Sciensano Publications Repository
Not a member yet
    11597 research outputs found

    mRNA Substances for the production of mRNA vaccines for human use (5.39)

    No full text

    Advancing regulatory dialogue: In silico models for improved vaccine biomanufacturing - an expert meeting report.

    No full text
    On March 30, 2022, Inno4Vac, a public-private partnership funded by the IMI2/EU/EFPIA Joint Undertaking (IMI2 JU), organised a hybrid workshop, titled “Regulatory Dialogue for Road Maps of Implementation of New Tools in Chemistry, Manufacturing, and Controls Dossiers.” This event brought together modellers, regulatory experts, and academic and industry professionals specialising in vaccine process and product development. The sessions discussed key parameters and requirements for model development and verification relevant to vaccine biomanufacturing and shelf life. The stability model was highlighted as having the most significant impact on the common technical document (CTD) due to its potential to streamline data requirements. Regulators are open to considering reliable reduced stability data packages (3-12&nbsp;months) instead of the standard 36&nbsp;months, potentially expediting product availability. Appropriate study design reduces uncertainty and therefore the risk of making poor decisions. Upstream models are further from the final product, and their role in the control strategy of the product will define their level of risk and, therefore, requirements for validation and inclusion of information in the file. Regulators may consider downstream models high risk as these can be associated with the monitoring and/or control of critical quality attributes and/or be involved in the release of a product. However, requirements for validation and/or dossier content should always be linked to the intended use of the model and its overall role in the control strategy as per the new EMA Quality Innovation Group Considerations regarding Pharmaceutical Process Models. The success of these models hinges on manufacturers providing enough quality data to prove their accuracy in representing real-world processes. Proactive engagement with regulators, supported by detailed evidence, can foster regulator understanding of new models and potentially lead to new guidelines and pathways for model&nbsp;acceptance.</p

    Surveillance épidémiologique de l&#039;hépatite A en Belgique, 2023-2024

    No full text
    Messages&nbsp;clés • Le nombre de cas d’hépatite A enregistrés était de 175 en 2023 et 254 en 2024 (données de la déclaration obligatoire et du Centre National de Référence). • Après une baisse du nombre de cas d&#8217;hépatite A pendant la pandémie de COVID-19 (surtout en 2020 et 2021), le nombre de cas d&#8217;hépatite A est revenu aux niveaux antérieurs à la pandémie de COVID-19 en 2024. • En 2024, il y avait légèrement plus d&#8217;hommes que de femmes atteints d&#8217;hépatite A (en 2023, il n&#8217;y avait aucune différence). Les incidences les plus élevées ont été enregistrées dans les groupes d&#8217;âge inférieurs à 10 ans. • L&#8217;hépatite A présente une évolution saisonnière en Belgique, avec un nombre plus élevé de cas après l&#8217;été, lié aux voyageurs revenant de pays où la maladie est&nbsp;endémique.</p

    Epidemiologische surveillance van Campylobacter (2019-2024)

    No full text
    Kernboodschappen: - Na een daling van het aantal gevallen tussen 2019 en 2021 zien we in 2024 een stijging van het aantal gerapporteerde Campylobacter gevallen.&#8239;—&thinsp;In de periode 2019 tot 2024 was, net als in voorgaande jaren, de leeftijdsgroep onder de 5 jaar het meest getroffen en werden meer gevallen geregistreerd tijdens de zomermaanden.&#8239;—&thinsp;De trends zijn vergelijkbaar in de verschillende gewesten met een hogere geregistreerde incidentie in Vlaanderen dan in Wallonië en Brussel.&#8239;—&thinsp;Op basis van een enquête onder alle laboratoria in België in 2022 wordt de dekking van de surveillance van Campylobacter via het netwerk van peillaboratoria geschat op 39%. Deze enquête heeft aangetoond dat een onevenwichtige spreiding van deelnemende laboratoria over de verschillende gewesten in België de verschillen in geregistreerde incidenties per gewest deels kan verklaren.&#8239;—&thinsp;De verhoging in 2024 op basis van gegevens van het netwerk van peillaboratoria moet nog worden bevestigd, rekening houdend met de deelname van laboratoria aan de surveillance en veranderingen in de diagnostische&nbsp;praktijken.</p

    Zorginfecties en antimicrobieel gebruik in Belgische woonzorgcentra: resultaten van de HALT-4 puntprevalentiestudie (2023-2024)

    No full text
    De vierde puntprevalentiestudie in chronische zorginstellingen (HALT-4), uitgevoerd in 2023-2024 in België, maakte deel uit van een Europees project dat wordt gecoördineerd door Sciensano in samenwerking met het Europees Centrum voor Ziektepreventie en –bestrijding (ECDC). Het belangrijkste doel van deze studie was het meten van de prevalentie van actieve zorginfecties en het gebruik van systemische antimicrobiële middelen in chronische zorginstellingen. In totaal werden 8 816 bewoners en patiënten, verdeeld over 79 chronische zorginstellingen, opgenomen in de studie. Negenzestig woonzorgcentra (WZC) namen deel aan de HALT-4 studie. Van deze instellingen bevonden 35 WZC (50,7%) zich in Vlaanderen, waarvan 33 deelnamen in het najaar van 2023 en twee in het voorjaar van 2024. In Wallonië namen 30 WZC (43,5%) deel, met twee WZC in het najaar van 2023 en 28 in het voorjaar van 2024. De vier Brusselse WZC (5,8%) namen allen deel in het voorjaar van 2024. Meer dan de helft van de WZC bewoners (59,4%) was ouder dan 85 jaar en 28,0% was mannelijk. Een meerderheid vertoonde desoriëntatie in tijd en/of ruimte (57,9%) en was incontinent voor urine en/of stoelgang (66,5%). De medische zorg werd in 63,8% van de WZC verleend door bezoekende huisartsen, in 34,8% door een combinatie van behandelend artsen en een interne vaste medische staf en in één WZC (1,4%) uitsluitend door interne artsen. Bijna alle WZC (97,1%) hadden een coördinerend raadgevende arts (CRA). Op het gebied van infectiepreventie en -bestrijding (IPC) beschikte 72,5% van de WZC over ten minste één opgeleid persoon, meestal verpleegkundigen en soms artsen. Handhygiëne-opleidingen werden gegeven in 58,0% van de WZC en was voornamelijk gericht op verpleegkundigen en paramedisch personeel. De gemiddelde en mediane prevalentie van bewoners met minstens één actieve zorginfectie bedroeg respectievelijk 2,5% en 1,6%. In totaal werden 178 infecties gerapporteerd. De meest voorkomende infecties waren luchtweginfecties (42,7%), urineweginfecties (35,4%) en huidinfecties (12,9%). De mediane prevalentie van bewoners met ten minste één systemische antimicrobiële behandeling bedroeg 3,8%. Er werden 347 antimicrobiële middelen gerapporteerd. In totaal werd 64,0% van de systemische antimicrobiële behandelingen therapeutisch toegediend. Voor 61,7% van de antimicrobiële middelen was een eind- of revisiedatum bekend. In geval van profylactisch voorgeschreven antimicrobiële middelen was de eind- of revisiedatum voor slechts 11,2% bekend, tegenover 90,1% voor therapeutisch voorgeschreven middelen. Antibiotica voor systemische gebruik (J01) vormden met 97,4% verreweg de meest voorgeschreven antimicrobiële middelen. De top drie voorgeschreven subklassen waren “overige antibacteriële middelen” (J01X; 34,3%&#8239;—&thinsp;in het bijzonder fosfomycine en nitrofurantoïne), “beta-lactam antibiotica, penicillines” (J01C; 28,7%&#8239;—&thinsp;in het bijzonder amoxicilline-clavulaanzuur) en “macroliden, lincosamiden, streptograminen” (J01F; 14,5%&#8239;—&thinsp;in het bijzonder&nbsp;azithromycine).</p

    Food consumption Survey 2022-2023 - Estimation of food and supplement consumption and nutrient intake in the Belgian population

    No full text
    This methodology report describes the procedures used to analyse food consumption, nutrient intake, and dietary supplement use in the Belgian population, based on data from the Food Consumption Survey&nbsp;2022-2023. The core of the report focuses on the analysis of food and nutrient intake, based on two non-consecutive 24-hour dietary recalls per participant. Only individuals with two complete recalls were included in these analyses, which means that the study sample differs slightly from other analyses. To ensure the representativeness of the Belgian population, specific weighting factors were recalculated. These are described in the first&nbsp;chapter. The report further outlines the methodology used to estimate usual food and nutrient intake, which requires advanced statistical modelling. The software used for this purpose, along with its underlying principles, is discussed in detail. Indicators of consumption, such as mean intake, habitual intake, and consumption frequency are explained, as well as how specific consumption patterns—including food and supplement intake—are&nbsp;evaluated. Subsequent chapters describe how food consumption was assessed against national food-based dietary guidelines, and how nutrient intake was compared to dietary reference values to evaluate adequacy and possible excess of nutrient intake. Energy intake was specifically evaluated for plausibility, given the well-documented issue of potential misreporting in dietary&nbsp;surveys. Finally, a dedicated chapter discusses the analysis and indicators of dietary supplement consumption, including the types of supplements consumed, along with the reasons for and places of consumption.&nbsp;&nbsp;</p

    Local approach to attributable disease burden: a case study on air pollution and mortality in Belgium

    No full text
    Background Burden of disease estimation and the attribution to risk factors are commonly done on national or regional scale. This research proposes a novel approach, where air pollution-related mortality in Belgium was estimated locally, and compares the results to those of the common ‘global’&nbsp;approach. Methods In the local approach, mortality attributable to long-term exposure to particulate matter &lt; 2.5&nbsp;μm (PM2.5) and nitrogen dioxide (NO2) is derived at the level of census tracts. Relying on a statistical concentration-response function suggests potential bias when applied to such small scale. Therefore, the local method is validated by comparing aggregated results to estimates derived with a global approach. In a sensitivity analysis, the difference between the global and local approach is compared to the impact of other methodological choices and sources of&nbsp;uncertainty. Results The local method estimates (95% confidence interval) 12,276 (6,695; 17,826) deaths for PM2.5 and 7,944 (4,725; 11,181) for NO2 in Belgium. For both pollutants, these national estimates never deviate more than 2% from those obtained with the global method, and never more than 4% in the individual provinces. The sensitivity analysis demonstrates the concentration-response function as having the largest contribution to overall uncertainty, while the global-local discrepancy is slightly larger compared to the exposure&nbsp;uncertainty. Conclusions Aggregated local burden estimates prove to be accurate compared to the global approach. This means the local method shows potential for comparing areas and population groups at subnational level, where estimates can be generated in a flexible manner depending on research or policy&nbsp;needs.</p

    Surveillance van de mortaliteit door alle oorzaken in België, Vlaanderen, Wallonië en Brussel in de winter van 2024-2025. Be-MOMO: the Belgian Mortality Monitoring

    No full text
    De winterperiode 2024-2025, van maandag 7 oktober 2024 (week 41) tot zondag 11 mei 2025 (week 19), werd gekenmerkt door een lichte oversterfte van 1 315 extra sterfgevallen ten opzichte van wat verwacht werd, ofwel een oversterfte van +1,9&nbsp;% (71.738 geregistreerde sterfgevallen en 70.423 verwachte sterfgevallen). Deze oversterfte concentreerde zich op acht opeenvolgende weken vanaf januari 2025 en viel samen met de griepepidemie, de RSV-epidemie, smogperiodes en een&nbsp;koudegolf. Er waren gemiddeld 331 sterfgevallen per dag, met een piek van 463 sterfgevallen op 10 januari 2025. Op Belgisch niveau was de oversterfte het meest uitgesproken bij personen van 85 jaar en ouder (+4,2&nbsp;%), vooral bij mannen in deze leeftijdsgroep (+7,7&nbsp;%). Uit de analyse per geslacht, alle leeftijden samen, blijkt dat de oversterfte bij vrouwen (+2,3&nbsp;%) iets hoger ligt dan bij mannen (+1,8&nbsp;%). Deze oversterfte bij vrouwen is vooral opvallend bij de groep jonger dan 65 jaar (+5,4&nbsp;%), terwijl bij mannen in dezelfde leeftijdsgroep een ondersterfte werd&nbsp;vastgesteld. Op regionaal niveau werd een oversterfte van +2,5&nbsp;% vastgesteld in Vlaanderen (1 039 extra sterfgevallen), een lichte oversterfte van +1,0&nbsp;% in Wallonië (239 extra sterfgevallen) en een oversterfte van +4,8&nbsp;% in Brussel (243 extra sterfgevallen). In alle gewesten trof de oversterfte vooral personen van 85 jaar en ouder. In Wallonië werd echter een ondersterfte vastgesteld bij mannen jonger dan 65 jaar. Wekelijkse waarschuwingen voor oversterfte bij de totale bevolking werden gedurende vijf weken in Vlaanderen, vier weken in Wallonië en één week in Brussel opgemerkt, voornamelijk bij personen van 85 jaar en&nbsp;ouder. Be-MOMO in&nbsp;woonzorgcentra De oversterfte was duidelijk meer uitgesproken bij de woonzorgcentra-bewoners (WZC), met 499 extra sterfgevallen (+2,7 %), tegenover 680 extra sterfgevallen (+1,6 %) bij personen ouder dan 65 jaar die niet in een WZC verblijven. In beide groepen was de oversterfte bijzonder uitgesproken bij 85-plussers. Onder de bewoners van WZC was de oversterfte meer uitgesproken bij vrouwen (+3,4&nbsp;%) dan bij mannen (+2,6&nbsp;%). Bij de niet-bewoners van WZC daarentegen was de oversterfte vergelijkbaar tussen de geslachten, met een stijging van +1,8&nbsp;% bij vrouwen en +1,7&nbsp;% bij&nbsp;mannen. Er werd ook een wekelijkse oversterfte vastgesteld gedurende drie weken bij alle bewoners van WZC, en gedurende vijf weken bij bewoners van 85 jaar en ouder. Bij ouderen die niet in een WZC verblijven, werd oversterfte gedurende zeven opeenvolgende weken geregistreerd bij vrouwen ouder dan 65&nbsp;jaar. Oversterfte gedurende de&nbsp;griep De griepepidemie duurde 13 weken, van 9 december 2024 (week 50) tot en met 9 maart 2025 (week 10), met een piek van 670 consulten/100.000 inwoners in week 4 (van 20 tot 26 januari 2025). Deze griepepidemie duurde langer dan normaal en was bijzonder hevig. De meeste griepinfecties werden veroorzaakt door het type A-virus (H1N1 en H3N2 in gelijke verhoudingen), terwijl type B later in het seizoen en in mindere mate voorkwam. Deze trend van langdurige epidemieën zet zich al drie winters op rij voort, met een duur van 11 tot 15 weken, tegenover kortere episodes vóór de COVID-19-pandemie. De periode van de griepepidemie was kritieker, met een oversterfte van 2.591 extra sterfgevallen (+10,9&nbsp;% oversterfte onder de 26.395 geregistreerde sterfgevallen), waarbij vooral 85-plussers werden getroffen (+15&nbsp;%, 1.623 extra sterfgevallen), en met een meer uitgesproken oversterfte bij vrouwen (+12,9&nbsp;%, 1.574 extra sterfgevallen). Op regionaal vlak was de oversterfte het hoogst in Brussel (+15,8&nbsp;%, 268 extra sterfgevallen), gevolgd door Wallonië (+11,5&nbsp;%, 930 extra sterfgevallen) en Vlaanderen (+10,5&nbsp;%, 1 463 extra&nbsp;sterfgevallen). De oversterfte was het hoogst onder bewoners van WZC, met 1 016 extra sterfgevallen (+12,5&nbsp;%), tegenover 1 591 extra sterfgevallen (+8,3&nbsp;%) bij 65-plussers die niet in een WZC&nbsp;woonden. Tijdens dit winterseizoen kreeg 15&nbsp;% van de patiënten die in het ziekenhuis werden opgenomen voor een ernstige acute luchtweginfectie (SARI) met een diagnose van griepinfectie complicaties, en 4&nbsp;% van deze patiënten overleed. Deze cijfers blijven hoog en stabiel in vergelijking met de twee voorgaande winters (respectievelijk 14&nbsp;% en 17&nbsp;% voor complicaties, en 2&nbsp;% en&nbsp;5 % voor&nbsp;sterfgevallen). RSV De RSV-epidemie duurde 12 weken, van 11 november 2024 (week 46) tot 2 februari 2025 (week 5), met een piek in week 50 (van 9 tot 15 december 2024). Opvallend is dat er in vergelijking met het vorige seizoen een aanzienlijke daling van de incidentie werd waargenomen bij zuigelingen van 0 tot 5 maanden. Deze evolutie komt overeen met de eerste implementatie in België van een immunisatiecampagne met Nirsevimab voor jonge kinderen. Dit seizoen werd een duidelijk tijdsverschil waargenomen in de dynamiek van de epidemie tussen jonge kinderen en personen van 65 jaar en ouder. Bij jonge kinderen werd de piekincidentie bereikt in week 48, 2024. Bij 65-plussers werd de piek daarentegen later waargenomen, namelijk in week 1,&nbsp;2025. Koude&nbsp;golf Een koude golf, zoals gedefinieerd door het KMI, werd waargenomen van 17 tot 22 januari 2025 (week 8). Gedurende 41 dagen werden negatieve minimumtemperaturen geregistreerd (minimum -4,0 °C, in Ukkel in januari 2025), tegenover 19 dagen in de vorige winter. Op vier dagen werden ook negatieve maximumtemperaturen gemeten, waaronder -0,6 °C in januari 2025. Vanaf 9 januari 2025 werd gedurende meerdere dagen ook sneeuwval&nbsp;waargenomen Luchtvervuiling Gedurende meerdere dagen was er sprake van luchtvervuiling waarbij de Europese informatiedrempel voor fijnstof (PM2,5) werd overschreden. IRCELINE heeft uitzonderlijk zes waarschuwingen voor piekvervuiling afgegeven (PM2,5 hoger dan 35 µg/m3 gemiddeld over 24 uur), waarbij de informatiefase in de drie gewesten werd geactiveerd, maar vaker in&nbsp;Vlaanderen. Correlaties tussen sterfte en&nbsp;risicofactoren De sterfte in België vertoonde een statistisch significante en sterke correlatie met de incidentie van griepachtige klachten, matige correlaties met de minimum- en maximumtemperaturen, en zwakkere correlaties met de concentraties van zwevende deeltjes in de lucht (PM2,5) en met de minimale en maximale relatieve&nbsp;vochtigheid. Historische&nbsp;vergelijking Hoewel de oversterfte en het bruto sterftecijfer zijn gestegen ten opzichte van de twee voorgaande winters, blijft de oversterfte tijdens de winter van 2024-2025 lager (+1,9&nbsp;%) dan tijdens de pandemische winters en iets onder het gemiddelde van de afgelopen 24 winters&nbsp;(+2,2&nbsp;%). Bij de minder dan 65-jarigen was er een lichte oversterfte (+0,3&nbsp;%), een niveau dat vergelijkbaar is met dat van 2022-2023, maar dat is gestegen ten opzichte van de vorige&nbsp;winter. Bij personen van 85 jaar en ouder werd in 2022-2023 een lichte oversterfte geregistreerd, gevolgd door een ondersterfte in 2023-2024. Deze winter was er een grotere oversterfte (+4,2&nbsp;%). De oversterfte onder bewoners van WZC is sinds de winter van 2022-2023 sterk gedaald, wat het einde van de pandemie markeert. In 2024-2025 is deze gestegen ten opzichte van de vorige winter (- 3,9&nbsp;%) en is vergelijkbaar met die van 2022-2023 (+2,7&nbsp;%). Tussen 2020 en 2023 was de oversterfte in de winter hoger bij bewoners van WZC tussen 65 en 84 jaar, maar deze trend keerde zich om in 2024-2025, met een meer uitgesproken oversterfte bij&nbsp;85-plussers.</p

    0

    full texts

    11,597

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Sciensano Publications Repository
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇