1,720,964 research outputs found
Het totaal overziende
Overzicht van waterbouwkundige innovaties, uitgegeven naar aanleiding van het emiritaat van prof. J.F. Agema. 1. Vrijling, J.K., Het totaal overziende; 2. Verkerk, H., Afsluiting Zuiderzee; 3. Agema, J.F., Dijkherstel oostelijk Zuid-Beveland; 4. Estourgie, A.L.P., Aanleg nieuwe havenmond Hoek van Holland; 5. Verbeek, G., Bijzonder materieel bij de uitvoering van de stormvloedkering in de Oosterschelde; 6. Struik, P., Optimalisatie van het ontwerp van de compartimenteringswerken in de Oosterschelde; 7. Altink, H., Alternatieven en keuze koelwatersysteem, Madras, IndiaHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Kustversterking Katwijk
In dit bachelor eindwerk wordt een kustversterking ontworpen voor de kust bij de 'zwakke schakel' Katwijk. Er is gekozen voor een dijk in duin voor de boulevard van Katwijk. Zowel het ontwerp van het duin en het ontwerp van de dijk wordt besproken. Voor het vaststellen van het benodigde duinvolume is gebruik gemaakt van het DUROS-model voor duinafslag.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Uitwateringssluis Katwijk
Het onderwerp van deze bachelor scriptie is de uitwateringssluis bij Katwijk. Op deze plek mondt de Oude Rijn uit in de Noordzee. Op dit moment zijn er twee problemen met de huidige sluis. Bij een storm is er een kans dat er teveel overslag is, zodat de achterliggende tussenboezem overloopt. Ten tweede wordt verwacht dat in de toekomst te weinig capaciteit aanwezig is om het water uit de Oude Rijn te lozen op de Noordzee. In dit eindwerk is er een nieuw ontwerp van het dwarsprofiel zodat de waterkering voldoet aan de huidige en toekomstige (zeespiegelstijging) eisen. Tevens is er een ontwerp voor een extra uitwateringskoker gemaakt.Hydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Spuien op het Markermeer: Een nieuw spuisluizencomplex in de Houtribdijk
In 2008 presenteerde de Deltacommissie haar bevindingen om Nederland ook in de toekomst waterbestendig te houden. Aan van de aanbevelingen was het verhogen van het IJsselmeerpeil met anderhalve meter te verhogen, met verstrekkende gevolgen voor de verschillende aan het IJsselmeer liggende steden. Een van deze steden is Lelystad, dat in haar omgeving naast drie havens ook nog een primaire waterkering in het IJsselmeer heeft liggen: de Houtribdijk, beter bekend als de dijk Enkhuizen-Lelystad. Door de peilverhoging zal niet alleen de dijk moeten worden verhoogd - ook het huidige sluizencomplex, bestaande uit spuisluizen en schutsluizen, zullen moeten worden aangepast. Omdat de aanpassingen zodanig groot zijn, is besloten om een nieuw complex te ontwerpen met nieuwe schutsluizen in de vorm van een naviduct, een nieuwe spui-inrichting en een gemaal. Het besluit om zowel een spuisluis als een gemaal te ontwikkelen komt voort uit het kenmerkende waterbeheer van het Markermeer. In de winter is de aanvoer van water namelijk hoog door de relatief grote regenval en lage verdamping; er is dus noodzaak om water af te voeren naar de zee om ongewenste peilverhoging te voorkomen. Vanuit het Markermeer kan het water op twee manieren worden getransporteerd naar de zee: via het Noordzeekanaal naar de Noordzee of via het IJsselmeer naar de Waddenzee. In de praktijk wordt de voorkeur gegeven aan de afvoer via het IJsselmeer; bij een peilverhoging zal hier in de toekomst dus een gemaal voor nodig moeten zijn. Echter, in de zomer is er een netto verlies van water uit het Markermeer door de grote verdamping en lage aanvoer. Om de waterstand en –kwaliteit in stand te houden is het noodzakelijk om tijdens de zomer zoet water in het Markermeer te laten. Het kwaliteit van het water uit het Noordzeekanaal is niet hoog genoeg, waardoor het enige overgebleven alternatief water vanuit het IJsselmeer in te laten is. Bij een peilverhoging van dat meer is dat ook een logische keuze: door het continu aanwezige verval is de aanvoer van water ‘gratis’. Een grotere controle van het peil van het Markermeer is tevens een wens van de regering die is genoemd in het Nationaal Waterplan. Daarom is ook besloten om een spui-inrichting in de dijk te ontwerpen met de benodigde capaciteit van 90 m³/s bij een waterstandsverschil van 1,0 meter. De spuisluizen worden als een afsluitbare kokerconstructie door de Houtribdijk heen ontworpen. De binnenafmetingen van een enkele koker zijn 93 m x 4,37 m x 1,50 m, met een wanddikte van 0,40 m. De gehele inrichting zal bestaan uit vier van deze kokers, wat verder nog zal bestaan uit deurkasten, twee stortbedden en kwelschermen. De kokers worden gefabriceerd in drie segmenten per koker, die zullen worden afgezonken op de juiste locatie in een tijdelijk ontgraven Houtribdijk. Om het mogelijk te maken om de Houtribdijk te ontgraven zal er een tweede dijk naast de huidige moeten worden aangelegd die de waterkerende en verbindende functie van de Houtribdijk (tijdens de bouw) overneemt. Nadat de sluiskokers geplaatst zijn, kan de dijk weer worden hersteld tot de oude situatie, waarna de sluisdeuren kunnen worden geplaatst en de tijdelijke dijk weer kan worden ontgraven. Op dat moment zal de spuiinrichting een volledig operationeel sleutelelement in het waterbeheer van het Markermeer zijn.Hydraulic EngineeringHydraulic EngineeringCivil Engineering and Geoscience
Going Beyond Counting First Authors in Author Co-citation Analysis
The present study examines one of the fundamental aspects of author co-citation analysis (ACA) - the way co-citation
counts are defined. Co-citation counting provides the data on which all subsequent statistical analyses and mappings
are based, and we compare ACA results based on two different types of co-citation counting - the traditional type that
only counts the first one among a cited work's authors on the one hand and a non-traditional type that takes into
account the first 5 authors of a cited work on the other hand. Results indicate that the picture produced through this non-traditional author co-citation counting contains more coherent author groups and is therefore considerably clearer. However, this picture represents fewer specialties in the research field being studied than that produced through the traditional first-author co-citation counting when the same number of top-ranked authors is selected and analyzed. Reasons for these effects are discussed
Variations on the Author
“Variations on the Author” discusses two of Eduardo Coutinho’s recent films (Um Dia na Vida, from 2010, and Últimas Conversas, posthumously released in 2015) and their contribution to the general question of documentary authorship. The director’s filmography is characterized by a consistent yet self-effacing form of authorial self-inscription: Coutinho often features as an interviewer that rather than express opinions propels discourses; an interviewer that is good at listening. This mode of self-inscription characterizes him as an author who is not expressive but who is nonetheless markedly present on the screen. In Um Dia na Vida, however, Coutinho is completely absent form the image, while Últimas Conversas, on the contrary, includes a confessional prologue that moves the director from the margins to the center of his films. This article examines the ways in which these works stand out in the filmography of a director who offers new insights into the notion of cinematic authorship
Appropriate Similarity Measures for Author Cocitation Analysis
We provide a number of new insights into the methodological discussion about author cocitation analysis. We first argue that the use of the Pearson correlation for measuring the similarity between authors’ cocitation profiles is not very satisfactory. We then discuss what kind of similarity measures may be used as an alternative to the Pearson correlation. We consider three similarity measures in particular. One is the well-known cosine. The other two similarity measures have not been used before in the bibliometric literature. Finally, we show by means of an example that our findings have a high practical relevance.information science;Pearson correlation;cosine;similarity measure;author cocitation analysis
Dispelling the Myths Behind First-author Citation Counts
We conducted a full-scale evaluative citation analysis study of scholars in the XML research field to explore just how different from each other author rankings resulting from different citation counting methods actually are, and to demonstrate the capability of emerging data and tools on the Web in supporting more realistic citation counting methods. Our results contest some common arguments for the continued
use of first-author citation counts in the evaluation of scholars, such as high correlations between author rankings by first-author citation counts and other citation
counting methods, and high costs of using more realistic citation counting methods that are not well-supported by the ISI databases. It is argued that increasingly available digital full text research papers make it possible for citation analysis studies to go beyond what the ISI databases have directly supported and to employ more
sophisticated methods
- …
