1,725,610 research outputs found
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
Ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning heeft BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Boseind 10 te Boxtel.
Voor dit gebied geldt op basis van het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting voor de periode paleolithicum tot en met de nieuwe tijd en met name de Romeinse tijd. en In de directe omgeving van het plangebied, met name ten westen daarvan, zijn namelijk onder meer een fragment van een munt en verschillende fragmenten gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd gevonden. Het noordwestelijke deel van het plangebied valt deels binnen het voormalige buurschap Boscheind. De inmiddels gesloopte bebouwing van dit buurschap heeft mogelijk voorgangers uit de late middeleeuwen. Derhalve geldt ook een hoge verwachting voor resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd.
De recent gesloopte bebouwing binnen het plangebied dateert uit de jaren ’60 en ‘80 van de vorige eeuw. In die tijd was het gebruikelijk om de bouwput uit te graven en op staal te funderen, waardoor eventuele oppervlakkige archeologisch resten vernietigd zullen zijn. Indien de bodem niet verstoord is, kunnen beekeerdgronden en enkeerdgronden verwacht worden.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de bovengrond in het hele plangebied minstens 40 cm tot meer dan een meter diep sterk is verstoord. In een cluster van drie naast elkaar liggende boringen is de bodem niet diep tot in de C-horizont geroerd (top C-horizont 60 cm –mv onder de voormalige bouwvoor). Deze zone is op bijlage 3 aangeduid met een hoge archeologische verwachting en heeft een oppervlakte van circa 3100 m².
Of daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn, is niet met zekerheid te zeggen. Echter op basis van de aanwezigheid van de (deels) intacte bodem en waarnemingen in de directe omgeving bestaat een gerede kans op het aantreffen van archeologische resten vanaf het de steentijd tot en met de nieuwe tijd.
Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen voorkomen vanaf circa 60 cm –mv. In één boring (14) is houtskool gevonden, dit houtskool kan een indicator zijn, maar kan evengoed van natuurlijke afkomst zijn.
Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek acht BAAC bv een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek wenselijk. Dit geldt voor de zone met een hoge verwachting waar de grond daadwerkelijk dieper dan 50 cm beneden maaiveld geroerd zal worden
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
In opdracht van de familie Van den Ham heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch veldonderzoek (karterende fase) uitgevoerd voor het plangebied Wijngaard Telgt te Ermelo. Aanleiding voor het onderzoek is het plan om een wijnkelder inclusief wijnproductieplek te realiseren. De verstoring van de bodem zal circa 3 m diep bij 144 m2 bedragen.
In het plangebied geldt op basis van het bureauonderzoek een hoge verwachting op het aantreffen van bewoningsresten uit de periode steentijd – late middeleeuwen voor het gehele plangebied. Mogelijk dat de bodemopbouw in het westelijke deel van het plangebied door de aanwezigheid van een schuurtje plaatselijk verstoord is geraakt.
Uit het veldonderzoek (karterende fase) blijkt dat het plangebied en omgeving wordt gekenmerkt door een 85 tot 110 cm dik esdek. Dit esdek is vanaf de late middeleeuwen geleidelijk aan opgebracht en dekt een oude akkerlaag/cultuurlaag in de top van het aanwezige dekzand af. Het dekzand is circa 0,5 m dik en gaat naar beneden toe over in slecht gesorteerde fluvio(peri)glaciale afzettingen. De bodem is, met uitzondering van een 30 tot 35 cm dikke bouwvoor (Ap-horizont), nog geheel intact aanwezig. Bij controle van het opgeboorde materiaal zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen. In alle boringen zijn één of meerdere fragmenten houtskool aangetroffen. Naast houtskool zijn in de boringen 1 en 4 in de oude akkerlaag (ABp-horizont) tussen 110 en 125 cm –mv fragmenten handgevormd aardewerk aangetroffen uit de late bronstijd tot en met de Romeinse tijd.
Op basis van het inventariserend veldonderzoek (karterende fase) bestaat er een hoge kans op het aantreffen van nederzettings- en/of begravingsresten uit de late bronstijd tot en met de Romeinse tijd binnen het plangebied en naaste omgeving. Conservering van organische resten zal daarbij laag zijn vanwege de relatief lage grondwaterstanden. Gezien de geplande verstoringsdiepte van 3 m – mv (beneden maaiveld) bestaat een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord/vernietigd zullen worden. BAAC bv adviseert om de aanleg van de bouwput archeologisch te begeleiden, conform het protocol opgraven. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een PvE (Programma van Eisen) opgesteld te worden. Dit advies is overgenomen door de gemeente Ermelo
BAAC rapport A-11.0300
Op 24 en 25 oktober 2011 heeft Baac bv een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd in het plangebied Luyksgestel – Kerkstraat/Kapellerweg. Dit onderzoek gebeurde naar aanleiding van de voorgenomen realisatie van nieuwbouw op dit terrein die de eventuele archeologische waarden zal verstoren.
In juli 2009 is door Synthegra bv een bureauonderzoek uitgevoerd. Aangezien het plangebied binnen de historische dorpskern van Luyksgestel ligt, werd een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.
Volgens de IKAW (Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden) van de RCE als de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant geldt vanwege de ligging een onbekende archeologische trefkans. Uit de archieven en ARCHIS II van de RCE blijkt dat in het onderzoeksgebied geen archeologische monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen aanwezig zijn.
Er zijn vijf van de zeven proefsleuven aangelegd in het onderzoeksgebied. Twee proefsleuven konden niet worden onderzocht, omdat deze niet bereikbaar waren. In de proefsleuven is één vlak aangelegd in de C-horizont.
Gedurende het proefsleuvenonderzoek zijn er geen archeologische waarden aangetroffen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat in het verleden archeologische waarden in het plangebied aanwezig waren. Op basis van het uitgevoerde onderzoek in combinatie met de boorgegevens uit het PvE blijkt dat ook ter hoogte van de twee proefsleuven die niet aangelegd konden worden, de bodem diep verstoord is. Alle proefsleuven vertonen verstoringen tot in de C-horizont, op de meeste plaatsen tot zelfs tot zeer diep in de C-horizont. De boorgegevens langs de twee niet aangelegde werkputten vertellen dat de bodem daar verstoord is tot op ongeveer 1,30 meter onder het maaiveld. Het dekzand waarin zich de eventuele sporen bevinden ligt tussen 50 en 80 cm onder het maaiveld.
BAAC bv adviseert dat op basis van deze vaststellingen er geen vervolgonderzoek nodig is en bijgevolg het terrein kan worden vrijgegeven voor civiel-technische werkzaamheden
Thematische collectie: BAAC bv archeologische projecten
Overzicht van de in het e-depot gearchiveerde projecten van Onderzoeks en adviesbureau voor bouwhistorie, archeologie, architectuur- en cultuurhistorie (BAAC bv
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
BAAC bv heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Biomerieux (Boseind) te Boxtel. Aanleiding voor het onderzoek is het plan nieuwe bedrijfspanden en infrastructuur te realiseren.
Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart van Nederland deels in een dalvormige laagte zonder veen en deels in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. In deze afzettingen hebben zich volgens de bodemkaart van Nederland hoge zwarte enkeerdgronden ontwikkeld. Volgens de hoogtekaart ligt het plangebied op de overgang van hoog naar laag, wat van oudsher als een goede plaats voor bewoning werd gezien.
Op de kadastrale kaart van de periode 1811-1832 is te zien dat in het noordelijk deel van het plangebied bebouwing voorkwam met moestuinen. Het overige terrein was in gebruik als bouwland of weiland. Op een topografische kaart uit circa 1900 is minder bebouwing te zien, wat zo schijnt te blijven tot 1972. Op de kaart van 1984 is de bebouwing verdwenen en begint de bebouwing van het bedrijventerrein.
Volgens de gemeentelijke verwachtingskaart heeft het centrale deel van het plangebied een middelhoge verwachting, terwijl de noord- en zuidzijde van het plangebied een hoge verwachting hebben op het aantreffen van archeologische resten. In een eerder uitgevoerd onderzoek zijn ter plekke van het plangebied een Romeinse munt en fragmenten van Romeins aardewerk gevonden. Direct ten zuidwesten van het plangebied is daarnaast een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij een behoudenswaardige vindplaats met nederzettingssporen uit de Romeinse tijd is aangetroffen.
Uit het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat de archeologische verwachting voor het plangebied hoog is. Het gebied was in principe bewoonbaar vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd, waarbij er specifiek een hoge verwachting geldt voor het aantreffen van resten uit de Romeinse tijd.
Tijdens het veldonderzoek bleek dat de top van de huidige bodem in een groot deel van het plangebied verstoord is. Echter, door het plaatselijk opgebrachte bouwzand en het oorspronkelijk aanwezige plaggendek, is de top van de Chorizont in veel gevallen nog (grotendeels) onverstoord aanwezig. In deze Chorizont kunnen zich archeologische sporen bevinden, die door de voorgenomen plannen verstoord zullen worden. In zones waar de top van de C-horizont niet meer intact aanwezig zal zijn, kunnen in principe nog wel diepere sporen bewaard zijn gebleven. Vervolgonderzoek wordt daarom aangeraden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit geldt voor de zones zonder of met enige mate van verstoring waar de grond daadwerkelijk dieper dan 30 cm beneden maaiveld geroerd zal worden. Dit advies wordt onderschreven door de adviseur van de bevoegde overheid
BAAC rapport 05.034
In de periode 10 tot en met 12 januari 2005 is door BAAC bv een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven in het plangebied verricht. Het onderzoek werd uitgevoerd door het bureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie (BAAC bv). De vondst van een versterking met omgrachting uit de dertiende tot en met de vijftiende eeuw was een grote verrassing. Vermoed werd dat het een voorloper betrof van het kasteel dat in 1990 was aangetroffen.
Aangezien het tijdsbestek tussen het IVO en het DAO dermate kort was en omdat het DAO uitgevoerd zou worden door hetzelfde opgraafteam van BAAC bv is in overleg met de opdrachtgever en het bevoegde gezag besloten geen tussenrapport te maken. Het DAO vond plaats in de periode 29 maart t/m 7 april 2005. De resultaten van het zowel het IVO en het DAO worden in dit rapport besproken.
Bij het vooronderzoek en het definitieve onderzoek zijn grondsporen en structuren van hout en baksteen/natuursteen aangetroffen. Een aantal van deze sporen en structuren behoort tot een kasteelterrein en is op basis van hun onderlinge samenhang, stratigrafie, dendrochronologie en datering van vondstmateriaal onderverdeeld in twee bouwfases (dertiende – vijftiende eeuw). Daarbij zijn er sporen aangetroffen uit de periode na de afbraak van het kasteel (vijftiende – twintigste eeuw)
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
BAAC bv heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Witte de Withstraat 24 te Veghel.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat binnen enkele honderden meters rondom het plangebied verscheidende archeologische waarden zijn aangetoond uit met name de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Daarnaast zijn ook vondsten bekend uit vroegere perioden en de nieuwe tijd.
Binnen het plangebied heeft een school gestaan die in 2014 is gesloopt. Bij de sloop van de gebouwen zal de bovengrond tot op zekere hoogte verstoord zijn geraakt. De oorspronkelijke bodem was een enkeerdgrond op dekzand, waarbij de oorspronkelijke bovengrond uit een humeus pakket bestaat van 50 cm of dikker.
Het plangebied heeft een hoge verwachting voor archeologische waarden uit de ijzertijd tot en met de middeleeuwen (nederzettingsresten, graven e.d.), maar een middelhoge verwachting voor archeologische waarden uit de steentijd (tijdelijke kampementen) vanwege de vermoede bodemverstoring. Indien een podzolbodem aanwezig is, is de verwachting hoog op het voorkomen van resten uit periode laat-paleolithicum – vroeg-neolithicum. Voor de bronstijd en nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de bovengrond tot minstens 40 cm diepte over de kop geweest. In één boring is een begraven podzolbodem met wat houtskoolresten aangetroffen, waarop nog een restant van een enkeerdgrond ligt. Deze boring ligt mogelijk in de periferie van een voormalig ven. In drie van de vier overige boringen is dekzand vanaf 40 cm –mv direct onder een geroerde grond aangetroffen. Eén boring is vastgelopen in een puinlaag.
Gezien de vondsten in de omgeving van het plangebied zijn binnen het plangebied zelf sporen vanaf de steentijd te verwachten. Om dit aan te tonen wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren
Archeologisch bureauonderzoek
BAAC bv heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Oelerbeek en Ommevloed te Hengelo.
Aan het plangebied is een is een lage tot hoge archeologische verwachting toegekend
Inventariserend veldonderzoek (karterende fase)
BAAC bv heeft een inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (karterende fase) uitgevoerd in het plangebied Rioolwaterzuivering Zandpad te Utrecht. Aanleiding voor het onderzoek is het plan de zuiveringsinstallatie uit te breiden, waarbij een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden.
Voor het plangebied is in 2013 een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd, waaruit werd geconcludeerd dat binnen het plangebied een hoge verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten uit de steentijd en uit de periode ijzertijd t/m de nieuwe tijd. De uitvoering van dit onderzoek komt voort uit de specifieke verwachting voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum, mesolithicum en neolithicum in een door veen, klei en geroerde grond begraven dekzandlandschap. Het onderhavig onderzoek betreft een aanvulling op een in maart 2015 uitgevoerd mechanisch karterend booronderzoek. Destijds zijn in twee zones binnen het plangebied resten aangetroffen die samenhangen met de aanwezigheid van jagers/verzamelaars. Onderhavig onderzoek dient uitsluitsel te geven of er sprake is van één, twee of meerdere vindplaatsen uit de steentijd en hoe deze zich verhouden tot het begraven dekzandlandschap.
Uit het veldonderzoek is gebleken dat op basis van de laterale en verticale verspreiding van het vondstmateriaal er vermoedelijk sprake is van één grote vindplaats uit de steentijd, of een aaneenschakeling van meerdere kleinere vindplaatsen. Het areaal heeft een omvang van 1,44 ha en omvat de volgende complextypen: extractiekamp; nederzetting; jacht-/verzamelaarskampement. De vindplaats bevindt zich op of aan de oostzijde van een noord-zuid georiënteerde dekzandopduiking. Het aanwezige dekzand komt voor vanaf 1,5 m –mv (0,2 m +NAP). De diepteligging van de archeologische resten in de top van een podzolbodem ligt tussen 2,1 en 3,4 m –mv (-0,19 en -1,38 m +NAP). Dit komt goed overeen met de eerdere bevindingen uit het karterende booronderzoek. In totaal zijn 12 fragmenten bewerkt vuursteen aangetroffen, die na analyse als splinters en afval/debris konden worden geïnterpreteerd. Qua morfologische eigenschappen is de collectie van vuursteenvondsten uniform. Het betreft hier vermoedelijk een assemblage van vuursteenproductie-afval. De datering van deze vuursteenproductie is vooralsnog onduidelijk.
Het terrein heeft een hoge verwachting op een nederzetting of vuursteenextractiekamp uit de steentijd. Gezien de verwachte bodemverstorende activiteiten die tot diep in het aanwezige dekzand zullen reiken, bestaat er een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord worden.
Indien de geplande bodemverstoringen binnen de getrokken vindplaats dieper reiken dan 1,5 m –mv (circa 0,2 tot -1 m +NAP), het niveau vanaf waar dekzand binnen de vindplaats voorkomt, wordt geadviseerd om bodemverstorende ingrepen te vermijden. Als dat niet mogelijk is, zal de steentijd vindplaats, evenals eventuele overige vindplaatsen in het plangebied, moeten worden begrensd, gedateerd en gewaardeerd met behulp van een proefsleuvenonderzoek
BAAC rapport A-11.0276
In opdracht van mevr. L.H.M. van der Steen (particulier) heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie) te ’s Hertogenbosch op 27 oktober 2011 een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd. Aanleiding tot het onderzoek vormt voorgenomen woning bouw. Bij de bouw zal de ondergrond in het plangebied worden verstoord, waardoor eventuele archeologische resten bedreigd worden. Het onderzoek valt in het plangebied
Veghel, Havelt, dat ten zuidoosten van Veghel ligt. De locatie van het archeologisch onderzoek betreft een perceel aan de Havelt te Havelt. Het terrein is momenteel in gebruik als grasland.
Er is één werkput aangelegd van 4 x 25 meter. Bij de aanleg zijn geen sporen gevonden en is één vondst gedaan. Dit betrof een vuurstenen afslag, die mogelijk in het Neolithicum te dateren is. Op basis van de lage fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt deze als niet behoudenswaardig gewaardeerd. BAAC bv adviseert daarom geen vervolgonderzoek
- …
