezige archeologische resten zullen worden vernietigd. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek werd het noodzakelijk geacht om in het plangebied een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren, eventueel met een doorstart naar een (beperkte) opgraving indien er behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zouden zijn. Er is echter voor gekozen om alleen het onderzoeksgebied (locatie van de toekomstige bebouwing) te onderzoeken en niet het totale plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen die in het PvE en daarop gebaseerde PvA uiteen zijn gezet. Bodemopbouw De tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen bodemopbouw komt overeen met de bodemopbouw zoals beschreven tijdens het uitgevoerde archeologische booronderzoek. Binnen het onderzoeksgebied is de in het aangetroffen proefsleuvenonderzoek bodemopbouw te beschrijven als (van boven naar beneden): - Cunetzand (geroerde bodemlaag, bouwvoor) - Een esdek, bestaande uit matig siltig donkergrijsbruin zand (geroerd pakket); - Een oude akkerlaag, bestaande uit matig siltig lichtbruin zand; - C-horizont, bestaande uit matig siltig grijsgeel zand. Conclusie Er zijn binnen het onderzoeksgebied geen archeologische resten aangetroffen. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan geconcludeerd worden dat er binnen het onderzochte deel van het plangebied geen sprake is van een archeologische vindplaats. Er zijn tijdens het onderzoek ook geen off-site sporen aangetroffen. Dit betekent dat er hoogstwaarschijnlijk binnen het plangebied geen sprake is van een erf en daarbij behorende archeologische resten. Advies Op basis van de resultaten en conclusies van het onderzoek wordt geadviseerd het onderzoeksgebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Het advies van Antea Group is echter ook om het gehele plangebied vrij te geven. Dit omdat er tijdens het onderzoek ook geen off-site sporen zijn aangetroffen. Dit betreft een selectieadvies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Alphen-Chaam. De gemeente Alphen-Chaam nam dit advies niet over. De dubbelbestemming archeologie blijft in de rest van het plangebied behouden
    corecore