44197 research outputs found
Sort by
Effect of exercise-induced lower limb muscle fatigue on lower limb proprioception and postural control in children with cerebral palsy and typically developing children
Deze studie gaat over het effect van inspanningsgebonden spiervermoeidheid van de onderste ledematen (OL) op de proprioceptie van de OL en de posturale controle bij kinderen met cerebrale parese (CP) en kinderen met een typische ontwikkeling (TDC). Posturale controle en proprioceptie werden voor en na spiervermoeidheid gemeten bij 14 kinderen met CP en 28 TDC. De posturale controle tijdens geblinddoekt stilstaan werd geëvalueerd door verplaatsing (xCOP) en snelheid (vCOP) van het COP in anteroposterior (AP) en mediolaterale (ML) richtingen. Proprioceptie van de heup en enkel werd gemeten via een passief ipsilateraal joint position reproduction (JPR) protocol door het bepalen van de joint reproduction error (JRE). Spiervermoeidheid werd gemeten met een vermoeidheidsprotocol. Na vermoeidheid vertoonden beide groepen significante toenames in xCOP en vCOP in AP-richting. Kinderen met CP hadden significant lagere vCOP in AP-richting en hogere vCOP in ML-richting vergeleken met TDC. Bovendien vertoonden kinderen met CP een hogere xCOP in ML-richting dan TDC. Proprioceptie verslechterde na vermoeidheid in beide groepen. Bovendien vertoonden CP-kinderen consistent hogere JRE-waarden dan TDC. Spiervermoeidheid heeft een vergelijkbare negatieve impact op de posturale controle en proprioceptie bij kinderen met CP en TDC, waarbij CP slechtere basisprestaties liet zien. Dit benadrukt de noodzaak van therapeutische benaderingen, zoals functionele krachttraining, die zowel de basis beperkingen als de vermoeidheidsresistentie aanpakken
Phylogenetic, ecological and sensory characterization of Coffea dactylifera, a wild coffee from the Democratic Republic of Congo
Background and Aims Coffee is one of the world's most valuable crops and supports the livelihoods of millions, yet it is increasingly threatened by climate change. Diversifying currently cultivated varieties is crucial for the sector's long-term sustainability. Wild coffee species may carry traits critical for climate resilience but remain largely unexplored. This study provides a first multidisciplinary assessment of Coffea dactylifera, a wild species endemic to the Democratic Republic of Congo (DRC), by comparing its phylogeny, climate niche, morphology and sensory profile with those of the wild relatives of Arabica (C. arabica) and Robusta (C. canephora) coffee.Methods We sampled wild C. dactylifera from the DRC and gathered occurrence data. A consensus phylogenetic tree was constructed using ASTRAL-III, based on DArTseq polymorphic genetic markers, and including data from 22 species. Climate niche modelling used filtered occurrence data and bioclimatic variables. Twelve morphological traits were assessed, encompassing leaf morphology, bean characteristics and plant architectural traits. The sensory quality of coffee beans was evaluated using the Fine Robusta Standards and Protocols.Key Results Coffea dactylifera was identified as a sister species to C. anthonyi, as part of the Coffea eugenioides group. It is adapted to high annual temperatures and low climate seasonality, typical of the lowland forests in Central Africa, where it grows sympatrically with C. canephora. In terms of morphology, it displays a more compact growth form and leaf characteristics that distinguish it from sympatric C. canephora individuals. Sensory evaluation revealed an average score of 78.75 points marked by the 'brown sugar' descriptor, intense sweet aftertaste and syrupy mouthfeel.Conclusions C. dactylifera may contribute to climate-resilient coffee breeding. Its genetic proximity to cultivated species, climate niche, compact growth form and promising sensory profile highlight its relevance for conservation and potential use in breeding.Research Foundation-Flanders; research mandate [FWO:1173725N]; SBBOA
Differences in sensory integration on balance between older fallers and non-fallers, a systematic review and meta-analysis
A highly intensive balance therapy camp for children with developmental coordination disorder: Effects on different ICF-levels
Een van de belangrijkste motorische moeilijkheden bij kinderen met een Developmental Coordination Disorder (DCD) is posturale controle. Dit probleem beïnvloedt hun dagelijks functioneren. Verschillende interventies die zich richten op posturale controle missen een omvattende multisystemische aanpak en houden onvoldoende rekening met het activiteiten- en participatieniveau binnen het ICF-kader. Interventies met hoge intensiteit zijn effectief gebleken bij andere pediatrische doelgroepen, maar de effectiviteit bij DCD blijft onduidelijk.
Deze studie heeft als doel de effectiviteit te evalueren van een zeer intensief evenwichtsinterventiekamp voor kinderen met DCD. Een circusthema werd gekozen voor het kamp, waarin 35 kinderen van 6 tot 12 jaar met DCD deelnamen, met als doel de posturale controle te verbeteren. Evaluaties van posturale controle (Kids-BESTest-2) en grove motoriek (TGMD-3) werden uitgevoerd vóór de interventie, erna en bij een follow-up na drie maanden, met behulp van een lineair mixed model.De relatie tussen veranderingen in motorische prestaties en zelfperceptie van competentie (COPM, CBSK/PSPCSA) werd onderzocht. Een laatste doelstelling was om ‘responders’ voor succesvolle uitkomsten te identificeren aan de hand van een beschrijvende statistische tabel, waarin p-waardes werden vergeleken op basis van leeftijd, beginscores op de Kids-BESTest-2 en TGMD-3, therapie, natuurlijke motorische ontwikkeling en comorbiditeiten.Bij de follow-up vertoonden de kinderen vooruitgang op de TGMD-3 en de Kids-BESTest-2
Fast electromagnetic and thermal modelling of foil windings in power electronics magnetic components
De trend naar gewichts- en volumevermindering van elektromagnetische componenten
in vermogenselektronica wordt mogelijk door hogere schakelfrequenties. Deze
behouden de energieconversie-efficiëntie, maar zorgen voor thermische beperkingen.
Daarom zijn compacte en nauwkeurige modellen nodig die elektromagnetisch en
thermisch gedrag correct weergeven. Dit onderzoek ontwikkelt en valideert modellen
via eindige-elementenanalyse (FEA) van een zelfgebouwde EE-kerntransformator met
koperen foliewikkelingen. Deze modellen ondersteunen ontwerp en optimalisatie in
vermogenelectronica. De methode van eindige elementen (FEM) wordt toegepast op
een gesimuleerd model dat een maximale fout van 5% vertoont, met sterk verminderde
rekentijd en geheugengebruik ten opzichte van fijnmazige modellen. Validatie gebeurt
via infraroodmetingen op de transformator in een full-bridge CLLLC-omvormer met
synchrone gelijkrichting in een 6,6 kW on-board charger. De gemeten waarden weken af
van de verwachtingen, waardoor de validatie beperkt bleef. De scriptie bespreekt
beïnvloedende factoren en stelt homogenisatietechnieken voor ter verbetering van de
efficiëntie. Elektromagnetische eigenschappen worden gekarakteriseerd via RLC-metingen. De grofmazige modellen behalen een gemiddelde thermische
nauwkeurigheid van 96% en een geheugenefficiëntieverbetering met een factor 28,
gemiddeld over alle zelfgebouwde simulatiemodellen
Meer-dan-Menselijk ontwerp. Zes exploraties van groen-blauw ontwerpend onderzoek in Zwartberg, Genk.
Deze collectieve masterscriptie verkent hoe architecturaal ontwerp zich kan
verhouden tot een ‘more-than-human’-perspectief, waarbij niet alleen de mens,
maar ook andere levende en niet-levende entiteiten zoals dieren, planten, water,
bodem en energie als actoren in het ontwerp worden beschouwd. Vanuit een
kritische reflectie op het antropoceen en de ecologische crisis, onderzoeken we hoe
ontwerppraktijken kunnen bijdragen aan een wederkerige relatie tussen mens en de
meer-dan-menselijke wereld. Deze benadering wordt theoretisch onderbouwd aan
de hand van posthumanistische en ecologisch-filosofische kaders, zoals Haraway
en Latour, en vertaald naar ruimtelijke praktijken in de context van Zwartberg,
Genk. Door middel van zes ontwerpend-onderzoekende exploraties brengen we
verschillende manieren in kaart waarop verbondenheid met natuur, water, dieren
en energie ruimtelijk versterkt kan worden. De scriptie pleit voor een relationele en
zorgzame ontwerppraktijk, waarin menselijke en niet-menselijke noden in samenhang
worden benaderd. Zo beogen we bij te dragen aan een ecologisch en ethisch
bewustzijn binnen de ruimtelijke disciplines en aan nieuwe vormen van samenleven
in een gedeeld leefmilieu
Oplossingen voor een efficiënte levering van pakketjes
De sterke toename van e-commerce stelt last-mile logistiek voor nieuwe uitdagingen op het vlak van duurzaamheid en efficiëntie. Deze masterproef onderzoekt in welke mate pakketlockers kunnen bijdragen aan een duurzamer en efficiënter bezorgingssysteem in stedelijke en landelijke gebieden. Via een literatuurstudie, een enquête onder 260 Belgische consumenten en diepte-interviews met stakeholders, worden percepties, barrières en kansen in kaart gebracht. De resultaten tonen aan dat pakketlockers positief worden onthaald, vooral in suburbane gebieden waar bereikbaarheid en mobiliteitsgedrag gunstig zijn. In landelijke gebieden is het vertrouwen hoog, maar ontbreekt nabijheid. In steden leeft bezorgdheid over ruimtelijke integratie, maar wordt het potentieel voor minder verkeer erkend. Respondenten waarderen vooral de flexibiliteit van lockers. Jongere gebruikers tonen zich enthousiaster dan oudere generaties. Logistieke actoren benadrukken de efficiëntie- en duurzaamheidsvoordelen, vooral bij strategische plaatsing en samenwerking. Toch blijft het systeem aanvullend op thuislevering. Deze studie onderstreept het belang van beleidsmatige sturing, samenwerking en het inzetten van white lockers om versnippering tegen te gaan
Quadratus lumborum block: an imaging study of three approaches
Background and objectives Different injection techniques for the quadratus lumborum (QL) block have been described. Data in human cadavers suggest that the transverse oblique paramedian (TOP) QL3 may reach the thoracic paravertebral space more consistently than the QL1 and QL2. However, the distribution of injectate in cadavers may differ from that in patients. Hence, we assessed the distribution of the injectate after the QL1, QL2, and TOP QL3 techniques in patients.
Materials and methods Thirty-four patients scheduled for abdominal surgery received QL blocks postoperatively; 26 patients received bilateral and 8 patients received unilateral blocks. Block injections were randomly allocated to QL1, QL2, or TOP QL3 techniques (20 blocks per each technique). The injections consisted of 18 mL of ropivacaine 0.375% with 2 mL of radiopaque contrast, injected lateral or posterior to the QL muscle for the QL1 and QL2 techniques, respectively. For the TOP QL3, the injection was into the plane between the QL and psoas muscles, proximal to the L2 transverse process. Two reviewers, blinded to the allocation, reviewed three-dimensional computed tomography (3D-CT) images to assess the distribution of injectate.
Results and discussion The QL1 block spread in the transversus abdominis plane (TAP), QL2 in the TAP, and posterior aspect of the QL muscle, whereas TOP QL3 spread consistently in the anterior aspect of the QL muscle with occasional spread to the lumbar and thoracic paravertebral areas.
Conclusions The spread of injectate after QL1, QL2, and QL3 blocks, resulted in different distribution patterns, primarily in the area of injection. The TOP QL3 did not result in consistent interfascial spread toward the thoracic paravertebral space.The authors would like to acknowledge Dr Yvan Demerlier, Dr Dahin Laurent, and the department of radiology of Clinique Sainte-Anne Saint-Remi for their invaluable help in reviewing the 3D-CT images, and the entire NYSORA team for their assistance in preparing this manuscript
Comparative Family Law by FL-EUR. First Results and Working Method on Vulnerable Adults
This article briefly overviews the working method of the academic network Family Law in Europe (FL-EUR) applied to the first working field: Vulnerable adults. The results can be found in the open-access journal Family&Law and on the FL-EUR website. In addition, the article explains the differences in the working method used by CEFL. It concludes with some challenges in the design and interpretation of the questionnaire