1,720,973 research outputs found
Vier eeuwen leven en sterven aan de Dokkershaven. Een archeologische opgraving van een postmiddeleeuwse stadswijk in het Scheldekwartier in Vlissingen
In de winter van 2007-2008 werd door ADC ArcheoProjecten op het terrein grootschalig archeologisch onderzoek uitgevoerd op de zuidzijde van de Dokkershaven. Dit onderzoek was voorafgegaan door diverse bureauonderzoeken uitgevoerd door RAAP en de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland en een archeologische begeleiding uitgevoerd door RAAP en ADC ArcheoProjecten. Op basis van de vooronderzoeken en de toekomstige bouwplannen werden vijf deelgebieden afgebakend (A, B, D, E en F) die vlakdekkend opgegraven zouden worden. In samenwerking met de Walcherse Archeologische Dienst werd er tijdens het onderzoek gericht naar het publiek toe gewerkt, onder meer in de vorm van wekelijkse rondleidingen en klassenbezoeken. Zelden kunnen binnen stadskerngebieden dergelijke grootschalige projecten uitgevoerd worden. Bovendien betreft het een heel specifiek en spectaculair deel van de geschiedenis van de stad: de opgang van een middeleeuws vissersdorp naar een ambitieuze wereldstad en haar daaropvolgende neergang.
De herinrichting van het Scheldekwartier betekent een mijlpaal in de geschiedenis van Vlissingen, aangezien de stad hier een belangrijk deel van haar territorium terugwint op de industrie. Bovendien blijft de link met de haven behouden door het opnieuw vrijleggen van het unieke dokje van Perry, het oudste droogdok van Nederland.
Het postmiddeleeuwse tijdperk vertegenwoordigt de bijzonder woelige en boeiende periode waarin Vlissingen haar huidige identiteit heeft verkregen. Een geschiedenis die in 1574 aanvangt met de afbraak van de Spaanse dwangburcht en exact vierhonderd jaar later eindigt met het dempen van het Droogdokje van Perry. De tweedeling tussen leven en dood komt volop terug in de rapportage, maar het complete verhaal wordt verteld doordat beide aspecten onlosmakelijk met elkaar zijn verweven. De haven en aangrenzende wijk weerspiegelen de vele lagen van de postmiddeleeuwse geschiedenis van de stad. Alle sporen, structuren en vondsten verwijzen naar deze historie. Dit verhaal wordt rijk geïllustreerd door het vondstmateriaal uit de vele ongeschonden afvalcontexten. Een tweede aspect die het project Dokkershaven zo veelbetekenend maakt, zijn de goede conserveringsomstandigheden van zowel de structuren, het vondstmateriaal als de organische monsters. Niet alleen omdat de vondstcontexten, meestal afvallagen in beerbakken en tonputten, bijna per definitie een schatkamer aan informatie kunnen opleveren. Maar voornamelijk omdat dit terrein door de plaatfunderingen van de 20e-eeuwse havenloodsen decennia lang beschermd is gebleven voor schatgravers en andere verstoringen. De uitdaging om deze contexten ook tijdens de opgravingen te vrijwaren – de nachtelijke ‘concurrentie’ lag immers steeds op de loer – hebben we ten volle moeten aangrijpen. Ten derde vormt het huidige onderzoek een interdisciplinair geheel. De mogelijkheid om de opgegraven skeletten gedetailleerd te bestuderen tijdens de uitwerking van het project vormde daarbij een belangrijk aspect. Behalve het onderzoek naar de Nieuwe tijd begraafplaatsen van de Dokkershaven werd ook de uitwerking van de in 2005 opgegraven skeletten van de Oude Markt meegenomen bij dit onderzoek. Op die manier kon een beeld van ruim zes eeuwen Vlissingen worden gereconstrueerd, van de 14e tot en met de 19e eeuw.
Tijdens het project Dokkershaven is er bijna een hectare stadskern van de stad Vlissingen onder de loep genomen. Binnen dit onderzoeksgebied vielen restanten van drie kerken (de Engelse kerk, de Waalse kerk en de Gereformeerde kerk), begraafplaatsen en tientallen percelen met woningen en pakhuizen. In het eerste onderzoeksvlak werd aandacht besteed aan het documenteren van de bouwhistorische elementen. Vervolgens werd een tweede vlak aangelegd onder deze structuren om de afvalcontexten (beerbakken, tonputten en vondstlagen) van deze panden in kaart te brengen. De goede bewaaromstandigheden en gaafheid van deze contexten maakte het mogelijk om op ruime schaal onderzoek te doen naar zeer uiteenlopende aspecten van de bewoners van de wijk. Een ander belangrijk aspect van het onderzoek was gericht op de fysische antropologie. Binnen het onderzoeksgebied werden representatieve steekproeven van de populaties verzameld van de diverse begraafplaatsen (graftombes binnen de Engelse, begravingen binnen de Waalse kerk en op het kerkhof rondom de Engelse kerk). De onderzoekshypothese was dat de diversiteit van deze populaties zich ook zou vertalen in het skeletmateriaal. Ter aanvulling op deze studie werden ook de skeletten van de opgraving van de oudere begraafplaats op de Oude Markt meegenomen bij de uitwerking. De individuen begraven binnen de beide kerken andere kenmerken dan de overledenen die op het kerkhof lagen: de skeletten binnen de kerken waren gemiddeld groter en vertoonden sporen van welvaartsziektes. Op het kerkhof, waarvan uit archieven bekend is dat er zich ook massagraven bevonden, werden de minderbedeelden bijgezet: deze waren kleiner en hadden veel vaker aan deficiëntieziektes geleden. Ook op basis van het vondstmateriaal kan de 17e eeuw duidelijk worden onderscheiden van de voorafgaande en de latere periodes. Terwijl we op het eind van de 16e eeuw reeds een groeiend aandeel herkennen van geïmporteerde producten, bereikt dit fenomeen een hoogtepunt in de eerste helft van de 17e eeuw. Niet alleen het vondstmateriaal vertoont een meer divers karakter, ook het voedselverbruik weerspiegelt de internationale contacten van de stad. Maar binnen de wijk langs de Dokkershaven is er tevens een onderscheid te maken tussen de relatief sobere levenskwaliteit van de arbeiders en de meer luxueuze uitwasemingen van de gegoede klasse langs de Dokke. Het mag echter duidelijk zijn dat in die periode ook de minderbedeelden niet hoefden te overleven op haring en brood. Bovendien neemt vanaf deze periode ook het tabaksverbruik een hoge vlucht. Opnieuw blijkt dat de Vlissingse pijproker geen genoegen nam met het meest goedkope materiaal.
Op bouwhistorisch vlak kon de opgraving eveneens een aantal nieuwe inzichten verschaffen. Zo konden we in samenwerking met de Walcherse Archeologische Dienst een deel van de ‘Doksluis’ in kaart brengen. Deze sluis bediende de watermolen op de Steenen Beer door gebruik te maken van het getijdenverschil tussen de toen nog afgesloten Dokkershaven en de Marinehaven ten oosten daarvan. Nieuwe inzichten zijn ook verkregen in de opbouw en exacte locatie van de dwangburcht van Alva. Wellicht was deze citadel nog in volle aanbouw, toen in 1572 de macht werd overgenomen door de bevolking. Delen van het huidige stratenplan weerspiegelen nog de vorm van de toenmalige bastions en van de interne indeling van de citadel. Deelgebied A bevond zich grotendeels ter hoogte van de wal van het noordwestelijke bastion van de citadel; onmiddellijk ten noorden ervan bevond zich de omgrachting. Van de opgegraven percelen waren er opvallend veel structurele restanten bewaard in bepaalde zones. Op die manier beschikten we niet alleen over de afvalcontexten met vondstmateriaal, maar ook over delen van de bovengrondse structuren, waardoor er een inzicht kon worden verkregen in de interne indeling en zelfs decoratie van de woningen. De langwerpige percelen langs de noordzijde van de Wagenaarstraat hadden bijvoorbeeld een drieledige opbouw, met een gang langs de zuidwestelijke zijde, terwijl de woningen langs de Koudenhoek en langs de zuidoostzijde van de Dokke meer diversiteit in hun opbouw vertoonden. Aanvullend op de fysisch antropologische studie van het skeletmateriaal zal een DNA-onderzoek worden uitgevoerd.
Aan de hand van de minuutplannen uit de 19e eeuw konden de opgegraven sporen en vondstcomplexen gekoppeld worden aan specifieke percelen. Dankzij de nog bestaande Registers van Huiseigenaren was het vervolgens mogelijk om voor de periode 1610-1810 de opeenvolgende eigenaren van deze percelen te achterhalen. Op die manier konden de meeste vondstcontexten in verband worden gebracht met een specifieke naam of namen. In de meeste gevallen is verder onderzoek nodig om meer informatie te achterhalen over die personen en om na te gaan of het desbetreffende pand ook daadwerkelijk door hen werd bewoond. Maar bij een paar voorbeelden kon meer in detail worden ingegaan op de betreffende eigenaren van de panden.edition: 1ststatus: Publishe
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Variations on the Author
“Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship
Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis
We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis
Dispelling the Myths Behind First-author Citation Counts
We conducted a full-scale evaluative citation analysis study of scholars in the XML research field to explore just how different from each other author rankings resulting from different citation counting methods actually are, and to demonstrate the capability of emerging data and tools on the Web in supporting more realistic citation counting methods. Our results contest some common arguments for the continued
use of first-author citation counts in the evaluation of scholars, such as high correlations between author rankings by first-author citation counts and other citation
counting methods, and high costs of using more realistic citation counting methods that are not well-supported by the ISI databases. It is argued that increasingly available digital full text research papers make it possible for citation analysis studies to go beyond what the ISI databases have directly supported and to employ more
sophisticated methods
koamabayili/VECTRON-author-checklist: VECTRON author checklist
We have done our best to complete the author checklist relating to the use of animals in the hut study. Note that the objective for the hut study was to evaluate the IRS treatment applications for residual efficacy against Anopheles mosquitoes, including the local An. coluzzii mosquito population. Cows were only used to attract mosquitoes into the huts and no tests were carried out directly on the cows. The author checklist is intended for use with studies where experiments are carried out on animals, which is why we have had such difficulty in completing this for the hut study, as many of the questions do not relate to how the cows were used
Author-wise bibliometric analysis based on entropy.
Author-wise bibliometric analysis based on entropy.</p
Author Under Sail The Imagination of Jack London, 1893-1902
In Author Under Sail, Jay Williams offers the first complete literary biography of Jack London as a professional writer engaged in the labor of writing. It examines the authorial imagination in London's work, the use of imagination in both his fiction and nonfiction, and the ways he defined imagination in the creative process in his business dealings with his publishers, editors, and agents. In this first volume of a two-volume biography, Williams traverses the years 1893 to 1902, from London's "Story of a Typhoon" to The People of the Abyss. The Jack London who emerges in the pages of Author Under Sail is a writer whose partnership with publishers, most notably his productive alliance with George Brett of Macmillan, was one of the most formative in American literary history. London pioneered many author models during the heyday of realism and naturalism, blurring the boundaries of these popular genres by focusing on absorption and theatricality and the representation of the seen and unseen. London created an impassioned, sincere, and extremely personal realism unlike that of other American writers of the time. Author Under Sail is a literary tour de force that reveals the full range of London as writer, creative citizen, and entrepreneur at the same time it sheds light on the maverick side of machine-age literature.Intro -- Title Page -- Copyright Page -- Dedication -- Contents -- Acknowledgments -- Introduction -- 1. Spirit Truth -- 2. From Absorption to Theatricality and Back Again -- 3. "I Will Build a New Present" -- 4. Sons as Authors -- 5. Fathers as Publishers -- 6. The Daughter as Author -- 7. Lovers as Authors -- 8. At Sea with the Family -- 9. Yellow News, Yellow Stories -- 10. The Return Home -- Notes -- Bibliography -- Index -- About Jay WilliamsIn Author Under Sail, Jay Williams offers the first complete literary biography of Jack London as a professional writer engaged in the labor of writing. It examines the authorial imagination in London's work, the use of imagination in both his fiction and nonfiction, and the ways he defined imagination in the creative process in his business dealings with his publishers, editors, and agents. In this first volume of a two-volume biography, Williams traverses the years 1893 to 1902, from London's "Story of a Typhoon" to The People of the Abyss. The Jack London who emerges in the pages of Author Under Sail is a writer whose partnership with publishers, most notably his productive alliance with George Brett of Macmillan, was one of the most formative in American literary history. London pioneered many author models during the heyday of realism and naturalism, blurring the boundaries of these popular genres by focusing on absorption and theatricality and the representation of the seen and unseen. London created an impassioned, sincere, and extremely personal realism unlike that of other American writers of the time. Author Under Sail is a literary tour de force that reveals the full range of London as writer, creative citizen, and entrepreneur at the same time it sheds light on the maverick side of machine-age literature.Description based on publisher supplied metadata and other sources.Electronic reproduction. Ann Arbor, Michigan : ProQuest Ebook Central, YYYY. Available via World Wide Web. Access may be limited to ProQuest Ebook Central affiliated libraries
- …
