1,720,952 research outputs found
Van motor tot model: Het maken van een simulatiemodel van een dieselmotor met het computerprogramma WAVE
Veel motorenfabrikanten maken gebruik van computerprogramma's om het gedrag van dieselmotoren in ontwerp- en onderzoekfases te kunnen simuleren. Enerzijds door het betere inzicht dat men krijgt in en tussen fysische grootheden in de motor en anderzijds door het economische aspect: effecten van modificaties of andere ontwerpen kunnen vooraf getoetst en geoptimaliseerd worden, zonder ingrijpende (en dure) verbouwingen aan een motor. De firma Stork Wartsila Diesel (SWD) maakt gebruik van het programma WAVE van Ricardo North America. Het programma is in staat met een model van een dieselmotor simulatieberekeningen uit te voeren met betrekking tot de dynamica van drukken en temperaturen, verbrandingsprocessen en energie-overdracht bij een ingestelde belastingstoestand. De vierdejaarsopdracht, uitgevoerd bij de firma SWD, had als doe het maken van een werkend motormodel van de dieselmotor 6L38 van SWD met dit programma WAVE. Uitgangspunt voor de modelvorming is de onderdelen die de gassenstroom (lucht en afvoergassen) passeert, op te vatten als een netwerk van leidingen verbonden middels knooppunten. Middels constructietekeningen van de motor kan zo een model worden opgebouwd. Een referentiemeting doet dienst om in de ontwerpfase van het model het ten aanzien van vormgeving en performance te kunnen toetsen. De dieselmotor 6L38 is voorzien van een drukvulgroep. Door de wederzijdse afhankelijkheid van het gedrag van motor en drukvulgroep is eerst een model gemaakt zonder drukvulgroep en nadat deze kloppend gemaakt is, is de drukvulgroep van het model toegevoegd. Bij het kloppend maken en toetsen van het motormodel is, doordat WAVE niet beschikt over een goed werkend verbrandingsmodel, gebruik gemaakt van een ingevoerd heatreleaseprofiel om het verbrandingsproces te berekenen. Dit profiel is berekend uit de meetgegevens van de meting die gesimuleerd werd. Met de gevolgde methode is een motormodel tot stand gekomen dat voor een reeks van belastingen goede resultaten bereikt. Het is daarbij echter niet gelukt de lage druklussen van metingen en simulaties in overeenstemming te krijgen. Het motormodel dat met dit programma is gemaakt, heeft als nadeel dat door de tekortkomingen van het verbrandingsmodel het niet mogelijk is nauwkeurige uitspraken te doen omtrent in-cilindrische processen en de daarmee samenhangende parameters, zoals bijvoorbeeld vorming van NOx.Mechanical, Maritime and Materials EngineeringMarine and Transport TechnologyShip Design, Production and OperationOEMO 95/0
Gender and technology in the East Midlands boot and shoe industry : 1850-1911
Many scholars now consider that gender is an important category in historical study,
but unfortunately many do not practice what they preach. Feminists have recognised
for some time the importance of some form of historical analysis to feminism, or at
least what Judith Allen calls 'a historically grounded feminism'. The protagonists in
the debate disagree considerably, however, over the methodology which feminist
historians should adopt. The various positions taken up have led to a schism between
those who believe the feminist challenge to mainstream, or what Elizabeth Fox-
Genovese calls 'official' history, should be mounted from within the discipline of
history or from outside it. Judith Allen claims that the work which has been done in
women's history to date serves to raise considerable doubt that accepting the
discipline of history as presently constituted is a viable option for feminism. She sees
the phallocentric characteristics of history as an obstacle to feminists using history.
Allen feels that 'no less than Marxism, feminism is opposed by professional historians
as an ahistorical grid of abstraction and prescription, threatening the integrity of the
historical evidence.
The impact of the global movement of open access (OA) on OA publishing for Canadian government science researchers
Open access (OA) has been an enabling and accelerating factor for a more open scientific discovery process. In March 2011, the Government of Canada announced its commitment to Open Government along three streams: open information, open data, and open dialogue. The tenth anniversary statement of the Budapest Open Access Initiative has also encouraged many academic institutions to adopt and implement OA policies and best practices. This case study explores the global OA movement’s impact on researchers from federal science departments and agencies. The authors will assess whether mandates in OA and Open Science (OS) initiatives have led to a growth of Open Government resources and how the availability of open publications contributes to research impact assessment and impacts researchers at all stages of their careers. The authors use the Web of Science (WoS) Core Collection to locate OA publications by federal government scientists and citation trends among the OA types. WoS and InCites Benchmarking & Analytics are used to compare the growth of OA publications against key dates identified by the OA movement and Canada’s OS initiatives. Science librarians and information professionals are increasingly well versed in how OA opens up new areas of activity and accelerates innovation across disciplines. However, our knowledge of OA publishers of high impact in science disciplines, and experiences with federal S&T activities reporting and publishing through OA are limited. We hope to develop an enhanced understanding of the current OA landscape and the requirements for a government research system that supports OA and OS.Conference presentation/proceeding
Assessing the Susceptibility of Existing Pipelines to Hydrogen Embrittlement
With fossil fuels being phased out and growing global interest in a hydrogen economy, there is demand for re-purposing existing pipelines for transportation of hydrogen gas. However, hydrogen embrittlement (HE) can limit pipeline steel’s performance. In this study, the effect of hydrogen on the mechanical properties of an X60 base metal (polygonal ferrite/pearlite) and its girth weld (acicular ferrite/pearlite) was measured with a novel slow strain rate tensile (SSRT) test in which hollow pipe-like specimens were internally pressurised with nitrogen and hydrogen gas from 0 to 100 bars. Results showed that exposure to H2 gas at 100 bars reduced the ductility of the base metal by up to 40% and the weld metal by 14%. Reduction in cross-sectional area (%RA) reduced by up to 28% in the base metal and 11% in the weld metal. Fracture surface analysis showed micro-void coalescence as well as quasi-cleavage fracture characteristic of HE. Susceptibility to HE was also observed in the form of secondary longitudinal and internal transverse cracks.Green Open Access added to TU Delft Institutional Repository 'You share, we take care!' - Taverne project https://www.openaccess.nl/en/you-share-we-take-care Otherwise as indicated in the copyright section: the publisher is the copyright holder of this work and the author uses the Dutch legislation to make this work public.Team Vera PopovichShip Hydromechanics and Structure
De Moving-Boat Methode: Debietmeting met een varende boot
De nota bestaat uit drie delen: - Deel I: Hoofdrapport (Beek_van1994a.pdf) - Deel II: Appendices A t/m F (missing) - Deel III: Appendices G t/m L (Beek_van1994b.pdf) SAMENVATTING Het meten van debieten in rivieren, estuaria en dergelijke is van essentieel belang voor het ontwerpen van civieltechnische werken en ter ondersteuning van het beheer. Een van de methodes die in Nederland tot nu toe nauwelijks wordt toegepast, is de moving boat-methode: een vaartuig vaart dwars over de rivier en verzamelt meetgegevens, waarmee het debiet wordt berekend. Het doel van het onderzoek is weer te geven hoe en met welke nauwkeurigheid het debiet volgens deze methode bepaald kan worden. Daarbij spelen ook praktische aspecten van deze methode een belangrijke rol. Het onderzoek valt in drie delen uiteen: 1. een systematische analyse van de moving boatmethode; 2. een statistische analyse van de praktisch haalbare nauwkeurigheid; 3. toepassing van de methode in de rivieren Lek, Noord en Nieuwe Maas, waarbij theoretische en praktische aspecten worden getoetst
Doorsteek Maasvlakte 1 & 2
Maasvlakte 2 is het project waarmee de haven van Rotterdam wordt uitgebreid. Het sluit direct aan op de huidige Maasvlakte. De havenbekkens van beide Maasvlaktes worden verbonden door de Yangtzehaven in westelijke richting door te steken naar Maasvlakte 2. De doorsteek bestaat uit een voorfase waarin een kanaal wordt gegraven ten behoeve van de lozing van koelwater van de E-on centrale, de zogenaamde tijdelijke doorsteek. Na de voorfase zal de volledige doorsteek worden gerealiseerd en is Maasvlakte 2 nautisch bereikbaar. Door de verbinding van de havenbekkens zal het getijvolume naar de Maasvlaktes toenemen waardoor de stromingssituatie in de vaarwegen naar Maasvlakte 2, de Yangtzehaven en rond de Papegaaiebek, abrupt verandert. Loodsen en schippers zullen zich moeten kunnen aanpassen aan deze nieuwe situatie. De hoofddoelstelling van deze studie is om te bepalen wat er verandert aan de stromingssituatie in de vaarroute naar Maasvlakte 2 door het verbinden van de havenbekkens, of er nadelige effecten ontstaan voor de scheepvaart en hoe hier met eventuele aanvullende maatregelen op kan worden geanticipeerd. De gedefinieerde subdoelen moeten antwoord geven op de vragen of de oplossing voor de tijdelijke doorsteek goedkoper kan worden uitgevoerd, of met een alternatief ontwerp een gunstiger stroombeeld voor de scheepvaart gecreëerd kan worden en wat de meest gunstige omstandigheden zijn om de doorsteek te realiseren. Om bovengenoemde redenen zijn voor deze studie beide fases van de doorsteek onderzocht en vergeleken met de situatie voor de doorsteek. De stroming voor deze drie situaties is gemodelleerd met het driedimensionale numerieke model Delft3D-FLOW. De getijbeweging door de tijdelijke doorsteek veroorzaakt gedurende eb en aansluitende agger periode een zone van verhoogde stroomsnelheden in de Yangtzehaven. Door het vertragen van de stroming wordt deze instabiel en ontstaat neervorming in de Yangtzehaven. De afmeermanoeuvre die schepen hier moeten maken wordt hierdoor waarschijnlijk nadelig beïnvloed. Door verdere toename van het getij volume ten gevolge van het volledig doorgesteken van de Yangtzehaven zijn de stroomsnelheden maatgevend vanaf het begin van de Yangtzehaven en rond de Papegaaiebek. Schepen moeten hier een bocht van 180° maken om Maasvlakte 2 te bereiken en door de complexe stromingssituatie kan het zijn dat de maatgevende krachten op het schip voor verschillende diepgangen van schepen anders is georiënteerd. Onder normale omstandigheden wordt hier geen hinder verwacht voor de scheepvaart. Op basis van het ontwikkelen en vergelijken van een aantal alternatieven voor de tijdelijke doorsteek is geconcludeerd dat de tijdelijke doorsteek waarschijnlijk niet goedkoper kan worden uitgevoerd maar dat met redelijk beperkte aanpassingen wel gunstigere afmeeromstandigheden gecreëerd kunnen worden. Door een afgemeerd schip aan de Euromaxkade op te nemen in het stromingsmodel is bepaald dat de aanwezigheid van het schip een aanzienlijke invloed heeft op het stromingspatroon in de Yangtzehaven. De maximale stroomsnelheid neemt niet toe, er worden wel meer neren gevormd maar de maximale dwarsstroomsnelheden nemen af. De krachten op het schip blijven binnen de gestelde toleranties van de afmeerconstructie maar variaties in de krachten en het moment op het afgemeerde schip ten gevolge van de zone met verhoogde stroomsnelheden zijn een indicatie dat de efficiëntie gedurende het laden en lossen mogelijk achteruit gaat. De doorsteek procedure vergt een goede voorbereiding en afstemming van zowel de werkzaamheden rond het sluitgat als de realisatie van het koelwater kanaal. Zodoende kan worden voorkomen dat het waterpeil in de havenbekkens van Maasvlakte 2 te hoog stijgt waardoor de afvoer van het koelwater wordt belemmerd. Om te voorkomen dat de stroomsnelheden in de Yangtzehaven erg hoog worden en dat er veel zand mee stroomt, zal de tijdelijke doorsteek gerealiseerd moeten worden als het waterpeil in de Yangtzehaven hoger is dan in de Maasvlakte 2 bekkens. Vanuit het oogpunt van de koelwater criteria is het raadzaam om de tijdelijke doorsteek in de winter te realiseren, als het water in de havens verder is afgekoeld en bij doodtij als de stroomsnelheden lager zijn.Ports and WaterwaysHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Revving up Rider Safety: Reducing the Risk of Hindfoot Hyper-Rotation in the MotoGP
REV’IT! would like their first road racing boot on the racetrack before the racing season 2024 for the riders they sponsor in the MotoGP Championship. These riders wear everything REV’IT! from the neck down, except for boots. For boots, they currently have to arrange another sponsor deal with one of the direct competitors of REV’IT!. As contact is already there, the risk of losing the riders to these competitors for the entire sponsor package increases. REV’IT! has experience developing adventure bike boots, race gloves and race suits, but not in terms of motorcycle racing boots. Research, designing, and testing had to be done to get from this point to a race-ready product. This project served as a jump start in this process. The initial goal was to find and dive into a design problem for a concept of a boot subsystem by executing different types of analyses to pinpoint current areas of improvement based on experience with competitor boots and create a list of requirements and an overview of the design drivers. As REV’IT! stands for quality, technical innovation and solving user problems, it would be fitting to make a boot that is not only as good as its competition but also has an answer for the problems indicated by the riders. The necessary data was collected through interviews with experts, a co-creation and Q&A session and interviews with the REV’IT! Riders, brainstorming sessions, questionnaires, and literature research. Besides the boot requirements and design drivers, four potential research areas surfaced. With the use of an evaluative method, the choice was made to focus on improving the current ankle brace design to be better at protecting the riders against hyper-rotation injury. The problem statement became: “Limiting the damage caused by hyper-rotation of the joints of the lower limb of REV’IT!’s MotoGP riders during a crash with a lightweight, low-profile solution that does not cause any discomfort in terms of pressure or donning and doffing, and does not limit the rider in their freedom of movement and the tactile feel to a noticeable extend.”With in-depth research, ideation, calculations, prototyping, tests and multiple iterations, a final concept was generated that limits hyper-rotation in the direction of inversion and eversion even when combined with plantar and dorsiflexion. 2.1 (when plantar flexed), 7.0 (when neutral), and 3.7 (when dorsiflexed) times more force is required to invert this brace compared to the brace of one of the best racing boots currently available. Meaning this brace absorbs more impact energy during a crash. The concept combines a comfortable, lightweight and low-profile pivoting 3D printed PA11 hard part based on a 3D scan of the rider with six reinforcing Dyneema® strings that mimic the ligamentous structures of the ankle in terms of placement and functionality. It allows for the complete active range of motion in the direction of plantar and dorsiflexion while limiting inversion and eversion in all flexion positions. The strings allow for the personalisation of the amount of limitation based on rider anatomy and preferences.Integrated Product Desig
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
- …
