262 research outputs found
Geven van tijd: vrijwilligerswerk
In 2012 doet naar schatting 38% van de Nederlanders vrijwilligerswerk. Dit percentageis gedaald sinds 2010, toen het nog 41% bedroeg. De vrijwilligers besteden gemiddeld 21 uur per maand aan vrijwilligerswerk, iets meer dan in 2010. De meeste vrijwilligers zijn nog steeds te vinden in de sector sport (11% van de bevolking), gevolgd door kerk en levensbeschouwing (7%), gezondheid, recreatie/hobby en scholen (elk 5%). De meeste vrijwilligers houden zich bezig met bestuurlijke taken, kantoorwerk en administratie, klussen, advies en training geven of vervoer bieden. Steeds minder vrijwilligers houden zich bezig met fondsenwerven. Vrijwilligers hebben zich in de afgelopen jaren gespecialiseerd en concentreren zich op een kleiner aantal taken. Het deel van de vrijwilligers dat zich met drie of meer soorten taken bezig houdt is afgenomen van ongeveer de helft in 2002 naar iets meer dan een kwart in 2012. Vrijwilligers zien het vaakst voordelen van vrijwilligerswerk op het terrein van leren, waarden, en zelfbevestiging. Carrièremotieven worden minder vaak genoemd. Vrijwilligers zeggen minder vaak dan voorheen dat ze actief zijn om hun betrokkenheid te tonen, in lijn met de afname van prosociale waarden die we ook in hoofdstuk 1 zagen. Het carrièremotief is ondanks de crisis en de opgelopen werkloosheid niet populairder geworden. Het vrijwilligerswerk trekt ook niet aan door de crisis. Wel blijkt dat vrijwilligers die carrièremotieven noemen vaker betaald werk vinden. Vrijwilligers worden gekenmerkt door een hoger dan gemiddeld opleidingsniveau, een hogere leeftijd, een kerkelijke achtergrond en prosociale waarden zoals vertrouwen in andere mensen, altruïstische waarden, empathie en het principe van zorg — de morele overtuiging dat je mensen moet helpen die dat nodig hebben. Door deze waarden houden vrijwilligers zich bovendien vaker dan niet-vrijwilligers bezig met andere vormen van prosociaal gedrag, zoals vrienden en bekenden steunen, informele zorg en hulp bieden aan vreemden
Geven door huishoudens
De totale waarde van giften van geld en goederen door Nederlandse huishoudens bedraagt in 2009 € 1.938 miljoen. Het bedrag is vrijwel gelijk aan het bedrag over 2007 (€ 1.945 miljoen). Gecorrigeerd voor de infl atie in de afgelopen jaren is de waarde van de giften en goederen die zijn gegeven door huishoudens in Nederland licht gedaald (-4,2%). De giften van huishoudens vertegenwoordigen 0,34% van het BBP. Gemiddeld geven alle huishoudens in 2009 giften in de vorm van geld ter waarde van € 210. Dit bedrag is vergeleken met 2007 gedaald met 9% en is terug op het niveau van 2005. 87% van de Nederlandse huishoudens geeft geld aan goededoelenorganisaties. Hoewel de waarde van giften aan organisaties op het gebied van kerk en levensbeschouwing is gedaald ontvangen zij nog steeds het grootste gedeelte van alle giften van huishoudens (43%). Organisaties op het terrein van internationale hulp en gezondheid ontvangen elk 15% van de giften. Op lokaal niveau wordt het vaakst gegeven aan organisaties in de sector sport. Giften aan lokale initiatieven voor internationale hulp volgen op de tweede plaats maar zijn minder populair geworden (van 10% naar 7%). Nederlandse huishoudens geven nog vaak op traditionele manieren zoals de huis aan-huis collecte en direct mail, maar deze manieren van geven worden wel minder gangbaar. Nog steeds geven huishoudens het vaakst via een collecte aan de deur (83%), maar deze manier van geven is minder populair geworden. In 2005 gaf nog 90% op deze manier. Direct mail levert ook minder vaak giften op (17% in 2009 tegen 27% in 2005). Slechts 8% geeft in 2009 via internet. Voor autochtonen is een profiel gemaakt van huishoudens die vaker en meer geven. De respondenten in deze huishoudens zijn ouder, hebben een middelbare of hogere opleiding, een gemiddeld of hoger inkomen, een eigen huis, zijn protestant en gaan frequenter naar de kerk. Deze huishoudens worden vaker gevraagd door goededoelenorganisaties om giften te doen, ervaren meer sociale druk om te geven, en hebben meer vertrouwen in goededoelenorganisaties. Bovendien vinden de respondenten in deze huishoudens het belangrijker om anderen te helpen en voelen zij zich meer verantwoordelijk voor de samenleving als geheel. Geefgedrag is een uiting van deze betrokkenheid. Nederlanders spreken weinig met anderen over geven aan goededoelenorganisaties en weten dan ook meestal niet wat anderen geven. Het geefgedrag van anderen wordt onderschat. Er zijn meer Nederlanders die veel of erg veel vertrouwen hebben in goededoelenorganisaties dan Nederlanders die geen of weinig vertrouwen hebben. Huishoudens die meer vertrouwen kregen in goededoelenorganisaties en die de indruk hebben gekregen dat andere huishoudens meer zijn gaan geven, zijn zelf ook meer gaan geven. Onder alle huishoudens is het vertrouwen in goededoelenorganisaties gedaald, terwijl Nederlanders positiever zijn gaan denken over het geefgedrag van anderen. Het negatieve effect van het dalende vertrouwen en het positieve effect van de hogere verwachtingen houden elkaar ongeveer in evenwicht, waardoor het geefgedrag gemiddeld niet veranderd is
The philanthropy scale: a sociological perspective in measuring new forms of pro social behaviour
Philanthropy re-appears on the public stage. It has become part again of daily life in most
industrialized countries. Growing wealth, uneven distributed, evokes the philanthropic
response. The media attention for donors as Gates and Buffet may proof this. But also the plea
for a “civil society” in Western European welfare states and the founding of the Volunteering
and Charitable Giving Unit in the P.M. Cabinet in the UK (2005) show a shift from state
responsibility into the direction of “market” and “philanthropy”. The European Commission
launched December 2007 the “European Forum on Philanthropy and Research Funding”.
Giving Campaigns have been started in France and the UK , the release of Clinton’s book
Giving (2007), the fast growth of community foundations and family foundations
(Gouwenberg et al 2007), these facts and actions all show a strong and renewed appearance of
philanthropy in industrialized economies.
Scholars follow and rediscover philanthropy as an interesting domain of research (Bekkers
and Wiepking 2007). They stem from different academic disciplines and cover a wide range
and different aspects of the phenomenon. Psychologists, economists, sociologists,
anthropologists, all strive to discover the underlying incentives, facilitators and motivators of
philanthropic behavior.
These developments at the academia side as well as at the philanthropic practice, amplify each
other. A first question emerges “how may the appearance of a new kind of philanthropy be
explained?” and “how may this new kind of philanthropy be defined?”
[...]
Geven in Nederland 2009 : Giften, Nalatenschappen, Sponsoring en Vrijwilligerswerk
Voorwoord 5
Samenvatting van de belangrijkste bevindingen 10
Inleiding 18
Door Th.N.M. Schuyt
Deel A Bronnen van de bijdragen 25
Hoofdstuk 1 Geven door huishoudens en individuen 27
Door R.H.F.P. Bekkers, P. Wiepking, E. Boonstoppel
Hoofdstuk 2 Nalatenschappen 51
Door E.E. Mariani en Th.N.M. Schuyt
Hoofdstuk 3 Geven door fondsen 57
Door B.M. Gouwenberg
Hoofdstuk 4 Giften en sponsoring door bedrijven 64
Door T.C. de Gilder en Th.N.M. Schuyt
Hoofdstuk 5 Geven door goededoelenloterijen 83
Door Th.N.M. Schuyt en B.M. Gouwenberg
Hoofdstuk 6 Geven van tijd: vrijwilligerswerk 88
Door R.H.F.P. Bekkers en E.J. Boezeman
Geven in Nederland_2009BOEK.indb 7 06-05-2009 17:08:16
8
Deel B Doelen waaraan gegeven wordt 103
Door Th.N.M. Schuyt, B.M. Gouwenberg, R.H.F.P. Bekkers,
P. Wiepking, E. Boonstoppel, T.C. de Gilder en E.E. Mariani
Hoofdstuk 7 Kerk en levensbeschouwing (religie) 107
Hoofdstuk 8 Gezondheid 114
Hoofdstuk 9 Internationale hulp 119
Hoofdstuk 10 Milieu, natuurbehoud en dierenbescherming 124
Hoofdstuk 11 Onderwijs en onderzoek 129
Hoofdstuk 12 Cultuur 134
Hoofdstuk 13 Sport en recreatie 139
Hoofdstuk 14 Maatschappelijke en sociale doelen (nationaal) 145
Deel C Specials 151
Hoofdstuk 15 Wat en hoe geven jongeren? 153
Door R.H.F.P. Bekkers en P. Wiepking
Hoofdstuk 16 Geefgedrag van niet-westerse allochtonen 161
Door C.L. Carabain
Hoofdstuk 17 Gebruik van de giftenaftrek in Nederland, 1977-2007 176
Door R.H.F.P. Bekkers en E.E. Mariani
Hoofdstuk 18 Fondsenwerving in tijden van crises 186
Door R.H.F.P. Bekkers
Bijlage Methodologische verantwoording 197
Geven van tijd: vrijwilligerswerk
In 2010 doet 41% van de Nederlandse bevolking vrijwilligerswerk. In vergelijking met voorgaande jaren laten de cijfers een vrij stabiel beeld zien. De vrijwilligers die actief zijn besteden gemiddeld ongeveer 19 uur per maand aan vrijwilligerswerk. Het aantal uur is ongeveer gelijk gebleven. Vrijwilligers zijn het vaakst actief in de sector sport (12%), gevolgd door religie en levensbeschouwing (7%), gezondheid, recreatie/hobby en scholen (elk 6%). Bestuurswerk en fondsenwerving zijn minder populaire taken onder vrijwilligers in 2010 dan in voorgaande jaren. Er is een stijging te zien van het aandeel van de vrijwilligers dat bezig is met vervoer bieden, training of scholing en verzorging, en een daling bij informatie of advies geven en persoonlijke raadgeving. Vrijwilligers zien vaak voordelen van hun vrijwilligersactiviteiten die liggen op het terrein van leren, waarden en zelfbevestiging. Minder vrijwilligers (34%) vinden dat vrijwilligerswerk een prettige afl eiding is van de eigen problemen en dat vrijwilligerswerk goed staat op het CV (32%). Vrijwilligers zijn wat vaker trots op hun vrijwilligerswerk dan twee jaar geleden. Vrijwilligerswerk wordt in Nederland vaker gedaan door hoger opgeleiden, door personen zonder betaald werk (vooral gepensioneerden), door kerkelijke mensen, vooral met een protestantse achtergrond, mensen met kinderen en door ouderen. De meeste vrijwilligers zijn gevraagd om actief te worden. Zij ervaren ook een grotere sociale druk om vrijwilligerswerk te doen dan niet-vrijwilligers. Daarnaast zijn Nederlanders vaker actief in het vrijwilligerswerk wanneer zij het belangrijker vinden om anderen te helpen. Nederlanders beginnen vaker aan vrijwilligerswerk wanneer ze hoger opgeleid zijn en een protestantse achtergrond hebben. Inwoners van grote steden en mensen die persoonlijk gevraagd worden om vrijwilligerswerk te doen stoppen minder vaak. Hoger opgeleiden stoppen even vaak als lager opgeleiden. Protestanten stoppen minder vaak met vrijwilligerswerk dan onkerkelijken. Een sterker gevoel van verantwoordelijkheid voor de samenleving als geheel vermindert eveneens de kans om te stoppen met vrijwilligerswerk
- …
